ECLI:NL:RBGEL:2026:3349

ECLI:NL:RBGEL:2026:3349

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 17-04-2026
Datum publicatie 24-04-2026
Zaaknummer 05/245475-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Veroordeling bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling en handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Betrof een indirecte bedreiging. De rechtbank is van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster op de hoogte zou worden gesteld van de bedreigende uitspraak. Oplegging gevangenisstraf. Bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/245475-25

Datum uitspraak : 17 april 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1973 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] in [woonplaats] .

Raadsvrouw: mr. H.E.M. Lucas, advocaat in Arnhem, waarnemend voor mr. E.J.M.J. Damen, advocaat in Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

3 april 2026.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 17 september 2025 te [woonplaats] , althans in de gemeente Rheden [aangever] (verbalisant politie) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangever] dreigend de woorden toe te voegen "Anders kom ik wel verhaal halen want ik heb een omgebouwd pistool thuis liggen" en/of "Ik heb thuis een pistool dat laat ik ombouwen zodat ik op de politieagent kan schieten", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

zij op of omstreeks 17 september 2025 te [woonplaats] , althans in de gemeente Rheden een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een airsoftpistool/gasdrukwapen en is een nabootsing van een pistool van het merk

Luger p08 heeft voorhanden gehad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat enkel op basis van de verklaring van getuige [getuige] kan worden vastgesteld welke woorden verdachte heeft geuit. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat verdachte de bedreigingen niet aan aangeefster [aangever] heeft gericht. Verdachte heeft gesproken over “een politieagente”, maar zij had geen idee wie die politieagente was. Getuige [getuige] heeft geconcludeerd dat verdachte het over aangeefster had en de bedreigingen zijn met tussenkomst van hem bij aangeefster, een willekeurige politieagente, terechtgekomen. Verdachte kan daarom zowel geen opzet hebben gehad op het aanjagen van redelijke vrees bij aangeefster als geen opzet hebben gehad op het bereiken van aangeefster met de bedreiging. Ten slotte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat door de bedreiging geen redelijke vrees heeft kunnen ontstaan bij aangeefster,

gelet op de willekeurigheid van de bedreiging en de omstandigheid dat verdachte geen idee had naar wie zij eigenlijk op zoek was.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 2 geen bewijsverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op 17 september 2025 in [woonplaats] aan het werk was in zijn garagebedrijf. Op enig moment zag hij dat een vrouw aanbelde bij twee woningen aan de overkant van de straat. Hij zag dat er niet werd opengedaan en dat de vrouw vervolgens richting hem liep. De vrouw vroeg aan hem waar “die wout” woonde. Hij zei tegen haar dat daar geen politieagent woonde. Hierop vertelde de vrouw dat haar buurman had gezegd dat daar een politieagent zou wonen die waarschijnlijk gebeld had. Getuige [getuige] begreep dat de vrouw op zoek was naar een politieagent die een melding gemaakt zou hebben over geluidsoverlast van haar. Hij hoorde haar vervolgens (onder andere) zeggen: “Anders kom ik wel verhaal halen, want ik heb een omgebouwd pistool liggen thuis”. Hij vermoedde dat de bedreiging richting [aangever] (de rechtbank begrijpt: aangeefster [aangever] ) bedoeld was, want deze politieagente woont daar in de buurt. Getuige [getuige] ging daarom direct hierna naar de man van aangeefster om te vertellen wat er was gebeurd.

Aangeefster [aangever] heeft verklaard dat zij op 17 september 2025 gebeld werd door haar man. Haar man vertelde haar dat hun overbuurman aan hem had verteld dat een vrouw op zoek was naar een politieagente die de buurt woonde, want die had politie op haar dak gestuurd. De vrouw had onder andere gezegd dat zij een omgebouwd gaspistool had. Later diezelfde dag, hoorde zij dat de verdachte was aangehouden vanwege het in bezit hebben van een wapen. Zij schrok hier enorm van en zij voelde zich bedreigd door de uitspraken.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij bij huizen heeft aangebeld om verhaal te halen bij een politieagente die een melding zou hebben gemaakt van geluidsoverlast. Zij wist van haar buurman waar de politieagente ongeveer zou wonen. In gesprek met getuige [getuige] heeft zij heeft gezegd “Anders kom ik wel verhaal halen want ik heb een omgebouwd pistool thuis liggen”. Meer dan dat heeft zij niet gezegd. Verdachte heeft daarnaast verklaard dat zij begrijpt dat deze uitspraak bedreigend overkwam op aangeefster. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij op het moment dat zij de uitspraken deed, een airsoftwapen/gasdrukwapen in haar tas had.

De rechtbank stelt op grond van bovenstaande bewijsmiddelen vast dat verdachte in gesprek met getuige [getuige] de tenlastegelegde woorden “Anders kom ik wel verhaal halen want ik heb een omgebouwd pistool thuis liggen” heeft gezegd. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of dit een strafrechtelijke bedreiging oplevert.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van bedreiging is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is gebeurd, dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd. Daarnaast moet er sprake zijn van opzet bij de verdachte. Het opzet moet zowel gericht zijn op het daadwerkelijk op de hoogte raken van de bedreiging door de bedreigde als op het ontstaan van redelijke vrees bij de bedreigde. Voorwaardelijk opzet is daarvoor voldoende.

Verder is het van belang dat het voor een strafbare bedreiging niet nodig is dat de bedreiging rechtstreeks tegen de bedreigde zelf is geuit. De bedreiging kan deze persoon ook indirect hebben bereikt. Wel is dus vereist dat de bedreiging uiteindelijk ter kennis van de bedreigde is gekomen en dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte erop was gericht dat de bedreigde hiervan op de hoogte zou raken.

De rechtbank is van oordeel dat door de uitlating van verdachte, bij aangeefster de redelijke vrees kon ontstaan dat de bedreiging ten uitvoer zou worden gelegd. Daarbij is van belang het feit dat verdachte, terwijl zij de bedreigende uitspraak deed een airsoftwapen/gasdrukwapen in haar tas bij zich had, hiermee over straat liep, in de buurt van de woning van aangeefster bij verschillende woningen heeft aangebeld en aan iemand in de buurt heeft gevraagd waar de politieagente woonde. Daarbij komt dat aangeefster heeft verklaard dat zij zich daadwerkelijk bedreigd voelde toen zij hoorde dat verdachte ook echt een wapen bij zich droeg.

Ten aanzien van het opzet overweegt de rechtbank als volgt. Het gaat in dit geval om een indirecte bedreiging, nu verdachte de bedreigende uitspraak heeft gedaan tijdens een gesprek met getuige [getuige] . De rechtbank is van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster op de hoogte zou worden gesteld van de bedreigende uitspraak en overweegt daartoe als volgt. Verdachte heeft tegen getuige [getuige] gezegd dat zij op zoek was naar een politieagente die daar in de buurt woonde. Getuige [getuige] had gezien dat verdachte bij verschillende huizen aan de overkant aanbelde. Verdachte wist van haar buurman waar deze politieagente ongeveer zou wonen en daarom is zij naar die straat gegaan en heeft daar aangebeld. Getuige [getuige] is een garagehouder in die straat en de overbuurman van aangeefster. Verdachte kon er dan ook serieus rekening mee houden dat de uitspraak terecht zou komen bij de politieagente die daar in de straat woonde. Door op deze wijze te handelen en door tegenover deze persoon de bedreiging te uiten, heeft verdachte in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster op de hoogte zou raken van de bedreiging en daarmee ook op het ontstaan van redelijke vrees bij haar. Dat verdachte niet precies wist wie de politieagente precies was maakt dit oordeel niet anders, nu zij wel van een buurman wist waar zij ongeveer zou wonen en het om een politieagent ging.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de overige in de tenlastelegging genoemde bedreigende uitspraak, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte ook deze woorden heeft geuit.

Feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 65;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 25-26.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

zij op of omstreeks 17 september 2025 te [woonplaats] , althans in de gemeente Rheden [aangever] (verbalisant politie) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangever] dreigend de woorden toe te voegen "Anders kom ik wel verhaal halen want ik heb een omgebouwd pistool thuis liggen" en/of "Ik heb thuis een pistool dat laat ik ombouwen zodat ik op de politieagent kan schieten", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

zij op of omstreeks 17 september 2025 te [woonplaats] , althans in de gemeente Rheden een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een airsoftpistool/gasdrukwapen, en is een nabootsing van een pistool van het merk Luger p08, heeft voorhanden heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling

feit 2:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

5. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 70 dagen, waarvan 26 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van drie jaren en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Hierbij houdt de officier van justitie rekening met de verminderd toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht een gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest, eventueel met een aanvullend voorwaardelijk deel met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Verder heeft zij verzocht de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging. Deze bedreiging is door een overbuurman bij aangeefster terechtgekomen. Daarnaast heeft verdachte een airsoftwapen/gasdrukwapen voorhanden gehad. De bedreiging heeft gezorgd voor angst bij de aangeefster, vooral omdat verdachte op diezelfde dag ook daadwerkelijk een airsoftwapen/gasdrukwapen bij zich had. De aanleiding voor de bedreiging was volgens verdachte dat zij gefrustreerd was dat een politieagente in de buurt melding had gemaakt van geluidsoverlast, zonder eerst naar haar toe te komen. Dit is echter geen reden om te bedreigen. Dat zij dit wel heeft gedaan, rekent de rechtbank haar aan. Daarnaast maakt het onbevoegd voorhanden hebben van een wapen een ernstige inbreuk op de rechtsorde en leidt dit tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 2 maart 2026, waaruit volgt dat verdachte niet eerder veroordeeld is.

De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het Pro Justitia rapport opgemaakt door

drs. B.Y. van Toorn, GZ-psycholoog van 20 januari 2026 en het reclasseringsadvies van 25 maart 2026. Uit het Pro Justitia rapport blijkt dat verdachte lijdt aan een autistische stoornis in samenhang met een verstandelijke beperking. Daarnaast is sprake van een posttraumatische-stressstoornis en borderline persoonlijkheidstrekken. Ten slotte wordt vermoed dat sprake is van een bipolaire stoornis, nu meerdere referenten hebben omschreven dat er een soort cyclus lijkt te zijn in het psychisch functioneren van verdachte, waarbij periodes van extreme drukte worden afgewisseld met periodes van somberte en suïcidaliteit. De psycholoog heeft echter onvoldoende zicht gekregen op de cycli om deze diagnose te kunnen stellen. Wel geeft zij aan dat de stemmingsproblematiek verdachte sterk belemmert in het dagelijks leven.

Verder heeft de psycholoog geconcludeerd dat de stoornissen aanwezig waren ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde. Op de dag van het tenlastegelegde was verdachte somber en zocht zij troost in contact met een buurman, die haar vervolgens whisky en jointjes aanbood. Zij ontregelde, was onder invloed en verward. Het is aannemelijk dat door de ontremming als gevolg van de alcohol, gevoelens van woede/haat over de traumata uit het verleden naar boven kwamen. Zij is op dat moment verward, onsamenhangend, impulsief en onnadenkend geweest en heeft de gevolgen van haar handelen niet goed kunnen inschatten en overzien. De psycholoog heeft dan ook geadviseerd om beide ten laste gelegde feiten in een (sterk) verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank sluit zich aan bij bovengenoemde conclusies, neemt deze over en zal de feiten in verminderde mate aan verdachte toerekenen.

Uit het reclasseringsadvies van 25 maart 2026 blijkt dat verdachte al enkele jaren woonbegeleiding krijgt van de instelling “ [instelling 1] ”, dat zij zich inmiddels op vrijwillige basis laat behandelen bij [instelling 2] GGZ en dat zij goed meewerkt aan de behandeling. Ook blijkt hieruit dat zij inmiddels al zes maanden geen alcohol of drugs heeft gebruikt. De begeleider van [instelling 1] heeft bij de reclassering aangegeven dat verdachte zo’n twee keer per jaar psychisch ontregeld raakt en dat in die periodes de kans op overlast en delicten groter wordt. Als zij meewerkt en zich openstelt in de behandeling zal de kans op recidive afnemen. Ter zitting heeft haar begeleider van [instelling 1] toegelicht dat verdachte sinds het incident op 17 september 2025 al langer dan ooit stabiel is en dat de gevangenisstraf grote indruk op haar heeft gemaakt. De reclassering heeft geadviseerd een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met een aantal bijzondere voorwaarden, waaronder een ambulante behandeling. De psycholoog heeft, om de kans op toekomstige ontregelingen en de kans op recidive terug te dringen, eveneens geadviseerd om verdachte een ambulant behandel- en begeleidingstraject op te leggen als bijzondere voorwaarde.

De rechtbank heeft ten slotte rekening gehouden met de positieve ontwikkeling die verdachte sinds het plegen van de strafbare feiten lijkt door te maken en haar proceshouding. Verdachte is inmiddels stabiel, volgt behandeling, heeft geen alcohol meer gedronken en geen drugs gebruikt. Ook heeft zij tijdens de zitting verantwoordelijkheid genomen en aangegeven dat zij zich schaamt voor hoe zij zich gedragen heeft op de dag van de bewezenverklaarde feiten.

De straf

De rechtbank legt alles afwegende aan verdachte een gevangenisstraf van 51 dagen op, met aftrek van het voorarrest, waarvan 7 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijke deel worden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden gekoppeld, te weten: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verbod verdovende middelen en een alcoholverbod. Aangezien de duur van het voorarrest in mindering wordt gebracht op het onvoorwaardelijke deel van de straf betekent dit feitelijk dat verdachte niet meer terug hoeft naar de gevangenis. De rechtbank legt daarmee een lagere straf op dan door de officier van justitie is geëist, omdat verdachte lange tijd (44 dagen) in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en de rechtbank vindt dat de hoogte van de straf in verhouding moet blijven met de delicten die verdachte heeft gepleegd. De rechtbank vindt het belangrijk dat verdachte de juiste zorg en begeleiding ontvangt en blijft ontvangen en zij legt daarom wel een voorwaardelijk strafdeel op. Het voorwaardelijke strafdeel dient daarnaast als stok achter de deur en strekt ertoe verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan het plegen van strafbare feiten schuldig te maken.

8. De beoordeling van het beslag

De rechtbank zal beslissen dat de in beslag genomen voorwerpen, te weten een luchtdrukwapen, Luger P08 Airsoft en een patroonhouder, Gaspatroon Merk Umarex 12gr.C0, met betrekking tot welke feit 2 is begaan, zullen worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met het algemeen belang en de wet.

9. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 36b, 36c, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht;

- 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 51 (eenenvijftig) dagen;

 stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de genoemde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Beslissing ten aanzien van het beslag

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van het luchtdrukwapen, Luger P08 Airsoft (goednummer PL0600-2025449994-3536216) en de patroonhouder, Umarex 12gr.C0 (goednummer PL0600-2025449994-3536220).

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Bruins (voorzitter), mr. M.E. Snijders en mr. R.D. Leen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.I. Nelissen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.E. Snijders
  • mr. R.D. Leen

Griffier

  • mr. S.I. Nelissen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand