ECLI:NL:RBGEL:2026:3249

ECLI:NL:RBGEL:2026:3249

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer 175396-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Voorwaardelijke jeugddetentie van 8 maanden en een maximale werkstraf van 200 uur voor ontucht met seksueel binnendringen en verkrachting.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/175396-25

Datum uitspraak : 21 april 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats] (Syrië),

wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats].

Raadsman: mr. J. Veltheer, advocaat in Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een terechtzitting achter gesloten deuren.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.hij op of omstreeks 24 juni 2024 te Culemborg, met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2] 2010, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], te wetenhet brengen/duwen van de vinger(s) in haar vagina, althans tussen haar schaamlippen en/ofhet brengen/duwen van zijn penis in haar vagina, althans tussen haar schaamlippen en/ofhet onder de kleding betasten van haar venusheuvel en/of haar schaamlippen en/ofhet onder de kleding betasten van haar borsten;

subsidiair:hij op of omstreeks 24 juni 2024 te Culemborg, met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2] 2010, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te wetenhet onder de kleding betasten van haar venusheuvel en/of haar schaamlippen en/ofhet brengen/duwen van zijn penis tegen haar schaamlippen en/of tegen haar perineum en/ofhet onder de kleding betasten van haar borsten;

2.hij in of omstreeks de periode tussen 19 augustus 2024 en 21 augustus 2024 te Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 3] 2008, een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te wetenhet brengen/duwen van zijn penis in haar vagina en/ofhet brengen/duwen van zijn vinger(s) in haar vagina;

subsidiair:hij in of omstreeks de periode tussen 19 augustus 2024 en 21 augustus 2024 te Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 3] 2008, een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te wetenhet betasten van haar vagina en/of haar schaamlippen en/ofhet brengen/duwen van zijn penis tegen haar vagina en/of schaamlippen.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde onder feit 1 primair en het tenlastegelegde onder feit 2 primair.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van beide feiten, zowel voor het primair als voor het subsidiair tenlastegelegde, vanwege het ontbreken van voldoende bewijs.

Bij feit 1 is onduidelijkheid over de plaats en de herkomst van het DNA-spoor op de schaamlippen. Hierdoor kan niet worden vastgesteld welke concrete seksuele handeling heeft plaatsgevonden. Bij gebrek aan een berekende bewijskracht kan het Y-profiel op de buitenste schaamlippen (zelfs) niet als betrouwbaar steunbewijs worden gebruikt. Het scenario dat DNA via handdoekbesmetting (indirect) is overgedragen is aannemelijk en sluit aan bij de verklaring die verdachte bij de Raad voor de Kinderbescherming heeft afgelegd.

Bij feit 2 biedt het dossier niet voldoende onafhankelijk steunbewijs voor de kern van de aangifte.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Tijdens het informatief gesprek zeden heeft [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2] 2010, verklaard dat zij met [verdachte] had afgesproken bij natuurgebied Zump in Culemborg. Drie vrienden van [verdachte] waren daar ook. Terwijl de vrienden er bij waren, heeft [verdachte] met zijn handen onder de kleding aan de borsten van [slachtoffer 1] gezeten. [verdachte] vroeg [slachtoffer 1] vervolgens om mee te lopen. Hij vroeg aan [slachtoffer 1] of ze had nagedacht. Volgens [slachtoffer 1] had [verdachte] al voor deze avond meerdere keren toespelingen gemaakt op het hebben van seks. [slachtoffer 1] zei dat ze geen seks wilde, dat ze pas 13 jaar was en dus nog best jong. Toen [verdachte] en [slachtoffer 1] bij een bankje aankwamen zijn ze naast elkaar gaan zitten. [verdachte] is met zijn hand tussen de benen van [slachtoffer 1] gegaan. Hij heeft [slachtoffer 1] gevingerd. Zijn vinger(s) ging(en) in en rond haar vagina. Vervolgens heeft [verdachte] aan [slachtoffer 1] gevraagd om te gaan staan. Hij heeft haar string naar beneden getrokken en liet haar op zijn schoot zitten. [slachtoffer 1] zat met haar rug naar zijn gezicht. Volgens [slachtoffer 1] is er half seks geweest. De penis van [verdachte] is half wel en half niet in haar vagina geweest. [slachtoffer 1] heeft haar vriendin [getuige 1] gebeld om haar te komen halen. [getuige 1] en de moeder van [getuige 1] zijn naar het natuurgebied gekomen en hebben haar meegenomen. [slachtoffer 1] heeft aan [getuige 1] en haar moeder verteld dat er seks was geweest tussen haar en [verdachte].

[getuige 2], de moeder van [getuige 1], heeft verklaard dat zij samen met [getuige 1] [slachtoffer 1] heeft opgehaald bij de Zump. [slachtoffer 1] heeft haar verteld wat er was gebeurd. [slachtoffer 1] moest toen af en toe huilen. [getuige 2] heeft [slachtoffer 1] naar haar ouders gebracht. Daar heeft [slachtoffer 1] verteld wat er was gebeurd.

[aangever], de moeder van [slachtoffer 1], heeft aangifte gedaan van het incident. Zij heeft als volgt verklaard. Toen [aangever] op 24 juni 2024 thuiskwam, zag ze [slachtoffer 1] op een stoel onder de overkapping zitten. Volgens [aangever] had [slachtoffer 1] een vertrokken gezicht dat uitdrukte : “er is mij iets overkomen, maar ik kan het geen plekje geven.”. De moeder van [getuige 1] heeft toen gezegd dat een jongen [slachtoffer 1] iets had aangedaan wat heel erg was. [aangever] heeft [slachtoffer 1] vervolgens vragen gesteld over wat er was gebeurd. Ze heeft gevraagd of de jongen [slachtoffer 1] had aangeraakt, of hij aan haar borsten had gezeten en of hij aan haar kruis had gezeten. [slachtoffer 1] zei overal “ja” op. [slachtoffer 1] vertelde dat de jongen met zijn penis in haar geweest was. [slachtoffer 1] had een aantal keren “nee” gezegd om aan te geven dat ze het niet wilde. De jongen heet [verdachte]. Tijdens het gesprek zat [slachtoffer 1] erbij als een lijk, een beetje voor zich uit starend. Na het incident heeft [slachtoffer 1] een tijdje bij [aangever] en haar man op de slaapkamer geslapen, omdat ze niet meer alleen durfde te slapen.

Op 25 november 2024 is [slachtoffer 1] gehoord door de politie. Zij heeft verklaard dat ze eigenlijk met vrienden zou gaan zwemmen. Ze heeft in plaats daarvan met [verdachte] afgesproken. De vrienden van [verdachte] waren er ook. [verdachte] maakte seksuele opmerkingen. Er was een bankje en [slachtoffer 1] moest op het bankje bij [verdachte] op schoot gaan zitten. [verdachte] raakte toen haar blote borsten aan. De vrienden van [verdachte] zaten er gewoon naast. Daarna wilde [verdachte] ergens naar toe lopen. Hij vroeg aan [slachtoffer 1] of zij met hem wilde neuken. Hij had dat al vaker aan haar gevraagd. [slachtoffer 1] zei dat ze pas 13 jaar was en niet wilde. Toen de vrienden van [verdachte] weer verschenen, zeiden [verdachte] en [slachtoffer 1] dat ze weg moesten gaan. [verdachte] en [slachtoffer 1] zijn op een boomstronk gaan zitten. [slachtoffer 1] zat bij [verdachte] op schoot. [verdachte] is met zijn hand onder het jurkje van [slachtoffer 1] gegaan. [slachtoffer 1] heeft zijn hand weggeduwd. [verdachte] is opnieuw met zijn hand onder haar jurkje gegaan en begon [slachtoffer 1] te vingeren. [slachtoffer 1] bevroor op dat moment. [verdachte] heeft over haar vagina gewreven en is met een of twee vingers tussen haar schaamlippen gegaan. Toen de vrienden weer kwamen hebben [verdachte] en [slachtoffer 1] hen opnieuw weggestuurd. [slachtoffer 1] is gaan staan en [verdachte] zat op een boomstronk. [verdachte] heeft toen de string van [slachtoffer 1] uitgedaan. [slachtoffer 1] moest op [verdachte] gaan zitten. [slachtoffer 1] was verstijfd en deed wat [verdachte] wilde. Toen [slachtoffer 1] omkeek zag ze dat [verdachte] zijn penis uit zijn broek haalde. Terwijl [slachtoffer 1] op [verdachte] zat probeerde hij zijn piemel in haar te doen. Dat lukte niet. Hij maakte wel van die bewegingen. Daarna moest [slachtoffer 1] van [verdachte] gaan staan en de boomstronk vasthouden. [verdachte] stond toen achter [slachtoffer 1] en probeerde opnieuw zijn piemel in haar vagina te stoppen. [slachtoffer 1] voelde pijn aan haar vagina. Ze heeft ‘au’ geroepen. [slachtoffer 1] was in shock op dat moment. [verdachte] ging gewoon verder en bleef proberen zijn piemel in haar vagina te krijgen. Het is niet gelukt. Blijkbaar heeft [verdachte] wel iets aangeraakt want tijdens het lichamelijk onderzoek heeft [slachtoffer 1] gehoord dat er iets bij haar was gescheurd. [verdachte] stopte snel toen zijn vrienden eraan kwamen. [slachtoffer 1] en [verdachte] zijn weer verder gelopen. [verdachte] heeft zijn T-shirt uitgetrokken en op de grond gelegd. [slachtoffer 1] moest daarop liggen en moest haar benen wijd doen. [verdachte] heeft opnieuw geprobeerd om zijn penis in de vagina van [slachtoffer 1] te doen. [slachtoffer 1] schrok toen ze voorvocht zag. Ze is weggelopen en heeft [getuige 1] gebeld. [getuige 1] en haar moeder hebben [slachtoffer 1] opgehaald. [verdachte] heeft [slachtoffer 1] nog heel veel gebeld en geappt.

Er heeft onderzoek aan de telefoon van [slachtoffer 1] plaatsgevonden. In de data stond een contact met de naam ‘[verdachte]’ verbonden aan het telefoonnummer [telefoonnummer]. Dit telefoonnummer staat op naam van de moeder van verdachte en is binnen de politiesystemen bekend als het telefoonnummer waarop verdachte te bereiken is. In de data stond een chatgesprek via Whatsapp tussen [slachtoffer 1] (owner) en [verdachte].

In het eerste bericht van 31 mei 2024 om 13:20 uur staat dat er een missed call van [verdachte] was. Het laatste bericht is op 1 oktober 2024 om 17:11 uur. In de periode van 31 mei 2024 tot en met 24 juni 2024 zijn er meerdere inkomende en uitgaande gesprekken geweest.

Op 24 juni 2024 heeft [verdachte] om 18:36 uur het bericht “Waar ben je” gestuurd. Om 18:54 uur diezelfde dag heeft hij gestuurd: “HZ ben je weg gegaan”. Tot 26 juni 2024 om 13:03 uur heeft [verdachte] op verschillende manieren geprobeerd contact te krijgen of af te spreken, maar [slachtoffer 1] hield dit af, net als in de periode van 6 juli 2024 tot 1 oktober 2024.

Bij [slachtoffer 1] heeft op 25 juni 2024 rond 2:10 uur forensisch medisch onderzoek plaatsgevonden. Er is een zedenset afgenomen (SIN:ZAAE0975NL). Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft onder meer de bemonsteringen van de borsten (SIN:ZAAE0975NL#01) en de buitenste schaamlippen (SIN: ZAAE0975NL#03) onderzocht op aanwezigheid van mannelijk DNA. Uit de bemonstering van de borsten is een DNA-mengprofiel verkregen van minimaal drie personen. Het DNA-profiel van verdachte komt overeen met een deel van het DNA-mengprofiel. Het DNA-mengprofiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van het slachtoffer [slachtoffer 1], verdachte [verdachte] en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en twee willekeurige onbekende personen. Uit de bemonstering van de buitenste schaamlippen is een Y-chromosomaal DNA-profiel verkregen dat afkomstig kan zijn van minimaal twee mannen, te weten verdachte [verdachte] en minimaal één andere (niet in de mannelijke lijn aan verdachte verwante) man.

Verdachte heeft ontkend dat hij seks heeft gehad met [slachtoffer 1]. Hij heeft haar nooit, niet op of voor 24 juni 2024, gevraagd om seks te hebben. Hij heeft haar op 24 juni 2024 naar eigen zeggen niet eens gezien. Verdachte heeft [slachtoffer 1] een appje gestuurd dat hij hoorde dat [slachtoffer 1] gezegd had dat ze door hem zou zijn verkracht. Het was een lelijk bericht waarin hij haar uitschold en haar vroeg waarom ze dat zei. Verder is er geen contact met [slachtoffer 1] geweest. [verdachte] heeft behalve dat ene bericht geen berichten gestuurd. Hij heeft geen berichten van [slachtoffer 1] ontvangen en hij heeft [slachtoffer 1] niet gebeld, aldus verdachte.

De rechtbank constateert dat, zoals vaker gebeurt in zedenzaken, de verklaring van verdachte lijnrecht tegenover de verklaringen van [slachtoffer 1] staat. De rechtbank zal allereerst moeten beoordelen of de verklaringen van [slachtoffer 1] betrouwbaar zijn en vervolgens of die verklaringen voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal (steunbewijs).

Betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1]

De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer 1] betrouwbaar. [slachtoffer 1] heeft consistent en heel gedetailleerd verklaard over het incident op 24 juni 2024 bij de Zump. Zij heeft tijdens het informatief gesprek op 25 juni 2024 verklaard dat verdachte haar blote borsten heeft betast, zijn vingers in en rond haar vagina heeft bewogen en geprobeerd heeft om zijn penis in haar vagina te doen. [slachtoffer 1] heeft direct na het incident aan de moeder van [getuige 1] verteld wat er was gebeurd. Ook aan haar eigen moeder heeft ze verteld dat ze was betast en waaruit dat betasten bestond (betasten van borsten en kruis en hij is met zijn penis in haar geweest). In het verhoor van 25 november 2024 heeft [slachtoffer 1] meer in detail over deze seksuele handelingen gesproken. [slachtoffer 1] heeft toen opnieuw aangegeven dat verdachte aan haar borsten en aan haar vagina (tussen de schaamlippen) heeft gezeten. Ook heeft ze verteld op welke verschillende manieren verdachte tegen haar wil heeft geprobeerd om zijn penis in haar vagina te doen. De rechtbank heeft geen aanwijzingen, ook niet op het punt van de seksuele handelingen, om aan de verklaringen van [slachtoffer 1] te twijfelen.

[slachtoffer 1] is diezelfde avond na het incident, toen ze haar moeder had verteld wat er gebeurd was, naar het ziekenhuis gegaan om te worden onderzocht. Dat [slachtoffer 1] direct na het incident een (ingrijpend) forensisch onderzoek heeft ondergaan draagt bij aan de betrouwbaarheid van de verklaring. Dat [slachtoffer 1] telkens heeft verklaard dat het penetreren in haar vagina niet is gelukt draagt ook bij aan de betrouwbaarheid van haar verklaring. Het laat zien dat [slachtoffer 1] het incident niet zwaarder heeft willen aanzetten of overdrijven.

Steunbewijs

Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval.

De rechtbank vindt dat het dossier voldoende steunbewijs biedt en overweegt daartoe als volgt.

Emoties

[slachtoffer 1] heeft aan het eind van/direct na het incident [getuige 1] gebeld. De moeder van [getuige 1] en [getuige 1] hebben haar vervolgens opgehaald bij de Zump. De moeder van [getuige 1] heeft gezien dat [slachtoffer 1] moest huilen toen [slachtoffer 1] haar vertelde wat haar was overkomen. De moeder van [slachtoffer 1] heeft toen zij daarna thuiskwam waargenomen dat [slachtoffer 1] met een vertrokken gezicht als een lijk voor zich uit zat te staren nadat zij thuis was gebracht. De moeder van [slachtoffer 1] heeft ook verteld dat [slachtoffer 1] na het incident uit angst een poosje bij haar ouders heeft geslapen. De rechtbank vindt dat gelet op wat is gebeurd begrijpelijke emoties en reacties van [slachtoffer 1]. De bij haar waargenomen emoties kort na het incident dragen daarom bij aan het bewijs.

Appjes

Uit de appjes die [verdachte] op 24 juni 2024 aan [slachtoffer 1] heeft gestuurd, “Waar ben je” en HZ ben je weg gegaan” volgt dat er - anders dan verdachte zegt - die avond wel degelijk een ontmoeting tussen beiden is geweest. Ook ziet de rechtbank hierin een bevestiging dat [slachtoffer 1], zoals zij zelf heeft verklaard, is weggelopen van de plek van het incident. Het onderzoek aan de telefoon van [slachtoffer 1] weerspreekt de verklaring van verdachte dat hij voorafgaand aan het incident en na afloop van het incident geen contact met [slachtoffer 1] heeft gehad of gezocht.

DNA

De rechtbank acht de resultaten van het DNA-onderzoek, in het licht van de overige bewijsmiddelen, belastend. De rechtbank stelt vast dat er DNA van verdachte is aangetroffen op de borsten van [slachtoffer 1]. Daarnaast is op de buitenste schaamlippen een DNA-mengprofiel (Y-chromosomaal) aangetroffen dat volgens de onderzoeksresultaten afkomstig kan zijn van verdachte en minimaal één andere man. Gezien de hiervoor besproken bewijsmiddelen en met name ook in de context van dat zijn DNA is aangetroffen op de borsten van [slachtoffer 1], stelt de rechtbank vast dat ook dit spoor aan verdachte kan worden toegeschreven en dus in belastende zin bijdraagt aan het bewijs. Dat de bewijskracht van dit DNA-mengprofiel verder niet is berekend, doet daar niet aan af. Het aantreffen van DNA van verdachte op de buitenste schaamlippen van [slachtoffer 1] past eveneens bij haar verklaring over de seksuele gedragingen van verdachte. Hierbij wordt ook nog eens opgemerkt dat het celmateriaal uit spoor indicatief is onderzocht op spermavloeistof en dit een positief resultaat opleverde.

Verdachte heeft aanvankelijk niets willen verklaren. Bij de politie heeft hij gezegd dat hij nooit met [slachtoffer 1] heeft gepraat of contact met haar heeft gehad. Bij de Raad voor de Kinderbescherming heeft verdachte gezegd dat zijn DNA mogelijk op [slachtoffer 1] terecht is gekomen omdat zij op zijn handdoek heeft gezeten of gelegen. Ter terechtzitting heeft verdachte op de vraag hoe zijn DNA op [slachtoffer 1] terecht kan zijn gekomen geantwoord dat hij één week of twee weken voor het incident met een groep jongeren waaronder [slachtoffer 1] bij de plas heeft gezwommen en gebarbecued en dat ze toen elkaars handdoeken hebben gebruikt.

Het gestelde alternatief scenario dat het DNA via handdoekbesmetting indirect (op de pleegdatum of een week of twee eerder) is overgedragen is in het licht van de overige bewijsmiddelen volstrekt niet aannemelijk.

De verdachte die zich beroept op een alternatief scenario met betrekking tot DNA-sporen zal controleerbare gegevens moeten aanreiken waaruit een begin van aannemelijkheid van dat scenario voortvloeit. De rechtbank constateert dat verdachte op het punt van de mogelijke DNA-overdracht steeds wisselend heeft verklaard. Het dossier biedt geen enkele steun voor de verklaring van verdachte dat zijn DNA indirect via het zitten op een handdoek of door het gebruik van elkaars handdoeken op [slachtoffer 1] terecht zou zijn gekomen. Verdachte heeft hier niet eerder over gesproken, de gelegenheid om over de DNA-match door de politie nader te worden verhoord eerder onbenut gelaten en vervolgens bij de Raad en ter zitting een uiterst vage en deels tegenstrijdige verklaring afgelegd. Het gevoerde verweer mist dus ook maar een begin van aannemelijkheid. In het licht van de gehanteerde bewijsmiddelen en de wisselende verklaringen van verdachte zelf, beschouwt de rechtbank zijn verhaal hierover zelfs als ongeloofwaardig. Het verweer wordt dus verworpen.

Ontuchtige handelingen met seksueel binnendringen

Van ontuchtige handelingen is volgens vaste jurisprudentie sprake als het gaat om handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm.

De rechtbank stelt vast dat verdachte bij de pas 13-jarige [slachtoffer 1] seksuele handelingen heeft verrichten die bestonden uit het betasten van haar blote borsten, vingeren en het op verschillende manieren proberen zijn penis in haar vagina te stoppen. Uit het dossier blijkt niet dat sprake is van een affectieve relatie tussen verdachte en [slachtoffer 1]. Zij lijken elkaar slechts oppervlakkig te kennen. Op de (herhaaldelijke) vraag van verdachte of [slachtoffer 1] seks met hem wilde heeft [slachtoffer 1] “nee” geantwoord. Ook heeft zij de hand van verdachte weggeduwd. De handelingen vonden tot slot plaats in het openbaar, deels in aanwezigheid van vrienden van verdachte. De seksuele handelingen overschrijden de sociaal-ethische norm. De handelingen zijn daarmee ontuchtig.

Volgens [slachtoffer 1] is het [verdachte] niet gelukt om zijn penis in haar vagina te krijgen. Wel heeft zij zijn penis duidelijk bij haar vagina gevoeld. Ze heeft de penis van [verdachte] half wel, half niet in haar vagina gevoeld. Op het moment dat [slachtoffer 1] bij de boomstronk stond en de boomstronk vast moest houden heeft [slachtoffer 1] pijn gevoeld. Volgens [slachtoffer 1] is uit lichamelijk onderzoek later gebleken dat er iets gescheurd was. De rechtbank stelt vast dat de penis van [verdachte] niet (helemaal) in de vagina van [slachtoffer 1] is geweest, maar in ieder geval wel tussen haar schaamlippen. Daarnaast heeft [verdachte] [slachtoffer 1] gevingerd. Hij is met zijn vinger(s) in haar vagina en tussen haar schaamlippen geweest. Daarmee is sprake van seksueel binnendringen.

De rechtbank vindt het primair ten laste gelegde feit onder 1 wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Tijdens het informatief gesprek zeden op 9 september 2024 heeft [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 3] 2008, verklaard dat zij tijdens een vakantie in Zeeland met vier mensen in een tent met krappe kamers sliep. In de tent stond een stapelbed. [slachtoffer 2] lag met [verdachte] op een luchtbed (op de grond naast het stapelbed). [slachtoffer 2] vond dit niet erg omdat ze er niets ergs van dacht. [slachtoffer 2] sliep zoals altijd in een onderbroek en een trui/loungeshirt. [verdachte] en [slachtoffer 2] lagen in de ‘lepeltje-lepeltje houding’. [verdachte] heeft toen met zijn vingers de onderbroek van [slachtoffer 2] uitgedaan en is snel bij haar vagina naar binnengegaan. [slachtoffer 2] heeft [verdachte] weggeduwd.

Op 16 oktober 2024 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan. Zij heeft verklaard dat zij op vakantie was in Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee. [verdachte] ([verdachte]), de vriend van [getuige 3], ging ook mee. Op vakantie kregen [verdachte] en [getuige 3] ruzie. Omdat [verdachte] genegeerd werd door [getuige 3], trokken [slachtoffer 2] en [getuige 4] met [verdachte] op. In de nacht van 19 op 20 augustus 2024 sliepen [getuige 5], [getuige 4], [verdachte] en [slachtoffer 2] samen in een kamer van een tent. [getuige 5] sliep boven en [getuige 4] sliep onder in het stapelbed. [verdachte] en [slachtoffer 2] sliepen op een tweepersoons luchtbed. Ze lagen ‘lepeltje-lepeltje’, allebei op hun zij met hun gezichten in dezelfde richting, maar niet helemaal tegen elkaar aan. Toen [getuige 4] naar de wc ging, trok [verdachte] de string van [slachtoffer 2] uit. [verdachte] stak zijn penis in de vagina van [slachtoffer 2]. Het ging heel snel en gemakkelijk. [slachtoffer 2] bevroor omdat ze dit niet had zien aankomen. Omdat [slachtoffer 2] verstijfd was, kon [verdachte] meerdere keren met zijn penis op en neer gaan, totdat [getuige 4] weer binnenkwam. Het was een schok toen [getuige 4] binnenkwam, zowel voor [slachtoffer 2] als voor [verdachte]. [slachtoffer 2] denkt dat [getuige 4] haar uit haar bevriesmoment heeft gehaald. [slachtoffer 2] duwde [verdachte] van zich af. [slachtoffer 2] voelde en zag dat [verdachte] snel zijn broek omhoog deed. [slachtoffer 2] is die nacht in hetzelfde bed blijven slapen. Ze heeft de volgende dag tegen [verdachte] gezegd dat ze de morning-afterpil wilde halen. Ze is daarvoor naar de Kruidvat geweest. Omdat ze de vakantie niet wilde verpesten heeft [slachtoffer 2] haar mond gehouden tot na de vakantie. Eenmaal thuis heeft [slachtoffer 2] aan haar vriend opgebiecht wat er gebeurd was met [verdachte] en dat ze het niet gewild heeft. Haar vriend was boos en via zijn zus hoorde [slachtoffer 2] dat het klaar was tussen hun. [slachtoffer 2] is hyperventilerend naar haar moeder gelopen en heeft alles aan haar verteld.

Getuige [getuige 6], de moeder van [slachtoffer 2], heeft verklaard dat haar dochter haar iets later dan een week na de vakantie in Zeeland het volgende heeft verteld. Op vakantie heeft [slachtoffer 2] met andere kinderen in een tent geslapen. Omdat er niet veel ruimte was, lag [slachtoffer 2] met [verdachte] op een luchtbed. In de tent sliepen nog een andere jongen en een ander meisje, waarschijnlijk [getuige 4]. Toen het meisje weg was, is het gebeurd. [verdachte] heeft bij [slachtoffer 2] haar onderbroek naar beneden getrokken en heeft zijn geslachtsdeel in haar vagina gestopt. Het ging heel snel en gemakkelijk. [slachtoffer 2] wilde dit niet. [slachtoffer 2] is in eerste instantie geschrokken en bevroren. Daarna heeft ze hem weggeduwd. Toen het meisje terugkwam in de tent deed [verdachte] meteen zijn broek omhoog. De volgende dag heeft [slachtoffer 2] de morning-afterpil gehaald. Toen [slachtoffer 2] dit allemaal vertelde was ze erg overstuur. Ze was aan het huilen en aan het hyperventileren. Haar moeder heeft haar nog nooit zo gezien.

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat zij in de nacht van 19 op 20 augustus 2024 met [slachtoffer 2] en [verdachte] in een kamer van een safaritent heeft geslapen. [slachtoffer 2] en [verdachte] lagen naast haar op een luchtbed. Toen [getuige 4] de kamer op kwam lopen zag zij [verdachte] snel wegdraaien. Ze vond dit raar. [slachtoffer 2] was vervolgens veel stiller dan anders en [verdachte] deed raar. [getuige 4] heeft de deken van [verdachte] afgetrokken. Ze zag dat [verdachte] in zijn onderbroek lag. De onderbroek was oranje.

Verdachte heeft verklaard dat hij op vakantie half ruzie heeft gehad met zijn vriendin [getuige 3]. Hij heeft naast [slachtoffer 2] in een tent geslapen. Ze sliepen allebei op een eigen luchtbed. Verdachte ontkend dat hij seks heeft gehad met [slachtoffer 2].

De rechtbank constateert dat de verklaringen van verdachte en [slachtoffer 2] uiteenlopen en op het punt van de seksuele handelingen lijnrecht tegenover elkaar staan. De rechtbank zal eerst moeten beoordelen of de verklaringen van [slachtoffer 2] betrouwbaar zijn en vervolgens of die verklaringen voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal (steunbewijs).

Betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2]

De rechtbank vindt de verklaringen van [slachtoffer 2] betrouwbaar. Haar verklaringen zijn consistent, concreet en gedetailleerd. [slachtoffer 2] heeft telkens verklaard dat zij met [verdachte] op een luchtbed lag en dat hij op het moment dat [getuige 4] weg was met zijn penis in haar vagina is binnengedrongen. Ook bevatten de verklaringen details zoals over de ruzie tussen [getuige 3] en [verdachte], de krappe kamer van de tent waarin [verdachte] en [slachtoffer 2] samen met twee anderen sliepen, de kleding die zij aanhad, de houding waarin zij en [verdachte] lagen en het wegduwen van [verdachte] nadat het is gebeurd. Daarbij komt dat [slachtoffer 2] het incident niet groter heeft gemaakt dan het is.

Steunbewijs

De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak voldoende steunbewijs aanwezig is. Tegenover het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv staat - volgens vaste rechtspraak - dat in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de verklaringen van aangever/aangeefster voldoende wettig bewijs opleveren. Getuige [getuige 4] heeft gezien dat [verdachte] en [slachtoffer 2] wel degelijk samen op een luchtbed lagen. Op het moment dat ze de tent in kwam lopen zag ze [verdachte] snel wegdraaien. [slachtoffer 2] was daarna stiller dan normaal. De getuige bevestigt de directe context zoals [slachtoffer 2] die heeft geschetst, namelijk dat zij en verdachte op één luchtbed lagen en dat er op het moment dat zij, de getuige, weg was iets is voorgevallen tussen [slachtoffer 2] en verdachte. Op punten vindt de verklaring van [slachtoffer 2] ook steun in de verklaring van verdachte. Verdachte heeft bevestigd dat er tijdens de vakantie gedoe was tussen hem en [getuige 3] en dat hij met [slachtoffer 2] in een tent heeft geslapen. Met zijn verklaring dat [slachtoffer 2] en hij op twee aparte luchtbedden lagen, lijkt verdachte een situatie te hebben willen schetsen die minder belastend voor hem is. Er is voldoende wettig bewijs. De rechtbank heeft op basis van deze bewijsmiddelen ook de overtuiging gekregen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Verdachte is die nacht dus onverhoeds en zonder consent bij [slachtoffer 2] binnengedrongen.

De rechtbank vindt het primair ten laste gelegde feit onder 2 daarom wettig en overtuigend bewezen.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair en onder feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1. primairhij op of omstreeks 24 juni 2024 te Culemborg, met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2] 2010, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], te wetenhet brengen/duwen van de vinger(s) in haar vagina, althans tussen haar schaamlippen en/ofhet brengen/duwen van zijn penis in haar vagina, althans tussen haar schaamlippen en/ofhet onder de kleding betasten van haar venusheuvel en/of haar schaamlippen en/ofhet onder de kleding betasten van haar borsten;

2. primairhij in of omstreeks de periode tussen 19 augustus 2024 en 21 augustus 2024 te Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 3] 2008, een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te wetenhet brengen/duwen van zijn penis in haar vagina en/ofhet brengen/duwen van zijn vinger(s) in haar vagina.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1, primair:

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

feit 2, primair:

Verkrachting.

5. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 10 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke deel van de straf moeten de volgende bijzondere voorwaarden worden verbonden: begeleiding door de jeugdreclassering, meewerken met Intensive Casemanagement (hierna: ICM), dagbesteding en ambulante behandeling indien jeugdreclassering dat nodig vindt, met een proeftijd van twee jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat bij het bepalen van de straf rekening wordt gehouden met het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). De Raad heeft gewezen op de beschermende factoren, zoals het thuis wonen, de prosociale contacten, de motivatie voor werk en de positieve band met de begeleider van ICM. Een werkstraf is de meest aangewezen strafmodaliteit.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:

Strafblad

Verdachte is niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee ernstige seksuele misdrijven. In juni 2024 heeft verdachte afgesproken met de 13-jarige [slachtoffer 1]. Hij heeft toen aan haar blote borsten gezeten. Ook heeft hij haar gevingerd en is hij met zijn penis tussen haar schaamlippen geweest, terwijl [slachtoffer 1] verdachte verteld heeft dat zij geen seks met hem wilde hebben. Twee maanden later heeft zich opnieuw een incident voorgedaan. Toen verdachte met de 15-jarige [slachtoffer 2] op een luchtbed in een tent lag, heeft hij ineens haar onderbroek naar beneden gedaan en is hij met zijn penis een paar keer op en neer gegaan in haar vagina. Hij is gestopt toen iemand anders de tent binnenkwam. Verdachte heeft op een zeer ernstige wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van de beide meisjes. Hij heeft op geen enkele manier rekening gehouden met hun grenzen. In plaats daarvan heeft hij zich kennelijk laten leiden door zijn eigen, seksuele behoeften.

Verkrachting en ontuchtig handelen met seksueel binnendringen zijn voor de slachtoffers ingrijpende en beangstigende gebeurtenissen die vaak langdurig psychische en emotionele gevolgen heeft voor slachtoffers. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaringen die ter terechtzitting zijn voorgelezen. [slachtoffer 1] heeft gezegd dat het incident haar de rest van haar leven zal achtervolgen. Zij is zichzelf kwijtgeraakt en heeft voortaan moeite om anderen te vertrouwen. Verdachte heeft niet alleen bij [slachtoffer 1], maar ook bij haar familie veel pijn veroorzaakt. [slachtoffer 1] is onder behandeling van een psycholoog en is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis. Uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] volgt dat zij sinds het incident angstig is. Ze voelt zich altijd onveilig, gespannen en alert, ook als de situatie daar geen aanleiding voor geeft. [slachtoffer 2] volgt traumatherapie. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zeer negatief en bepalend van invloed is geweest in de levens van de beide meisjes. De rechtbank maakt zich ook zorgen over zijn normbesef en hoe verdachte bijvoorbeeld denkt met meisjes en vrouwen om te kunnen gaan.

Rapportage

Rapport van de Raad voor de Kinderbescherming

Het is voor verdachte van groot belang dat er structuur in zijn leven komt en dat hij een daginvulling heeft om zich nuttig te voelen en om geld te kunnen verdienen. Verdachte heeft hier hulp bij nodig. Ook is ondersteuning nodig voor het regelen van praktische zaken. De begeleiding die verdachte op dit moment krijgt van ICM is helpend en het is belangrijk dat (soortgelijke) hulp wordt voortgezet, ook als verdachte 18 wordt. Daarnaast is het belangrijk voor verdachte om zijn vaardigheden te ontwikkelen. Hierbij kan gedacht worden aan het leren herkennen van probleemsituaties, grenzen accepteren en seksuele ontwikkeling.

Het recidiverisico wordt ingeschat als ‘midden’.

Als beschermende factoren worden genoemd dat verdachte weer thuis woont nadat hij een periode uit huis is geplaatst geweest, pro sociale contacten heeft, niet in aanraking komt met politie, een positieve band heeft met de ambulant begeleider vanuit ICM en gemotiveerd is voor werk. Risicofactoren liggen op de domeinen van gezin, school, financiën en vaardigheden. Verdachte volgt geen opleiding en heeft geen diploma. Er is sprake van schulden, waarvoor met hulp van ICM een betalingsregeling wordt getroffen.

Verdachte is moeilijk lerend. Ook wordt getwijfeld aan de effectiviteit van de leerstraf omdat seksualiteit vanuit de cultuur van verdachte gepaard gaat met schaamte en taboe. De Raad adviseert om een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. Een strak gestructureerde setting met duidelijk afgebakende werkzaamheden en begeleiding zijn daarbij een vereiste.

Begeleiding vanuit de jeugdreclassering zou passend kunnen zijn, maar als mocht blijken dat ICM langdurig betrokken kan blijven bij verdachte, zou de begeleiding vanuit de jeugdreclassering mogelijk dubbelop zijn.

Aanvullend op het rapport heeft de zittingsvertegenwoordiger van de Raad ter terechtzitting naar voren gebracht dat de pedagogische benadering die het jeugdstrafrecht kenmerkt voorop moet staan. De Raad staat niet negatief tegenover begeleiding door de jeugdreclassering. Er kan gedacht worden aan de volgende bijzondere voorwaarden: meewerken aan ICM, dagbesteding en aandacht voor delictanalyse, seksuele ontwikkeling en omgang met meisjes. Ook kan gedacht worden aan ambulante behandeling als de jeugdreclassering dat nodig vindt. De begeleiding door ICM komt op dit moment neer op begeleiding van vijf tot zeven uur per week; dat is vrij fors. De begeleiding kan ook nadat verdachte 18 jaar is geworden worden voortgezet. Hoe lang deze begeleiding dan nog kan voortduren is niet bekend.

Straf

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf ook gekeken naar de ‘Oriëntatiepunten voor de straftoemeting’ van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Op grond van deze oriëntatiepunten en gelet op de ernst van de feiten geldt als vertrekpunt de oplegging van jeugddetentie. De rechtbank vindt het enerzijds zorgelijk dat verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven en geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden. Anderzijds heeft de rechtbank oog voor de positieve ontwikkelingen in het leven van verdachte, zoals het positieve contact met de begeleider van ICM en zijn baantje als schoonmaker. Ook is het al enige tijd geleden dat de feiten hebben plaatsgevonden. In deze afwegingen en in het advies van de Raad ziet de rechtbank aanleiding om de straf anders vorm te geven dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank vindt een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor verdachte niet passend. De rechtbank zal wel een stevige voorwaardelijke jeugddetentie opleggen van acht maanden. Naast dat hiermee de ernst van de feiten wordt onderstreept, moet deze voorwaardelijke jeugddetentie verdachte ervan weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Ook is het belangrijk dat verdachte zo snel mogelijk kan starten met hulp en begeleiding en de (prille) positieve wending die hij aan zijn leven gegeven heeft kan voortzetten. Hulp en begeleiding door de jeugdreclassering vindt de rechtbank hierbij belangrijk. Gelet op de leerbaarheid van verdachte en de indruk die hij ter terechtzitting gemaakt heeft is de rechtbank van oordeel dat verdachte het best begeleid kan worden door de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering. Aan de voorwaardelijke straf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden koppelen die de Raad ter terechtzitting heeft geformuleerd en die door de officier van justitie zijn geëist. Het contact met ICM verloopt goed en is waardevol voor verdachte. In een vrijwillig kader is deze hulp echter (te) vrijblijvend en er is geen duidelijkheid over hoelang het traject kan voortduren. Om structuur in het leven van verdachte aan te brengen is het hebben van een dagbesteding belangrijk. Tot slot ziet de rechtbank aanleiding om verdachte te verplichten tot ambulante behandeling als de reclassering dat nodig vindt. Deze behandeling kan gericht zijn op gewetensontwikkeling, het herkennen van probleemsituaties, het accepteren van grenzen en omgang met meisjes en/of seksuele voorlichting/ontwikkeling. Zoals gezegd, heeft de rechtbank zorgen over het normbesef van verdachte en hoe hij denkt met meisjes en vrouwen te moeten omgaan. Het dossier biedt aanknopingspunten dat verdachte, naast [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], ook bij andere meisjes onwenselijk gedrag heeft laten zien. Het is belangrijk dat de reclassering bij de verdere invulling van het toezicht hier actief aandacht aan besteed en dat de jeugdreclassering ook gerichte begeleiding en behandeling op dit vlak kan inzetten. Bij de voorwaardelijke straf geldt een proeftijd van twee jaar. Vanuit het oogpunt van vergelding en om tegemoet te komen aan het grote leed dat verdachte de slachtoffers heeft aangedaan vindt de rechtbank dat verdachte naast de voorwaardelijke straf een onvoorwaardelijke taakstraf moet verrichten. De rechtbank vindt een werkstraf voor de maximale duur van 200 uur daarom passend. De tijd die verdachte in verzekering is gesteld moet daarvan worden afgetrokken volgens de maatstaf van 2 uur werkstraf per dag doorgebracht in verzekering.

8. De beoordeling van de civiele vorderingen

De vordering van [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1], wettelijk vertegenwoordigd door [aangever]-[aangever] en [vertegenwoordiger 1], heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 17.862,86 aan materiële schade en € 7.500,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en veroordeling in de proceskosten.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat eenvoudige rechtstreeks vast te stellen reiskosten (en een beperkt deel van het smartengeld) kunnen worden toegewezen en dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering van de posten studievertraging, (het grootste deel van het) smartengeld en eventuele toekomstige schade, gelet op de complexe causaliteit, de evidente predispositie en de onevenredige belasting van het strafgeding.

Gezien de leeftijd en de draagkracht van verdachte heeft de verdediging verzocht om uiterst terughoudend te zijn met het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel.

Overweging van de rechtbank

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van de ontucht met seksueel binnendringen door verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden.

Reiskosten

De post van de reiskosten naar het Radboud UMC voor medische afspraken en naar het politiebureau voor het doen van aangifte (€ 112,86) is niet door de verdediging weersproken. Deze post staat in voldoende verband met het bewezenverklaarde feit, is voldoende onderbouwd en de kosten komen de rechtbank billijk voor, zodat deze post geheel zal worden toegewezen.

Wettelijke rente

Verdachte is vanaf 25 maart 2026 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. Dit is de datum waarop het verzoek tot schadevergoeding is ingediend.

Studievertraging

In het schooljaar 2024-2025 is de benadeelde naar haar stellingen voor een periode van zes maanden niet naar school geweest. Deze uitval heeft ertoe geleid dat de benadeelde eerst onderwijs heeft gevolgd op een lager niveau en uiteindelijk geen regulier onderwijs meer volgt. Ter onderbouwing is een verklaring van het KWC Culemborg toegevoegd. Uit deze onderbouwing volgt dat de school niet kan vaststellen dat het schoolverzuim en afschaling van het onderwijsniveau een rechtstreeks gevolg is van de gebeurtenis. De school stelt wel dat na de gebeurtenis sprake was van een significante emotionele belasting en schooluitval, wat heeft bijgedragen aan het besluit om de benadeelde te laten afstromen naar een lager onderwijsniveau. Onder verwijzing naar de Richtlijn Studievertraging van de Letselschade Raad is een normbedrag van € 17.750,00 gevorderd. Omdat de benadeelde momenteel geen regulier onderwijs volgt is een pro memorie schadepost opgevoerd voor eventuele in de toekomst op te lopen studievertraging.

De rechtbank overweegt als volgt. Onder schade wegens studievertraging wordt verstaan de schade die optreedt doordat een benadeelde later op de arbeidsmarkt actief is. De schade is ontstaan doordat een opleiding vanwege een incident wordt onderbroken. Een ander dan de benadeelde is voor deze studievertraging aansprakelijk. De raadsman heeft aangevoerd dat de schade (grotendeels) voor rekening van de benadeelde moet komen vanwege evidente predispositie. Predispositie betekent dat iemand al voor een incident een verborgen kwetsbaarheid had, waardoor hij sneller klachten krijgt dan een ander. Als zo iemand schade oploopt blijft de veroorzaker in de regel aansprakelijk. De verborgen kwetsbaarheid verandert dat in principe niet. Het idee daarbij is dat de dader het slachtoffer moet nemen zoals hij of zij is. Dus ook als iemand gevoeliger is voor klachten, moet de dader de gevolgen daarvan dragen. De gestelde predispositie staat dus niet aan toewijzing van het gevorderde in de weg. Van pre-existente klachten bij het slachtoffer die zouden hebben geleid tot relevante schooluitval is verder niet gebleken.

Uit de verklaring van school blijkt voldoende dat de benadeelde klachten heeft opgelopen naar aanleiding van het bewezenverklaarde feit, waardoor studievertraging is ontstaan. Daarmee staat het causaal verband tussen het bewezenverklaarde en de studievertraging in voldoende mate vast. De richtlijn voor Studievertraging van de Letselschade Raad 2025 gaat uit van netto normbedragen voor schade wegens studievertraging op basis van één jaar studievertraging. Aan de categorie ‘vmbo, lbo’ is in het jaar 2025 een normbedrag gekoppeld van € 17.750,00. Het gevorderde bedrag is in overeenstemming met deze categorie van de richtlijn. De rechtbank zal het gevorderde bedrag dan ook toewijzen.

Wettelijke rente

Verdachte is vanaf 25 maart 2026 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd bij gebreke aan een andere gestelde of gebleken ingangsdatum. Dit is de datum waarop het verzoek tot schadevergoeding is ingediend.

Smartengeld

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.

De benadeelde heeft gemotiveerd en onderbouwd gesteld dat zij na het strafbare feit lijdt aan een psychische stoornis, te weten een posttraumatische stressstoornis. Dit is aan verdachte toe te rekenen.

Bij het bepalen van de hoogte van het smartengeld heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse schaal, zijnde een ordering van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen. Deze Rotterdamse schaal kent aparte schalen voor schadevergoeding als het slachtoffer PTTS heeft opgelopen. De rechtbank stelt vast dat hier sprake is van de PTSS categorie (c) middelzwaar. De benadeelde heeft immers concentratieproblemen, is vergeetachtig, voortdurend alert en gefocust en heeft flashbacks. Hiervoor heeft zij psychologische behandeling. De behandeling is gericht op het oppakken van dagelijkse bezigheden en het toewerken naar schoolgang. De schadevergoeding binnen deze categorie varieert van € 5.500,00 tot € 16.000,00. De Rotterdamse schaal kent ook aparte schalen voor schadevergoeding bij seksuele misdrijven. De rechtbank stelt vast dat in dit geval sprake is van ontucht met binnendringen van de categorie ‘tamelijk ernstig’. Er is immers sprake van eenmalige ontucht met binnendringen bij een zeer jong slachtoffer. Verdachte heeft de benadeelde gevingerd en is met zijn penis tussen de schaamlippen van de benadeelde geweest. De benadeelde heeft na afloop forensisch onderzoek in het ziekenhuis moeten ondergaan De schadevergoeding binnen deze categorie varieert van € 1.500,00 tot € 6.000,00. De rechtbank acht met in achtneming van het bovenstaande het gevorderde bedrag van € 7.500,00 billijk en zal dat bedrag aan smartengeld toewijzen.

Wettelijke rente

Verdachte is vanaf 24 juni 2024 wettelijke rente verschuldigd over het toegewezen bedrag. Dit is de datum waarop het feit gepleegd is.

Proceskosten

Door de benadeelde partij worden voorts kosten voor rechtsbijstand gevorderd. Nu verdachte gelet op de toegewezen vordering als de in het ongelijk gestelde partij moet worden beschouwd, wordt hij veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat de proceskosten van de benadeelde partij die wordt bijgestaan door een advocaat moeten worden vastgesteld overeenkomstig het toepasselijke liquidatietarief. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om daarvan af te wijken. De rechtbank stelt de kosten voor de rechtsbijstand vast overeenkomstig het Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven. Voor het opstellen en indienen van de vordering en de aanwezigheid tijdens de behandeling ter terechtzitting kent de rechtbank telkens een punt toe, zodat aan proceskosten zal worden toegewezen een bedrag van (2 x € 863,00) € 1.726,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Proceskosten zijn hier niet bij inbegrepen. Gelet op de leeftijd van verdachte zal hierbij geen gijzeling worden toepast.

De vordering van [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2], wettelijk vertegenwoordigd door [getuige 6] en [vertegenwoordiger 2], heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.500,00 tot € 5.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 5.000,00 kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair komt de verdediging tot dezelfde conclusie omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en omdat de causaliteit niet eenvoudig is vast te stellen.

Overweging van de rechtbank

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.

Uit haar slachtofferverklaring volgt dat [slachtoffer 2] sinds de gebeurtenis in angst leeft. Zij heeft traumatherapie gevolgd. Vanuit de behoefte om gevoelens en gedachten te verdoven, heeft [slachtoffer 2] een drugsverslaving ontwikkeld. Uit het nagezonden zorgplan van A.M.L. van den Arts-Hurk en J. Mubarak van 7 april 2026 volgt dat [slachtoffer 2] lijdt aan psychotrauma en dat zij wil stoppen met middelengebruik. Traumabehandeling zal na een periode van abstinentie worden gestart. Uit het zorgplan volgt dat [slachtoffer 2] mede door de verkrachting geestelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde vordert een bedrag tussen € 1.500,00 en € 5.000,00. Zij heeft geen rechtsbijstand. De rechtbank constateert aan de hand van deze onderbouwing dat niet al het psychisch letsel dat [slachtoffer 2] op dit moment ondervindt aan het handelen van verdachte is toe te rekenen, maar dat wel vast staat dat een deel van dit psychisch letsel hierdoor is veroorzaakt. Hiermee staat voldoende grondslag vast voor toekenning van smartengeld. Bovendien kan ook op grond van de aard en de ernst van de normschending, te weten de onverhoedse vaginale verkrachting van een 15-jarig meisje door verdachte, worden aangenomen dat sprake is van een persoonsaantasting. Ook dit levert dan ook een grondslag op voor toekenning van smartengeld.

Bij het bepalen van de hoogte van het smartengeld heeft de rechtbank ook hier aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. Zij heeft zich gebaseerd op de categorie 15.2 ‘ontucht met binnendringen’, categorie (b) ‘ernstig’ en (c) ‘tamelijk ernstig’. De schadevergoeding binnen categorie (b) varieert van € 6.000,00 tot € 12.500,00 en binnen categorie (c) van 1.500,00 tot € 6.000,00. Er is sprake van eenmalige ontucht met binnendringen, waarbij géén sprake is van een combinatie van vergaande seksuele handelingen, maar wél sprake is van vaginaal binnendringen met een geslachtsdeel. De benadeelde heeft na het tenlastegelegde een morning-after pil moeten nemen. De rechtbank acht de bovengrens van het gevorderde, te weten een bedrag van € 5.000,00 aan smartengeld billijk en zal dat bedrag dan ook toewijzen.

Wettelijke rente

Verdachte is vanaf 19 augustus 2024 wettelijke rente verschuldigd over het toegewezen bedrag. Dit is de datum waarop het feit gepleegd is.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventuele proceskosten zijn hier niet bij inbegrepen. Gelet op de leeftijd van verdachte zal hierbij geen gijzeling worden toepast.

9. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 245 (oud) en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van acht maanden;

- verdachte zorgt dat hij bereikbaar is voor de jeugdreclassering, zich begeleidbaar opstelt en afspraken met de jeugdreclassering nakomt;

- verdachte gedurende de proeftijd een zinvolle dagbesteding heeft;

- verdachte zich laat begeleiden door Intensive Casemanagement (ICM) Culemborg (of een soortgelijke begeleiding) en zich houdt aan de aanwijzingen die in dit kader zullen worden gegeven;

- verdachte meewerkt aan ambulante behandeling als de jeugdreclassering dit nodig vindt. De behandeling is gericht op gewetensontwikkeling, het herkennen van probleemsituaties, het accepteren van grenzen en omgang met meisjes en/of seksuele voorlichting/ontwikkeling. Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen die in dat kader worden gegeven;

 stelt als overige voorwaarden dat:

 geeft opdracht aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, afdeling Jeugdreclassering, te Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;

 veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf van 200 uren, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 100 dagen;

 beveelt dat de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de werkstraf in mindering wordt gebracht, volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht, twee uren in mindering worden gebracht;

 veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 17.862,86 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald, en € 7.500,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

 veroordeelt verdachte tot betaling van de kosten voor rechtsbijstand van de benadeelde partij [slachtoffer 1], te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 1.726,00;

 veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 5.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partijen de hierna te benoemen bedragen te betalen aan materiële schade/smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf hierboven genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

Benadeelde partij Bedrag

1. [slachtoffer 1] € 25.362,86

2. [slachtoffer 2] € 5.000,00

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. H.J. Damen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand