RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11683476 \ CV EXPL 25-1370
Vonnis van 9 januari 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te Amstelveen,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M. Smit,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.H. Bargeman.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 4 juli 2025;
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende akte vermeerdering van eis met producties;
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 16 december 2025, waar zijn verschenen beide partijen in persoon, bijgestaan door hun gemachtigden. Mr. Bargeman heeft spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[gedaagde] heeft een eenmanszaak met als activiteiten advisering op het gebied van communicatie en verder het ontwikkelen, produceren en uitgeven van software, webdesign en internetmarketing.
[eiser] werkt in de escortbranche en wilde een website laten bouwen ten behoeve van een door haar op te richten escortservice.
[gedaagde] en [eiser] hebben in januari 2024 gesproken over een door [gedaagde] voor [eiser] te ontwikkelen website. [gedaagde] heeft een webdesigner, [naam 1] , ingeschakeld om de werkzaamheden (mede) uit te voeren.
In een spraakbericht van 13 januari 2024 meldt [gedaagde] aan [eiser] :
(…) Ik heb samen met één van mijn webdesigners [naam 1] hebben we even een accountje aangemaakt bij de Tippelstraat, dat heeft [naam 1] gedaan. We hebben even gekeken wat de functionaliteiten zijn achter die website. Nou eigenlijk is het allemaal heel makkelijk te maken. Dus ja, bel me even of iets als je me hoort en dan kunnen we even een afspraakje inplannen, zodat we ja de website kunnen gaan fixen voor je. Het is eigenlijk een stuk makkelijker als dan ik van tevoren had bedacht om hem te maken, dus ik denk dat dat heel goed nieuws is.
In januari 2024 heeft [gedaagde] aan [eiser] geappt:
(…) Wij zijn intern aan het kijken naar de mogelijkheden. Een van mijn designers is nu aan het kijken hoeveel tijd etcetera gaat zitten in de chatfuncties.
Tussen partijen is overeengekomen dat [gedaagde] de website zou (laten) bouwen in opdracht van [eiser] , tegen betaling van € 3.000,00. [eiser] heeft op 25 januari 2024 € 2.000,00 via overschrijvingen betaald, viermaal € 500,00.
In een spraakbericht van 25 januari 2024 heeft [eiser] tegen een vriendin gezegd:
Hij gaat niet in zijn boekhouding zetten dat die 3000 euro is betaald. Maar maakt niet uit ik heb hem die 1000 cash gegeven en 2000 via tikkie gedaan. Dus er is sowieso iets over de bank betaald, mocht het ooit fout gaan en zegt, nee ik ben de eigenaar van de website.
Op 6 februari 2024 heeft [eiser] een document getiteld ‘inhoud website’ per whatsapp naar [gedaagde] gestuurd. Het betreft een document van 13 pagina’s. [eiser] heeft in de app erbij geschreven:
Hee tijger, dit is de inhoud van de website de teksten die ik wil gebruiken en opmaak etc. Domeinnaam chic escort is al bezet trouwens dus heb het maar veranderd naar Bliss escort deze domeinnaam is nog vrij.
[gedaagde] heeft op dezelfde dag via whatsapp hier als volgt op gereageerd:
Toppie gaan we fiksen!
Op 26 februari 2024 heeft [gedaagde] per whatsapp aan Boujonoune het bankrekeningnummer en het nummer van inschrijving bij de kamer van koophandel van haar bedrijf gevraagd.
In april 2024 heeft [eiser] twee vennootschappen opgericht: werkmaatschappij Leadcenter262 B.V. en de holding MBEholding B.V.
In de periode nadien heeft via whatsapp contact plaatsgevonden tussen [eiser] en [gedaagde] . [eiser] heeft een aantal keer gevraagd naar de voortgang van de werkzaamheden.
In mei 2024 heeft [eiser] via een tikkie € 180,00 betaald aan [gedaagde] met de omschrijving ‘hosting mail 1e jaar’.
Op 11 juni 2024 heeft [gedaagde] aan [eiser] de gegevens geappt zodat zij de website in de toenmalige staat kon bekijken. Hij appt daarbij:
Kun je eventuele aanpassingen uiterlijk morgenvroeg doorgeven
Dan is het donderdag af
Op 12 juni 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] per whatsapp een lijst met meer dan zestig verbeterpunten gestuurd.
Op 13 juni 2024 hebben partijen elkaar ontmoet en gesproken. [naam 1] was daarbij via facetime aanwezig.
Op 17 juni 2024 heeft [eiser] € 1.000,00 aan [gedaagde] betaald via twee tikkies van € 500,00. Deze door [gedaagde] gestuurde tikkies hebben de omschrijving ‘Vakantie’ en ‘Malediven’, maar waren voor het aanvullend realiseren van een webshop bij de website.
Op 19 juni 2024 heeft [eiser] wederom een groot aantal verbeterpunten aan [gedaagde] gestuurd via whatsapp. Zij schrijft daarbij:
Kan je me een indicatie geven van wanneer je verwacht dat alles volledig af is zodat we alles kunnen testen?
In een spraakbericht van 20 juni 2024 meldt [gedaagde] aan [eiser] :
[naam 1] heeft mij beloofd dat hij het uiterlijk vrijdag af heeft. Dus dat is even afwachten, ik kan er nu niet boos om worden. Dat kan ik pas vrijdag doen, snap je.
In een whatsapp-bericht van 21 juni 2024 heeft [gedaagde] gereageerd op de door [eiser] op 19 juni 2024 gestuurde verbeterpunten. Met betrekking tot de door [eiser] op de website gewenste betaalde chatfunctie schrijft [gedaagde] :
Deze exacte flow is niet mogelijk. Mensen kunnen gifts kopen wat zij aan een dame kunnen sturen. Een dame kan vragen om verschillende gifts.
Hierna heeft [eiser] aan [gedaagde] geappt:
(…) Continue houd je je niet aan de je afspraken. Het geld is vorige week naar je privé rekening overgemaakt maar je hebt er letterlijk niks aangedaan dan hoe is het mogelijk dat het geld er niet meer is. En daarnaast is het jou probleem en niet de mijne. Je hebt me laten betalen voor iets wat je niet hebt aangeleverd het geld moet gewoon terug.
[gedaagde] heeft daarop aan [eiser] geappt:
Het geld komt ook terug. Alleen als je het sneller zou willen kun je het via de juridische weg doen dan houd ik mijn handen er vanaf, heb er dit weekend over nagedacht en ben zelf ook klaar met onze samenwerking.
In een brief van 26 juni 2024 met als onderwerp ‘ingebrekestelling’ heeft [eiser] [gedaagde] gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 2.750,00.
In een brief van 13 september 2024 heeft mr. Smit namens [eiser] aan [gedaagde] bericht dat de overeenkomst tussen partijen door [eiser] wordt ontbonden.
[eiser] heeft nadien [gedaagde] gedagvaard om te verschijnen in kort geding. In die procedure heeft [eiser] gevorderd dat [gedaagde] de website zal vernietigen en hem te verbieden deze online te zetten. Verder heeft zij betaling van een bedrag van € 4.965,00 gevorderd. In een vonnis van 18 november 2024 (zaaknummer 11338468/24-58) heeft de kantonrechter de vorderingen afgewezen omdat een voldoende spoedeisend belang ontbrak. [gedaagde] is wel veroordeeld in de proceskosten.
3. Het geschil in conventie en in reconventie
[eiser] vordert, na vermeerdering van eis, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Voor recht te verklaren dat de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] rechtsgeldig is ontbonden, dan wel deze te ontbinden;
II. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 4.465,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van ontbinding, dan wel datum dagvaarding, dan wel datum vonnis;
III. [gedaagde] te veroordelen tot het vernietigen c.q. verwijderen van de website en alle componenten c.q. delen daarvan, zowel in digitale vorm als in hardcopy, en ervoor te zorgen dat personen/bedrijven die hij opdracht heeft verstrekt voor de (gedeeltelijke) bouw van die website en/of daaraan mee heeft laten werken, daar eveneens toe overgaan, en [gedaagde] te verbieden om die website, of een deel daarvan, online te zetten, te gebruiken, te laten gebruiken, te verkopen, aan derden te tonen, over te dragen of ter beschikking te stellen, of openbaar te maken, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat hij in strijd handelt met deze veroordeling, met een maximum van € 50.000,00;
IV. [gedaagde] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten van € 713,90;
V. [gedaagde] te veroordelen tot het vergoeden van alle kosten die [eiser] heeft gemaakt in verband met het kort geding in 2024, alsmede de bodemprocedure, waaronder alle kosten van de gemachtigde/advocaat van [eiser] , nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum veroordeling, en/of [gedaagde] te veroordelen tot het vergoeden van de proceskosten en de nakosten.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , althans tot verrekening daarvan met die van [gedaagde] op [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan de veroordeling is voldaan.
In reconventie vordert [gedaagde] om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [eiser] te veroordelen tot betaling aan [gedaagde] van een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de conclusie van antwoord;
II. te bepalen dat [gedaagde] is bevrijd van zijn verbintenis tot nakoming van diens verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst;
III. [eiser] te veroordelen in de kosten van deze procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan de veroordeling is voldaan.
[eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling in conventie en in reconventie
Omdat de vorderingen in conventie in reconventie nauw met elkaar samenhangen, bespreekt de kantonrechter deze gezamenlijk.
[gedaagde] moest een website (laten) maken die leek op tippelstraat.nl
Tussen partijen is een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen. Aanvankelijk stelde [gedaagde] dat sprake is van aanneming van werk, maar tijdens de mondelinge behandeling heeft ook hij het standpunt ingenomen dat het om een overeenkomst van opdracht gaat.
Partijen verschillen van mening over de vraag welke inhoud de tussen hen gesloten overeenkomst van opdracht heeft.
[eiser] stelt dat is overeengekomen dat een website zou worden gebouwd die overeenkwam met de website www.tippelstraat.nl, in ieder geval waar het ging om de belangrijkste functionaliteiten daarvan en in het bijzonder de mogelijkheid om tegen betaling met dames te chatten.
Volgens [gedaagde] was het budget van [eiser] niet toereikend voor een dergelijke geavanceerde website en dit is, zo stelt [gedaagde] , ook herhaaldelijk aan haar gecommuniceerd. De opdracht hield volgens [gedaagde] in het bouwen van een website op basis van een standaard template, welke website bruikbaar was voor de exploitatie van de onderneming van [eiser] , met een met de website tippelstraat.nl vergelijkbare uitstraling.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] redelijkerwijs mocht verwachten dat [gedaagde] een website zou (laten) bouwen die vergelijkbaar was, in elk geval waar het ging om de betaalde chatfunctie, met de website tippelstraat.nl. De kantonrechter komt tot dit oordeel op basis van het spraakbericht van [gedaagde] van 13 januari 2024 waarin [gedaagde] zegt dat een website als tippelstraat.nl makkelijk te maken is, het appbericht van [gedaagde] van januari 2024 waarin de chatfunctie expliciet is genoemd en het appbericht van [eiser] aan [gedaagde] van 6 februari 2024 waarin zij het document aan [gedaagde] heeft gestuurd. In dat document is gedetailleerd uiteengezet wat [eiser] verwacht van de door [gedaagde] te bouwen website. Op pagina’s 6, 9 en 10 van dat document wordt de chatfunctie genoemd en afgebeeld. Hierop heeft [gedaagde] gereageerd met: toppie gaan we fiksen!
Ook de door [gedaagde] overgelegde en ingeroepen verklaring van [naam 1] wijst in deze richting. [naam 1] stelt immers:
De opdracht hield in dat de website vergelijkbare functionaliteiten zou moeten bevatten als het platform Trippelstraat.nl (bedoeld zal zijn Tippelstraat, kantonrechter).
Volgens [gedaagde] is steeds tegen [eiser] gezegd dat zij voor het betaalde bedrag niet een dergelijke geavanceerde website mocht verwachten. Ook hiervoor beroept hij zich op de verklaring van [naam 1] , die schrijft:
Gezien het beschikbare budget heb ik in overleg met mijn opdrachtgever besloten om, in plaats van een volledig maatwerkplatform, gebruik te maken van een bestaand template dat voorzag in de benodigde functionaliteiten. Deze template is zorgvuldig aangepast om te voldoen aan de wensen en eisen van de opdrachtgever en de klant, en is vervolgens meermalen gerebrand naar de gewijzigde namen van de eindklant.
Later, na meerdere wijzigingen en aanpassingen, gaf de eindklant in een gesprek aan dat zij een geheel ander concept voor ogen had en de oorspronkelijke richting wilde verlaten. De nieuwe wensen en eisen die zij stelde, bleken zeer omvangrijk en konden enkel worden gerealiseerd door een volledig maatwerkplatform te ontwikkelen, wat het vooraf bepaalde budget aanzienlijk zou overschrijden.
Tijdens onze eerste gesprekken heb ik mondeling aangegeven dat een deel van de wensen van de klant, gelet op het beperkte budget, onrealistisch waren. Hierin is tevens benadrukt dat de omvang en specificiteit van haar nieuwe wensen niet strookten met de initiële afspraken en het beschikbare budget. Deze gesprekken hebben plaatsgevonden met zowel de opdrachtgeven (Ja Internetmarketing) als met de klant.
Het is echter onduidelijk welke gesprekken [naam 1] bedoelt. Het kan zijn dat [naam 1] zijn bedenkingen tegen [gedaagde] (de opdrachtgever van [naam 1] , waar [eiser] door hem wordt aangeduid als ‘klant’ of ‘eindklant’) heeft geuit, maar niet blijkt dat die gestelde bedenkingen bij [eiser] terecht zijn gekomen. Dit blijkt niet uit berichten aan [eiser] en is in tegenspraak met de hiervoor genoemde wel overgelegde berichten. [naam 1] noemt verder een gesprek met [eiser] , maar zij heeft gemotiveerd gesteld dat zij [naam 1] voor het eerst heeft gesproken op 13 juni 2024 en van eerdere gesprekken blijkt niet. Desgevraagd heeft [gedaagde] ook geen concrete data kunnen noemen waarop de beweerde gesprekken zouden hebben plaatsgevonden. Bovendien kan uit de verklaring van [naam 1] worden afgeleid dat hij [eiser] heeft gesproken nadat ‘meerdere aanpassingen en wijzigingen’ aan de website waren gedaan. Dit was dus kennelijk niet aan het begin van de samenwerking, maar pas toen er al het nodige was gebeurd. Dit sluit aan bij de stellingen van [eiser] .
Gelet op dit alles is duidelijk wat de door [eiser] gegeven opdracht inhield, te weten het bouwen van een met tippelstraat.nl vergelijkbare website met een betaalde chatfunctie. Uit de berichten van [gedaagde] en de verklaring van [naam 1] wordt afgeleid dat zij de opdracht van [eiser] ook zo hebben begrepen. [gedaagde] bericht [eiser] dat hij deze opdracht aanneemt (“toppie gaan we fiksen!”). Van een voorbehoud door [gedaagde] , althans een beperking van de opdracht in de door hem bedoelde zin, blijkt niet althans onvoldoende.
[gedaagde] is tekortgeschoten in de uitvoering van de opdracht
Tussen partijen is niet in geschil dat een website als hiervoor bedoeld niet door [gedaagde] is geleverd aan [eiser] . Hij is dus tekortgeschoten in de uitvoering van de opdracht met vorenbedoelde inhoud.
Overigens heeft [gedaagde] ook niet opgeleverd wat volgens hem was afgesproken. Onweersproken is immers dat hetgeen door [gedaagde] na vijf maanden is opgeleverd een standaard template was met als inhoud de door [eiser] aangeleverd teksten, maar dan slordig en onvolledig verwerkt. Verder werkte geen enkele op de website aanwezige functie, zoals de appfunctie.
[gedaagde] is dus tekortgeschoten, welke inhoud van de overeenkomst er ook wordt aangenomen.
[gedaagde] is in verzuim geraakt en de overeenkomst is rechtsgeldig ontbonden
Ontbinding van een overeenkomst kan alleen als de schuldenaar in verzuim is. Dit is alleen anders als de nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk is, maar daarvan is in dit geval geen sprake.
Aan [gedaagde] is door [eiser] geen nadere, redelijke termijn gesteld om de overeenkomst alsnog na te komen. [eiser] heeft op 26 juni 2024 wel een brief met het onderwerp ‘ingebrekestelling’ gestuurd, maar daarin is geen termijn voor nakoming geboden. [eiser] heeft daarin een termijn gesteld waarbinnen [gedaagde] een bedrag aan haar moest betalen. [gedaagde] is dus hierdoor niet in verzuim geraakt.
Naar het oordeel van de kantonrechter is het verzuim wel ingetreden om twee andere redenen.
De eerste reden is dat [gedaagde] tot tweemaal toe een concrete toezegging heeft gedaan wat betreft de datum dat de website klaar zou zijn. Op 11 juni 2024 is door [gedaagde] toegezegd dat de website op 13 juni 2024 klaar zou zijn en op 20 juni 2024 is toegezegd dat de website op 21 juni 2024 klaar zou zijn. [gedaagde] heeft hiermee tot tweemaal toe een termijn bepaald waarbinnen hij aan de overeenkomst moest voldoen en deze termijnen zijn door [eiser] geaccepteerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] eerst verklaard dat hij met de toezegging dat de website klaar zou zijn bedoelde dat deze helemaal gereed zou zijn en alles het zou doen en later dat het klaar zou zijn voor de ‘eerste revisie’ en dat niet alles helemaal zou werken. De kantonrechter heeft dit zo begrepen dat voor een ‘eerste revisie’ de website wel in vergevorderde staat zou zijn en online zou staan.
Geen van beide gevallen deed zich echter voor want, zoals hiervoor reeds overwogen, was er na vijf maanden alleen sprake van een incomplete en rommelige verwerking van de door [eiser] zelf aangeleverde teksten en gegevens. Het verzuim is daarom ingetreden door het verstrijken van een termijn waarbinnen aan de verbintenis had moeten worden voldaan.
De tweede reden dat het verzuim is ingetreden is dat uit de mededelingen van [gedaagde] moest worden afgeleid dat hij zou tekortschieten in de nakoming van de overeenkomst. Uit het bericht van [gedaagde] van 21 juni 2024 blijkt dat veel van de door [eiser] genoemde verbeterpunten niet kunnen worden aangepast, en in het bijzonder zegt [gedaagde] dat het ‘niet mogelijk’ is om de chatfunctie als hiervoor genoemd te realiseren. Ook [naam 1] verklaart zo. Hieruit mocht [eiser] afleiden dat [gedaagde] de overeenkomst niet zou (kunnen) nakomen. Een ingebrekestelling was daarom niet nodig om het verzuim te laten intreden.
Nu sprake is van een toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] en verzuim, kon [eiser] de overeenkomst ontbinden. Dit heeft zij gedaan met de brief van
13 september 2024. De verklaring voor recht dat dit rechtsgeldig is gedaan, zal worden toegewezen. De vordering van [gedaagde] om te bepalen dat hij is bevrijd van de verbintenis wordt bij gebrek aan belang afgewezen, omdat de verbintenis door de ontbinding teniet is gegaan.
[gedaagde] moet de website vernietigen, het loon terugbetalen en hostingkosten vergoeden
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] de website moet (laten) vernietigen als door [eiser] gevorderd. [eiser] heeft voldoende gesteld dat zij hierbij een zwaarwegend belang heeft, omdat zij vreest dat [gedaagde] de website online zal (kunnen) zetten. Daardoor zal het bedrijf van [eiser] schade kunnen lijden omdat in dat geval een website van haar bedrijf te vinden is door derden, terwijl deze website niet voldoet aan de door [eiser] voorgestane kwaliteit. [gedaagde] heeft geen belang bij behoud van de website. Dit belang was gelegen in het behouden van zijn bewijspositie, maar nu in deze procedure een eindoordeel is gegeven, valt dat belang weg. [gedaagde] heeft zich niet verzet tegen de gevorderde dwangsom en de kantonrechter ziet geen reden om deze ambtshalve te matigen.
[eiser] heeft per bank € 2.000,00 betaald voor het bouwen van de website. De kantonrechter is van oordeel dat daarnaast voldoende door [eiser] is onderbouwd dat zij € 1.000,00 contant heeft betaald. [gedaagde] heeft erkend dat [eiser] € 3.000,00 moest betalen, maar na betaling van het bedrag van € 2.000,00 per bank is door hem nooit gevraagd om de resterende € 1.000,00. Dit doet vermoeden dat hij dit bedrag inderdaad al had gekregen van [eiser] . Bovendien heeft [eiser] in januari 2024 al aan een vriendin bericht dat zij de contante betaling had gedaan. Dit onderbouwt ook de stellingen van [eiser] op dit punt. Dit leidt tot afwijzing van de vordering van [gedaagde] tot het (alsnog) betalen van dit bedrag.
Gezien de ontbinding moet [gedaagde] het bedrag van € 3.000,00 aan [eiser] terugbetalen. Anders dan [gedaagde] stelt, kan naar het oordeel van de kantonrechter aan hetgeen door hem is opgeleverd geen waarde worden toegekend. Hij moet dus het hele bedrag terugbetalen. Dit geldt ook voor de € 1.000,00 die [eiser] heeft betaald voor het bouwen van de webshop, omdat daaraan niets door [gedaagde] is gedaan. Hij heeft ook erkend dat dit bedrag moet worden terugbetaald.
[eiser] vordert betaling van de hoofdsom vermeerderd met wettelijke handelsrente. Een nakomingsverbintenis na ontbinding is echter geen handelsovereenkomst, zodat de gevorderde handelsrente niet toewijsbaar is. In plaats daarvan zal de wettelijke rente worden toegewezen.
Aan [gedaagde] is € 180,00 betaald voor hosting van de website. Dat (door [gedaagde] ) op dit punt kosten zijn gemaakt en/of door hem werkzaamheden zijn verricht, is niet gebleken. Gezien de ontbinding en de omstandigheid dat de door [gedaagde] opgeleverde website voor [eiser] onbruikbaar is en moet worden vernietigd, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] het door [eiser] van dit bedrag gevorderde deel, € 165,00, moet terugbetalen.
De gevorderde kosten in verband met het aan de notaris betaalde spoedtarief van € 400,00 voor de oprichting van de vennootschappen van [eiser] wordt afgewezen. Uit niets blijkt dat het aan [gedaagde] toe te rekenen is dat de vennootschappen met spoed moesten worden opgericht. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] in februari 2024 om gegevens van het bedrijf van [eiser] heeft gevraagd terwijl de registratie van de vennootschappen (pas) in mei 2024 heeft plaatsgevonden. Bovendien is het de keuze van [eiser] geweest om twee besloten vennootschappen op te richten en niet bijvoorbeeld een eenmanszaak te registreren.
Per saldo wordt € 4.165,00 toegewezen.
[gedaagde] moet buitengerechtelijke kosten betalen
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal, gelet op het toegewezen bedrag, een bedrag van € 655,22 worden toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen, maar niet de werkelijke kosten
[gedaagde] is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en in reconventie geheel en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [eiser] heeft veroordeling van [gedaagde] in de werkelijke proceskosten gevorderd. Dit is echter alleen toewijsbaar in buitengewone omstandigheden. Er moet sprake zijn van onrechtmatig handelen of misbruik van procesrecht. De rechter moet terughoudend zijn waar het gaat om het aannemen van dergelijke buitengewone omstandigheden.
In dit geval is geen sprake van bedoelde buitengewone omstandigheden. [gedaagde] mocht zich, eerst in kort geding en later in deze procedure, verweren tegen de vorderingen van [eiser] . Dat hij uiteindelijk ongelijk krijgt, is geen reden om aan te nemen dat [gedaagde] daardoor misbruik van procesrecht heeft gemaakt. [eiser] noemt nog dat pas kort voor de zitting in kort geding de website offline is gehaald, waardoor [eiser] bij dat deel van haar vordering destijds geen spoedeisend belang meer had. Dit is echter al reden geweest voor de veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten in kort geding.
De proceskosten van [eiser] worden in conventie en reconventie tezamen op de gebruikelijke wijze begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
144,47
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
1.017,00
(3 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.553,47
5. De beslissing
De kantonrechter
in conventie en in reconventie
verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] rechtsgeldig is ontbonden,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.165,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf de datum van ontbinding van de overeenkomst
(13 september 2024) tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] tot het vernietigen c.q. verwijderen van de website en alle componenten c.q. delen daarvan, zowel in digitale vorm als in hardcopy, en gelast hem ervoor te zorgen dat personen/bedrijven die hij opdracht heeft verstrekt voor de (gedeeltelijke) bouw van die website en/of daaraan mee heeft laten werken, daar eveneens toe overgaan, en verbiedt [gedaagde] om die website, of een deel daarvan, online te zetten, te gebruiken, te laten gebruiken, te verkopen, aan derden te tonen, over te dragen of ter beschikking te stellen, of openbaar te maken, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat hij in strijd handelt met deze veroordeling, met een maximum van € 50.000,00;
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 655,22 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.553,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op
9 januari 2026.
560