ECLI:NL:RBGEL:2026:3250

ECLI:NL:RBGEL:2026:3250

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 24-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer 05/071571-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Brandstichting in de oude binnenstad van Arnhem. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren voor het opzettelijk stichten van brand in een rolcontainer met oud papier en karton, waardoor een zeer grote uitslaande brand is ontstaan. Daarnaast krijgt verdachte een GVM en een locatieverbod voor Arnhem opgelegd. Voorwaardelijk verzoek verdediging afgewezen. Vorderingen benadeelde partijen deels niet-ontvankelijk wegens onevenredige belasting van het strafproces. Overige vorderingen deels toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05.071571.25

Datum uitspraak : 24 april 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1967 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven aan [adres] te [woonplaats] ,

op dit moment aldaar gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .

Raadsman: mr. R. Stam, advocaat in Doetinchem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging en een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de nacht van 5 maart 2025 op 6 maart 2025 in de gemeente Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht aan/bij een (monumentaal) pand gelegen aan de Varkensstraat,

immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een of meer brandbare stof(fen) (te weten papier/karton dat opgestapeld lag op een of meer rolcontainer(s) die geplaatst was/waren tegen/voor/bij voornoemd pand) en/of met een of meer andere brandbare stof(fen) in de nabijheid van voornoemd pand,

ten gevolge waarvan die brandbare stof(fen) tegen/voor/bij dat pand geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan (welke brand zich (vervolgens) razendsnel ontwikkelde tot een grote uitslaande brand),

terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer (slapende) perso(o)n(en), die zich bevonden in de boven/naast/in de (directe) nabijheid gelegen woningen, te weten:- [aangever 1] (aangifte blz. 442)- [aangever 2] (aangifte blz. 450)- [aangever 3] (aangifte blz. 491)- [aangever 4] (aangifte blz. 506)- [aangever 5] (aangifte blz. 510)- [aangever 6] (aangifte blz. 514)- [aangever 7] (aangifte blz. 518)- [aangever 8] en [aangever 9] (aangifte blz. 522)- [aangever 10] en partner (aangifte blz. 527)- [aangever 11] en [aangever 12] (aangifte blz. 531)- [aangever 13] (aangifte blz. 534)- [aangever 14] (aangifte blz. 537)- [aangever 15] en [aangever 16] (aangifte blz. 544)- [aangever 17] en partner (aangifte blz. 550)- [aangever 18] (aangifte blz. 571)- [aangever 19]

- [aangever 20] en de leden van zijn gezin

te duchten was en/of er gevaar voor goederen te duchten was, te weten voor de betreffende rolcontainer(s) en/of het genoemde (monumentale) pand en/of de belendende pand(en)/perce(e)l(en) (waaronder rijks- en/of gemeentemonumenten) en/of een of meer andere goed(eren), al dan niet in de nabijheid van die rolcontainer(s).

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde, met uitzondering van het onderdeel dat ziet op het medeplegen. Op dat punt dient verdachte te worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Op basis van het dossier kan niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat de brand is ontstaan aan de buitenzijde van het pand van de winkel [benadeelde bedrijf 4] . Ook kan niet worden vastgesteld dat de brand is ontstaan door het bijbrengen van vuur door verdachte, al dan niet in vereniging met een of beide medeverdachten.

Beoordeling door de rechtbank

Vast staat dat in de vroege ochtend van 6 maart 2025 een grote brand heeft gewoed in de oude binnenstad van Arnhem. Omstreeks 03:45 uur kwam bij de politie de eerste melding binnen van een brand in de Varkensstraat in Arnhem, in een pand van de winkel [benadeelde bedrijf 4] . Ter plaatse bleek het te gaan om een zeer grote uitslaande brand die zich snel uitbreidde. De vlammen kwamen hoog uit de gevel en er was sprake van dikke zwarte rookontwikkeling. De omliggende panden en woningen zijn direct door de politie en de brandweer ontruimd. De meeste bewoners werden wakker door hard aankloppen, bij andere woningen is de deur met geweld opengebonkt. Een groot aantal panden en woningen is door de brand (ernstig) beschadigd geraakt. Een aantal woningen is onbewoonbaar geworden. Een deel van de panden is noodgedwongen afgebroken.

Aan verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is ten laste gelegd dat zij samen, dan wel alleen, de brand in Arnhem hebben gesticht. De vraag die de rechtbank in de eerste plaats moet beantwoorden is of kan worden vastgesteld dat er sprake was van brandstichting. Daarover overweegt zij als volgt.

Hoe is de brand ontstaan?

De politie heeft forensisch onderzoek gedaan naar de oorzaak en de ontstaanslocatie van de brand. Het onderzoek werd verricht in een blok van winkels en bovenwoningen gelegen in de oude binnenstad van Arnhem. De getroffen panden waren oude panden, opgetrokken uit baksteen en hout. Uit het onderzoek volgt dat de primaire brandhaard gelegen was aan de Varkensstraat, ter hoogte van nummer 18b en 19. Op deze locatie was een opvallend brandbeeld zichtbaar aan het kozijn. Op een laag niveau had hier een brand gewoed en deze had het houten kozijn vanaf de buitenzijde aangestraald. De rode tegels op de gevel waren op een laag niveau weggevallen door hitte-inwerking en de pleisterlaag was er deels weggebrand. Deze lage inbranding was alleen op deze locatie zichtbaar; bij de andere kozijnen in de Varkensstraat en in de andere straten kwam het beeld naar voren dat deze van binnen naar buiten waren aangestraald door de brand. Op de genoemde locatie werden voor de gevel de resten van twee rolcontainers aangetroffen, zwaar aangetast door vuur. Daartussen bevonden zich diverse lagen door vuur aangetast karton, verbrande zwenkwielen en delen gesmolten kunststof, passend bij verbrande rolcontainers.

Gezien het totaalbeeld, de brandpatronen en de hitte-indicatoren is het volgens de forensisch onderzoeker het meest aannemelijk dat de brand is ontstaan door het opzettelijk bijbrengen en/of achterlaten van vuur in een met karton gevulde rolcontainers die tegen de gevel stonden. Van daaruit is de brand naar binnen geslagen, waar de brand zich kon doorontwikkelen. De brand binnen het pand en in de overige panden betrof daarmee gevolgschade.

Omdat het op basis van de onderzoeksresultaten zeer aannemelijk was dat de brand op deze locatie was ontstaan, heeft het onderzoek zich grotendeels tot deze locatie beperkt. Wel is de gehele locatie rondom onderzocht. Daarbij zijn er geen bijzonderheden aangetroffen die zouden passen bij een brand afkomstig uit lager gelegen kelders, ruimtes en/of ondergrondse gangen. Verder is er onderzoek gedaan naar een groot aantal andere oorzaken, die na onderzoek konden worden uitgesloten.

Na onderzoek is voorts geconcludeerd dat er als gevolg van de brand gevaar voor goederen is ontstaan in (de omgeving van) de door vuur aangetaste winkels en bovenwoningen. Gelet op de situatie was het mogelijk dat de brand zich (verder) had kunnen doorontwikkelen en had kunnen overslaan naar de naastgelegen woningen en/of meerdere buurpanden. Ook was er bij deze brand levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten. De brand vond in de nacht plaats. Het is een feit van algemene bekendheid dat brand gepaard gaat met rook en dat brand en rook zich snel verspreiden. Rookontwikkeling draagt, naar de algemene ervaringsregel leert, een gevaar voor de gezondheid in zich met mogelijk fatale gevolgen. De bewoners van de bovenwoningen en de nabijgelegen woningen hebben door deze brand aanzienlijk gevaar gelopen om zwaargewond te raken of zelfs het leven te laten.

Tijdens de inleidende zitting op 17 juni 2025 heeft de verdediging – samengevat – verzocht om aanvullend onderzoek/contra-expertise naar de toedracht van de brand, waarbij ook werd gekeken naar de (bewegende) camerabeelden en waarbij ook andere mogelijke oorzaken van de brand – zoals een brand van binnenuit – werden onderzocht. Ook werd gevraagd om te kijken naar de theoretische (on)mogelijkheid dat gloeiend karton na enige tijd ontbrandt.

Ter beantwoording van deze vragen is door de politie een aanvullende rapportage opgesteld. De verbalisanten hebben daarvoor gebruikt gemaakt van de foto’s van het eerdere brandonderzoek en beelden van, onder meer, een openbare camera van de Gemeente Arnhem. Deze beelden tonen de Varkensstraat en de zijgevel van de [benadeelde bedrijf 4] . Een deel van deze zijgevel wordt aan het zicht van de camera onttrokken door een plantenbak met daarin een boom of struik. Op deze plek, nabij de toegangsdeur van het magazijn van de [benadeelde bedrijf 4] , hebben volgens het onderzoek van de politie twee rolcontainers gestaan, gevuld met gestapeld karton. Deze rolcontainers zijn door genoemde beplanting niet zichtbaar op de camerabeelden.

Volgens de verbalisanten is op de beelden te zien dat op 6 maart 2025 om 02:56 uur drie personen weglopen bij de plaats waar de rolcontainers stonden. Om 03:06 uur is beginnende rookontwikkeling zichtbaar, komend vanaf dezelfde plaats. Om 03:27 uur zijn, naast toegenomen rookontwikkeling, ook vlammen zichtbaar, die gereflecteerd worden in de naastgelegen winkelruit. Om 03:30 uur slaat het vuur tegen de winkelruit.

De verbalisanten plaatsen hierbij de opmerking dat wanneer de ontbranding van het karton in de rolcontainers zou zijn ontstaan door vuur, hitte en/of straling in/uit het pand, in deze fase van de ontwikkeling van de brand (waarbij de eerste vlammen buiten zichtbaar zijn) te verwachten zou zijn dat dit op de camerabeelden zichtbaar zou zijn door de naastgelegen ruiten van de [benadeelde bedrijf 4] en in de reflectie van de ruiten van de panden aan de overzijde.

Om 03:38 uur heeft de brand in de rolcontainers zich verder ontwikkeld en reiken de vlammen tot de bovenzijde van de naastgelegen raampartij van de [benadeelde bedrijf 4] . Uit de log-gegevens van het alarmsysteem van de [benadeelde bedrijf 4] volgt dat om 03:38 uur ook een reeks alarmmeldingen start van verschillende sensoren in de winkel. Dit tijdstip ligt 11 minuten na het moment waarop op de camerabeelden de eerste vlammen zichtbaar zijn op de plaats van de rolcontainers. Wanneer de ontbranding van het karton in de rolcontainers zou zijn ontstaan door vuur, hitte en/of straling in of vanuit het pand, zou het volgens de verbalisanten te verwachten zijn dat, mede door de daarbij te verwachten rookontwikkeling, om 03:27 uur al meerdere sensoren in het pand melding zouden hebben gemaakt.Om 03:43 uur is op de beelden te zien dat ontbrandbare rookgassen door de ruit uit het pand naar buiten komen, vermoedelijk na een ruitbreuk. Kort hierop komen door de gebroken ruit vlammen uit het pand naar buiten. Ontbrandbare rookgassen kunnen zijn ontstaan door de inwerking van de stralingswarmte van het vuur buiten voor de ruit op materialen in de [benadeelde bedrijf 4] (pyrolyse).

Op de foto's van het forensisch onderzoek op de plaats delict zagen de verbalisanten (enkel) op de locatie waar de rolcontainers hebben gestaan een brandpatroon dat past bij een brandhaard laag tegen de zijgevel. Aan de buitenzijde van het pand zagen zij in de directe omgeving van de rolcontainers geen elektriciteitsleidingen of andere technische voorzieningen die een rol kunnen hebben gespeeld bij het ontstaan van de brand.

Op basis van deze waarnemingen kan volgens de verbalisanten gesteld worden dat de brand aan de buitenzijde van het pand is begonnen op de locatie waar de rolcontainers hebben gestaan. Voor een brand van binnenuit, die is overgeslagen op een van de rolcontainers buiten het pand, werden geen aanwijzingen gevonden.Tot slot wordt geconcludeerd dat uit diverse onderzoeken blijkt dat gloeiend karton zich kan ontwikkelen tot een brand. Hierbij spelen vele factoren een rol, waaronder luchtstroming, luchtvochtigheid, de samenstelling en de compactheid en het vochtgehalte van het karton.

Tussenconclusie: brandstichting

Uit de voornoemde onderzoeksresultaten leidt de rechtbank af dat de brand is ontstaan in de met papier en karton gevulde rolcontainer(s) die in de Varkensstraat tegen de gevel van de [benadeelde bedrijf 4] stond(en), ter hoogte van nummers 18b en 19. De resten van de containers zijn op de betreffende locatie aangetroffen. Op dezelfde locatie werd aan de buitenzijde van het kozijn een lage inbranding gezien, die bij geen van de andere kozijnen in de getroffen straten zichtbaar was. Uit de bevindingen van de onderzoekers – zowel in het oorspronkelijke forensische onderzoek als in de aanvullende rapportage, opgesteld door andere onderzoekers – volgt bovendien dat er geen aanwijzingen zijn voor een andere oorzaak van de brand, zowel extern als van binnenuit. Ook zijn er geen aanwijzingen voor andere brandhaarden aangetroffen.

Uit het forensisch onderzoek volgt ook dat de brand meest aannemelijk is ontstaan door het opzettelijk bijbrengen en/of achterlaten van vuur in het karton en papier dat op de rolcontainers in de Varkensstraat was verzameld. Van enige andere oorzaak van het ontstaan van de brand in de rolcontainers is uit het dossier of uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken. De rechtbank heeft, mede gelet op wat hierna wordt overwogen over de bevindingen van het tactisch onderzoek, geen enkele aanleiding om aan deze conclusie van de forensisch onderzoeker te twijfelen. Sterker nog, de bevindingen van het tactisch onderzoek passen naadloos op de bevindingen van het forensisch onderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook worden vastgesteld dat de brand is ontstaan door opzettelijke brandstichting in de rolcontainer(s). De door de verdediging geopperde alternatieve mogelijkheden worden weerlegd door de bewijsmiddelen.

De brand in het papier en karton op de rolcontainer(s) is overgeslagen op het pand van de [benadeelde bedrijf 4] en heeft zich doorontwikkeld tot een grote, uitslaande brand. Als gevolg daarvan is er niet alleen gemeen gevaar voor goederen ontstaan voor de rolcontainers, de getroffen en belendende panden en andere goederen in de (directe) omgeving van de brand, maar heeft dit gevaar zich ook deels verwezenlijkt. De brand vond bovendien in de nacht plaats, middenin het winkelcentrum van Arnhem, in een blok van winkels en bovenwoningen waar veel mensen lagen te slapen. De bewoners van zowel deze bovenwoningen als de nabijgelegen woningen hebben door de brand aanzienlijk (levens)gevaar gelopen. Daarmee was er naar het oordeel van de rechtbank ook levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel bij anderen te duchten.

Het te duchten gevaar was, gelet op de locatie en het tijdstip waarop de brand is gesticht, naar het oordeel van de rechtbank naar algemene ervaringsregels voorzienbaar ten tijde van de brandstichting. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat brand gepaard gaat met rook en dat brand en rook zich snel verspreiden, met alle gevolgen van dien.

Kunnen verdachten in verband worden gebracht met de brandstichting?

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de brand in de Varkensstraat is ontstaan door brandstichting, als gevolg waarvan gemeen gevaar voor goederen en personen te duchten was, ziet zij zich voor de vraag gesteld of en in hoeverre verdachte en zijn medeverdachten in verband kunnen worden gebracht met de brandstichting. Daarover overweegt zij als volgt.

De politie heeft de camerabeelden van Openbare orde in de Varkensstraat bekeken en beschreven. Uit de beelden volgt dat op 5 maart 2025 omstreeks 17:36 uur twee rolcontainers gevuld met papier en karton zijn geplaatst in de Varkensstraat ter hoogte van perceelnummer 19-21. De rolcontainers worden aan het zicht van de camera onttrokken door een grote pot met een plant. Op de beelden is te zien dat rond 19:49 uur een vuilniswagen de Varkensstraat inrijdt, maar dat de rolcontainers niet worden meegenomen of geleegd. Op dezelfde dag is vanaf omstreeks 23:30 uur te zien dat er verschillende personen door de Varkensstraat lopen, van wie niemand langer dan één seconde in de buurt van de rolcontainers en (door de grote pot met de plant) uit het zicht van de camera is geweest. Vanaf 02:36 uur (op 6 maart 2025) is er niemand meer te zien, totdat om 02:55:19 uur drie personen door de Varkensstraat lopen. Op de beelden is te zien dat persoon 2 tijdens het lopen zijn hand naar zijn mond brengt en dat er direct daarna rook uit zijn mond komt. Om 02:55:34 uur loopt het drietal in de richting van de rolcontainers. Personen 1 en 2 verdwijnen vervolgens uit beeld achter de pot met de plant. Persoon 3 blijft nog net in beeld staan, half achter de plant. Ter hoogte van de mond van persoon 3 is een licht puntje te zien, dat sterker en zwakker wordt. Ook lijkt er iets van rook zichtbaar te worden, komend uit de richting van zijn mond. Om 02:56:12 uur komt het drietal weer in beeld vanachter de plant en lopen zij verder in de richting van de Hoogstraat. Vervolgens is om 03:07:00 uur de eerste rookontwikkeling te zien in de Varkensstraat, ter hoogte van perceelnummer 19-21. Om 03:27:00 uur zijn daar de eerste vlammen zichtbaar en om 03:34:00 uur is te zien dat de brand zich langs de pui via de kozijnen naar de eerste verdieping verplaatst, om zich vervolgens verder uit te breiden. Vanaf het moment dat de drie personen weglopen vanaf het perceelnummer 19-21 (om 02:56:12 uur), zijn er geen andere personen op de camerabeelden te zien in de Varkensstraat tot aan de daadwerkelijk ontwikkelde brand.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben ieder afzonderlijk verklaard dat zij in de nacht van 6 maart 2025 samen door de Varkensstraat hebben gelopen. Ook hebben zij bevestigd dat zij de drie personen zijn die op de beelden zichtbaar zijn. Verdachte heeft zichzelf herkend als persoon 1. Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben zichzelf herkend als (respectievelijk) personen 2 en 3.

Tussenconclusie: verdachten waren aanwezig op de plaats delict

Op basis van het voorgaande constateert de rechtbank dat de drie verdachten aanwezig waren op de plek waar de brand is ontstaan, kort voordat de eerste rookontwikkeling bij de rolcontainers zichtbaar werd op de camerabeelden. Zij zijn door de Varkensstraat gelopen en hebben even stilgestaan ter hoogte van de plek waar de rolcontainers stonden. Ook constateert de rechtbank dat in de uren voorafgaand aan het moment dat de verdachten door de Varkensstraat kwamen, niemand langer dan één seconde in de directe nabijheid van de rolcontainers is geweest. Nadat de drie mannen weg zijn gelopen van de plek waar de rolcontainers stonden, zijn er bovendien geen andere personen in de Varkensstraat te zien tot het moment dat de brand zich al heeft ontwikkeld. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de drie verdachten in de Varkensstraat waren op de plek van de brandstichting, op het moment van de brandstichting.

Welke handelingen kunnen worden vastgesteld?

De enkele aanwezigheid van de verdachten bij de rolcontainers in de Varkensstraat ten tijde van de brandstichting is niet voldoende voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde. De rechtbank dient voor elke verdachte afzonderlijk te beoordelen welke handelingen deze verdachte heeft verricht en of hij zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Daarbij is van belang dat, ook indien op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat een verdachte de brand zelf heeft aangestoken, betrokkenheid bij de brand via medeplegen bewezen kan worden verklaard wanneer komt vast te staan dat sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen deze verdachte en degene(n) die de brand wel heeft/hebben aangestoken. De materiële en/of intellectuele bijdrage van deze verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

De rechtbank zal achtereenvolgens de relevante bewijsmiddelen ten aanzien van de handelingen van de verdachten bespreken. Vervolgens zal zij aan de hand daarvan beoordelen of en in hoeverre verdachte op basis van het dossier een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

De camerabeelden van [benadeelde bedrijf 2] , gevestigd aan [vestigingsplaats] , zijn door de politie bekeken en beschreven. Bij deze beelden is ook het geluid opgenomen. De beelden tonen de Varkensstraat, met aan de linkerzijde de gevel van de [benadeelde bedrijf 4] . Aan de gevel van [benadeelde bedrijf 4] hangt een afvalbak en iets verderop staat een grote pot met een plant. Op de beelden is te zien dat op 6 maart 2025 om 02:55:04 uur de drie verdachten vanuit de Jansstraat de Varkensstraat in lopen. Om 02:55:35 uur zegt verdachte: “Hey, laten we die ding in de fik zetten” en “Vind ik leuk”. Op de beelden is te zien dat hij hierbij met zijn wandelstok iets aanwijst. Vervolgens wordt er door elkaar gepraat en zegt verdachte: “Doe ik altijd”. Hierop zegt één van de andere verdachten: “Kan je nou wel ff doen ja”. Om 02:55:41 uur lopen de drie verdachten links uit beeld, maar hun schaduwen blijven zichtbaar op de grond. Daaraan is te zien dat de verdachten tot 02:55:57 uur blijven staan en iets bewegen. Vervolgens is er tot 02:56:03 uur een schaduw van één persoon zichtbaar. Er zijn stemmen te horen, maar volgens de verbalisant is niet te verstaan wat er gezegd wordt: alleen “branden dan".

Specialisten van de Landelijke Eenheid hebben de audiosignalen behorend bij het beeldmateriaal van [benadeelde bedrijf 2] verbeterd en uitgewerkt. Aan de hand van de verbeterde geluidsopname zijn de beelden opnieuw bekeken en beluisterd en als volgt beschreven.

Op de beelden is te zien dat de drie verdachten door de Varkensstraat lopen, komende uit de richting van de Jansstraat. Net voorbij de plantenbak met de struik wijst verdachte [verdachte] met zijn wandelstok voor zich uit en is te horen dat hij zegt:

[verdachte] : “Hé laten we dit ding in de fik zetten, vin’k leuk.”

Vervolgens is te zien dat medeverdachte [medeverdachte 2] begint te lachen en dat zijn mond beweegt.

[medeverdachte 2] : (grinnikt) “Ja, laten we dat maar doen.”

De drie verdachten vervolgen hun weg over de Varkensstraat en lopen voorbij de prullenbak die voor de gevel van de [benadeelde bedrijf 4] staat.

[verdachte] : “Doe ik altijd.”

[medeverdachte 2] : “Ja, laten we dat maar doen ja.”

[verdachte] : “Is best lachen.”

[medeverdachte 2] : “Laat maar gebeuren (…) mooi effe zien.”

De drie verdachten lopen uit beeld. Er is een kort scherp geluid te horen, een soort klik. Daar wordt direct verbaal op gereageerd door (vermoedelijk) verdachte [medeverdachte 1] .

[medeverdachte 1] : “Eeh joh, rot op man.”

De stemmen lopen nu af en toe door elkaar en het is moeilijk te onderscheiden door wie

er iets gezegd wordt.

[medeverdachte 1] (?): “lachen.”

[verdachte] : “(…) heb vuur en hij ook. (…) Zijkant van die ruimte (…)”

Het klinkt alsof de stemmen om onbekende reden iets vervormen; het klinkt ‘blikkerig’, waardoor moeilijk te onderscheiden is door wie wat gezegd wordt.

[verdachte] / [medeverdachte 2] / [medeverdachte 1] : “Dat wil niet branden daar.”

[verdachte] : “Die zijn te nat.”

[medeverdachte 2] / [medeverdachte 1] : “Begint te gloeien. In het midden.”

[verdachte] / [medeverdachte 2] / [medeverdachte 1] : “Leuk leuk.”

De politie heeft ook de beelden van de [bar] , gelegen aan [adres] , bekeken en uitgewerkt. Deze beelden geven zicht op de Varkensstraat vanaf de andere kant, met de Jansstraat/Grote Oord aan de linkerzijde. De camera reageert op beweging en de opname is gestart op 6 maart 2025 om 02:56:04 uur. Daarop is te zien dat de drie verdachten door de Varkensstraat lopen, komend uit de richting van de Jansstraat. Verdachte bevindt zich bij aanvang van de opname in de nabijheid van een metalen rolcontainer die bij de zijgevel van [benadeelde bedrijf 4] staat. Verdachte loopt vlak langs de gevels en pakt tijdens het lopen zijn wandelstok over van zijn linkerhand naar zijn rechterhand, waarna hij zijn linkerhand in zijn jaszak doet. Ook is op deze beelden te zien dat [medeverdachte 2] rookt tijdens het lopen en rookwaar in zijn handen heeft. Om 02:56:16 uur zijn de verdachten uit beeld verdwenen.

De politie heeft de audio-opname van de camera van [benadeelde bedrijf 2] ter transcriptie voorgelegd aan de afdeling Spraak-, Taal en Audio-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), met het doel om nader vast te stellen door welke verdachte wat is gezegd. Het onderzoek is doelbewust zo ingericht dat sturing door contextinformatie zo veel mogelijk is vermeden. De onderzoekers hadden geen kennis van de zaak, de videobeelden of eerdere uitwerkingen van de geluidsopname. De onafhankelijke transcripties van twee onderzoekers van het NFI zijn samengevoegd tot één consensustranscriptie, waarin alleen elementen zijn opgenomen waarover beide onderzoekers het eens waren. De consensustranscriptie is weergegeven in de volgende tabel:

Tabel 1: consensustranscriptie NFI

De onderzoekers hebben de uitingen van spreker A gekoppeld aan verdachte [verdachte] . De uitingen van sprekers B en C konden door de onderzoekers op basis van de audio-opname niet aan de ene of de andere verdachte ( [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] ) worden toegeschreven.

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij nog weet dat [verdachte] heel blij was om die papiercontainer, die rolcontainer in de Varkensstraat te zien staan. Ook heeft hij gezien dat [verdachte] met een aansteker heen en weer liep om de container, en dat hij handelingen probeerde te verrichten in de container. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] de container met de aansteker in brand heeft gestoken.

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij degene is die (herhaaldelijk) heeft gezegd: “Laten we dat maar doen, ja”.

Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij in de betreffende nacht in de Varkensstraat in Arnhem heeft gezegd: “Laten we dit ding in de fik zetten”; “vin’k leuk”; en “doe ik altijd.”

De rol van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat de opmerking over het ‘in de fik zetten’ gekscherend was bedoeld. Volgens verdachte doelde hij daarmee op de metalen (gemeentelijke) afval-/prullenbak die in de Varkensstraat aan de gevel van de [benadeelde bedrijf 4] hing. Terwijl hij die opmerking maakte, wees hij naar eigen zeggen met zijn wandelstok naar die metalen prullenbak. Daarna is hij niet gestopt maar rustig doorgelopen, samen met zijn medeverdachten. Geen van hen heeft de brand gesticht. De rolcontainers heeft verdachte niet zien staan.

Op basis van de door de politie beschreven camerabeelden van [benadeelde bedrijf 2] , constateert de rechtbank echter dat verdachte, terwijl hij de opmerking “Laten we dit ding in de fik zetten” maakt, met zijn wandelstok voor zich uit wijst, terwijl de prullenbak aan zijn rechterzijde hangt. Ook volgt uit de beelden dat het drietal de metalen prullenbak aan de gevel al is gepasseerd op het moment dat verdachte zijn zin vervolgt met de woorden: “Doe k altijd”, waarop [medeverdachte 2] (opnieuw) zegt: “Laten we dat maar doen, ja.” Vervolgens is te zien dat verdachte en zijn medeverdachten in één lijn doorlopen en stil blijven staan ter hoogte van de plek waar de rolcontainers hebben gestaan. Daaruit volgt dat verdachte met zijn opmerking, anders dan hij achteraf wil doen geloven, niet heeft gedoeld op de metalen prullenbak en dat de drie verdachten na deze opmerking evenmin rustig zijn doorgelopen, maar juist samen enige tijd zijn blijven staan ter hoogte van de rolcontainers.

Door de verdediging is betoogd dat de verklaring van [medeverdachte 1] , waarbij hij [verdachte] aanwijst als degene die brand heeft gesticht, als onbetrouwbaar gekwalificeerd dient te worden, omdat hij deze heeft afgelegd nadat hij eerst consequent had aangegeven niets te hebben gezien wat met de brandstichting te maken zou kunnen hebben en nadat hij volgens de verdediging door de verbalisanten gevoed was met deels onjuiste informatie. Ook is de verklaring volgens de verdediging mogelijk afgelegd onder druk of dwang van de politie. De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de verklaring van [medeverdachte 1] niet te gebruiken voor het bewijs. In het geval dat de rechtbank voornemens is om de verklaring wel voor het bewijs te gebruiken, doet de verdediging een voorwaardelijk verzoek om alsnog ook de audio- en videobeelden van het politieverhoor van [medeverdachte 1] toe te voegen aan het dossier en deze te beoordelen.

Ten aanzien van dit verweer en het voorwaardelijk verzoek overweegt de rechtbank als volgt. Het proces-verbaal van het (via vraag- en antwoordmethode uitgeschreven) politieverhoor van [medeverdachte 1] maakt onderdeel uit van het dossier en geeft geen aanleiding om te denken dat de verklaring onder dwang of druk van de politie tot stand is gekomen. De raadsvrouw van [medeverdachte 1] was bij alle verhoren aanwezig en heeft tijdens de verhoren of nadien geen melding gemaakt van enige vorm van dwang of druk op haar cliënt. Uit het proces-verbaal volgt dat [medeverdachte 1] tijdens de verhoren – en specifiek het verhoor waarin hij zijn verklaring ten aanzien van verdachte heeft afgelegd – meerdere malen met zijn raadsvrouw in conclaaf is gegaan, waarvoor het verhoor steeds is onderbroken. Ook heeft [medeverdachte 1] de door hem afgelegde verklaring naderhand niet ingetrokken of afstand gedaan van de inhoud daarvan, bij de politie noch ter terechtzitting. De rechtbank heeft dan ook geen reden om te twijfelen aan de inhoud of de wijze van totstandkoming van de verklaring. Gelet op het voorgaande, wordt het verweer van de verdediging ten aanzien van de verklaring van [medeverdachte 1] verworpen. Ook zal de rechtbank het voorwaardelijk verzoek van de verdediging afwijzen. Het voegen en beoordelen van de audio- en videobeelden is gelet op het voorgaande niet noodzakelijk.

Het feit dat verdachte (met betrekking tot de prullenbak en het niet stilstaan bij de rolcontainers) een evident onjuist verhaal tegenover de verklaring van [medeverdachte 1] heeft gezet, sterkt de rechtbank in de overtuiging dat [medeverdachte 1] naar waarheid heeft verklaard over de handelingen van verdachte in en rond de rolcontainers. De verklaring van [medeverdachte 1] vindt bovendien steun in de door de politie uitgewerkte audio-opname behorend bij de camerabeelden. Daaruit volgt immers dat het verdachte is die spreekt over “heb vuur en hij ook” en over de “de zijkant van die ruimte”. Ook wordt er vervolgens gesproken over “dat wil niet branden daar”, “die zijn te nat” en “begint te gloeien”. De rechtbank merkt daarbij op dat zij met het Openbaar Ministerie van oordeel is dat, hoewel de onderzoekers van het NFI minder herkenbare tekst hebben gehoord dan de verbalisant – hetgeen verklaard kan worden door de gekozen onderzoeksopzet – het NFI-rapport grotendeels een bevestiging oplevert van de uitwerking van de geluidsopname door de politie en dat er daarmee geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan het door de verbalisant op ambtseed opgemaakte proces-verbaal.

Gelet op al het voorgaande, kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte open vuur in aanraking heeft gebracht met het papier en het karton op (ten minste) één van de rolcontainers in de Varkensstraat. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan brandstichting.

De rol van de medeverdachten (medeplegen)

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting volgt dat beide medeverdachten zich voorafgaand, tijdens en na de brandstichting in de directe nabijheid van verdachte bevonden. Zij stonden er (op zijn minst) met hun neus bovenop toen verdachte met zijn aansteker bezig was het karton in de rolcontainer aan te steken. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is het enkele aanwezig zijn van verdachten op de plaats delict echter onvoldoende voor een bewezenverklaring van medeplegen van opzettelijke brandstichting. Vereist dat is ofwel dat de medeverdachten zelf (ook) brand hebben gesticht, ofwel dat zij een juridisch relevante bijdrage hebben geleverd aan de brandstichting door verdachte.

Ten aanzien van [medeverdachte 2] constateert de rechtbank dat het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat dat [medeverdachte 2] zelf open vuur in aanraking heeft gebracht met het karton in de rolcontainers. Op de camerabeelden is te zien dat [medeverdachte 2] deels in beeld blijft staan, op het moment dat het drietal zich ophoudt in de buurt van de rolcontainers. Bij hem zijn op de beelden geen actieve handelingen te zien die bijdragen aan de brandstichting. Ook blijkt uit het dossier niet dat [medeverdachte 2] een materiële of intellectuele bijdrage heeft geleverd die wijst op een nauwe en bewuste samenwerking met verdachte. Weliswaar heeft [medeverdachte 2] op de opmerkingen van verdachte “Laten we dit ding in de fik zetten” gereageerd met “laten we dat maar doen”, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat er sprake was van een gezamenlijk plan (het idee kwam immers van verdachte), dan wel dat verdachte daarmee werd aangezet om de brand te stichten (hij had dat idee al).

[medeverdachte 1] verdwijnt samen met verdachte uit beeld op het moment dat het drietal zich ophoudt in de buurt van de rolcontainers. Hij staat daarmee – net als verdachte – vlakbij de rolcontainers. Ook ten aanzien van [medeverdachte 1] constateert de rechtbank echter dat het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat dat hij zelf ook open vuur in aanraking heeft gebracht met het karton in de rolcontainer. Hoewel, gelet op het feit dat door verdachte gezegd wordt “heb vuur en hij ook”, niet uit te sluiten valt dat [medeverdachte 1] zelf open vuur in aanraking heeft gebracht met het karton, dan wel dat hij op een andere manier een actieve bijdrage heeft geleverd aan de brandstichting, bijvoorbeeld door het aanreiken van een aansteker of het vasthouden van het karton, kan de rechtbank op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet vaststellen dat [medeverdachte 1] daadwerkelijk handelingen heeft verricht bij de rolcontainers. Wat er is gebeurd bij de rolcontainers is niet te zien op de beelden, verdachte en [medeverdachte 2] verklaren daar niets over, [medeverdachte 1] ontkent en ook uit de opgevangen bewoordingen volgt niet dat [medeverdachte 1] iets heeft gedaan. Daarmee kan ook niet worden vastgesteld dat [medeverdachte 1] een actieve en significante bijdrage aan de brandstichting door verdachte heeft geleverd.

Gelet op het voorgaande, kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de medeverdachten zich schuldig hebben gemaakt aan medeplegen van opzettelijke brandstichting. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat bij het begaan van het delict sprake was van een gezamenlijke uitvoering. Ook kan geen materiële en/of intellectuele bijdrage van de medeverdachten aan de brandstichting worden vastgesteld die van voldoende gewicht is om op basis daarvan een nauwe en bewuste samenwerking met verdachte aan te nemen. Dit betekent dat verdachte van het onderdeel medeplegen in de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Conclusie

Gelet op al het voorgaande, kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte de brand heeft gesticht door met een aansteker het karton aan te steken op één van de rolcontainers in de Varkensstraat.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte het delict tezamen en in vereniging met (één van) de medeverdachten heeft gepleegd. Van dat onderdeel van de tenlastelegging zal verdachte worden vrijgesproken.

Als gevolg van de brandstichting is er gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de bovenwoningen en de nabijgelegen woningen ontstaan. Dat gevaar was aanwezig voor de bewoners van de woningen in de directe nabijheid van de brand die die nacht thuis waren. Dat zijn mevrouw [aangever 1], de heer [aangever 2], de heer [aangever 3], de heer [aangever 4], mevrouw [aangever 5], de heer [aangever 6], de heer [aangever 7], mevrouw [aangever 8] en de heer [aangever 9], de heer [aangever 10] en partner, mevrouw [aangever 11] en [aangever 12], de heer [aangever 15] en mevrouw [aangever 16], de heer [aangever 17] en partner, mevrouw [aangever 18], de heer [aangever 19], en de heer [aangever 20] en de leden van zijn gezin. De rechtbank acht onvoldoende bewezen dat dit levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ook te duchten was voor de bewoners van de woningen die buiten de directe nabijheid van de brand in de Varkensstraat gelegen zijn. Verdachte zal van dit te duchten gevaar voor deze bewoners - [aangever 13] en [aangever 14] – dan ook worden vrijgesproken.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij in of omstreeks de nacht van 5 maart 2025 op 6 maart 2025 in de gemeente Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht aan/bij een (monumentaal) pand gelegen aan de Varkensstraat, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een of meer brandbare stof(fen) (te weten papier/karton dat opgestapeld lag op een of meer rolcontainer(s) die geplaatst was/waren tegen/voor/bij voornoemd pand) en/of met een of meer andere brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die brandbare stof(fen) tegen/voor/bij dat pand geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan (welke brand zich (vervolgens) razendsnel ontwikkelde tot een grote uitslaande brand), terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer (slapende) perso(o)n(en), die zich bevonden in de boven/naast/in de (directe) nabijheid gelegen woningen, te weten:- [aangever 1] (aangifte blz. 442)- [aangever 2] (aangifte blz. 450)- [aangever 3] (aangifte blz. 491)- [aangever 4] (aangifte blz. 506)- [aangever 5] (aangifte blz. 510)- [aangever 6] (aangifte blz. 514)- [aangever 7] (aangifte blz. 518)- [aangever 8] en [aangever 9] (aangifte blz. 522)- [aangever 10] en partner (aangifte blz. 527)- [aangever 11] en [aangever 12] (aangifte blz. 531)- [aangever 13] (aangifte blz. 534)- [aangever 14] (aangifte blz. 537)- [aangever 15] en [aangever 16] (aangifte blz. 544)- [aangever 17] en partner (aangifte blz. 550)- [aangever 18] (aangifte blz. 571)- [aangever 19]

- [aangever 20] en de leden van zijn gezinte duchten was en/of er gevaar voor goederen te duchten was, te weten voor de betreffende rolcontainer(s) en/of het genoemde (monumentale) pand en/of de belendende pand(en)/perce(e)l(en) (waaronder rijks - en/of gemeentemonumenten) en/of een of meer andere goed(eren), al dan niet in de nabijheid van die rolcontainer(s).

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

5. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) op te leggen, als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht om te volstaan met een gevangenisstraf voor (maximaal) de duur van de tijd die door verdachte reeds in voorarrest is doorgebracht. Meer subsidiair wordt de rechtbank verzocht om de duur van de straf aanzienlijk te matigen ten opzichte van de eis van het Openbaar Ministerie. Straffen in die orde van grootte worden doorgaans opgelegd in zaken met een dodelijke afloop of bij een doelbewuste aanslag, en daar is in deze zaak geen sprake van. Ook is er geen sprake van recidive voor brandstichting.

Verder wordt de rechtbank verzocht om geen GVM of gebiedsverbod op te leggen. Gelet op de conclusies van de psycholoog en de reclassering dat zij geen mogelijkheden zien om met voorwaarden en toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen, is onvoldoende gemotiveerd waarom deze maatregelen nodig zouden zijn.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

De ernst van de gevolgen

In de vroege ochtend van 6 maart 2025 werd de stad Arnhem getroffen door een zeer grote uitslaande brand in de Varkensstraat, gelegen in de oude binnenstad. De omliggende woningen en panden werden direct ontruimd en de brandweer heeft zich dagenlang ingezet om de brand onder controle te krijgen. Ondanks het snelle en kordate optreden van de politie, de brandweer en andere hulpdiensten is een groot aantal panden verloren gegaan. Het is aan het kordate optreden van enkele bewoners en de onvermoeibare inzet van de hulpdiensten te danken dat er geen mensen om het leven zijn gekomen. De omvang van de schade en het leed dat de slachtoffers is berokkend is enorm. Tot op de dag van vandaag is er in de binnenstad van Arnhem een gapend gat zichtbaar op de plek waar deze mensen leefden en werkten.

In de aanwezige stukken in het dossier en de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen hebben de direct betrokkenen treffend onder woorden gebracht hoe deze brandstichting hun levens ingrijpend heeft veranderd en hoe zij de gevolgen daarvan nog iedere dag voelen. Sommige mensen zijn hun (t)huis en al hun bezittingen kwijtgeraakt. Anderen konden weken- of zelfs maandenlang hun woning niet in. Bedrijven moesten hun deuren sluiten. De gevolgen van de brand zijn daarmee enorm en van een buitencategorie.

Het verwijt aan de verdachte

Verdachte heeft met een aansteker het papier in een rolcontainer aangestoken, waardoor de brand is ontstaan. Deze brand heeft zich doorontwikkeld en is overslagen op de naastgelegen panden. De rechtbank heeft er oog voor dat het niet de bedoeling van verdachte is geweest om deze heftige gevolgen voor de bewoners, de bedrijven en de stad Arnhem als geheel teweeg te brengen. Er was geen sprake van een aanslag of van een doelgerichte actie. Op het moment dat verdachte en zijn medeverdachten wegliepen bij de rolcontainer, was er mogelijk nog weinig te zien. Maar het is een feit van algemene bekendheid dat brand en rook zich snel verspreiden en – zeker op deze locatie in de dichtbebouwde en dichtbevolkte oude binnenstad – enorme gevolgen teweeg kunnen brengen. Het was een impulsieve en asociale actie die volledig uit de hand is gelopen. Verdachte heeft op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden en de gevolgen daarvan. In plaats daarvan blijft hij zijn betrokkenheid bij de brand ontkennen. Dit rekent de rechtbank hem zwaar aan.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar vaker is veroordeeld voor strafbare feiten. Hij is niet eerder veroordeeld voor brandstichting.

Met betrekking tot de persoon van verdachte zijn meerdere rapportages opgemaakt. De rechtbank heeft acht geslagen op de Pro Justitia-rapportage van 17 september 2025, opgesteld door drs. T. ‘t Hoen, gezondheidszorgpsycholoog. Daaruit volgt dat bij verdachte sprake is van een combinatie van een persoonlijkheidsstoornis met een mengbeeld van borderline, narcistische en vermijdende trekken en verslavingspathologie (alcohol en heroïne). Dit was ook zo ten tijde van het feit. Door de ontkennende houding van verdachte heeft de rapporteur niet met hem kunnen spreken over de eventueel onderliggende drijfveren en motieven. De rapporteur onthoudt zich daarom van een advies ten aanzien van de mate van toerekeningsvatbaarheid. Ook kunnen gestructureerde klinische risicotaxatie-instrumenten (zoals de HCR-20-v3 en/of SAPROF) daardoor niet goed worden toegepast om het herhalingsgevaar in te schatten. De rapporteur ziet geen aanleiding voor een advies ten aanzien van een interventie in een juridisch kader, maar benoemt dat hulpverlening voor verdachte vanuit een zorgperspectief wel helpend kan zijn. Verdachte is thans abstinent van middelen en dit kan als goede start dienen om middels hulpverlening abstinent te blijven en de onderliggende persoonlijkheidspathologie te behandelen. Verdachte staat echter zeer ambivalent ten aanzien van hulpverlening. Een dergelijk behandeltraject hoeft vanuit gedragsdeskundig oogpunt niet per se te worden opgelegd vanuit de rechtbank, aldus de rapporteur.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het advies van de reclassering van 10 maart 2026. Daaruit volgt dat de levensloop van verdachte rond zijn 51e een merkwaardige knik heeft gemaakt. In die periode verkocht hij zijn goedlopende bedrijf en werd hij financieel vermogend. In dezelfde periode kwam hij voor het eerst in aanraking met politie en justitie. Middelengebruik lijkt altijd al een rol te hebben gespeeld in het leven van verdachte, maar na zijn echtscheiding zou het middelengebruik fors zijn toegenomen. Verdachte heeft in zijn leven meerdere pogingen ondernomen om grip te krijgen op zijn gebruik, maar dat is hem niet gelukt. De gediagnosticeerde middelenproblematiek lijkt een belangrijke factor te zijn in de maatschappelijke teloorgang van verdachte. Hierdoor lijkt hij sociaal gezien steeds verder geïsoleerd te zijn geraakt en begaf hij zich meer en meer in het daklozen- en verslaafdencircuit. Verdachte lijkt dit leven echter prima te vinden en staat zeer ambivalent tegenover behandeling. Hij lijkt het liefst een vrijgevochten bestaan te willen leiden zonder al te veel regels. Verdachte is daarnaast ook stellig in zijn ontkenning dat hij iets met de brand te maken heeft. Dit maakt het voor de reclassering moeilijk om tot onderbouwde conclusies ter voorkoming van recidive te komen. Het risico op recidive en het risico op letsel kunnen niet betrouwbaar worden ingeschat. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog. De reclassering adviseert negatief over tbs met voorwaarden dan wel een straf met bijzondere voorwaarden. Er worden geen mogelijkheden gezien om met voorwaarden de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. Wel adviseert de reclassering om aan verdachte een GVM op te leggen. Met deze maatregel kan verdachte, na een eventuele gevangenisstraf, langer gemonitord blijven middels voorwaarden die dan worden opgelegd, indien dat op dat moment haalbaar wordt geacht. Daarnaast is gebleken dat veel slachtoffers ter bescherming een locatieverbod voor de binnenstad van Arnhem wensen.

De op te leggen straf

Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt de rechtbank enerzijds rekening met de intentie van de verdachte. Zoals gezegd: dit was impulsief en asociaal gedrag, geen aanslag, geen doelgerichte actie. De hoge strafeis van de officier van justitie lijkt daar wel meer op aan te sluiten, de rechtbank vindt dat niet passend. Anderzijds zijn straffen die in andere brandstichtingzaken worden opgelegd evenmin passend: daarvoor zijn de gevolgen van deze brand te groot. Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

De rechtbank zal aan verdachte ook een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z Sr (GVM) opleggen. Daarmee wordt de mogelijkheid gecreëerd om verdachte ook na afloop van de gevangenisstraf onder toezicht te stellen, indien dat in verband met dan bestaande risico's noodzakelijk is ter bescherming van anderen dan wel ter bescherming van de algemene veiligheid van personen of goederen. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van deze maatregel is voldaan en de rechtbank ziet in de problematiek van verdachte en zijn geschiedenis van het veroorzaken van overlast en gevaar ook de noodzaak hiertoe.

Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten zal de rechtbank ook een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen als bedoeld in artikel 38v Sr. Deze maatregel houdt in dat aan verdachte een locatieverbod wordt opgelegd voor de stad Arnhem. De rechtbank zal de maatregel opleggen voor de duur van 5 jaren. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8. De beoordeling van de civiele vorderingen

De volgende benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend:

1. mevrouw [aangever 1] vordert € 20.000,00 aan immateriële schade;

2. mevrouw [benadeelde 1] vordert € 250,00 aan materiële schade en € 3.500,00 aan

immateriële schade;

3. mevrouw [aangever 13] vordert in totaal € 257,22 aan materiële schade en € 3.500,00

aan immateriële schade;

4. mevrouw [benadeelde 2] vordert in totaal € 50.451,01 aan materiële schade en

€ 10.000,00 aan immateriële schade;

5. de heer [aangever 2] vordert in totaal € 1.381,42 aan materiële schade en

€ 7.500,00 aan immateriële schade;

6. mevrouw [aangever 18] vordert € 2.500,00 aan immateriële schade;

7. [benadeelde bedrijf 1] B.V. vordert in totaal € 64.704,39 exclusief btw aan materiële schade. Ook

wordt een bedrag gevorderd van € 1.000,00 aan proceskosten;

8. de heer [aangever 19] vordert € 50.000,00 aan materiële schade en € 15.000,00 aan

immateriële schade;

9. de heer [aangever 20] en zijn familie vorderen € 2.500,00 per persoon aan immateriële

schade, in totaal € 30.000,00;

10. mevrouw [benadeelde 3] / [benadeelde bedrijf 3] vordert in totaal € 12.583,75 aan materiële schade en € 1.250,00 aan immateriële schade;

11. de heer [aangever 3] vordert € 7.500,00 aan immateriële schade;

12. de [aangever 4] vordert € 343,00 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële

schade;

13. mevrouw [aangever 14] vordert € 137,53 aan materiële schade en € 2,500,00 aan

immateriële schade;

14. mevrouw [aangever 5] vordert in totaal € 13.477,50 aan materiële schade en € 2.500,00 aan

immateriële schade;

15. mevrouw [benadeelde 4] vordert € 237,78 aan materiële schade en € 1.250,00 aan

immateriële schade;

16. mevrouw [aangever 11] vordert in totaal € 6.588,24 aan materiële schade;

17. [benadeelde bedrijf 4] B.V. ( [benadeelde bedrijf 4] ) vordert in totaal € 3.748.649,00 aan materiële

schade;

18. [benadeelde bedrijf 5] vordert in totaal € 439.510,34 aan materiële schade;

19. mevrouw [aangever 16] en de heer [aangever 15] vorderen € 75.000,00 aan materiële

schade en € 2.500,00 per persoon aan immateriële schade;

20. [benadeelde bedrijf 6] B.V. vordert € 208.253,64 aan materiële schade;

telkens vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunten

Hierna zullen bij de overwegingen van de rechtbank per benadeelde partij ook de standpunten van de officier van justitie en de raadsman van verdachte worden weergegeven en zo nodig besproken. De raadsman heeft primair verzocht om alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft hij per benadeelde inhoudelijk verweer gevoerd. Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, passeert zij (in alle gevallen) het primaire verweer van de raadsman en zal zij bij haar overwegingen steeds het subsidiaire verweer betrekken.

De raadsman heeft aan het einde van zijn pleitnota nog opgemerkt dat de verdediging zich aansluit bij “de verweren zoals gevoerd door de advocaten van de medeverdachten”. Deze enkele opmerking acht de rechtbank onvoldoende om die verweren ook in deze zaak mee te nemen, gelet op het feit dat er voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling een uitvoerig schriftelijk debat heeft plaatsgevonden tussen de raadslieden van de benadeelde partijen en de raadslieden van de drie verdachten en dat zij allemaal ter terechtzitting (voorafgaand aan de pleidooien) in de gelegenheid zijn gesteld – en daar ook gebruik van hebben gemaakt – om op elkaars standpunten te reageren. De rechtbank zal hierna (voor zover noodzakelijk) dus alleen ingaan op de door de raadsman van verdachte zelf gevoerde verweren.

Overwegingen van de rechtbank

Benadeelde partijen in een omvangrijke strafzaak

De rechtbank hecht eraan in de eerste plaats op te merken dat zij er oog voor heeft dat de brand grote impact heeft (gehad) op de slachtoffers, zowel materieel als emotioneel. De rechtbank begrijpt dan ook dat de slachtoffers de dader(s) willen aanspreken tot vergoeding van de geleden schade. Een vordering tot vergoeding van geleden schade kan niet alleen bij de burgerlijke rechter, maar ook bij de strafrechter worden ingediend. Vordert een slachtoffer schadevergoeding bij de strafrechter, dan moet de strafrechter beoordelen of deze vordering geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het bepaalde in artikel 6 lid 1 EVRM (het recht op een eerlijk proces) verplicht de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen (de benadeelde en de verdachte) in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen wat zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering, kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.

Vanwege het aantal en de omvang van de te verwachten vorderingen met betrekking tot de geleden schade heeft de rechtbank, na daarover tijdens verschillende pro forma-zittingen met alle partijen van gedachten te hebben gewisseld, een schriftelijke ronde ingelast voor de vorderingen van de benadeelde partijen. Daaraan zijn termijnen verbonden voor het uiterlijk indienen van deze vorderingen (15 februari 2026) en het uiterlijk reageren daarop door de verdediging (8 maart 2026). Ook is er door het Openbaar Ministerie op 5 november 2025 een informatiebijeenkomst georganiseerd voor alle direct betrokkenen bij de brand, waarbij het belang van het tijdig indienen van een vordering tot schadevergoeding in deze strafzaak aan de orde is gekomen. De door de rechtbank gestelde termijnen zijn ordemaatregelen die op zichzelf geen fatale termijn inhielden. Formeel kan een benadeelde partij in een strafzaak immers een civiele schadevordering indienen tot op de dag van de zitting. Een dergelijke vordering kan echter, gelet op wat hiervoor is overwogen over het recht op een eerlijk proces, alleen worden ontvangen als die vordering enigszins overzichtelijk is en de verdediging voldoende tijd en ruimte heeft om de vorderingen te kunnen bestuderen en daarop te kunnen reageren. In een omvangrijke zaak als deze, waarbij sprake is van veel en (deels) complexe vorderingen, is het des te meer van belang dat de vorderingen tijdig worden ingediend.

Ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde bedrijf 4] B.V. ( [benadeelde bedrijf 4] ), [benadeelde bedrijf 5] en [benadeelde bedrijf 6] B.V.

De inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen verdachte en zijn medeverdachten heeft plaatsgevonden op dinsdag 31 maart en woensdag 1 april 2026. De vorderingen van [benadeelde bedrijf 4] B.V. ( [benadeelde bedrijf 4] ), [benadeelde bedrijf 5] en [benadeelde bedrijf 6] B.V. zijn ingediend op respectievelijk donderdag 23 maart, zondag 26 maart en in de nacht van maandag 30 op dinsdag 31 maart 2026. Gelet op alle regie die aan de voorzijde van deze strafzaak is gevoerd en de in dat kader gestelde termijnen is dit zeer laat. Daarbij komt dat er in alle gevallen grote bedragen worden gevorderd en dat de vorderingen meerdere complexe schadeposten omvatten. Bij de vordering van [benadeelde bedrijf 5] ontbreekt bovendien een ondertekend voegingsformulier en geen van de drie vorderingen bevat een onderbouwing. Verder is ter terechtzitting niemand namens deze benadeelde partijen verschenen om de vordering alsnog te onderbouwen, een toelichting daarop te geven of vragen van de verdediging te beantwoorden. Om hen alsnog daartoe in de gelegenheid te stellen zou de strafzaak moeten worden aangehouden en uitgesteld, met alle gevolgen voor alle betrokkenen van dien. Bij deze stand van zaken levert de behandeling van genoemde vorderingen naar het oordeel van de rechtbank daarom een onevenredige belasting van het strafproces op. Dit betekent dat de rechtbank de benadeelde partijen [benadeelde bedrijf 4] B.V. ( [benadeelde bedrijf 4] ), [benadeelde bedrijf 5] en [benadeelde bedrijf 6] B.V. niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen. Deze vorderingen kunnen (overeenkomstig de hoofdregel) bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade - algemeen

De vordering van een benadeelde partij tot vergoeding van smartengeld (immateriële schade) dient te worden beoordeeld naar de maatstaven van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij delicten die geen lichamelijk letsel tot gevolg hebben gehad of waarbij de benadeelde niet in zijn eer of goede naam is aangetast, dient te worden bezien of er sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Volgens vaste jurisprudentie heeft in zo’n geval als uitgangspunt te gelden dat de benadeelde geestelijk letsel moet hebben opgelopen en dat dit letsel moet bestaan uit aan de hand van objectieve maatstaven vast te stellen psychische schade, daaronder begrepen een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Een enkel psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen is niet voldoende. De benadeelde zal concrete gegevens moeten verstrekken waaruit volgt dat deze psychische schade is ontstaan. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Het gaat in deze strafzaak om een brandstichting met vergaande gevolgen. Een aanzienlijk deel van de oude binnenstad van Arnhem is getroffen door een zeer grote uitslaande brand. Op een relatief klein oppervlak bevonden zich daar veel woningen en ondernemingen die in meer of mindere mate verloren zijn gegaan. Er waren in de nacht van de brand enorm veel hulpverleners zoals politieagenten en brandweereenheden op de been en ook voor hen was dit een brand van de buitencategorie. Een groot deel van de bewoners en ondernemers van het getroffen gebied werd die nacht ook op enigerlei wijze direct geconfronteerd met de verwoestende brand. Een brand is beangstigend en onberekenbaar vanwege de volstrekt onvoorspelbare gevolgen. Het is immers nooit met zekerheid te voorspellen hoe een brand zich zal ontwikkelen en uitbreiden. Uit de schadevergoedingsformulieren, de mede ter terechtzitting gegeven toelichtingen daarop en uit het door een aantal bewoners en ondernemers ter terechtzitting op indringende wijze uitgeoefende spreekrecht volgt dat de impact van de brand voor velen zeer groot is geweest en dat zij sinds de brand last hebben van allerlei klachten, zoals angstgevoelens, slaapproblemen, concentratieproblemen, herbelevingen, verhoogde waakzaamheid, gevoelens van onveiligheid en spanningsklachten.

Met inachtneming van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de onderhavige normschending in dit geval met zich meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de direct betrokkenen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. De benadeelde partijen die immateriële schadevergoeding hebben gevorderd hebben dus recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade. Bij het bepalen van de hoogte daarvan heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het feit en de daardoor ontstane psychische schade. Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op de bedragen die door Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare zaken worden toegewezen en op de Rotterdamse Schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Aangezien het hier zo’n bijzondere zaak betreft, heeft de rechtbank ook niet meer gedaan dan dat: er acht op slaan. Een goede vergelijking met andere zaken gaat vanwege het bijzondere karakter van deze zaak al snel mank en daarom zal de rechtbank een eigen afweging maken en een en ander slechts zijdelings in haar oordeel betrekken. De rechtbank zal hierna per benadeelde partij naar billijkheid een bedrag aan immateriële schadevergoeding vaststellen, daarbij rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden en de mate waarin de benadeelde partij door de brand is getroffen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [aangever 1]

Mevrouw [aangever 1] vordert € 20.000,00 aan immateriële schade.

[aangever 1] woonde aan [adres] , direct boven [benadeelde bedrijf 4] . Op het moment van de brand was zij in haar woning aanwezig. Op enig moment hoorde zij een alarm afgaan. Toen zij in de gang keek, zag zij zwarte rook de gang in komen en bij het openen van de voordeur zag zij metershoge vlammen. Uiteindelijk was [aangever 1] als eerste buiten. Zij heeft in de kou staan toekijken hoe haar woning volledig afbrandde. [aangever 1] is door de brand alles kwijtgeraakt. Haar appartement is afgebrand, inclusief alle aanwezige spullen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag erg hoog voorkomt en dat de vordering dient te worden gematigd.

Hiervoor is reeds geoordeeld dat [aangever 1] recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade. Bij het bepalen van de hoogte hiervan houdt de rechtbank rekening met het feit dat [aangever 1] de nacht van de brand in levensgevaar is geweest, doordat de vlammen haar woning al naderden en zwarte rook al onder de voordeur naar binnen kwam toen zij naar buiten wilde gaan. Daarmee werd zij direct geconfronteerd met de brand, hetgeen tot grote angst heeft geleid. [aangever 1] heeft haar woning zien afbranden en is uiteindelijk alles kwijtgeraakt, waaronder ook onvervangbare spullen met een grote emotionele waarde zoals de enige foto’s van haar biologische moeder. Blijkens de toelichting op de vordering en het ter terechtzitting op indringende wijze uitgeoefende spreekrecht ondervindt [aangever 1] nog dagelijks de gevolgen van de brand. Zij heeft therapie gevolgd en is gediagnosticeerd met PTSS. Ook kampt zij nog steeds met fysieke klachten. Met inachtneming van deze feiten en omstandigheden zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 20.000,00.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Mevrouw [benadeelde 1] vordert € 250,00 aan materiële schade en € 3.500,00 aan immateriële schade. De materiële schade ziet op het eigen risico van de verzekering in verband met schoonmaakwerkzaamheden na de brand.

[benadeelde 1] is eigenaar van ‘ [benadeelde bedrijf 2] ’. Deze eenmanszaak bevindt zich aan [adres] , tegenover de plek waar de brand is ontstaan. Zij woonde daar zelf niet en kwam vroeg in de ochtend van de brand aan in de binnenstad. Zij zag dat de galerie aan de buitenkant was verwoest, maar dat de inboedel intact was. Uiteindelijk mocht [benadeelde 1] het pand drie weken lang niet betreden. Op 9 mei 2025 kon zij het pand definitief weer in en kon zij haar werk hervatten. Vanwege de veiligheid mocht zij echter geen bezoekers ontvangen. Het pand moet worden gerenoveerd.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft de materiële schade moet worden afgewezen. Deze schade wordt in privé gevorderd, terwijl dit ziet op zakelijke kosten. Voorts wordt geen rekening gehouden met de zakelijke kostenaftrek en belastingdruk, zodat in privé de schade niet voor € 250,00 toewijsbaar is. Ten aanzien van de immateriële schade moet de vordering worden afgewezen, dan wel aanzienlijk worden gematigd. Er is sprake van een zakelijk pand/inventaris en onvoldoende duidelijk is wat de schade is. [benadeelde 1] heeft niet zelf rechtstreeks de impact van de brand ter plaatse ervaren en daarmee is de vermeend geleden schade onvoldoende om het gevorderde bedrag te rechtvaardigen.

De rechtbank overweegt dat [benadeelde bedrijf 2] blijkens het bijgevoegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel een eenmanszaak van [benadeelde 1] betreft. Zij vat de vordering van [benadeelde 1] dan ook op als tweeledig, namelijk als vordering in privé (ten aanzien van de immateriële schade) en als vordering van de eenmanszaak (ten aanzien van de materiële schade).

Ten aanzien van de materiële schade is de rechtbank van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat [benadeelde 1] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De in dit verband gevorderde kosten ad € 250,00 staan naar het oordeel van de rechtbank in direct verband met het bewezenverklaarde feit, zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Deze kosten zullen daarom worden toegewezen.

Hiervoor is reeds geoordeeld dat [benadeelde 1] recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade. Bij het bepalen van de hoogte hiervan houdt de rechtbank rekening met het feit dat [benadeelde 1] enerzijds niet zelf in levensgevaar is geweest en niet woonde in het getroffen gebied, maar anderzijds wel wekenlang geen toegang heeft gehad tot haar onderneming. Blijkens de toelichting op de vordering en het ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht verkeerde [benadeelde 1] geruime tijd in onzekerheid of zij als zelfstandig ondernemer nog een inkomen kon genereren. Omdat de wederopbouw van de omgeving een aanzienlijke tijd in beslag zal gaan nemen, is het voor [benadeelde 1] niet langer rendabel om haar onderneming daar voort te zetten. Tot op heden is zij bezig met het opnieuw opbouwen van de onderneming. Daarnaast is haar moeder vijf weken na de brand overleden. Dit houdt weliswaar geen verband met de brand, maar heeft wel veel gevraagd van [benadeelde 1] ; zij moest in die periode haar tijd en aandacht verdelen over de situatie rondom haar moeder en het overeind houden van [benadeelde bedrijf 2] . Een en ander heeft grote impact gehad op [benadeelde 1] . De grote mate van onzekerheid en het gebrek aan gevoel van veiligheid hebben geleid tot veel slapeloze nachten en lichamelijke klachten. Zij heeft hiervoor meerdere EMDR-behandelingen gehad. Met inachtneming van deze feiten en omstandigheden zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 3.500,00.

Ten aanzien van de benadeelde partij [aangever 13]

Mevrouw [aangever 13] vordert in totaal € 257,22 aan materiële schade en € 3.500,00 aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit niet voor vergoeding in aanmerking komende kalmerende medicatie ad € 172,32, alsmede een verzwaringsdeken ad € 34,95 en een rustgevende lamp ad € 49,95.

[aangever 13] woont aan [adres] . Zij lag in de nacht van de brand in de woning te slapen toen zij door de politie werd gewekt om haar woning te verlaten. Zij werd vervolgens samen met anderen opgevangen in een nachtopvang. Diezelfde avond werd haar woning weer vrijgegeven. De woning had geen rook- of brandschade.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft de materiële schade moet worden afgewezen. Uit de stukken blijkt onvoldoende dat deze kosten rechtstreeks zijn gemaakt door het feit. Ten aanzien van de immateriële schade moet de vordering eveneens worden afgewezen. De brandstichting ziet niet op de bovenwoning aan [adres] en de vermeende schade staat in een onvoldoende nauw verband tot het feit. Subsidiair dient het bedrag aanzienlijk te worden gematigd.

Ten aanzien van de post ‘kalmerende medicatie’ overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank neemt mede gelet op de overgelegde stukken zonder meer aan dat [aangever 13] als direct gevolg van de brand rustgevende medicatie nodig heeft gehad om haar angstklachten te verminderen. Voor een deel van deze kosten is er dus sprake van een causaal verband met het bewezenverklaarde feit, namelijk die kosten die zijn gemaakt in de eerste periode na de brand. De rechtbank maakt in dit verband gebruik van haar schattingsbevoegdheid en schat, mede op basis van de onderbouwende stukken, de schade op 1,5 pil per dag x 20 dagen x € 1,00 per pil = € 30,00. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen.

[aangever 13] heeft de posten ‘verzwaringsdeken’ en ‘rustgevende lamp’ op zichzelf voldoende onderbouwd, maar de rechtbank ziet onvoldoende causaal verband met het bewezenverklaarde feit. Uit de stukken blijkt namelijk dat er voor de brand al sprake was van enige kwetsbaarheid en dat [aangever 13] al onder behandeling was van een therapeut. Ook ten aanzien van dit deel van de vordering zal [aangever 13] daarom niet-ontvankelijk in haar vordering worden verklaard. Dit geldt eveneens voor de gevorderde vergoeding van de rustgevende medicatie ná de eerste 20 dagen. Zij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Hiervoor is reeds geoordeeld dat [aangever 13] recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade. Bij het bepalen van de hoogte hiervan houdt de rechtbank rekening met het feit dat [aangever 13] niet zelf in levensgevaar is geweest en dat haar woning geen rook- of brandschade heeft opgelopen. Wel heeft er in de woning gedurende een aantal dagen een brand- en rooklucht gehangen. Blijkens de toelichting op de vordering en het ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht heeft de brand ook grote indruk gemaakt op [aangever 13] . Zij heeft nog steeds last van flash-backs, gevoelens van onveiligheid, slecht slapen, paniekaanvallen, hyperventileren en willen vluchten. Ook zijn haar astmaklachten verergerd.

Naar het oordeel van de rechtbank is zonder meer aannemelijk dat de brand grote impact heeft gehad op [aangever 13] . Uit de stukken volgt echter ook dat sprake was van reeds bestaande (psychische) problematiek. In het kader van deze strafzaak valt daarom onvoldoende vast te stellen in welke mate de brand tot nieuwe klachten heeft geleid, in welke mate de brand reeds bestaande klachten heeft verergerd en in welke mate het gaat om al bestaande klachten. De rechtbank zal de immateriële schadevergoeding daarom naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 2.000,00. Daarbij betrekt de rechtbank ook het feit dat de woning van [aangever 13] zich op enige afstand van de locatie van de brand bevindt. Ten aanzien van het meerdere van dit deel van de vordering zal [aangever 13] niet-ontvankelijk in haar vordering worden verklaard. Zij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Mevrouw [benadeelde 2] vordert in totaal € 50.451,01 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit een bedrag van € 50.000,00 voor de verloren gegane inboedel en € 451,01 voor de eigen bijdrage aan de kosten van de psycholoog.

[benadeelde 2] woont aan [adres] . Haar slaapkamerraam bevindt zich aan de voorkant van [adres] . Zij was de nacht van de brand niet in haar woning, maar is direct naar het centrum gekomen toen zij wakker werd gebeld. Zij heeft ruim twee uur lang buiten in de kou staan toekijken hoe de brand woedde en uiteindelijk ook oversloeg naar haar wooncomplex. Het pand staat er nog, maar de slaapkamer, de badkamer, de extra kamer en de gang zijn volledig weggebrand. De spullen die in de overige ruimtes stonden zijn aangetast door schimmel en water. [benadeelde 2] kon en mocht haar woning gedurende lange tijd niet betreden.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft de materiële schade zich niet leent voor behandeling in deze strafzaak. De bonnen van voor de brand aangeschafte inboedel ontbreken. Er is geen bewijs overgelegd van de woonsituatie van voor de brand, aan de hand waarvan had kunnen worden beoordeeld of het gevorderde bedrag daarmee overeen komt en indien daarover twijfel zou bestaan om zo nodig een deskundige daar een oordeel over te laten geven. Subsidiair dient het gevorderde bedrag aanzienlijk te worden gematigd tot maximaal € 2.500,00. Verder ontbreekt het bewijs ter zake van de eigen bijdrage in de kosten van de psycholoog. Het gevorderde bedrag aan immateriële schade komt erg hoog voor en dient aanzienlijk te worden gematigd.

Ten aanzien van de eigen bijdrage in de kosten van de psycholoog is de rechtbank van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat [benadeelde 2] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De in dit verband gevorderde kosten ad € 451,01 staan naar het oordeel van de rechtbank in direct verband met het bewezenverklaarde feit, zijn met de afschrijvingsbewijzen voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Deze kosten zullen daarom worden toegewezen.

De rechtbank gaat ervan uit – en dat wordt door de verdediging ook niet betwist – dat de gehele inboedel verloren is gegaan. Ook hiervoor geldt dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat [benadeelde 2] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het is in dit geval niet mogelijk om deze schade nauwkeurig vast te stellen, nu veel documenten aan de hand waarvan dat eventueel zou kunnen worden vastgesteld door de brand ook verloren zijn gegaan. De rechtbank zal daarom gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid. [benadeelde 2] heeft haar schade onderbouwd door te verwijzen naar de inboedelwaardemeter. De rechtbank heeft zelf ook meerdere inboedelwaardemeters van verschillende woonverzekeraars geraadpleegd en daaruit kwam telkens een bedrag dat vergelijkbaar is met het door [benadeelde 2] gevorderde bedrag. De rechtbank schat de schade van de verloren gegane inboedel daarom naar billijkheid op het gevorderde bedrag van € 50.000,00.

Hiervoor is reeds geoordeeld dat [benadeelde 2] recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade. Bij het bepalen van de hoogte hiervan houdt de rechtbank rekening met het feit dat [benadeelde 2] enerzijds niet zelf in levensgevaar is geweest en op het moment van de brand niet in de woning aanwezig was, maar anderzijds wel ruim twee uur lang buiten in de kou heeft staan toekijken hoe door de brand uiteindelijk ook haar woning afbrandde. [benadeelde 2] is alles kwijtgeraakt, waaronder ook onvervangbare spullen met een grote emotionele waarde, zoals de as van haar overleden oma. Blijkens de toelichting op de vordering en de door [benadeelde 2] ingediende slachtofferverklaring heeft de brand grote indruk gemaakt op haar. Zij was tot 31 mei 2025, het moment waarop zij haar woning voor het eerst mocht betreden, in onzekerheid of er nog spullen te redden waren, hetgeen ijdele hoop bleek te zijn. Zij woont nu in een tijdelijke huurwoning en weet niet wanneer zij weer kan terugkeren naar haar eigen woning. Verder is [benadeelde 2] constant alert, is er sprake van verlies aan vertrouwen in zichzelf en leeft zij in constante angst dat wanneer zij haar woning verlaat er iets door haar is nagelaten wat een brand kan veroorzaken. De brand heeft haar veel energie gekost, zowel mentaal als fysiek, en dat heeft ertoe geleid dat zij een tijd niet heeft gewerkt en thans slechts halve dagen werkt. Om een en ander te verwerken heeft [benadeelde 2] professionele hulp gezocht. Met inachtneming van deze feiten en omstandigheden zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 10.000,00.

Ten aanzien van de benadeelde partij [aangever 2]

De heer [aangever 2] vordert in totaal € 1.381,42 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit een bedrag van € 17,99 voor een wekker, € 1.168,43 voor diverse spullen van IKEA en € 195,00 voor een stofzuiger.

[aangever 2] woont aan [adres] . Hij was de nacht van de brand in zijn woning en werd wakker van een rookalarm. Toen hij naar buiten keek in de richting van de Varkensstraat zag hij vlammen uit het pand van [benadeelde bedrijf 4] komen. Vervolgens bonkte de politie op zijn deur omdat hij het pand diende te verlaten. Hij heeft enkele uren buiten staan wachten en is toen naar zijn vriendin vertrokken. De woning is niet helemaal afgebrand. Wel is er veel rook- en waterschade. Door de brand is een waterleiding gesprongen. Een deel van zijn inboedel is onbruikbaar geworden.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft de materiële schade voor een bedrag van € 500,00 kan worden toegewezen. Het gevorderde bedrag aan immateriële schade komt erg hoog voor en dient aanzienlijk te worden gematigd.

Ten aanzien van de materiële schade is de rechtbank van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat [aangever 2] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De in dit verband gevorderde kosten ad € 1.381,42 staan naar het oordeel van de rechtbank in direct verband met het bewezenverklaarde feit, zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Deze kosten zullen daarom worden toegewezen.

Hiervoor is reeds geoordeeld dat [aangever 2] recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade. Bij het bepalen van de hoogte hiervan houdt de rechtbank rekening met het feit dat [aangever 2] de nacht van de brand in levensgevaar is geweest. Hij lag in zijn woning te slapen en werd wakker van het rookalarm. Op dat moment stond het pand van [benadeelde bedrijf 4] al in brand. Daarmee is hij direct geconfronteerd met de brand. Blijkens de toelichting op de vordering heeft de brand grote indruk gemaakt op [aangever 2] . Hij heeft enkele uren buiten staan wachten en verkeerde in angst dat zijn woning verloren zou gaan. Hoewel de woning uiteindelijk niet helemaal is afgebrand was er veel rook- en waterschade en is als gevolg daarvan een deel van zijn inboedel onbruikbaar geworden. Spullen van emotionele waarde heeft hij gelukkig kunnen redden. [aangever 2] kon gedurende een langere periode niet in zijn woning. Ten slotte was in de woning ook een kat aanwezig, die de brandweer de dag na de brand pas heeft kunnen redden. Met inachtneming van deze feiten en omstandigheden zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 5.000,00.

Ten aanzien van de benadeelde partij [aangever 18]

Mevrouw [aangever 18] vordert € 2.500,00 aan immateriële schade.

[aangever 18] woont aan [adres] . Op het moment van de brand was zij in haar woning aanwezig. Zij werd wakker omdat haar katten erg onrustig waren. Zij rook toen een brandlucht en ging op onderzoek uit. Uiteindelijk zag zij [benadeelde bedrijf 4] in brand staan en werd zij door de brandweer weggeleid. Na één week mocht [aangever 18] onder begeleiding in haar woning om wat spullen op te halen. Op 29 maart 2025 is de woning vrijgegeven en op 4 juni 2025 is [aangever 18] definitief teruggekeerd naar haar woning.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag erg hoog voorkomt en dat de vordering dient te worden gematigd.

Hiervoor is reeds geoordeeld dat [aangever 18] recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade. Bij het bepalen van de hoogte hiervan houdt de rechtbank rekening met het feit dat [aangever 18] direct geconfronteerd is met de brand. Op het moment dat zij wakker werd, stond het pand van [benadeelde bedrijf 4] al in brand. Blijkens de toelichting op de vordering heeft de brand grote indruk gemaakt op [aangever 18] . Zij verkeerde in angst dat ook haar woning verloren zou gaan. Dat dit niet denkbeeldig was, blijkt uit het feit dat er brandblaren zijn ontstaan op de steegdeur van het pand waarin de woning van [aangever 18] zich bevindt. Dit is ook te zien op de ter terechtzitting door de raadsvrouw van [aangever 18] overgelegde foto’s. Deze foto’s, die door [aangever 18] zijn gemaakt, tonen ook dat de steegdeur zich recht tegenover het pand van [benadeelde bedrijf 4] bevindt en dat de brand al in alle hevigheid woedde op het moment dat [aangever 18] haar woning verliet. Hoewel [aangever 18] uiteindelijk geen schade had in/aan haar woning, hing er wel een rooklucht. Als gevolg van de brand is haar gevoel van veiligheid enorm aangetast. Met inachtneming van deze feiten en omstandigheden zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 2.500,00.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde bedrijf 1] B.V.

[benadeelde bedrijf 1] B.V. (hierna: [benadeelde bedrijf 1] ) vordert in totaal € 64.704,39 exclusief btw aan materiële schade. Ook wordt een bedrag gevorderd van € 1.000,00 aan proceskosten. De materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- € 45.538,75 voor ruim 535 uren ‘uitvoerder van 6 maart 2025 t/m 7 juli 2025, geen ander

project Beschikbaar’;

- € 8.240,00 voor ‘trillingsmeting periode maart en april volgens bon 1108 SOCOTEC’;

- € 5.200,00 voor ‘trillingsmeting periode mei volgens bon 1231 SOCOTEC’;

- € 5.200,00 voor ‘trillingsmeting periode juni volgens bon 1278 SOCOTEC’;

- € 525,64 voor ‘huur dixi’.

[benadeelde bedrijf 1] voerde bouwactiviteiten uit tussen de Munterstraat, Varkensstraat en Luthersestraat. Deze locatie ligt naast de locatie van de brand. Op het moment van het uitbreken van de brand was [benadeelde bedrijf 1] bezig met de sloop van een voormalige discotheek. Tijdens het blussen van de brand heeft netbeheerder Liander de getroffen panden inclusief enkele aangrenzende panden afgesloten van het gas. Ook gold er op last van de gemeente Arnhem en de Omgevingsdienst Regio Arnhem (ODRA) een bouwstop vanwege acuut instortingsgevaar van de getroffen panden. Liander zou in week 11 van 2025 bestaande gasleidingen op de slooplocatie van [benadeelde bedrijf 1] verwijderen en omleggen, maar vanwege de brand is dit uitgesteld. Volgens [benadeelde bedrijf 1] is als rechtstreeks gevolg van de brand aldus vertraging in de werkzaamheden ontstaan. De uitvoerder stond al 100% gepland op dit project en [benadeelde bedrijf 1] kon deze uitvoerder niet meer kwijt op een ander project. Trillingsmetingen moesten op grond van geldende wet- en regelgeving worden uitgevoerd gedurende de sloopwerkzaamheden. De trillingsmeters waren al aanwezig voordat de brand uitbrak en waren nog noodzakelijk toen de sloopwerkzaamheden weer konden worden hervat. Door de brand hebben de trillingsmeters echter langer gehangen dan voor [benadeelde bedrijf 1] noodzakelijk was. De in dit verband gevorderde kosten zien op de periode van de bouwstop. Op 7 juli 2025 (week 28) heeft Liander uiteindelijk de gasleiding verwijderd waardoor [benadeelde bedrijf 1] kon starten met de grondwerkzaamheden. De totale stagnatie die zij hierdoor heeft opgelopen bedraagt aldus 17 weken.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [benadeelde bedrijf 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, dan wel dat deze vordering moet worden afgewezen. Behandeling van deze vordering leent zich niet voor dit strafproces. De vordering is niet eenvoudig te beoordelen en zou dit strafproces onredelijk belasten. Het komt op zijn minst onwaarschijnlijk voor dat ruim 535 uren niet anders ingevuld zouden kunnen worden en volledig doorbelast zouden zijn aan [benadeelde bedrijf 1] . Bewijs hiervan ontbreekt en wordt evenmin aangeboden. De verdediging wijst in dit verband ook op de schadebeperkingsplicht. Voorts wordt onvoldoende duidelijk waarom de kosten voor de trillingsmeting over de periode maart tot en met juni 2025 (volledig) vergoed zouden dienen te worden en of er is getracht deze kosten te beperken en/of een deel van de (vermeend) extra kosten achteraf wellicht ook is beperkt en dus op de vordering in mindering zou dienen te worden gebracht. Bovendien is onduidelijk of deze kosten enkel zien op de ‘huur’ van hardware of dat er ook daadwerkelijk metingen zijn uitgevoerd en of dit al dan niet nodig was, gelet op het stilliggen van de werkzaamheden. Voor de verdediging is het gelet op de aangeleverde stukken en beperkte onderbouwing onmogelijk hierop verweer te voeren. Dit geldt ook voor de later ingediende aanvullende stukken. Hier wordt slechts naar verwezen, een toelichting ontbreekt. Het had op de weg van [benadeelde bedrijf 1] gelegen om concreet en toegespitst op de kwestie duidelijk te maken waar die nadere stukken op zien. Nu de materiële schade niet toewijsbaar is, dienen de gevorderde juridische kosten eveneens te worden afgewezen, aldus de verdediging.

De rechtbank is van oordeel dat het hier gaat om een omvangrijke vordering met meerdere, complexe posten die nadere onderbouwing behoeft en waarover in een civiele procedure een partijdebat moet kunnen plaatsvinden. Het lijdt op zichzelf geen twijfel dat [benadeelde bedrijf 1] vertragingsschade heeft opgelopen, maar in welke mate en voor welk bedrag kan in deze strafzaak niet worden vastgesteld. De rechtbank wijst er in dit verband op dat [benadeelde bedrijf 1] in aangeleverde stukken zelf aangeeft dat de totale vertraging ten gevolge van de brand onder andere is veroorzaakt door Liander (Verslag bouwvergadering 07 van 11 september 2025, punt 5.1) en dat haar werkzaamheden afhankelijk kunnen zijn van eventuele archeologische vondsten (Verslag bouwvergadering 04 van 1 mei 2025, punt 5.1). De verschillende schadeposten kunnen daarom zonder nader onderzoek niet worden beoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank levert behandeling hiervan, mede gelet op de betwisting daarvan door de verdediging, een onevenredige belasting op van het strafproces. Daarom zal de rechtbank [benadeelde bedrijf 1] niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering. Zij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Uit de toelichting op de vordering volgt dat [benadeelde bedrijf 1] niet voor gefinancierde rechtsbijstand in aanmerking komt en dat zij met haar raadsvrouw een prijsafspraak heeft gemaakt. De factuur ad € 1.000,00 is door [benadeelde bedrijf 1] reeds betaald. Zoals hiervoor is overwogen lijdt het op zichzelf geen twijfel dat [benadeelde bedrijf 1] vertragingsschade heeft opgelopen, maar kan in deze strafzaak niet worden vastgesteld wat de hoogte daarvan is. Dit betekent dat [benadeelde bedrijf 1] zich wel met goede reden in deze strafzaak heeft gevoegd als benadeelde partij. Het gevorderde bedrag van € 1.000,00 aan proceskosten zal daarom worden toegewezen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [aangever 19]

De heer [aangever 19] vordert € 50.000,00 aan materiële schade en € 15.000,00 aan immateriële schade. De materiële schade ziet op een bedrag voor de verloren gegane inboedel.

[aangever 19] woonde aan [adres] . Op het moment van de brand was hij in zijn woning aanwezig. Hij werd uit zijn slaap gewekt door politieagenten die hem dringend verzochten zo snel mogelijk de woning te verlaten. Hij heeft ruim twee uur lang buiten in de kou staan toekijken hoe zijn woning afbrandde. [aangever 19] is door de brand alles kwijtgeraakt. Zijn appartement is volledig afgebrand, inclusief alle daarin aanwezige (persoonlijke) spullen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft de materiële schade zich niet leent voor behandeling in deze strafzaak. De vordering is gebaseerd op een aantal facturen van in het verleden aangeschafte goederen en van aankopen van na de brand. Er is echter geen bewijs overgelegd van de woonsituatie van voor de brand, aan de hand waarvan had kunnen worden beoordeeld of het gevorderde bedrag daarmee overeen komt en indien daarover twijfel zou bestaan om zo nodig een deskundige daar een oordeel over te laten geven. De verdediging kan op basis van de stukken bij gebrek aan wetenschap niet beoordelen of € 50.000,00 redelijk is of niet. Subsidiair dient het gevorderde bedrag aanzienlijk te worden gematigd tot maximaal € 2.500,00. Het gevorderde bedrag aan immateriële schade komt erg hoog voor en dient aanzienlijk te worden gematigd.

Ten aanzien van de materiële schade, de verloren gegane inboedel, gaat de rechtbank ervan uit – en dat wordt door de verdediging ook niet betwist – dat de gehele inboedel verloren is gegaan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat [aangever 19] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het is in dit geval niet mogelijk om deze schade nauwkeurig vast te stellen, nu veel documenten aan de hand waarvan dat eventueel zou kunnen worden vastgesteld door de brand ook verloren zijn gegaan. De rechtbank zal daarom gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid. [aangever 19] heeft zijn schade onderbouwd door te verwijzen naar de inboedelwaardemeter. De rechtbank heeft zelf ook meerdere inboedelwaardemeters van verschillende woonverzekeraars geraadpleegd en daaruit kwam telkens een bedrag dat vergelijkbaar was met het door [aangever 19] gevorderde bedrag. De rechtbank schat de schade aan de verloren gegane inboedel daarom naar billijkheid op het gevorderde bedrag van € 50.000,00.

Hiervoor is reeds geoordeeld dat [aangever 19] recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade. Bij het bepalen van de hoogte hiervan houdt de rechtbank rekening met het feit dat [aangever 19] de nacht van de brand in levensgevaar is geweest. Hij lag in zijn woning te slapen en werd gewekt door politieagenten die hem dringend verzochten zo snel mogelijk de woning te verlaten. Op dat moment stond het pand van [benadeelde bedrijf 4] al in brand. Daarmee is hij direct geconfronteerd met de brand, hetgeen tot grote angst heeft geleid. [aangever 19] heeft zijn woning zien afbranden en is uiteindelijk alles kwijtgeraakt, waaronder ook onvervangbare spullen met een emotionele waarde. Blijkens de toelichting op de vordering heeft de brand grote indruk gemaakt op [aangever 19] . Op 10 maart 2025 heeft hij een tijdelijk nieuw huurcontract getekend voor een nieuw appartement. Deze woning moest helemaal opnieuw worden ingericht. Ook moest er allerlei papierwerk worden geregeld bij de bank en moest er met spoed een nieuw paspoort worden aangevraagd, hetgeen vanwege [aangever 19] Britse nationaliteit niet in Nederland kon. Gedurende deze tijd leefde [aangever 19] in een permanente shocktoestand en heeft hij gehandeld op de automatische piloot omdat er geen tijd was de brand te verwerken. [aangever 19] heeft last van allerlei klachten. Zo staat hij 24/7 aan en is hij constant alert. Ook is de geur van rook een trigger geworden en ligt hij ’s nachts wakker als hij geschreeuw hoort op straat. Er is een constante angst ontstaan dat wanneer hij het huis verlaat er iets door hem is nagelaten wat een brand kan veroorzaken. [aangever 19] heeft hiervoor therapie gevolgd, om wat meer zelfvertrouwen, rust en zekerheid te krijgen. Met inachtneming van deze feiten en omstandigheden zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 15.000,00.

Ten aanzien van de benadeelde partij [aangever 20] en zijn familie

De heer [aangever 20] en zijn familie vorderen € 2.500,00 per persoon aan immateriële schade, in totaal € 30.000,00.

De heer [aangever 20] woont met zijn familie, bestaande uit in totaal twaalf personen, aan [adres] . Hij is eigenaar van eetgelegenheid ‘ [restaurant] ’, die onder de woning is gevestigd. De woning en het restaurant zijn recht tegenover de Varkensstraat gelegen. Op het moment van de brand waren alle familieleden in de woning aanwezig. De heer [aangever 20] zag als een van de eersten de brand uitbreken. Hij stond op straat voordat de brandweer arriveerde. Uiteindelijk hebben alle familieleden de woning op last van de brandweer moeten verlaten. Het gezin is ondergebracht bij familie en kon na vijf dagen weer terugkeren naar de woning. Los van wat roet- en waterschade waren de woning en alle spullen daarin gelukkig nog intact. Na terugkeer was er nog zes dagen lang geen elektriciteit.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [aangever 20] en zijn familie niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vordering, dan wel dat deze vordering moet worden afgewezen. Uit de ingediende vordering blijkt niet dat naast een machtiging van de heer [aangever 20] ook een machtiging bestaat van de elf andere personen die in de vordering worden benoemd. Niet is vast te stellen van wie de handtekeningen zijn op de later door de raadsvrouw van de benadeelde partij ingediende ‘machtiging tot het indienen van een verzoek tot schadevergoeding’ en namen ontbreken daarop. Ook wordt niet duidelijk of deze handtekeningen door de raadsvrouw zijn geverifieerd of door de heer [aangever 20] zelf zijn aangeleverd. Daarnaast is niet voldaan aan de criteria om aanspraak te maken op immateriële schade. De brandstichting ziet niet op het pand aan [adres] en de vermeende schade staat in een onvoldoende nauw verband om tot toewijzing van enige schade over te gaan. Uit de omstandigheden blijkt evenmin dat er ter zake van het adres [adres] gemeen gevaar voor goederen en/of personen te duchten was. Ten slotte wordt op basis van de ingediende ‘algemene’ vordering onvoldoende duidelijk wat de impact op de verschillende personen is geweest. Subsidiair dient de schade aanzienlijk te worden gematigd.

De rechtbank overweegt dat de raadsvrouw van de benadeelde partij heeft gesteld dat zij optreedt namens alle in de vordering genoemde familieleden van de familie [aangever 20] . De rechtbank heeft geen reden om hieraan te twijfelen. Bovendien is de heer [aangever 20] zelf ter terechtzitting verschenen om een toelichting op de vordering te geven en heeft hij in dat verband verklaard dat zijn raadsvrouw is gemachtigd om namens alle familieleden op te treden. Daarmee zijn alle familieleden ontvankelijk in de vordering.

Hiervoor is reeds geoordeeld dat [aangever 20] en zijn familie recht hebben op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade. Bij het bepalen van de hoogte hiervan houdt de rechtbank rekening met het feit dat alle familieleden op het moment van de brand in de woning aanwezig waren. De woning ligt recht tegenover de Varkensstraat en men had dus direct zicht op de brand. Ook moesten zij allemaal op last van de brandweer de woning verlaten, verbleven zij vijf dagen elders en hadden zij bij terugkeer zes dagen lang geen elektriciteit. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond hiervan worden aangenomen dat alle familieleden op enigerlei wijze schade hebben geleden. Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de impact van de brand ook voor iedereen groot is geweest en dat er met name sprake is van verhoogde alertheid en angst. De heer [aangever 20] heeft ter terechtzitting aangegeven wat de brand met hem persoonlijk heeft gedaan. Daarnaast kon zijn zaak een tijd niet open omdat het betreffende gebied was afgesloten, en toen het gebied weer toegankelijk was kwamen er weinig klanten omdat het nog steeds moeilijk was om het gebied te bereiken. Wat de concrete impact voor de andere familieleden is geweest en welke schade zij daardoor precies hebben geleden, kan echter niet worden vastgesteld. Gelet op een en ander, en omdat in het verzoek tot schadevergoeding ook een totaalbedrag is gevorderd, ziet de rechtbank aanleiding om één bedrag aan de heer [aangever 20] en zijn familie toe te kennen. De rechtbank zal daarom de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op een totaalbedrag van € 6.000,00.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 3] / [benadeelde bedrijf 3]

Mevrouw [benadeelde 3] vordert - blijkens een verzoek tot schadevergoeding waarop ook haar zaak [benadeelde bedrijf 3] is genoemd - in totaal € 12.583,75 aan materiële schade en € 1.250,00 aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit een bedrag van € 4.083,75 voor het vervangen van een pui, € 500,00 voor het eigen risico van de verzekering en € 8.000,00 aan gederfde inkomsten.

[benadeelde 3] is eigenaresse van [benadeelde bedrijf 3] , een klein restaurantje gelegen aan [adres] . [benadeelde bedrijf 3] zit schuin tegenover de onderneming en woning van de heer [aangever 20] . [benadeelde 3] kwam vroeg in de ochtend van de brand aan in de binnenstad om de situatie ter plaatse te bekijken. Zij mocht niet naar haar zaak toe. Uiteindelijk is het restaurant een aantal dagen gesloten geweest en toen het weer open kon, was er amper aanloop omdat de omgeving van de brand lange tijd afgesloten is geweest. In het restaurant was veel waterschade en roetaanslag. Ook is de elektriciteit een aantal dagen afgesloten geweest en is de pui onherstelbaar beschadigd.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat [benadeelde 3] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vordering, dan wel dat deze vordering moet worden afgewezen. Behandeling van deze vordering leent zich niet voor dit strafproces. De vordering is niet eenvoudig te beoordelen en zou dit strafproces onredelijk belasten.

Onduidelijk is welke partij schade vordert, [benadeelde 3] in privé dan wel de B.V. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat [benadeelde 3] bevoegd is om namens [benadeelde bedrijf 3] B.V. deze vordering in te dienen.

Bij gebrek aan wetenschap wordt betwist dat vervanging van de pui als gevolg van de brand noodzakelijk was. Daarnaast zijn onvoldoende gegevens beschikbaar om te beoordelen in hoeverre er een nieuw- voor- oud correctie zou dienen te worden toegepast en of sprake is van een al dan niet vergelijkbare pui.

Het gevorderde bedrag aan gederfde inkomsten berust op een aantal aannames waarmee wordt gerekend, maar hiervan kan niet zonder meer worden uitgegaan. Bij gebrek aan wetenschap wordt betwist dat sprake is van een gederfde (bruto) winst (voor belastingen) van € 6.210,00, hetgeen vervolgens wordt afgerond op € 8.000,00. Er ontbreken allerlei feiten en gegevens om op basis van een zeer summiere berekening een juist bedrag te kunnen vaststellen. Er is geen enkele duidelijkheid, noch wordt enige toelichting gegeven of de voorgaande jaren een juiste voorstelling van zaken zouden kunnen geven voor wat betreft de te realiseren omzet. Ditzelfde geldt voor de gehanteerde winstmarge. Er kan dan ook geen enkele juiste vaststelling worden gedaan, dan wel schatting worden gemaakt, van de daadwerkelijk geleden schade, in de vorm van gederfde winst dan wel in de vorm van een gederfde privé-uitkering. Tegen de later overgelegde jaarstukken maakt de raadsman bezwaar, nu een onderbouwing ontbreekt en zij te laat zijn ingediend om met verdachte te kunnen bespreken.

Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, nu [benadeelde 3] niet voldoet aan de criteria om aanspraak te kunnen maken op immateriële schade. De brandstichting ziet niet op het pand aan [adres] en de vermeende schade staat in een onvoldoende nauw verband om tot toewijzing van enige immateriële schade over te gaan.

De rechtbank overweegt het volgende. De raadsvrouw van [benadeelde 3] heeft ter terechtzitting aangegeven dat de materiële schade ziet op de schade van de onderneming, [benadeelde bedrijf 3] . In het verzoek tot schadevergoeding staat naast mevrouw [benadeelde 3] als slachtoffer ook als slachtoffer (niet-natuurlijk persoon) vermeld [benadeelde bedrijf 3] . Daarnaast is [benadeelde 3] als persoon zelf ook slachtoffer van de gevolgen van de brand. In die hoedanigheid maakt zij aanspraak op immateriële schade. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende duidelijk wie welke schade vordert. Het gaat hier om samengestelde schade (zowel zakelijk als privé geleden schade) en dergelijke schade kan in een strafzaak door een natuurlijk persoon worden gevorderd, zolang de verschillende schadeposten strikt zijn gescheiden en onderbouwd. Dat is hier het geval. Voorts blijkt uit het overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel dat [benadeelde bedrijf 3] B.V. rechtsgeldig wordt vertegenwoordigd door (een van) haar bestuurders [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. Het lijdt geen twijfel dat laatstgenoemde vennootschap toebehoort aan degene die het verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend, te weten mevrouw [benadeelde 3] .

Ten aanzien van de materiële schade is de rechtbank van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat [benadeelde bedrijf 3] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Met betrekking tot de vervanging van een pui is namens [benadeelde 3] gemotiveerd gesteld en ter terechtzitting nader toegelicht dat en waarom de pui moest worden vervangen. De pui is kapot gegaan bij het slot omdat de brandweer naar binnen is gegaan om te kijken hoe de situatie was en of daar nog eventueel een brandhaard was. Alle omringende panden zijn die nacht/ochtend betreden. Het slot van de pui is als gevolg hiervan ontzet en onherstelbaar beschadigd. Vanwege een communicatiefout met de verhuurder van het pand ten aanzien van de verantwoordelijkheid en de kosten van de reparatie heeft het een aantal maanden geduurd voordat er een nieuwe pui kon worden ingezet. De verzekering heeft deze kosten niet vergoed. De verdediging heeft een en ander niet gemotiveerd betwist. Voorts bevindt zich bij de stukken een factuur voor het leveren en plaatsen van een winkelpui. Deze factuur is gericht aan [benadeelde bedrijf 3] . Gelet hierop staan de gevorderde kosten ad € 4.083,75 naar het oordeel van de rechtbank in direct verband met het bewezenverklaarde feit en zijn zij voldoende onderbouwd. Deze kosten zullen daarom worden toegewezen.

De gevorderde kosten met betrekking tot het eigen risico van de verzekering (€ 500,00) staan naar het oordeel van de rechtbank in direct verband met het bewezenverklaarde feit, zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Deze kosten zullen eveneens worden toegewezen.

Met betrekking tot de gederfde inkomsten wordt het volgende overwogen. Naar het oordeel van de rechtbank staat voldoende vast dat [benadeelde bedrijf 3] als gevolg van het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. Immers, door de langdurige wegafsluitingen als gevolg van de brand, de daardoor gedwongen tijdelijke sluiting van het restaurant en door de aanhoudende bouwoverlast waardoor de doorloop van klanten lager was, is het aannemelijk dat de onderneming inkomsten is misgelopen en dat er dus sprake is geweest van omzetdaling. De rechtbank wijst in dit verband ook op de voorhanden zijnde informatie van de gemeente Arnhem, waaruit op zeer inzichtelijke wijze blijkt in welke fases na de brand de toegang tot welke delen en panden van het getroffen gebied tijdelijk is afgesloten dan wel beperkt. Namens [benadeelde bedrijf 3] is toegelicht en met stukken onderbouwd dat er in de jaren voor de brand juist een stijgende lijn zat in de omzet. De boekhouder heeft naar aanleiding van de beschikbare cijfers een berekening gemaakt – deze cijfers en berekening maken ook deel uit van de stukken – en komt uit op een bedrag aan gederfde omzet van € 6.000,00 tot

€ 8.000,00. Gelet op een en ander ziet de rechtbank voldoende aanknopingspunten om de op dit punt geleden schade te schatten. Met gebruikmaking van haar schattingsbevoegdheid bepaalt de rechtbank de schade op ten minste € 6.000,00. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen. Ten aanzien van het meerdere van dit deel van de vordering zal [benadeelde bedrijf 3] niet-ontvankelijk in haar vordering worden verklaard. Zij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank merkt nog op dat zij het verweer van de verdediging dat de later ingediende financiële stukken en de informatie van de gemeente buiten beschouwing dienen te worden gelaten vanwege het tijdstip van indienen, passeert. De financiële stukken zijn, naar aanleiding van verweren van de verdediging, juist ingediend om aan te tonen welke stukken de boekhouder had gebruikt als onderbouwing. De informatie van de gemeente is eenvoudig van aard en omvang.

Resumerend wordt aan materiële schade aan [benadeelde bedrijf 3] een bedrag van € 10.583,75 toegewezen.

Hiervoor is reeds geoordeeld dat [benadeelde 3] recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade. Bij het bepalen van de hoogte hiervan houdt de rechtbank rekening met het feit dat [benadeelde 3] enerzijds niet zelf in levensgevaar is geweest en niet woonde in het getroffen gebied, maar anderzijds wel een aantal dagen geen toegang heeft gehad tot haar onderneming. Blijkens de toelichting op de vordering hebben de brand en de nasleep daarvan grote indruk gemaakt op [benadeelde 3] . Er was sprake van een aantasting van haar professionele betrouwbaarheid, omdat zij door een gebrek aan inkomsten gedurende een bepaalde tijd haar leveranciers niet kon betalen en uitstel van betaling moest aanvragen. Voorts durfde [benadeelde 3] haar onderneming amper te verlaten uit angst dat er weer iets zou kunnen gebeuren. Van de stress viel zij af en sliep en at zij slecht. Ook leed zij aan concentratieverlies en stond zij op scherp zodra zij een sirene hoorde of een zwaailicht zag. Met inachtneming van deze feiten en omstandigheden zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 1.250,00.

Ten aanzien van de benadeelde partij [aangever 3]

De heer [aangever 3] vordert € 7.500,00 aan immateriële schade.

[aangever 3] woont aan [adres] . Op het moment van de brand was hij in zijn woning aanwezig. Hij werd in zijn slaap gewekt door de brandweer die de deur had geforceerd en moest onmiddellijk de woning verlaten. Hij stond buiten op blote voeten en was schaars gekleed, terwijl hij werd geconfronteerd met een uitslaande brand. [aangever 3] verbleef gedurende vier uur in een brandweerauto, waar hij via portofoonverkeer en live-beelden de brand kon volgen. Na drie maanden kon hij zijn woning weer betreden en bleek dat er sprake was van veel materiële schade. Een deel van zijn spullen was onherstelbaar beschadigd. Vijf maanden na de brand kon [aangever 3] zijn woning weer betrekken.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag erg hoog voorkomt en dat de vordering dus dient te worden gematigd.

Hiervoor is reeds geoordeeld dat [aangever 3] recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade. Bij het bepalen van de hoogte hiervan houdt de rechtbank rekening met het feit dat [aangever 3] direct geconfronteerd is met de brand. Op het moment dat hij wakker werd, stond het pand van [benadeelde bedrijf 4] al in brand. Blijkens de toelichting op de vordering en het ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht heeft de brand grote indruk gemaakt op [aangever 3] . De plotselinge evacuatie, de angst voor zijn veiligheid en het verlies van controle hebben intense gevoelens van angst en machteloosheid veroorzaakt. De impact werd versterkt doordat hij urenlang in een brandweerauto verbleef waar hij alles meekreeg van de omvang en het verloop van de brand. [aangever 3] heeft vijf maanden elders moeten verblijven. In die tijd had hij geen toegang tot zijn persoonlijke eigendommen, zijn vertrouwde omgeving en zijn spullen die een grote emotionele waarde hebben. Hij heeft sinds de brand last van allerlei klachten, waaronder slaapproblemen, herbelevingen, verhoogde waakzaamheid, gevoelens van onveiligheid en spanningsklachten. Ook wordt hij nog dagelijks geconfronteerd met de zichtbare gevolgen van de brand in het straatbeeld, hetgeen tot een structurele aantasting van zijn gevoel van veiligheid en psychisch welbevinden heeft geleid. Met inachtneming van deze feiten en omstandigheden zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 7.500,00.

Ten aanzien van de benadeelde partij [aangever 4]

De heer [aangever 4] vordert € 343,00 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade. De materiële schade ziet op de aanschaf van een beveiligingscamera.

[aangever 4] woont aan [adres] . Op het moment van de brand was hij in zijn woning aanwezig. Hij werd wakker en toen hij naar buiten keek, werd hij geconfronteerd met een uitslaande brand. Hij is direct naar buiten gegaan en heeft daar een half uur gestaan. Drie weken na de brand kon [aangever 4] zijn woning weer betrekken.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft de materiële schade moet worden afgewezen. De aanschaf van een camerasysteem staat niet in een zodanig direct verband met het feit dat dit voor toewijzing in aanmerking komt. Ten aanzien van de immateriële schade moet aansluiting worden gezocht bij de in de Rotterdamse Schaal genoemde bandbreedte ‘ernstig’: Brandstichting in of nabij de woning van de benadeelde, waar de benadeelde op dat moment (in wakkere toestand) aanwezig was. Hierbij hoort een vergoeding van maximaal € 2.000,00.

[aangever 4] heeft de materiële schade op zichzelf voldoende onderbouwd, maar naar het oordeel van de rechtbank bestaat er juridisch gezien geen direct causaal verband tussen de aanschaf van de beveiligingscamera en het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom afwijzen.

Hiervoor is reeds geoordeeld dat [aangever 4] recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade. Bij het bepalen van de hoogte hiervan houdt de rechtbank rekening met het feit dat [aangever 4] direct geconfronteerd is met de brand. Op het moment dat hij wakker werd, stond het pand van [benadeelde bedrijf 4] al in brand. Blijkens de toelichting op de vordering en het ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht heeft de brand grote indruk gemaakt op [aangever 4] . Nadat hij zijn woning had verlaten verkeerde hij in grote angst en onzekerheid. De onwetendheid over de situatie en over wat de toekomst zou brengen heeft bij [aangever 4] aanzienlijke stress veroorzaakt. Een latere bijeenkomst op het stadskantoor over de brand en de gevolgen daarvan heeft de emotionele impact verder vergroot. Hij heeft gedurende twee dagen calamiteitenverlof moeten opnemen en heeft drie weken bij zijn ouders gewoond. De ontwrichting van zijn woonsituatie heeft bijgedragen aan gevoelens van onzekerheid en onrust. Toen hij terugkeerde in zijn woning voelde het voor [aangever 4] niet meer hetzelfde. Bovendien wordt hij dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van de brand, onder andere door zogenoemd ramptoerisme. Sinds de brand is sprake van toegenomen alertheid en hyperwaakzaamheid. Ook heeft hij last van slaapproblemen. Met inachtneming van deze feiten en omstandigheden zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 2.500,00.

Ten aanzien van de benadeelde partij [aangever 14]

Mevrouw [aangever 14] vordert € 137,53 aan materiële schade en € 2,500,00 aan immateriële schade. De materiële schade ziet op het eigen risico dat is aangesproken als gevolg van het ondergaan van EMDR-therapie.

[aangever 14] woonde ten tijde van de brand aan [adres] . Zij lag in de nacht van de brand in de woning te slapen toen zij wakker werd en mensen hoorde op de overloop. Zij zag op haar telefoon een appje van haar vriendin die vroeg “of zij ok was”. Zij is vervolgens naar beneden gegaan, heeft de voordeur geopend en zag dat er een grote brand woedde. Zij heeft twee dagen niet in haar woning kunnen verblijven. De woning had geen rook- of brandschade.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft de materiële schade moet worden afgewezen. Op basis van de overgelegde stukken wordt niet duidelijk of de gemaakte kosten daadwerkelijk in een direct verband staan met het feit en of deze kosten ook zonder de brand al zouden zijn gemaakt, nu uit de vordering ook blijkt dat [aangever 14] reeds was aangemeld voor een behandeling. Het gevorderde bedrag aan immateriële schade komt erg hoog voor. Onduidelijk blijft wat concreet het gevaar was voor [aangever 14] en haar woning c.q. haar persoonlijke bezittingen. De afstand van haar woning tot de brand wordt niet nader toegelicht.

De rechtbank stelt voorop dat het alleszins begrijpelijk is dat de brand impact heeft gehad op [aangever 14] en dat aannemelijk is dat in ieder geval een deel van de gevolgde EMDR-therapie was gericht op de behandeling van klachten die werden veroorzaakt of verergerd door de brand. Vast staat echter ook, zo blijkt uit de toelichting op de vordering, dat [aangever 14] vóór de brand reeds was aangemeld bij een psycholoog. Allerminst valt dus uit te sluiten dat het eigen risico hoe dan ook al zou worden aangesproken, los van de brand. Dat dit eigen risico enkel ziet op behandelingen die specifiek te maken hebben met de gevolgen van de brand, is mede gelet op de betwisting daarvan door de verdediging, onvoldoende aannemelijk geworden. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen of sprake is van een causaal verband tussen het feit en de gemaakte kosten. [aangever 14] zal ten aanzien van dit deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Hiervoor is reeds geoordeeld dat [aangever 14] recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade. Bij het bepalen van de hoogte hiervan houdt de rechtbank rekening met het feit dat [aangever 14] niet zelf in levensgevaar is geweest en dat haar woning geen rook- of brandschade heeft opgelopen. Wel heeft zij twee dagen geen gebruik kunnen maken van haar woning. Blijkens de toelichting op de vordering heeft de brand ook grote indruk gemaakt op [aangever 14] , zowel qua psychisch welzijn als qua dagelijkse routine. De plotselinge confrontatie met het gevaar en de noodzaak haar woning te verlaten hebben geleid tot een acute stressreactie. In de periode na de brand ontwikkelde [aangever 14] ernstige slaapproblemen, bestaande uit herbelevingen, nachtmerries en moeite met inslapen. Hoewel [aangever 14] na twee dagen haar woning weer mocht betreden, was het gevoel van veiligheid blijvend aangetast. Het woonplezier was verdwenen en uiteindelijk heeft zij ervoor gekozen om te verhuizen. De psychische klachten hebben ook geleid tot tijdelijke arbeidsuitval.

Naar het oordeel van de rechtbank is zonder meer aannemelijk dat de brand grote impact heeft gehad op [aangever 14] . Zoals hiervoor reeds aan de orde is gekomen, staat echter ook vast dat [aangever 14] vóór de brand al was aangemeld bij een psycholoog. In het kader van deze strafzaak valt daarom onvoldoende vast te stellen in welke mate de brand tot nieuwe klachten heeft geleid, in welke mate de brand reeds bestaande klachten heeft verergerd en in welke mate het gaat om al bestaande klachten. De rechtbank zal de immateriële schadevergoeding daarom naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 2.000,00. Daarbij betrekt de rechtbank ook het feit dat de woning van [aangever 14] zich op enige afstand van de locatie van de brand bevindt. Ten aanzien van het meerdere van dit deel van de vordering zal [aangever 14] niet-ontvankelijk in haar vordering worden verklaard. Zij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [aangever 5]

Mevrouw [aangever 5] vordert in totaal € 13.477,50 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit een bedrag van € 13.112,50 voor opgelopen studievertraging van zes maanden en € 365,00 voor het eigen risico van de zorgverzekeraar. Verzocht wordt deze laatste post niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de behandelingen voor de psychische klachten nog niet hebben plaatsgevonden. Deze post voor toekomstige kosten is ingediend met het oog op een eventueel hoger beroep.

[aangever 5] woont aan [adres] . Zij lag in de nacht van de brand in de woning te slapen toen zij door de hulpdiensten werd gewekt om haar woning te verlaten. Hierbij moest zij één van haar twee katten achterlaten. Deze kat is later alsnog gered. [aangever 5] mocht haar woning ruim twee weken later weer betreden. De woning had geen rook- of brandschade.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft de materiële schade moet worden afgewezen. Uit de stukken blijkt dat er reeds sprake was van mentale problemen en eerder opgelopen (aanzienlijke) studievertraging. Het causale verband tussen de gevorderde schade en de mentale problemen als gevolg van de brand wordt bij gebrek aan wetenschap betwist en blijft op zijn minst onduidelijk. Het had op de weg van [aangever 5] gelegen dit nader te onderbouwen. Ten aanzien van de immateriële schade moet aansluiting worden gezocht bij de in de Rotterdamse Schaal genoemde bandbreedte ‘ernstig’: Brandstichting in of nabij de woning van de benadeelde, waar de benadeelde op dat moment (in wakkere toestand) aanwezig was. Hierbij hoort een vergoeding van maximaal € 2.000,00.

Met betrekking tot de post ‘opgelopen studievertraging’ wordt het volgende overwogen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [aangever 5] in haar toelichting op het verzoek om verlenging van financiële ondersteuning uit het Studentenondersteuningsfonds heeft aangegeven nog twee maanden langer nodig te hebben voor haar studie. Voorts blijkt uit de stukken dat de HAN vervolgens heeft geadviseerd [aangever 5] een verlenging van de financiële ondersteuning uit genoemd fonds toe te kennen voor een periode van drie maanden. Uit de stukken kan evenwel niet worden afgeleid dat sprake is geweest van een studievertraging van zes maanden, noch dat [aangever 5] meer vertraging heeft opgelopen dan de reeds toegekende drie maanden. Een nadere onderbouwing op dit punt ontbreekt. Deze schadepost kan daarom zonder nader onderzoek niet worden beoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank levert behandeling hiervan, mede gelet op de betwisting daarvan door de verdediging, een onevenredige belasting op van het strafproces. Daarom zal de rechtbank [aangever 5] niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering. Zij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Overeenkomstig haar eigen verzoek zal de rechtbank [aangever 5] ten aanzien van de post ‘eigen risico van de zorgverzekeraar’ eveneens niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Hiervoor is reeds geoordeeld dat [aangever 5] recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade. Bij het bepalen van de hoogte hiervan houdt de rechtbank rekening met het feit dat [aangever 5] direct geconfronteerd is geweest met de brand. Op het moment dat zij wakker werd, stond het pand van [benadeelde bedrijf 4] al in brand. Blijkens de toelichting op de vordering heeft de brand grote indruk gemaakt op [aangever 5] . Dat zij een van haar katten moest achterlaten heeft geleid tot grote gevoelens van schuld, machteloosheid en paniek. Ook leefde bij haar de angst dat de brand zou overslaan naar haar woning en dat haar inboedel mogelijk verloren zou gaan. Twee weken na terugkeer in de woning ging het brandalarm af, hetgeen tot een zeer heftige paniekreactie leidde. Ook hielden andere psychische klachten aan. Er was sprake van herbelevingen, verhoogde angst voor brand, sterke schrikreacties bij triggers en intense paniekaanvallen. Als gevolg van de stress is [aangever 5] enkele keren flauwgevallen. Het gevoel van veiligheid is blijvend aangetast en daarom is [aangever 5] voornemens te verhuizen en psychische hulp te zoeken. Met inachtneming van deze feiten en omstandigheden zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 2.500,00.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Mevrouw [benadeelde 4] vordert, na een ter terechtzitting gedane aanpassing, € 237,78 aan materiële schade en € 1.250,00 aan immateriële schade. De materiële schade ziet op verlies van arbeidsvermogen.

[benadeelde 4] woonde aan [adres] , boven [bar] , waar zij ook werkte. Zij was de nacht van de brand niet in haar woning, maar is direct naar het centrum gekomen toen zij werd gewekt door meldingen op haar telefoon van de deurbel van haar woning. Bij de woning gekomen mocht zij van de brandweer haar woning niet in. Na twee maanden mocht [benadeelde 4] haar woning weer betreden. Zij trof beschadigde spullen aan en haar woning was onbewoonbaar verklaard. [benadeelde 4] woonde sindsdien bij haar vriend en nadat die relatie uitging, heeft zij in augustus 2025 een eigen (gedeeld) appartement betrokken.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft de materiële schade moet worden afgewezen. De omvang van de gevorderde schade wordt betwist, nu onduidelijk blijft welke uren er tussen 6 en 11 maart 2025 daadwerkelijk gewerkt zouden worden en of dit het aantal uren van het berekende gemiddelde over zes dagen zou zijn. Ten aanzien van de immateriële schade is onduidelijk wat de woonsituatie van [benadeelde 4] was. Aangegeven wordt dat zij niet in haar woning sliep en dat zij volgens het verzoek “onderverhuurder” was van de woning. Voorts blijkt uit de overgelegde huurovereenkomst dat [benadeelde 4] huurder was en is blijkens de ‘Verklaring van Toestemming Hoofdhuurder voor Onderhuur’ door RGB Arnhem B.V. aan onderhuurder, [benadeelde 4] , toestemming verleend voor het onderverhuren van de bovenverdieping van het pand aan [adres] . Gelet op een en ander gaat de verdediging er daarom vanuit dat [benadeelde 4] zelf geen bewoonster van het bewuste pand was. Zij behoort dus niet tot de groep van direct getroffenen en dit betekent dat ook dit deel van de vordering moet worden afgewezen.

Ten aanzien van de materiële schade is de rechtbank van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat [benadeelde 4] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De in dit verband gevorderde kosten ad € 237,78 staan naar het oordeel van de rechtbank in direct verband met het bewezenverklaarde feit, zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van [benadeelde 4] , die wordt ondersteund door de overgelegde salarisspecificaties en de verklaring van de werkgever, dat er sprake was van een structureel arbeidspatroon. Deze kosten zullen daarom worden toegewezen

Hiervoor is reeds geoordeeld dat [benadeelde 4] recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade. Bij het bepalen van de hoogte hiervan houdt de rechtbank rekening met het feit dat [benadeelde 4] enerzijds niet zelf in levensgevaar is geweest, maar anderzijds wel haar woning is kwijtgeraakt, evenals verschillende spullen met emotionele waarde. Ter terechtzitting is namens [benadeelde 4] aangegeven dat zij de feitelijke bewoner was van het pand, zij woonde boven haar werk bij [bar] . De rechtbank heeft geen enkele reden om hieraan te twijfelen. Blijkens de toelichting op de vordering en het ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht heeft de brand grote indruk gemaakt op [benadeelde 4] . Zij ervoer veel verdriet over het verlies van haar woning en haar baan. Ook sliep zij slecht, had zij last van herbelevingen en was zij angstig om alles weer in één klap te verliezen. Omdat de lichamelijke en geestelijke klachten aanhielden, is [benadeelde 4] in december 2025 na verwijzing door de huisarts naar een therapeut gegaan. Tot op heden is zij echter nog niet in staat geweest om met de therapie te beginnen. Met inachtneming van deze feiten en omstandigheden zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 1.250,00.

Ten aanzien van de benadeelde partij [aangever 11]

Mevrouw [aangever 11] vordert in totaal € 6.588,24 aan materiële schade. Deze schade ziet op een bedrag van € 2.694,00 voor collegegeld vanwege studievertraging en € 3.894,24 voor een jaar geen basisbeurs vanwege studievertraging.

[aangever 11] woont aan [adres] . Op het moment van de brand was zij in haar woning aanwezig. [aangever 11] werd wakker en toen zij naar buiten keek, werd zij geconfronteerd met een uitslaande brand. Samen met haar vriend is zij direct naar buiten gegaan en daar hebben zij ongeveer een half uur gestaan. Op 11 maart 2025 kon zij terug naar haar woning om wat spullen op te halen en na ruim een maand kon zij definitief terugkeren naar haar woning.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat [aangever 11] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, nu deze vordering zodanig laat is ingediend en niet zo eenvoudig van aard is, dat behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen. dan wel dat [aangever 11] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. De vordering is onvoldoende onderbouwd. Er is geen toelichting gegeven ter zake van de aantasting in de persoon op andere wijze en ter zake van de schade. Bij gebrek aan wetenschap wordt een en ander betwist.

De rechtbank overweegt het volgende. [aangever 11] heeft in haar verzoek tot schadevergoeding gesteld dat zij in september 2025 met haar studie is begonnen. Door de hoeveelheid en intensiteit van de migraineaanvallen die zij na de brand had, heeft zij haar master over twee jaar moeten spreiden, waardoor zij een jaar langer bezig is met haar studie. Het tweede jaar vervalt echter het recht op een basisbeurs. Ter terechtzitting heeft [aangever 11] haar vordering nader toegelicht en heeft zij onder meer gesteld dat de hoofdpijnklachten die zij al had sinds de brand zijn verergerd en dat zij daar nu medicatie voor krijgt. Ook heeft [aangever 11] nog aangegeven dat zij maar vier jaar recht heeft op een basisbeurs, terwijl zij een jaar extra nodig heeft om haar studie af te ronden. De verdediging heeft een en ander niet gemotiveerd betwist.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat [aangever 11] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De in dit verband gevorderde kosten ad € 6.588,24 staan naar het oordeel van de rechtbank in direct verband met het bewezenverklaarde feit, zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Deze kosten zullen daarom worden toegewezen.

Ten aanzien van de benadeelde partijen [aangever 16] en [aangever 15]

Mevrouw [aangever 16] en de heer [aangever 15] vorderen € 75.000,00 aan materiële schade en € 2.500,00 per persoon aan immateriële schade. De materiële schade ziet op de waardevermindering van hun woning, meer in het bijzonder op het verschil tussen de geadviseerde vraagprijs van de door [aangever 16] en [aangever 15] te koop gezette woning en de marktwaarde zoals die zou zijn geweest als de brand niet had gewoed.

[aangever 16] en [aangever 15] woonden ten tijde van de brand gezamenlijk aan [adres] . Op het moment van de brand waren zij in hun woning aanwezig. [aangever 15] werd wakker en toen hij op de intercom keek, zag hij de brandweer de straat komen inrijden. Hij stond op en ging naar buiten. Daar werd hij geconfronteerd met een grote brand bij [benadeelde bedrijf 4] . Ruim een half uur later moesten [aangever 16] en [aangever 15] de woning op last van de brandweer verlaten. Op 28 maart 2025 mochten zij hun woning weer in.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft de immateriële schade kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de materiële schade moeten [aangever 16] en [aangever 15] niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, nu deze vordering zodanig laat is ingediend en niet zo eenvoudig van aard is, dat behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [aangever 16] en [aangever 15] vanwege de late indieningstermijn van hun vordering niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vordering. De verdediging heeft de vordering niet kunnen beoordelen en bespreken met verdachte.

De vordering van [aangever 16] en [aangever 15] is gedateerd op 27 maart 2026. Dat is gelet op eerder genoemde termijnen laat. Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van [aangever 16] en [aangever 15] op zichzelf niet dusdanig laat ingediend dat zij om die reden reeds niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vordering. [aangever 15] is, mede namens [aangever 16] , ter zitting verschenen en heeft de vordering daar toegelicht. De vordering is ter terechtzitting besproken en omdat de behandeling van de strafzaak twee dagen in beslag heeft genomen – waarbij bovendien op beide dagen enkele (langere) onderbrekingen zijn geweest – is de verdediging voldoende tijd en ruimte geboden om de vordering te bestuderen, te bespreken met verdachte en daarover een standpunt te bepalen. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat de vordering qua aard en omvang niet ingewikkeld is. De verdediging heeft aldus voldoende mogelijkheid gehad om verweer te voeren.

De rechtbank zal [aangever 16] en [aangever 15] evenwel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover het de materiële schade betreft. In de eerste plaats is deze schade slechts summier onderbouwd. Daarnaast gaat het hier om (eventueel) toekomstige schade en kan niet eenvoudig worden vastgesteld of er schade is en of deze schade zonder meer rechtstreeks door het feit is toegebracht. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de hoogte van dit deel van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen, hetgeen een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. [aangever 16] en [aangever 15] kunnen dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Hiervoor is reeds geoordeeld dat [aangever 16] en [aangever 15] recht hebben op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade. Bij het bepalen van de hoogte hiervan houdt de rechtbank rekening met het feit dat [aangever 16] en [aangever 15] direct geconfronteerd zijn met de brand. Op het moment dat zij wakker werden, stond het pand van [benadeelde bedrijf 4] al in brand. Blijkens de toelichting op de vordering heeft de brand grote indruk gemaakt op [aangever 16] en [aangever 15] . Zij voelen zich niet meer veilig in hun eigen woning. Zaken die voor de brand vanzelfsprekend waren, zoals alleen naar buiten gaan of ’s avonds slapen, geven nu angst en spanning. Ook zijn zij alerter dan voorheen en schrikt [aangever 16] snel van onverwachte geluiden. Ter terechtzitting heeft [aangever 15] nog aangegeven dat de brand fataal had kunnen aflopen. Hij verwijst daarbij ook naar de door de raadsvrouw van [aangever 18] overgelegde foto’s. [aangever 18] woont in hetzelfde complex als [aangever 16] en [aangever 15] . Op een van de foto’s die [aangever 18] heeft gemaakt zijn [aangever 16] en [aangever 15] op hun rug te zien, terwijl zij uitkijken op de brand die woedt op een aantal meters van hen vandaan. Ook valt uit die foto’s af te leiden dat de steegdeur van het complex zich recht tegenover het pand van [benadeelde bedrijf 4] bevindt en dat de brand al in alle hevigheid woedde toen [aangever 16] en [aangever 15] hun woning verlieten. Met inachtneming van deze feiten en omstandigheden zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 2.500,00 per persoon.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f v Sr ten aanzien van alle (hierna te noemen) benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht de aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. De rechtbank zal daarbij telkens bepalen dat bij niet betalen gijzeling kan worden toegepast. Bij het bepalen van de duur van de gijzeling heeft de rechtbank acht geslagen op artikel 36f, vijfde lid, Sr. Daaruit volgt dat de totale duur van de gijzeling maximaal een jaar betreft. Daaronder moet een termijn van 365 dagen worden verstaan. De rechtbank zal dit maximale aantal dagen gijzeling evenredig verdelen over de maatregelen van de toegewezen vorderingen.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen voor zover zij in onderstaand schema zijn weergegeven kunnen worden toegewezen, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2025, zijnde de nacht van de brand. De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partijen in deze strafprocedure hebben gemaakt en de kosten die de benadeelde partijen mogelijk nog moeten maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nihil. Zoals hiervoor reeds is overwogen wordt ten aanzien van benadeelde partij [benadeelde bedrijf 1] B.V. (alleen) een bedrag van € 1.000,00 aan proceskosten toegewezen.

Benadeelde partij materiële schade smartengeld proceskosten

[aangever 1] - € 20.000,00 nihil

[benadeelde 1] € 250,00 € 3.500,00 nihil

[aangever 13] € 30,00 € 2.000,00 nihil

[benadeelde 2] € 50.451,01 € 10.000,00 nihil

[aangever 2] € 1.381,42 € 5.000,00 nihil

[aangever 18] - € 2.500,00 nihil

[benadeelde bedrijf 1] B.V. - - € 1.000,00

[aangever 19] € 50.000,00 € 15.000,00 nihil

[aangever 20] en familie - € 6.000,00 nihil

[benadeelde 3] - € 1.250,00 nihil

[benadeelde bedrijf 3] € 10.583,75 - nihil

[aangever 3] - € 7.500,00 nihil

[aangever 4] - € 2.500,00 nihil

[aangever 14] - € 2.000,00 nihil

[aangever 5] - € 2.500,00 nihil

[benadeelde 4] € 237,78 € 1.250,00 nihil

[aangever 11] € 6.588,24 - nihil

[aangever 16] - € 2.500,00 nihil

[aangever 15] - € 2.500,00 nihil

9. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 38v, 38z, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende een gebiedsverbod. Het gebiedsverbod houdt in dat verdachte zich gedurende 5 jaren niet bevindt in Arnhem;

 beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden in totaal. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op;

 legt een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op;

 veroordeelt verdachte in de kosten die de hieronder opgesomde benadeelde partij [benadeelde bedrijf 1] B.V. (genummerd 7) in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op € 1.000,00;

Benadeelde partij materiële schade smartengeld proceskosten

1. [aangever 1] - € 20.000,00 nihil

2. [benadeelde 1] € 250,00 € 3.500,00 nihil

3. [aangever 13] € 30,00 € 2.000,00 nihil

4. [benadeelde 2] € 50.451,01 € 10.000,00 nihil

5. [aangever 2] € 1.381,42 € 5.000,00 nihil

6. [aangever 18] - € 2.500,00 nihil

7. [benadeelde bedrijf 1] B.V. - - € 1.000,00

8. [aangever 19] € 50.000,00 € 15.000,00 nihil

9. [aangever 20] en familie - € 6.000,00 nihil

10. [benadeelde 3] - € 1.250,00 nihil

11. [benadeelde bedrijf 3] € 10.583,75 - nihil

12. [aangever 3] - € 7.500,00 nihil

13. [aangever 4] - € 2.500,00 nihil

14. [aangever 14] - € 2.000,00 nihil

15. [aangever 5] - € 2.500,00 nihil

16. [benadeelde 4] € 237,78 € 1.250,00 nihil

17. [aangever 11] € 6.588,24 - nihil

18. [aangever 16] - € 2.500,00 nihil

19. [aangever 15] - € 2.500,00 nihil

 wijst de vordering van de volgende benadeelde partij tot materiële schade af:

- [aangever 4] ;

 verklaart de volgende benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade:

- [benadeelde bedrijf 1] B.V.;

- [benadeelde bedrijf 4] B.V. ( [benadeelde bedrijf 4] );

- [benadeelde bedrijf 5] ;

- [benadeelde bedrijf 6] B.V.;

 verklaart de volgende benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot (im)materiële schade:

- [aangever 13] ;

- [aangever 20] en familie;

- [benadeelde 3] ;

- [benadeelde bedrijf 3]

- [aangever 14] ;

- [aangever 5] ;

- [aangever 16] ;

- [aangever 15] ;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat te betalen, ten behoeve van de volgende benadeelde partijen de hierna te noemen bedragen aan materiële en/of immateriële schade. Deze worden vermeerderd met de hiervoor omschreven wettelijke rente tot aan de dag dat de hele bedragen zijn betaald. Als de bedragen niet worden betaald, kunnen de hierna te noemen aantal dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt:

Benadeelde partij materiële schade smartengeld gijzeling

1. [aangever 1] - € 20.000,00 35 dagen

2. [benadeelde 1] € 250,00 € 3.500,00 7 dagen

3. [aangever 13] € 30,00 € 2.000,00 4 dagen

4. [benadeelde 2] € 50.451,01 € 10.000,00 106 dagen

5. [aangever 2] € 1.381,42 € 7.500,00 11 dagen

6. [aangever 18] - € 2.500,00 4 dagen

8. [aangever 19] € 50.000,00 € 15.000,00 114 dagen

9. [aangever 20] en familie - € 6.000,00 10 dagen

10. [benadeelde 3] - € 1.250,00 2 dagen

11. [benadeelde bedrijf 3] € 10.583,75 - 19 dagen

12. [aangever 3] - € 7.500,00 13 dagen

13. [aangever 4] - € 2.500,00 4 dagen

14. [aangever 14] - € 2.000,00 4 dagen

15. [aangever 5] - € 2.500,00 4 dagen

16. [benadeelde 4] € 237,78 € 1.250,00 3 dagen

17. [aangever 11] € 6.588,24 - 12 dagen

18. [aangever 16] - € 2.500,00 4 dagen

19. [aangever 15] - € 2.500,00 4 dagen

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?