ECLI:NL:RBGEL:2026:3254

ECLI:NL:RBGEL:2026:3254

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 24-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer 05/072620-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Vrijspraak voor het medeplegen van opzettelijke brandstichting in de oude binnenstad van Arnhem. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat bij het begaan van het delict sprake was van een gezamenlijke uitvoering. Ook kan geen materiële en/of intellectuele bijdrage van verdachte aan de brandstichting worden vastgesteld die van voldoende gewicht is om op basis daarvan een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte aan te nemen. Het enkele aanwezig zijn is daarvoor onvoldoende. Vorderingen benadeelde partijen niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05.072620.25

Datum uitspraak : 24 april 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] (Kenia),

wonende aan [adres] te [woonplaats] .

Raadsvrouw: mr. J.O.A.N. de Vries, advocaat in Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging en een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de nacht van 5 maart 2025 op 6 maart 2025 in de gemeente Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht aan/bij een (monumentaal) pand gelegen aan de Varkensstraat,

immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een of meer brandbare stof(fen) (te weten papier/karton dat opgestapeld lag op een of meer rolcontainer(s) die geplaatst was/waren tegen/voor/bij voornoemd pand) en/of met een of meer andere brandbare stof(fen) in de nabijheid van voornoemd pand,

ten gevolge waarvan die brandbare stof(fen) tegen/voor/bij dat pand geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan (welke brand zich (vervolgens) razendsnel ontwikkelde tot een grote uitslaande brand),

terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer (slapende) perso(o)n(en), die zich bevonden in de boven/naast/in de (directe) nabijheid gelegen woningen, te weten:- [aangever 1] (aangifte blz. 442)- [aangever 2] (aangifte blz. 450)- [aangever 3] (aangifte blz. 491)- [aangever 4] (aangifte blz. 506)- [aangever 5] (aangifte blz. 510)- [aangever 6] (aangifte blz. 514)- [aangever 7] (aangifte blz. 518)- [aangever 8] en [aangever 9] (aangifte blz. 522)- [aangever 10] en partner (aangifte blz. 527)- [aangever 11] en [aangever 12] (aangifte blz. 531)- [aangever 13] (aangifte blz. 534)- [aangever 14] (aangifte blz. 537)- [aangever 15] en [aangever 16] (aangifte blz. 544)- [aangever 17] en partner (aangifte blz. 550)- [aangever 18] (aangifte blz. 571)- [aangever 19]

- [aangever 20] en de leden van zijn gezin

te duchten was en/of er gevaar voor goederen te duchten was, te weten voor de betreffende rolcontainer(s) en/of het genoemde (monumentale) pand en/of de belendende pand(en)/perce(e)l(en) (waaronder rijks- en/of gemeentemonumenten) en/of een of meer andere goed(eren), al dan niet in de nabijheid van die rolcontainer(s).

2. De standpunten

De officier van justitie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde wegens een gebrek aan bewijs.

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Vast staat dat in de vroege ochtend van 6 maart 2025 een grote brand heeft gewoed in de oude binnenstad van Arnhem. Omstreeks 03:45 uur kwam bij de politie de eerste melding binnen van brand in de Varkensstraat in Arnhem, in een pand van de winkel [benadeelde bedrijf 3] . Ter plaatse bleek het te gaan om een zeer grote uitslaande brand die zich snel uitbreidde. De vlammen kwamen hoog uit de gevel en er was sprake van dikke zwarte rookontwikkeling. De omliggende panden en woningen zijn direct door de politie en de brandweer ontruimd. De meeste bewoners werden wakker door hard aankloppen, bij andere woningen is de deur met geweld opengebonkt. Een groot aantal panden en woningen is door de brand (ernstig) beschadigd geraakt. Een aantal woningen is onbewoonbaar geworden. Een deel van de panden is noodgedwongen afgebroken

Aan verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is ten laste gelegd dat zij samen, dan wel alleen, de brand in Arnhem hebben gesticht. De vraag die de rechtbank in de eerste plaats moet beantwoorden is of kan worden vastgesteld dat er sprake was van brandstichting. Daarover overweegt zij als volgt.

Hoe is de brand ontstaan?

De politie heeft forensisch onderzoek gedaan naar de oorzaak en de ontstaanslocatie van de brand. Het onderzoek werd verricht in een blok van winkels en bovenwoningen gelegen in de oude binnenstad van Arnhem. De getroffen panden waren oude panden, opgetrokken uit baksteen en hout. Uit het onderzoek volgt dat de primaire brandhaard gelegen was aan de Varkensstraat, ter hoogte van nummer 18b en 19. Op deze locatie was een opvallend brandbeeld zichtbaar aan het kozijn. Op een laag niveau had hier een brand gewoed en deze had het houten kozijn vanaf de buitenzijde aangestraald. De rode tegels op de gevel waren op een laag niveau weggevallen door hitte-inwerking en de pleisterlaag was er deels weggebrand. Deze lage inbranding was alleen op deze locatie zichtbaar; bij de andere kozijnen in de Varkensstraat en in de andere straten kwam het beeld naar voren dat deze van binnen naar buiten waren aangestraald door de brand. Op de genoemde locatie werden voor de gevel de resten van twee rolcontainers aangetroffen, zwaar aangetast door vuur. Daartussen bevonden zich diverse lagen door vuur aangetast karton, verbrande zwenkwielen en delen gesmolten kunststof, passend bij verbrande rolcontainers.

Gezien het totaalbeeld, de brandpatronen en de hitte-indicatoren is het volgens de forensisch onderzoeker het meest aannemelijk dat de brand is ontstaan door het opzettelijk bijbrengen en/of achterlaten van vuur in een met karton gevulde rolcontainers die tegen de gevel stonden. Van daaruit is de brand naar binnen geslagen, waar de brand zich kon doorontwikkelen. De brand binnen het pand en in de overige panden betrof daarmee gevolgschade.

Omdat het op basis van de onderzoeksresultaten zeer aannemelijk was dat de brand op deze locatie was ontstaan, heeft het onderzoek zich grotendeels tot deze locatie beperkt. Wel is de gehele locatie rondom onderzocht. Daarbij zijn er geen bijzonderheden aangetroffen die zouden passen bij een brand afkomstig uit lager gelegen kelders, ruimtes en/of ondergrondse gangen. Verder is er onderzoek gedaan naar een groot aantal andere oorzaken, die na onderzoek konden worden uitgesloten.

Na onderzoek is voorts geconcludeerd dat er als gevolg van de brand gevaar voor goederen is ontstaan in (de omgeving van) de door vuur aangetaste winkels en bovenwoningen. Gelet op de situatie was het mogelijk dat de brand zich (verder) had kunnen doorontwikkelen en had kunnen overslaan naar de naastgelegen woningen en/of meerdere buurpanden. Ook was er bij deze brand levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten. De brand vond in de nacht plaats. Het is een feit van algemene bekendheid dat brand gepaard gaat met rook en dat brand en rook zich snel verspreiden. Rookontwikkeling draagt, naar de algemene ervaringsregel leert, een gevaar voor de gezondheid in zich met mogelijk fatale gevolgen. De bewoners van de bovenwoningen en de nabijgelegen woningen hebben door deze brand aanzienlijk gevaar gelopen om zwaargewond te raken of zelfs het leven te laten.

Tijdens de inleidende zitting op 17 juni 2025 heeft de verdediging – samengevat – verzocht om aanvullend onderzoek/contra-expertise naar de toedracht van de brand, waarbij ook werd gekeken naar de (bewegende) camerabeelden en waarbij ook andere mogelijke oorzaken van de brand – zoals een brand van binnenuit – werden onderzocht. Ook werd gevraagd om te kijken naar de theoretische (on)mogelijkheid dat gloeiend karton na enige tijd ontbrandt.

Ter beantwoording van deze vragen is door de politie een aanvullende rapportage opgesteld. De verbalisanten hebben daarvoor gebruikt gemaakt van de foto’s van het eerdere brandonderzoek en beelden van, onder meer, een openbare camera van de Gemeente Arnhem. Deze beelden tonen de Varkensstraat en de zijgevel van de [benadeelde bedrijf 3] . Een deel van deze zijgevel wordt aan het zicht van de camera onttrokken door een plantenbak met daarin een boom of struik. Op deze plek, nabij de toegangsdeur van het magazijn van de [benadeelde bedrijf 3] , hebben volgens het onderzoek van de politie twee rolcontainers gestaan, gevuld met gestapeld karton. Deze rolcontainers zijn door genoemde beplanting niet zichtbaar op de camerabeelden.

Volgens de verbalisanten is op de beelden te zien dat op 6 maart 2025 om 02:56 uur drie personen weglopen bij de plaats waar de rolcontainers stonden. Om 03:06 uur is beginnende rookontwikkeling zichtbaar, komend vanaf dezelfde plaats. Om 03:27 uur zijn, naast toegenomen rookontwikkeling, ook vlammen zichtbaar, die gereflecteerd worden in de naastgelegen winkelruit. Om 03:30 uur slaat het vuur tegen de winkelruit.

De verbalisanten plaatsen hierbij de opmerking dat wanneer de ontbranding van het karton in de rolcontainers zou zijn ontstaan door vuur, hitte en/of straling in/uit het pand, in deze fase van de ontwikkeling van de brand (waarbij de eerste vlammen buiten zichtbaar zijn) te verwachten zou zijn dat dit op de camerabeelden zichtbaar zou zijn door de naastgelegen ruiten van de [benadeelde bedrijf 3] en in de reflectie van de ruiten van de panden aan de overzijde.

Om 03:38 uur heeft de brand in de rolcontainers zich verder ontwikkeld en reiken de vlammen tot de bovenzijde van de naastgelegen raampartij van de [benadeelde bedrijf 3] . Uit de log-gegevens van het alarmsysteem van de [benadeelde bedrijf 3] volgt dat om 03:38 uur ook een reeks alarmmeldingen start van verschillende sensoren in de winkel. Dit tijdstip ligt 11 minuten na het moment waarop op de camerabeelden de eerste vlammen zichtbaar zijn op de plaats van de rolcontainers. Wanneer de ontbranding van het karton in de rolcontainers zou zijn ontstaan door vuur, hitte en/of straling in of vanuit het pand, zou het volgens de verbalisanten te verwachten zijn dat, mede door de daarbij te verwachten rookontwikkeling, om 03:27 uur al meerdere sensoren in het pand melding zouden hebben gemaakt.Om 03:43 uur is op de beelden te zien dat ontbrandbare rookgassen door de ruit uit het pand naar buiten komen, vermoedelijk na een ruitbreuk. Kort hierop komen door de gebroken ruit vlammen uit het pand naar buiten. Ontbrandbare rookgassen kunnen zijn ontstaan door de inwerking van de stralingswarmte van het vuur buiten voor de ruit op materialen in de [benadeelde bedrijf 3] (pyrolyse).

Op de foto's van het forensisch onderzoek op de plaats delict zagen de verbalisanten (enkel) op de locatie waar de rolcontainers hebben gestaan een brandpatroon dat past bij een brandhaard laag tegen de zijgevel. Aan de buitenzijde van het pand zagen zij in de directe omgeving van de rolcontainers geen elektriciteitsleidingen of andere technische voorzieningen die een rol kunnen hebben gespeeld bij het ontstaan van de brand.

Op basis van deze waarnemingen kan volgens de verbalisanten gesteld worden dat de brand aan de buitenzijde van het pand is begonnen op de locatie waar de rolcontainers hebben gestaan. Voor een brand van binnenuit, die is overgeslagen op een van de rolcontainers buiten het pand, werden geen aanwijzingen gevonden.Tot slot wordt geconcludeerd dat uit diverse onderzoeken blijkt dat gloeiend karton zich kan ontwikkelen tot een brand. Hierbij spelen vele factoren een rol, waaronder luchtstroming, luchtvochtigheid, de samenstelling en de compactheid en het vochtgehalte van het karton.

Tussenconclusie: brandstichting

Uit de voornoemde onderzoeksresultaten leidt de rechtbank af dat de brand is ontstaan in de met papier en karton gevulde rolcontainer(s) die in de Varkensstraat tegen de gevel van de [benadeelde bedrijf 3] stond(en), ter hoogte van nummers 18b en 19. De resten van de containers zijn op de betreffende locatie aangetroffen. Op dezelfde locatie werd aan de buitenzijde van het kozijn een lage inbranding gezien, die bij geen van de andere kozijnen in de getroffen straten zichtbaar was. Uit de bevindingen van de onderzoekers – zowel in het oorspronkelijke forensische onderzoek als in de aanvullende rapportage, opgesteld door andere onderzoekers – volgt bovendien dat er geen aanwijzingen zijn voor een andere oorzaak van de brand, zowel extern als van binnenuit. Ook zijn er geen aanwijzingen voor andere brandhaarden aangetroffen.

Uit het forensisch onderzoek volgt ook dat de brand meest aannemelijk is ontstaan door het opzettelijk bijbrengen en/of achterlaten van vuur in het karton en papier dat op de rolcontainers in de Varkensstraat was verzameld. Van enige andere oorzaak van het ontstaan van de brand in de rolcontainers is uit het dossier of uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken. De rechtbank heeft, mede gelet op wat hierna wordt overwogen over de bevindingen van het tactisch onderzoek, geen enkele aanleiding om aan deze conclusie van de forensisch onderzoeker te twijfelen. Sterker nog, de bevindingen van het tactisch onderzoek passen naadloos op de bevindingen van het forensisch onderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook worden vastgesteld dat de brand is ontstaan door opzettelijke brandstichting in de rolcontainer(s).

De brand in de rolcontainer(s) is overgeslagen op het pand van de [benadeelde bedrijf 3] en heeft zich doorontwikkeld tot een grote, uitslaande brand. Als gevolg daarvan is er niet alleen gemeen gevaar voor goederen ontstaan voor drolcontainers, de getroffen en belendende panden en andere goederen in de (directe) omgeving van de brand, maar heeft dit gevaar zich ook deels verwezenlijkt. De brand vond bovendien in de nacht plaats, middenin het winkelcentrum van Arnhem, in een blok van winkels en bovenwoningen waar veel mensen lagen te slapen. De bewoners van zowel deze bovenwoningen als de nabijgelegen woningen hebben door de brand aanzienlijk (levens)gevaar gelopen. Daarmee was er naar het oordeel van de rechtbank ook levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel bij anderen te duchten.

Het te duchten gevaar was, gelet op de locatie en het tijdstip waarop de brand is gesticht, naar het oordeel van de rechtbank naar algemene ervaringsregels voorzienbaar ten tijde van de brandstichting. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat brand gepaard gaat met rook en dat brand en rook zich snel verspreiden, met alle gevolgen van dien.

Kunnen verdachten in verband worden gebracht met de brandstichting?

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de brand in de Varkensstraat is ontstaan door brandstichting, als gevolg waarvan gemeen gevaar voor goederen en personen te duchten was, ziet zij zich voor de vraag gesteld of en in hoeverre verdachte en zijn medeverdachten in verband kunnen worden gebracht met de brandstichting. Daarover overweegt zij als volgt.

De politie heeft de camerabeelden van Openbare orde in de Varkensstraat bekeken en beschreven. Uit de beelden volgt dat op 5 maart 2025 omstreeks 17:36 uur twee rolcontainers gevuld met papier en karton zijn geplaatst in de Varkensstraat ter hoogte van perceelnummer 19-21. De rolcontainers worden aan het zicht van de camera onttrokken door een grote pot met een plant. Op de beelden is te zien dat rond 19:49 uur een vuilniswagen de Varkensstraat inrijdt, maar dat de rolcontainers niet worden meegenomen of geleegd. Op dezelfde dag is vanaf omstreeks 23:30 uur te zien dat er verschillende personen door de Varkensstraat lopen, van wie niemand langer dan één seconde in de buurt van de rolcontainers en (door de grote pot met de plant) uit het zicht van de camera is geweest. Vanaf 02:36 uur (op 6 maart 2025) is er niemand meer te zien, totdat om 02:55:19 uur drie personen door de Varkensstraat lopen. Op de beelden is te zien dat persoon 2 tijdens het lopen zijn hand naar zijn mond brengt en dat er direct daarna rook uit zijn mond komt. Om 02:55:34 uur loopt het drietal in de richting van de rolcontainers. Personen 1 en 2 verdwijnen vervolgens uit beeld achter de pot met de plant. Persoon 3 blijft nog net in beeld staan, half achter de plant. Ter hoogte van de mond van persoon 3 is een licht puntje te zien, dat sterker en zwakker wordt. Ook lijkt er iets van rook zichtbaar te worden, komend uit de richting van zijn mond. Om 02:56:12 uur komt het drietal weer in beeld vanachter de plant en lopen zij verder in de richting van de Hoogstraat. Vervolgens is om 03:07:00 uur de eerste rookontwikkeling te zien in de Varkensstraat, ter hoogte van perceelnummer 19-21. Om 03:27:00 uur zijn daar de eerste vlammen zichtbaar en om 03:34:00 uur is te zien dat de brand zich langs de pui via de kozijnen naar de eerste verdieping verplaatst, om zich vervolgens verder uit te breiden. Vanaf het moment dat de drie personen weglopen vanaf het perceelnummer 19-21 (om 02:56:12 uur), zijn er geen andere personen op de camerabeelden te zien in de Varkensstraat tot aan de daadwerkelijk ontwikkelde brand.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben ieder afzonderlijk verklaard dat zij in de nacht van 6 maart 2025 samen door de Varkensstraat hebben gelopen. Ook hebben zij bevestigd dat zij de drie personen zijn die op de beelden zichtbaar zijn. Verdachte heeft zichzelf herkend als persoon 2. Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben zichzelf herkend als (respectievelijk) personen 1 en 3.

Tussenconclusie: verdachten waren aanwezig op de plaats delict

Op basis van het voorgaande constateert de rechtbank dat de drie verdachten aanwezig waren op de plek waar de brand is ontstaan, kort voordat de eerste rookontwikkeling bij de rolcontainers zichtbaar werd op de camerabeelden. Zij zijn door de Varkensstraat gelopen en hebben even stilgestaan ter hoogte van de plek waar de rolcontainers stonden. Ook constateert de rechtbank dat in de uren voorafgaand aan het moment dat de verdachten door de Varkensstraat kwamen, niemand langer dan één seconde in de directe nabijheid van de rolcontainers is geweest. Nadat de drie mannen weg zijn gelopen van de plek waar de rolcontainers stonden, zijn er bovendien geen andere personen in de Varkensstraat te zien tot het moment dat de brand zich al heeft ontwikkeld. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de drie verdachten in de Varkensstraat waren op de plek van de brandstichting, op het moment van de brandstichting.

Welke handelingen kunnen worden vastgesteld?

De enkele aanwezigheid van de verdachten bij de rolcontainers in de Varkensstraat ten tijde van de brandstichting is niet voldoende voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde. De rechtbank dient voor elke verdachte afzonderlijk te beoordelen welke handelingen deze verdachte heeft verricht en of hij zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Daarbij is van belang dat, ook indien op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat een verdachte de brand zelf heeft aangestoken, betrokkenheid bij de brand via medeplegen bewezen kan worden verklaard wanneer komt vast te staan dat sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen deze verdachte en degene(n) die de brand wel heeft/hebben aangestoken. De materiële en/of intellectuele bijdrage van deze verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

De rechtbank zal achtereenvolgens de relevante bewijsmiddelen ten aanzien van de handelingen van de verdachten bespreken. Vervolgens zal zij aan de hand daarvan beoordelen of en in hoeverre verdachte op basis van het dossier een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

De camerabeelden van [benadeelde bedrijf 1] , gevestigd aan [vestigingsplaats] , zijn door de politie bekeken en beschreven. Bij deze beelden is ook het geluid opgenomen. De beelden tonen de Varkensstraat, met aan de linkerzijde de gevel van de [benadeelde bedrijf 3] . Aan de gevel van [benadeelde bedrijf 3] hangt een afvalbak en iets verderop staat een grote pot met een plant. Op de beelden is te zien dat op 6 maart 2025 om 02:55:04 uur de drie verdachten vanuit de Jansstraat de Varkensstraat in lopen. Om 02:55:35 uur zegt [medeverdachte 1] : “Hey, laten we die ding in de fik zetten” en “Vind ik leuk”. Op de beelden is te zien dat hij hierbij met zijn wandelstok iets aanwijst. Vervolgens wordt er door elkaar gepraat en zegt [medeverdachte 1] : “Doe ik altijd”. Hierop zegt één van de andere verdachten: “Kan je nou wel ff doen ja”. Om 02:55:41 uur lopen de drie verdachten links uit beeld, maar hun schaduwen blijven zichtbaar op de grond. Daaraan is te zien dat de verdachten tot 02:55:57 uur blijven staan en iets bewegen. Vervolgens is er tot 02:56:03 uur een schaduw van één persoon zichtbaar. Er zijn stemmen te horen, maar volgens de verbalisant is niet te verstaan wat er gezegd wordt: alleen “branden dan".

Specialisten van de Landelijke Eenheid hebben de audiosignalen behorend bij het beeldmateriaal van [benadeelde bedrijf 1] verbeterd en uitgewerkt. Aan de hand van de verbeterde geluidsopname zijn de beelden opnieuw bekeken en beluisterd en als volgt beschreven.

Op de beelden is te zien dat de drie verdachten door de Varkensstraat lopen, komende uit de richting van de Jansstraat. Net voorbij de plantenbak met de struik wijst [medeverdachte 1] met zijn wandelstok voor zich uit en is te horen dat hij zegt:

[medeverdachte 1] : “Hé laten we dit ding in de fik zetten, vin’k leuk.”

Vervolgens is te zien dat medeverdachte [medeverdachte 2] begint te lachen en dat zijn mond beweegt.

[medeverdachte 2] : (grinnikt) “Ja, laten we dat maar doen.”

De drie verdachten vervolgen hun weg over de Varkensstraat en lopen voorbij de prullenbak die voor de gevel van de [benadeelde bedrijf 3] staat.

[medeverdachte 1] : “Doe ik altijd.”

[medeverdachte 2] : “Ja, laten we dat maar doen ja.”

[medeverdachte 1] : “Is best lachen.”

[medeverdachte 2] : “Laat maar gebeuren (…) mooi effe zien.”

De drie verdachten lopen uit beeld. Er is een kort scherp geluid te horen, een soort klik. Daar wordt direct verbaal op gereageerd door (vermoedelijk) verdachte [verdachte] .

[verdachte] : “Eeh joh, rot op man.”

De stemmen lopen nu af en toe door elkaar en het is moeilijk te onderscheiden door wie er iets gezegd wordt.

[verdachte] (?): “lachen.”

[medeverdachte 1] : “(…) heb vuur en hij ook. (…) Zijkant van die ruimte (…)”

Het klinkt alsof de stemmen om onbekende reden iets vervormen; het klinkt ‘blikkerig’, waardoor moeilijk te onderscheiden is door wie wat gezegd wordt.

[medeverdachte 1] / [medeverdachte 2] / [verdachte] : “Dat wil niet branden daar.”

[medeverdachte 1] : “Die zijn te nat.”

[medeverdachte 2] / [verdachte] : “Begint te gloeien. In het midden.”

[medeverdachte 1] / [medeverdachte 2] / [verdachte] : “Leuk leuk.”

De politie heeft ook de beelden van de [bar] , gelegen aan [adres] , bekeken en uitgewerkt. Deze beelden geven zicht op de Varkensstraat vanaf de andere kant, met de Jansstraat/Grote Oord aan de linkerzijde. De camera reageert op beweging en de opname is gestart op 6 maart 2025 om 02:56:04 uur. Daarop is te zien dat de drie verdachten door de Varkensstraat lopen, komend uit de richting van de Jansstraat. [medeverdachte 1] bevindt zich bij aanvang van de opname in de nabijheid van een metalen rolcontainer die bij de zijgevel van [benadeelde bedrijf 3] staat. Hij loopt vlak langs de gevels en pakt tijdens het lopen zijn wandelstok over van zijn linkerhand naar zijn rechterhand, waarna hij zijn linkerhand in zijn jaszak doet. Ook is op deze beelden te zien dat [medeverdachte 2] rookt tijdens het lopen en rookwaar in zijn handen heeft. Om 02:56:16 uur zijn de verdachten uit beeld verdwenen.

De politie heeft de audio-opname van de camera van [benadeelde bedrijf 1] ter transcriptie voorgelegd aan de afdeling Spraak-, Taal en Audio-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), met het doel om nader vast te stellen door welke verdachte wat is gezegd. Het onderzoek is doelbewust zo ingericht dat sturing door contextinformatie zo veel mogelijk is vermeden. De onderzoekers hadden geen kennis van de zaak, de videobeelden of eerdere uitwerkingen van de geluidsopname. De onafhankelijke transcripties van twee onderzoekers van het NFI zijn samengevoegd tot één consensustranscriptie, waarin alleen elementen zijn opgenomen waarover beide onderzoekers het eens waren. De consensustranscriptie is weergegeven in de volgende tabel:

Tabel 1: consensustranscriptie NFI

De onderzoekers hebben de uitingen van spreker A gekoppeld aan verdachte [medeverdachte 1] . De uitingen van sprekers B en C konden door de onderzoekers op basis van de audio-opname niet aan de ene of de andere verdachte ( [verdachte] of [medeverdachte 2] ) worden toegeschreven.

De drie verdachten hebben verklaard dat zij in de betreffende nacht met zijn drieën op weg naar de nachtwinkel waren om sigaretten te halen. Onderweg kwamen zij door de Varkensstraat. [medeverdachte 1] heeft bij de politie bevestigd dat hij heeft gezegd: “Laten we dit ding in de fik zetten”, “vin’k leuk” en “doe ik altijd.” [medeverdachte 2] heeft bevestigd dat hij degene was die (herhaaldelijk) reageerde met: “Laten we dat maar doen, ja”.

Verdachte heeft verklaard dat het drietal stil heeft gestaan bij een rolcontainer in de Varkensstraat. Verdachte wilde doorlopen en zei: “nee joh, what the fuck”. Verdachte zag dat [medeverdachte 1] met een aansteker heen en weer liep om de container en handelingen probeerde te verrichten. Verdachte wilde naar de nachtwinkel en is naar eigen zeggen doorgelopen. Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 1] de rolcontainer met de aansteker in brand heeft gestoken.

De rol van de verdachten

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de drie verdachten in de vroege morgen van 6 maart 2025 door de Varkensstraat zijn gelopen en daar tegen de gevel van de [benadeelde bedrijf 3] twee rolcontainers zagen staan. Op dat moment zei [medeverdachte 1] : “Laten we dit ding in de fik zetten”, waarop [medeverdachte 2] reageerde met: “Laten we dat maar doen, ja”. De drie verdachten liepen vervolgens in één rechte lijn naar de plek waar de rolcontainers stonden. [medeverdachte 1] en verdachte verdwijnen op dat moment samen uit beeld achter de pot met de plant. [medeverdachte 2] blijft nog net zichtbaar in beeld staan. Vervolgens is op de camerabeelden te horen dat [medeverdachte 1] spreekt over “heb vuur en hij ook” en over de “de zijkant van die ruimte”. Ook wordt er gesproken over “dat wil niet branden daar”, “die zijn te nat” en “begint te gloeien”. De rechtbank merkt daarbij op dat zij met het Openbaar Ministerie van oordeel is dat, hoewel de onderzoekers van het NFI minder herkenbare tekst hebben gehoord dan de verbalisant – hetgeen verklaard kan worden door de gekozen onderzoeksopzet – het NFI-rapport grotendeels een bevestiging oplevert van de uitwerking van de geluidsopname door de politie en dat er daarmee geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan het door de verbalisant op ambtseed opgemaakte proces-verbaal.

Gelet op al het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat [medeverdachte 1] in de vroege ochtend van 6 maart 2025 open vuur in aanraking heeft gebracht met het karton op de rolcontainer in de Varkensstraat.

De rechtbank constateert dat verdachte zich voor, tijdens en na de brandstichting in de directe nabijheid van [medeverdachte 1] bevond. Uit de camerabeelden en de audio-opname blijkt dat verdachte zich fysiek noch verbaal van zijn medeverdachte heeft gedistantieerd, na diens opmerkingen over het “in de fik steken” van de container. De uitspraak “eej joh, rot op man”, door verdachte achteraf vertaald als “nee joh, what the fuck”, lijkt immers geen (afkeurende) reactie te zijn op opmerkingen of gedragingen van medeverdachten die hebben geleid tot de brandstichting, maar meer een terloopse opmerking die verdachte nu probeert aan te grijpen om zijn eigen straatje schoon te vegen. Verdachte verdwijnt bovendien samen met [medeverdachte 1] uit beeld in de richting van de rolcontainers. Uit niets blijkt dat verdachte op afstand is gaan staan of is weggelopen bij [medeverdachte 1] , zoals hij zelf heeft verklaard. Deze verklaring wordt ook tegengesproken door de audio-opname, waaruit volgt dat verdachte deelnam aan het gesprek dat in de directe nabijheid van de rolcontainers door de verdachten werd gevoerd, waarbij er werd gesproken over “heb vuur en hij ook”, “dat wil niet branden daar”, “die zijn te nat” en “begint te gloeien”. Weliswaar kunnen er in dit gesprek geen exacte uitspraken aan verdachte worden toegeschreven, maar er volgt ook niet uit dat verdachte enige inspanning of uitlating heeft gedaan om de brandstichting te voorkomen of te beletten of om daar afstand van te nemen.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte er op zijn minst met zijn neus bovenop heeft gestaan toen het open vuur in aanraking werd gebracht met het karton in de rolcontainer. Hij heeft gezien wat er is gebeurd, zo verklaart hij bij de politie ook zelf. Het dossier bevat echter onvoldoende aanwijzingen dat verdachte, net als [medeverdachte 1] , zelf open vuur in aanraking heeft gebracht met het karton in de rolcontainer. Hoewel, gelet op het feit dat door [medeverdachte 1] gezegd wordt “heb vuur en hij ook” en “die zijn te nat.”, niet uit te sluiten valt dat verdachte zelf open vuur in aanraking heeft gebracht met het karton, dan wel dat hij op een andere manier een actieve bijdrage heeft geleverd aan de brandstichting, bijvoorbeeld door het aanreiken van een aansteker of het vasthouden van het karton, kan de rechtbank op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet vaststellen dat verdachte daadwerkelijk handelingen heeft verricht bij de rolcontainers. Wat er is gebeurd bij de rolcontainers is niet te zien op de beelden, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verklaren daar niet over en verdachte ontkent. Daarmee kan niet worden vastgesteld dat verdachte een actieve bijdrage aan de brandstichting heeft geleverd. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is het enkele aanwezig zijn van verdachte bij de brandstichting daarvoor onvoldoende. Hetzelfde geldt voor het niet actief voorkomen of beletten van het ontstaan van de brand, hoe laakbaar zulk passief gedrag ook zou zijn.

Daarmee kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het (mede)plegen van opzettelijke brandstichting. Uit het dossier kan immers niet worden afgeleid dat bij het begaan van het delict sprake was van een gezamenlijke uitvoering. Ook kan geen materiële en/of intellectuele bijdrage van verdachte aan de brandstichting worden vastgesteld die van voldoende gewicht is om op basis daarvan een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] aan te nemen.

Gelet op al het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen dan wel medeplegen van de ten laste gelegde brandstichting. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken.

Conclusie

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde.

4. De beoordeling van de civiele vorderingen

De volgende benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend:

1. mevrouw [aangever 1] vordert € 20.000,00 aan immateriële schade;

2. mevrouw [benadeelde 1] vordert € 250,00 aan materiële schade en € 3.500,00 aan

immateriële schade;

3. mevrouw [aangever 13] vordert in totaal € 257,22 aan materiële schade en € 3.500,00

aan immateriële schade;

4. mevrouw [benadeelde 2] vordert in totaal € 50.451,01 aan materiële schade en

€ 10.000,00 aan immateriële schade;

5. de heer [aangever 2] vordert in totaal € 1.381,42 aan materiële schade en

€ 7.500,00 aan immateriële schade;

6. mevrouw [aangever 18] vordert € 2.500,00 aan immateriële schade;

7. [benadeelde bedrijf 2] B.V. vordert in totaal € 64.704,39 exclusief btw aan materiële schade. Ook

wordt een bedrag gevorderd van € 1.000,00 aan proceskosten;

8. de heer [aangever 19] vordert € 50.000,00 aan materiële schade en € 15.000,00 aan

immateriële schade;

9. de heer [aangever 20] en zijn familie vorderen € 2.500,00 per persoon aan immateriële

schade, in totaal € 30.000,00;

10. mevrouw [benadeelde 3] vordert in totaal € 12.583,75 aan materiële schade en

€ 1.250,00 aan immateriële schade;

11. de heer [aangever 3] vordert € 7.500,00 aan immateriële schade;

12. de [aangever 4] vordert € 343,00 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële

schade;

13. mevrouw [aangever 14] vordert € 137,53 aan materiële schade en € 2,500,00 aan

immateriële schade;

14. mevrouw [aangever 5] vordert in totaal € 13.477,50 aan materiële schade en € 2.500,00 aan

immateriële schade;

15. mevrouw [benadeelde 4] vordert € 237,78 aan materiële schade en € 1.250,00 aan

immateriële schade;

16. mevrouw [aangever 11] vordert in totaal € 6.588,24 aan materiële schade;

17. [benadeelde bedrijf 3] B.V. ( [benadeelde bedrijf 3] ) vordert in totaal € 3.748.649,00 aan materiële

schade;

18. [benadeelde bedrijf 4] vordert in totaal € 439.510,34 aan materiële schade;

19. mevrouw [aangever 16] en de heer [aangever 15] vorderen € 75.000,00 aan materiële

schade en € 2.500,00 per persoon aan immateriële schade;

20. [benadeelde bedrijf 5] B.V. vordert € 208.253,64 aan materiële schade;

telkens vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Overweging van de rechtbank

Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

5. De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde;

 verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.M. Graat
  • mr. M.C. Gerritsen

Griffier

  • mr. A.K. Verberkt en mr. M. van Gameren

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?