RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Tegenspraak
Parketnummer : 05.100877.22 (ontneming)
Datum uitspraak : 14 april 2026
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde] (hierna: veroordeelde),
geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] ,
nu gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .
Raadsvrouw: mr. M.C.W. Houtepen, advocaat in 's-Hertogenbosch.
1. De inhoud van de vordering
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op
€ 165.000,- per groep. Verdeeld over het aantal personen van de groep, heeft de officier van justitie het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vervolgens gesteld op € 55.000,-.
2. Het onderzoek ter terechtzitting
De vordering is behandeld op openbare terechtzittingen van (onder meer) 17 maart 2026 en
14 april 2026 gelijktijdig met de gevoegde strafzaken met parketnummer 05.100877.22 en 05.167365.25 tegen veroordeelde. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw, is op de terechtzitting van 17 maart 2026 verschenen en op de vordering gehoord. De officier van justitie heeft op die zitting de vordering gewijzigd, in die zin dat, overeenkomstig de gemaakte procesafspraken, het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op € 44.000,-.
De verdediging heeft verzocht de ontnemingsvordering af te doen zoals in de procesafspraken is overeengekomen.
3. Procesafspraken
De ontnemingsvordering maakt onderdeel uit van procesafspraken die de officier van justitie en de verdediging hebben gemaakt in de gevoegde strafzaken en de ontnemingszaak tegen de veroordeelde. Deze procesafspraken hebben zij opgenomen in een ondertekende overeenkomst die zij aan de rechtbank hebben doen toekomen. In de overeenkomst doen de officier van justitie en de verdediging aan de rechtbank een gezamenlijk voorstel voor de wijze van afdoening van de strafzaken en de ontnemingsvordering.
Zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang is in de overeenkomst onder meer het volgende opgenomen:
het OM zal ter terechtzitting rekwireren tot schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 44.000,- en tot oplegging van een betalingsverplichting van datzelfde bedrag;
Uit bijlage B ‘toelichting op de ontnemingsberekening’ bij de overeenkomst procesafspraken, volgt kort gezegd dat het wederrechtelijk voordeel verkregen uit de productie van MDMA in het drugslab in Angeren door de politie is geschat op minimaal
€ 495.000,-. Voor de onderbouwing wordt verwezen naar de daartoe door politie opgemaakte rapportage. Op basis van chats in het dossier tussen de verdachten over de verdeling van de opbrengst, gaat de officier van justitie uit van drie groepen verantwoordelijken voor de productie die per groep € 165.000,- hebben ontvangen. Voor drie verdachten in onderzoek Stomp onder wie veroordeelde, komt dit neer op een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 55.000,- per persoon. In het kader van procesafspraken heeft de officier van justitie op dit bedrag 20 % in mindering gebracht, waardoor het wederrechtelijk verkregen voordeel volgens haar moet worden vastgesteld op € 44.000,- en aan veroordeelde een betalings-verplichting moet worden opgelegd van € 44.000,-.
Voorts is in de overeenkomst procesafspraken onder ‘overige bepalingen’ het volgende opgenomen:
Ten aanzien van parketnummer 05.167365.25 (onderzoek Goofy): de gemeente Wijchen heeft aangegeven een vordering benadeelde partij te gaan indienen. Ten tijde van het opstellen van deze overeenkomst is de vordering nog niet ontvangen. Met betrekking tot deze vordering zal de normale procesgang worden gevolgd, zodat partijen zich daarover ter zitting kunnen uitspreken.
Overwegingen van de rechtbank over de procesafspraken
De rechtbank overweegt dat de rechter alleen acht kan slaan op door het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat in de regel mede van een dergelijke overeenkomst deel uitmaakt dat de verdachte afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.
De rechtbank heeft de hiervoor weergegeven inhoud en strekking van de procesafspraken tijdens de terechtzitting van 17 maart 2026 aan veroordeelde voorgehouden en met hem besproken. Veroordeelde heeft toen onder meer als volgt verklaard. Hij is bekend met de inhoud van de procesafspraken. Hij heeft begrepen wat de afspraken inhouden en welke gevolgen deze voor hem en zijn ontnemingszaak hebben. De afspraken zijn op basis van voldoende en duidelijke informatie tot stand gekomen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde, die gedurende het proces van het maken van procesafspraken en tijdens de terechtzittingen is bijgestaan door zijn raadsvrouw, vrijwillig, op basis van voldoende duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van zijn verdedigingsrechten. De rechtbank heeft zich er bij de inhoudelijke behandeling op 17 maart 2026 van vergewist dat veroordeelde nog steeds achter de gemaakte afspraken staat. Daarnaast heeft de rechtbank getoetst of de procesafspraken, gelet op wat is bepaald in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering, stand kunnen houden.
Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat zij acht kan slaan op het voornoemde afdoeningsvoorstel. Daarbij heeft de rechtbank het volgende betrokken.
Aanvullende procesafspraak over de vordering benadeelde partij gemeente Wijchen
Nadat de overeenkomst procesafspraken was opgesteld, heeft de gemeente Wijchen in de gevoegde strafzaak met parketnummer 05.167365.25 een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 38.526,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. De officier van justitie en de raadsvrouw hebben zich op de zitting van 17 maart 2026 op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot € 3.593,-. Voorts hebben de officier van justitie en de raadsvrouw daarbij op de zitting mondeling de volgende aanvullende procesafspraak gemaakt:
alles wat de rechtbank méér toewijst van de vordering van de benadeelde partij gemeente Wijchen dan € 3.593,- wordt in de uitvoering van de overeenkomst procesafspraken in mindering gebracht.
De rechtbank begrijpt bovenstaande afspraak van partijen zo, dat alles wat de rechtbank van de vordering benadeelde partij méér toewijst dan € 3.593,-, in mindering kan worden gebracht op het bedrag van € 44.000,- dat de officier van justitie vordert ter ontneming.
Bij vonnis van vandaag heeft de rechtbank de gehele vordering benadeelde partij ter grootte van € 38.526,- toegewezen. De procesafspraak kan daarom aldus worden uitgelegd dat de officier van justitie en de verdediging zijn overeengekomen dat in dat geval een bedrag van € 38.526 minus € 3.593 = € 34.993 in mindering wordt gebracht op het ontnemingsbedrag van € 44.000,-, zodat overblijft een bedrag van (€ 44.000,- minus € 34.993,- is) € 9.067,-.
De rechtbank zal daarom beslissen zoals hieronder weergegeven.
De beslissing dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van de beslissing vereist en zullen dan in een aan deze beslissing te hechten bijlage worden opgenomen.
4. De toegepaste wettelijke bepalingen
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
5. De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 9.067,-;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 9.067,-;
- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 70 dagen.
Aldus gegeven door mr. E.H.T. Rademaker, voorzitter, mr. C.H. van Breevoort-de Bruin en mr. W.H.S. Duinkerke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 april 2026.