ECLI:NL:RBGEL:2026:3220

ECLI:NL:RBGEL:2026:3220

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer 448274
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Nasleep van verwikkelingen rond de aankoop in 2011 van het Gelva-complex in de gemeente Vaals (zie ook de zaak met kenmerk C05444104 HA ZA 24-573). Bestuurder van kopende vennootschap spreekt verschillende partijen aan tot vergoeding van schade als gevolg van zijn faillissement. Alle vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer: C/05/448274 / HA ZA 25-90

Vonnis van 22 april 2026

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats] (gemeente [woongemeente] ),

eisende partij,

advocaat: mr. S.N. Peijnenburg te Purmerend,

hierna te noemen: [de eiser] ,

tegen

1. de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

advocaat: mr. B.W. Wijnstekers te Amsterdam,

2. [naam gedaagde 1],

wonende te [woonplaats] ( [land] ),

advocaat: mr. A.W. Hooijen te Blaricum,3. [naam gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ( [land] ),

advocaat: mr. A.W. Hooijen te Blaricum,4. [naam gedaagde 3],

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. J.A. Stal te Amsterdam,5. DE ONTVANGER DER BELASTINGEN/BELASTINGDIENST,

gevestigd te Den Haag,

advocaat: mr. E.E. Schipper te Amsterdam,

gedaagde partijen,

hierna te noemen: de bank, [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en de Belastingdienst

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 juli 2025,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 oktober 2025.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Beknopte weergave van de zaak

[de eiser] is aandeelhouder en bestuurder van verschillende vennootschappen. Enkele daarvan zijn failliet gegaan. [de eiser] is zelf ook failliet gegaan. Hij meent dat hij ten onrechte failliet is verklaard. Hij houdt de gedaagde partijen aansprakelijk voor zijn faillissement. In deze zaak spreekt [de eiser] hen aan tot vergoeding van schade die hij lijdt als gevolg van dat faillissement.

3. 3. De feiten

[de eiser] is advocaat geweest. Hij is ook direct dan wel indirect bestuurder en aandeelhouder geweest van verschillende vennootschappen, waaronder Triskalion B.V.

en Mamelis B.V. Triskalion is een persoonlijke holding waarin [de eiser] pensioen opbouwde. Mamelis is opgericht met het oog op de aankoop van het Gelva-complex, een voormalige schuurpapierfabriek in de buurtschap Mamelis in de gemeente Vaals.

De bank heeft de aankoop van het Gelva-complex door Mamelis gefinancierd.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn vennoten van de vennootschap naar Belgisch recht BricXchange CVBA. BricXchange is aanvankelijk als makelaar opgetreden en heeft uiteindelijk als eigenaar het Gelva-complex aan Mamelis verkocht.

In juni 2015 heeft de advocaat van de bank aan de Belastingdienst gevraagd of zij een steunvordering had ten behoeve van een verzoek om [de eiser] failliet te verklaren. Bij brief van 10 juli 2015 heeft de Belastingdienst (kantoor Breda) de advocaat bericht:

Op uw verzoek deel ik u mede dat dhr. [de eiser] op dit moment een onherroepelijke en direct invorderbare belastingschuld heeft ter grootte van € 236.740,00 exclusief invorderingsrente. U mag deze schuld als steunvordering bij een faillissementsaanvrage gebruiken.

Op 26 juni 2015 hebben de bank en BricXchange de rechtbank Zeeland-West-Brabant (zittingsplaats Breda) verzocht [de eiser] failliet te verklaren. In het verzoekschrift staat:

1. De Bank heeft een bedrag van EUR 2.350.000,= te vorderen van [de eiser] uit hoofde van door [de eiser] afgegeven borgtochten van EUR 2.000.000, EUR 200.000 en EUR 150.000. (...) Tot op heden heeft [de eiser] zijn schuld aan de Bank in het geheel niet afgelost.

2. De door [de eiser] afgegeven borgtochten strekten tot zekerheid voor de nakoming van een kredietovereenkomst gesloten tussen de Bank enerzijds en Molenbel B.V., Triskalion B.V., Molenvast B.V., Invere B.V. en Cubo Vastgoed Holding B.V. en Mamelis B.V. anderzijds. Voornoemde vennootschappen (behalve Mamelis B.V.) zijn in staat van faillissement verklaard. (...)

3. Bricxchange heeft wegens een opgezegde geldlening een vordering op [de eiser] . Bij vonnis van 4 februari 2015 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda de vordering van Bricxchange van EUR 1.129.406.00, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten, toegewezen (…)

4. [de eiser] verkeert in de toestand van hebben opgehouden te betalen. Het is de Bank daarnaast bekend dat [de eiser] naast de Bank en Bricxchange meerdere schuldeisers heeft. Hij laat deze schulden onbetaald. De Bank en Bricxchange zijn dan ook bevoegd het faillissement van [de eiser] aan te vragen.

Bij beschikking van 14 juli 2015 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het verzoek om [de eiser] failliet te verklaren, afgewezen.

De bank en BricXchange zijn in hoger beroep gegaan. Bij arrest van 17 september 2015 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de beschikking van 14 juli 2015 vernietigd en [de eiser] failliet verklaard met aanstelling van mr. [curator] als curator. In het arrest staat:

Het faillissement van [de eiser] is aangevraagd door de Bank en Bricxchange. De Bank stelt in het inleidend verzoekschrift een vordering te hebben op [de eiser] van in totaal € 2.350.000,-- uit hoofde van door [de eiser] afgegeven borgtochten van respectievelijk € 2.000.000,--, € 200.000,-- en € 150.000,--. De borgtochten strekken tot zekerheid voor de nakoming van een kredietovereenkomst tussen de Bank enerzijds en een zestal besloten vennootschappen anderzijds. (...)

(...)

De akte van borgstelling van € 150.000,-- dateert van 17 februari 2011. De Bank heeft een vordering van € 1.537.201,21 (te vermeerderen met rente en kosten) op Mamelis B.V.

(...)

3.5.2.1. (...) De vordering van de Bank uit hoofde van de borgstellingen van € 200.000,-- en € 150.000,-- die blijken uit door [de eiser] ondertekende aktes van respectievelijk 14 december 2010 en 17 februari 2011 (...), zijn evenmin betwist door [de eiser] en staan daarmee vast. Van een tegenvordering van [de eiser] op de Bank is op dit moment niet (summierlijk, althans onvoldoende summierlijk) gebleken, zodat van opschorting of verrekening – indien al mogelijk in deze procedure – geen sprake kan zijn.

(...)

Het hof concludeert dat de vorderingen van de aanvragers summierlijk aannemelijk zijn, dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers waarbij minstens één vordering op [de eiser] opeisbaar is en dat [de eiser] verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen.

De bank en Bricxchange hebben, gelet op al het bovenstaande, naar het oordeel van het hof hun belang bij een faillietverklaring van [de eiser] voldoende onderbouwd. [de eiser] heeft zijn stelling, dat de Bank en Bricxchange de faillissementsaanvraag slechts hebben ingezet om druk op hem uit te oefenen, volstrekt onvoldoende onderbouwd. Ook overigens is het hof van misbruik van bevoegdheid (in de zin van het hier om een willekeurig en onnodig gebruik van de bevoegdheid tot het aanvragen van een faillissement gaat) niet gebleken. Dit betekent dat het appel van de Bank en Bricxchange reeds op grond van het voorgaande slaagt en de overige standpunten geen bespreking meer behoeven. Het hof zal de beschikking waarvan beroep vernietigen en het verzoek van de Bank en Bricxchange om [de eiser] in staat van faillissement te verklaren alsnog toewijzen.

[de eiser] is in hoger beroep gegaan van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 februari 2015, genoemd in het verzoekschrift van 26 juni 2015 onder 3 (hiervoor geciteerd). Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft eerst een tussenarrest en toen een eindarrest gewezen. Bij arrest van 17 april 2020 heeft de Hoge Raad die arresten vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 19 september 2023 eindarrest gewezen.

Bij vonnis van 1 juni 2021 heeft de Handelsrechtbank te Brussel BricXchange failliet verklaard. In mei 2023 is het faillissement opgeheven bij gebrek aan baten.

4. De vordering

[de eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I voor recht verklaart dat gedaagden onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld,

II voor recht verklaart dat gedaagden dientengevolge hoofdelijk gehouden zijn tot vergoeding van schade die hij ( [de eiser] ) heeft geleden, lijdt en nog zal lijden,

III deze schade op te maken bij staat,

IV met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

[de eiser] legt het volgende aan deze vorderingen ten grondslag. De bank en BricXchange hebben zijn faillissement aangevraagd. Het faillissement is in hoger beroep uitgesproken. De bank en BricXchange hebben het faillissement echter aangevraagd op oneigenlijke gronden. Zij hadden geen vorderingen op [de eiser] , hij had juist vorderingen op hen. [de eiser] was ook niet opgehouden te betalen. Als de bank en BricXchange al bevoegd waren om het faillissement aan te vragen, dan hebben zij misbruik van recht gemaakt en onzorgvuldig gehandeld. [de eiser] spreekt de bank aan omdat zij zijn faillissement heeft aangevraagd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] spreekt hij aan omdat zij de enige aandeelhouders, bestuurders en werkzame personen waren van BricXchange, die met de bank het faillissement heeft aangevraagd.

[de eiser] spreekt [gedaagde 3] aan omdat hij wist dat de bank de aankoop door Mamelis B.V. van het Gelva-complex niet had mogen financieren en dat medewerkers van de bank hadden gefraudeerd, maar dat niet tegen [de eiser] heeft gezegd. Daarmee heeft hij volgens [de eiser] zijn zorgplicht als bankier geschonden. De weg die [gedaagde 3] samen met [gedaagde 1] is ingeslagen heeft geleid tot het besluit het faillissement van [de eiser] aan te vragen.

[de eiser] spreekt de Belastingdienst aan omdat zij ten onrechte tegen de bank en BricXchange heeft gezegd dat [de eiser] een onherroepelijke en direct invorderbare belastingschuld had die zij (de bank en BricXchange) als steunvordering mochten gebruiken bij het verzoek om [de eiser] failliet te verklaren.

5. De beoordeling

Besliskader

Als een schuldeiser een faillissement aanvraagt dat op zijn aanvraag wordt uitgesproken maar in hoger beroep wordt vernietigd, dan is deze schuldeiser alleen aansprakelijk voor dat faillissement, als deze schuldeiser wist of behoorde te weten dat er geen grond bestond voor het uitspreken van het faillissement of als hij anderszins misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt door het faillissement aan te vragen. Dat heeft de Hoge Raad overwogen in een arrest van 11 december 2020.

In dit geval is het faillissement van [de eiser] niet vernietigd. Tegen het arrest van het hof waarbij het faillissement is uitgesproken is geen cassatie ingesteld en met het verstrijken van de cassatietermijn is die uitspraak onherroepelijk geworden. Over de vraag of de schuldeiser die een faillissement aanvraagt ook aansprakelijk kan zijn voor een faillissement dat op zijn aanvraag wordt uitgesproken in het geval dat het niet later wordt vernietigd, heeft de Hoge Raad zich niet uitgelaten. Als dat al mogelijk is, dan geldt daarvoor ten minste dezelfde strenge toets als voor het geval dat het faillissement wel later wordt vernietigd. Met andere woorden: als de aanvrager in dat geval niet wist of behoorde te weten dat er geen grond bestond voor het uitspreken van het faillissement of als hij anderszins geen misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt door het faillissement aan te vragen, is hij hoe dan ook niet aansprakelijk.

De vorderingen op de bank

[de eiser] werkt de grondslag van zijn vordering op de bank als volgt uit. De bank heeft, samen met BricXchange, de rechtbank Zeeland-West-Brabant verzocht hem ( [de eiser] ) failliet te verklaren. De rechtbank heeft het verzoek bij beschikking van 14 juli 2015 afgewezen. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in hoger beroep het faillissement alsnog uitgesproken op 17 september 2015. Daarvoor bestond echter geen goede grond. De bank heeft bij de aanvraag van het faillissement gesteld dat zij drie vorderingen op [de eiser] had uit drie borgstellingen, namelijk een tot € 200.000,00 voor een aan Triskalion B.V. verleend krediet, een tot € 2.000.000,00 voor een aan Habitura B.V. verleend krediet en een tot € 150.000,00 voor het aan Mamelis B.V. verleende krediet (als financiering van de aankoop van het Gelva-complex). Deze vorderingen bestaan volgens [de eiser] echter niet en de bank wist dat toen zij het faillissement aanvroeg. Daarom houdt [de eiser] de bank aansprakelijk voor de schade die hij heeft geleden doordat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch hem failliet heeft verklaard.

De vorderingen uit de borgstellingen van € 200.000,00 en van € 2.000.000,00 bestaan volgens [de eiser] niet omdat deze vorderingen zijn gecedeerd aan een partij die heeft geprobeerd ze in rechte te incasseren maar die vorderingen in die procedure heeft ingetrokken.

De vordering uit de borgstelling van € 150.000,00 bestaat volgens [de eiser] niet om de volgende redenen. De bank heeft aan Mamelis B.V. geld geleend om het Gelva-complex aan te kopen. [de eiser] had zich borg gesteld voor de terugbetaling van de lening. BricXchange en medewerkers van de bank hebben Mamelis bij deze transacties echter bedrogen. De bank had de aankoop van het Gelva-complex niet mogen financieren en dus ook de borg niet mogen inroepen. [de eiser] heeft niet alleen de nietigheid van de borgstelling ingeroepen, maar deze ook afgekocht.

Het standpunt dat [de eiser] in deze procedure inneemt over het bedrog door medewerkers van de bank van Mamelis bij de kredietverstrekking voor het Gelva-complex en de borgstelling door [de eiser] hiervoor van € 150.000,00, baseert hij kennelijk op het standpunt dat hij daarover heeft ingenomen in de gelijktijdig met de onderhavige procedure lopende procedure met nummer C/05/444104 / HA ZA 24-573. Hij heeft daartoe de dagvaarding in die andere procedure als productie ingebracht. Daarmee heeft hij deze stellingen in de onderhavige procedure echter onvoldoende met feiten onderbouwd. Reeds om die reden heeft [de eiser] onvoldoende onderbouwd dat de bank geen vordering op hem had op grond van de borgstelling voor de lening aan Mamelis. Nog daargelaten dat de rechtbank bij vonnis van vandaag in die andere procedure heeft geoordeeld dat de bank niet onrechtmatig heeft gehandeld rond de kredietverstrekking en dus ook niet uit dien hoofde aansprakelijk is jegens Mamelis of [de eiser] . Het handelen van de bank rond de kredietverstrekking geeft ook daarom geen grond voor het oordeel dat de bank [de eiser] niet als borg zou mogen aanspreken. Een andere grond voor dat oordeel is door [de eiser] niet aangevoerd.

De bank had dus in ieder geval een vordering op [de eiser] op grond van de borgstelling voor de lening aan Mamelis ten behoeve van de aankoop van het Gelva-complex. [de eiser] heeft die vordering niet betaald. Dat [de eiser] deze vordering in 2013 al had afgekocht is door de bank nadrukkelijk betwist en door [de eiser] verder niet onderbouwd, zodat de rechtbank deze stelling – als onvoldoende onderbouwd – passeert.

De bank had daarmee ten tijde van de faillissementsaanvraag in ieder geval deze onbetaalde vordering op [de eiser] . Er is daarmee geen grond voor het oordeel dat de bank – vanwege het ontbreken van een vordering op [de eiser] – wist of behoorde te weten dat er geen grond bestond voor het uitspreken van het faillissement. Dat de bank anderszins met de aanvraag misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt, is door [de eiser] niet zelfstandig betoogd en de rechtbank ziet ook overigens geen grond om dit zo te oordelen.

De rechtbank zal de vorderingen van [de eiser] op de bank op grond van het voorgaande afwijzen. De overige verweren hoeven daarom niet te worden besproken.

De vorderingen op [gedaagde 1] en [gedaagde 2]

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] wonen in [land] . De Nederlandse rechter heeft in het geschil tussen [de eiser] en hen in ieder geval rechtsmacht omdat zij zijn verschenen zonder de bevoegdheid te betwisten (art. 26 EEX-Verordening). De rechtbank zal Nederlands recht toepassen omdat [de eiser] aanspraak maakt op vergoeding van schade die zich voordoet in Nederland (art. 4 lid 2 Rome II-Verordening).

[de eiser] werkt de grondslag van zijn vordering op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als volgt uit. Bij vonnis van 4 februari 2015 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant (locatie Breda) een vordering van BricXchange op [de eiser] toegewezen. Dat vonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [de eiser] is ertegen in hoger beroep gegaan. Na een procedure bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de Hoge Raad heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van 4 februari 2015 bij arrest van 19 september 2023 vernietigd. [de eiser] leidt hieruit af dat BricXchange geen vordering op hem had toen zij de rechtbank verzocht hem failliet te verklaren. Dat wist zij toen ook, of dat kon zij weten. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren de enige aandeelhouders en bestuurders van BricXchange en de enige daar werkzame personen. [de eiser] meent dat zij als bestuurders aansprakelijk zijn, niet alleen voor de schade die hij lijdt ten gevolge van de financiering door de bank en aankoop door Mamelis van het Gelva-complex, maar ook voor de schade die het gevolg is van zijn faillissement.

Toen BricXchange het faillissement van [de eiser] aanvroeg, beschikte zij over het vonnis van 4 februari 2015, waarbij de rechtbank Zeeland-West-Brabant haar vordering op [de eiser] had toegewezen. Op die grond mocht zij er toen van uitgaan dat zij een vordering op [de eiser] had. Dat wordt niet anders doordat de rechtbank de veroordeling tot betaling van de hoofdsom niet uitvoerbaar bij voorraad had verklaard. Uitvoerbaarverklaring bij voorraad ziet immers niet op het bestaan van de vordering maar op de executeerbaarheid van de titel. Het wordt ook niet anders doordat het vonnis uiteindelijk is vernietigd, na een lange procedure in de loop waarvan BricXchange zelf failliet is verklaard. [de eiser] heeft immers niet gesteld, laat staan voldoende onderbouwd, dat BricXchange in deze procedure tegen beter weten in een standpunt heeft ingenomen dat evident onverdedigbaar was en dat dit bovendien al zo was toen zij zijn faillissement aanvroeg.

Aldus kan niet worden geoordeeld dat BricXchange ten tijde van de faillissementsaanvraag wist of behoorde te weten dat geen grond bestond voor het uitspreken van het faillissement van [de eiser] , dan wel dat BricXchange anderszins met de aanvraag misbruik van bevoegdheid maakte. Er kan daarom ook niet worden geoordeeld dat BricXchange met die aanvraag onrechtmatig heeft gehandeld jegens [de eiser] , zodat al helemaal niet kan worden geoordeeld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dit hebben gedaan.

De rechtbank zal de vorderingen van [de eiser] op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op grond van het voorgaande afwijzen. De overige verweren hoeven daarom niet te worden besproken.

Volledigheidshalve wijst de rechtbank er nog op dat in het vonnis van vandaag in de gelijk oplopende procedure tussen partijen met nummer 444104 is geoordeeld dat tussen partijen – op basis van een eerder vonnis uit 2016 – bindend vast staat dat BricXchange niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [de eiser] bij de verkoop van het Gelva-complex aan Mamelis.

De vorderingen op [gedaagde 3]

[de eiser] houdt ook [gedaagde 3] verantwoordelijk voor zijn faillissement. Hij baseert zich op dezelfde feiten en stellingen als in de procedure met nummer 444104. Hij stelt niet dat [gedaagde 3] betrokken was bij de faillissementsaanvraag door zijn werkgever (de bank) in 2015, maar verwijt [gedaagde 3] dat hij in 2013 niet heeft ingegrepen. Als hij dat wel had gedaan, zou de invordering van de borgstelling toen zijn gestopt. Dit verwijt van [de eiser] is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat [gedaagde 3] betrokken was bij de invordering van de borgstelling terwijl hij wist dat de bank onrechtmatig had gehandeld rond de kredietverlening aan Mamelis en daardoor geen vordering had uit hoofde van de hieraan verbonden borgstelling.

Ook ten aanzien van deze stellingen geldt dat [de eiser] die enkel onderbouwt door te verwijzen naar feiten en stellingen in de andere procedure (444104), waarbij hij enkel de dagvaarding in die procedure als productie heeft opgenomen. Hiermee heeft [de eiser] niet aan zijn stelplicht voldaan. De vordering op [gedaagde 3] zal reeds daarom worden afgewezen. Met name heeft [de eiser] op geen enkele manier concreet gemaakt dat [gedaagde 3] wetenschap zou hebben gehad van de door [de eiser] gestelde onrechtmatige gedragingen van de bank, laat staan van het daaruit volgens [de eiser] voortvloeiende gevolg dat de bank geen vordering had op hem uit hoofde van de borgstelling. Waarom [gedaagde 3] had moeten ‘ingrijpen’, is dan ook onduidelijk. [gedaagde 3] heeft bovendien nadrukkelijk betwist dat het uitwinnen van zekerheden, waaronder borgstellingen, tot zijn taken behoorde. Als het zover kwam, dan ging een dossier naar de afdeling recovery van de vestiging in Amsterdam, aldus [gedaagde 3] . [de eiser] heeft deze taakverdeling verder niet weersproken. Het is voor de rechtbank al met al onbegrijpelijk waarom [de eiser] [gedaagde 3] medeverantwoordelijk houdt voor zijn faillissement. De vordering van [de eiser] op [gedaagde 3] zal worden afgewezen.

Volledigheidshalve wijst de rechtbank er nog op dat in het vonnis dat vandaag in de procedure met nummer 444104 is gewezen is overwogen dat de bank niet onrechtmatig heeft gehandeld en niet is tekortgeschoten doordat zij aan Mamelis krediet heeft verstrekt.

De vorderingen op de Belastingdienst

[de eiser] licht zijn vordering op de Belastingdienst als volgt toe. Toen de bank het faillissement van [de eiser] wilde aanvragen, heeft zij de Belastingdienst gevraagd om een steunvordering. De Belastingdienst heeft de bank toen bericht dat [de eiser] een onherroepelijke en direct invorderbare belastingschuld had van € 236.740,00 en dat de bank die schuld (de ermee corresponderende vordering) zou mogen gebruiken als steunvordering bij het verzoek om [de eiser] failliet te verklaren. De vordering van de Belastingdienst was volgens [de eiser] echter niet opeisbaar omdat hij bezwaar had gemaakt tegen de aanslag en de Belastingdienst uitstel van betaling had verleend, dat zij niet had ingetrokken.

De Belastingdienst erkent dat zij de bank heeft bericht dat [de eiser] een onherroepelijke en direct invorderbare belastingschuld had van € 236.740,00 en dat dit bericht niet juist was. Volgens de Belastingdienst is dit veroorzaakt door een administratieve misslag. De Belastingdienst erkent ook dat zij daarmee niet zorgvuldig heeft gehandeld. Zij meent echter dat daaruit niet volgt dat zij aansprakelijk is voor de schade die [de eiser] lijdt als gevolg van zijn faillissement. Daarbij neemt zij onder meer het standpunt in dat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch [de eiser] ook failliet zou hebben verklaard zonder de steunvordering van de Belastingdienst.

[de eiser] heeft hiertegen ingebracht dat het standpunt van de Belastingdienst mogelijk (de rechtbank begrijpt: hooguit) relevant wordt in het kader van de schadestaatprocedure.

De Hoge Raad heeft overwogen dat de rechter, voorzover hem dat mogelijk is in het licht van het debat van partijen en met in achtneming van het contradictoire beginsel (hoor en wederhoor), de geschilpunten die partijen verdeeld houden dadelijk kan beslissen, ook als dat geschilpunten zijn die op zichzelf genomen in de schadestaatprocedure nog (verder) aan de orde kunnen worden gesteld, zoals vragen van causaal verband. In het onderhavige geval staat niets eraan in de weg dat de rechtbank dadelijk oordeelt over het standpunt van de Belastingdienst dat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch [de eiser] ook failliet zou hebben verklaard zonder de steunvordering (een causaliteitsverweer).

Als de Belastingdienst de bank niet had bericht dat zij een opeisbare vordering had op [de eiser] die de bank als steunvordering zou kunnen gebruiken bij haar verzoek om hem failliet te verklaren, dan zou naar het oordeel van de rechtbank het gerechtshof ’s-Hertogenbosch [de eiser] niettemin failliet hebben verklaard. Het hof heeft immers summierlijk vastgesteld dat de bank en BricXchange allebei omvangrijke opeisbare vorderingen hadden op [de eiser] en dat [de eiser] niet in staat was om deze vorderingen te voldoen. In zijn arrest van 17 september 2015 heeft het hof overwogen (rov. 3.7): “Het hof concludeert dat de vorderingen van de aanvragers summierlijk aannemelijk zijn, dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers waarbij minstens één vordering op [de eiser] opeisbaar is en dat [de eiser] verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen.” Deze overweging blijft ook staan zonder de steunvordering van de Ontvanger en is daarvan dus niet afhankelijk. Als [de eiser] schade lijdt doordat het hof hem failliet heeft verklaard, is die schade dus niet het gevolg van het bericht van de Belastingdienst aan de bank dat zij een vordering op [de eiser] had die de bank als steunvordering zou mogen gebruiken. Daarom is de Belastingdienst niet aansprakelijk voor die schade (art. 6:162 lid 1 BW).

De rechtbank zal de vorderingen van [de eiser] op de Belastingdienst op grond van het voorgaande afwijzen. De overige verweren, zoals die met betrekking tot verjaring, hoeven daarom niet te worden besproken.

Proceskosten

Alle vorderingen van [de eiser] zullen worden afgewezen. Daarom zal [de eiser] worden veroordeeld in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met rente voor zover gevorderd.

[gedaagde 3] maakt aanspraak op vergoeding van werkelijke proceskosten. Volgens hem heeft [de eiser] zijn vordering op hem volstrekt onvoldoende onderbouwd en heeft hij hem gedagvaard om bevoegdheid van de rechtbank te creëren.

De Hoge Raad heeft in een arrest van 6 april 2012 het volgende overwogen over de vordering tot vergoeding van werkelijke proceskosten. Die vordering is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR 29 juni 2007, LJN BA3516, NJ 2007/353). De rechtbank zal hiervan uitgaan bij het beoordelen van de vordering tot vergoeding van werkelijke proceskosten.

[de eiser] betwist niet dat hij [gedaagde 3] in de procedure heeft betrokken om bevoegdheid van de rechtbank te creëren. Bovendien is zijn vordering evident ongegrond. Aldus heeft [de eiser] misbruik van procesrecht gemaakt. Dat rechtvaardigt in beginsel een veroordeling in de werkelijke proceskosten van [gedaagde 3] .

[gedaagde 3] heeft echter niet precies opgegeven welke proceskosten hij heeft gemaakt. Ter zitting heeft hij geschat dat deze kosten inclusief btw en vast recht voor de beide zaken € 30.000,00 bedragen, gelijkmatig over deze zaken verdeeld. Het komt de rechtbank niet aannemelijk voor dat de kosten gelijkmatig over de beide zaken te verdelen zijn. De kosten in de onderhavige zaak moeten aanmerkelijk minder dan de helft van het totaal bedragen, omdat deze zaak voortbouwt op de andere zaak. De conclusie van antwoord in deze zaak is later genomen dan in de andere zaak (respectievelijk 4 juni 2025 en 5 februari 2025). De kosten van de advocaat zouden op grond van het liquidatietarief worden begroot op € 9.262,00 (2 punten, tarief VIII = € 4.631,00 per punt; zie voor de gekozen tariefgroep de overweging hierna). Het vast recht bedraagt € 331,00. Omdat Van Maanen aandringt op een eindvonnis en geen tussenvonnis en de werkelijke proceskosten aldus niet aanmerkelijk hoger kunnen zijn dan de forfaitair te begroten proceskosten, zal de rechtbank bij de begroting van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 3] aansluiting zoeken bij de forfaitaire tarieven.

[de eiser] vordert in deze procedure – kort samengevat – een verklaring voor recht dat de verschillende gedaagde partijen jegens hem aansprakelijk zijn voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van zijn faillissement. Hoewel [de eiser] in deze procedure geen vergoeding van een concreet bedrag vordert, heeft hij wel in zijn dagvaarding ten aanzien van de hoogte van zijn schade een bedrag van € 8 miljoen genoemd. Voor wat betreft het liquidatietarief acht de rechtbank daarom tarief VIII (behorend bij zaken met een geldswaarde boven € 1 miljoen) het meest passend voor het berekenen van de proceskosten.

6. De beslissing

De rechtbank,

6.1. wijst de vorderingen af,

6.2. veroordeelt [de eiser] in de proceskosten,

6.3. begroot de proceskosten aan de zijde van de bank op € 714,00 aan vast recht en € 9.262,00 aan salaris voor de advocaat (2 punten, tarief VIII = € 4.631,00 per punt), en in de nakosten, bepaald op € 189,00, verhoogd met € 98,00 voor het geval dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden,

6.4. begroot de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op € 331,00 aan vast recht en € 9.262,00 aan salaris voor de advocaat (2 punten, tarief VIII = € 4.631,00 per punt), en in de nakosten, bepaald op € 189,00, verhoogd met € 98,00 voor het geval dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden,

6.5. begroot de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 3] op € 331,00 aan vast recht en € 9.262,00 aan salaris voor de advocaat (2 punten, tarief VIII = € 4.631,00 per punt), en in de nakosten, bepaald op € 189,00, verhoogd met € 98,00 voor het geval dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest,

6.6. begroot de proceskosten aan de zijde van de Belastingdienst op € 714,00 aan vast recht en € 9.262,00 aan salaris voor de advocaat (2 punten, tarief VIII = € 4.631,00 per punt), en in de nakosten, bepaald op € 189,00, verhoogd met € 98,00 voor het geval dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest,

6.7. verklaart de veroordelingen in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Schippers, mr. E. Boerwinkel en mr. S.H. Keijzer en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.

1011 / 560

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?