RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaakgegevens 11425775 \ BR VERZ 24-3370 \ 894 ER
cjib-nr / registratienr 257176687 / 018D61
zitting van 15 april 2026
beslissing inzake Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
[betrokkene]
wonende te [adres] [woonplaats]
betrokkene
gemachtigde mr. N.R. Coffi
tegen
de officier van justitie
1. Gronden voor de beslissing:
Het beroep is ingesteld tegen een beslissing van de officier van justitie met bovenvermeld CJIB nummer.
Aan betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd vanwege het als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden.
Motivering
Uit de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht blijkt onvoldoende duidelijk of betrokkene tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat heeft vastgehouden. Ter zitting is, mede aan de hand van getoonde foto’s, aannemelijk geworden dat niet valt uit te sluiten dat het een ander soort elektronisch apparaat betreft. Naar het oordeel van de kantonrechter is derhalve niet komen vast te staan dat de gedraging is verricht.
Proceskosten
De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking, voor zover professionele rechtsbijstand is verleend. Uit de stukken volgt dat betrokkene de administratieve beroepsprocedure zelf heeft gevoerd zonder rechtsbijstand. Ook het beroepschrift voor de kantonrechter heeft hij zelf geschreven. Niet blijkt dat een gemachtigde zich heeft gesteld.
Het forfaitaire bedrag aan proceskosten die betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand moet ingevolge artikel 13a, tweede lid, van de Wahv worden vermenigvuldigd met 0,25 of 0,10, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tijdens de zitting werd betrokkene wel bijgestaan door mr. N.R. Coffi, advocaat te Amersfoort. Deze heeft de toepassing van artikel 13a lid 2 Wahv aan de orde gesteld omdat hij rechtsbijstand verleent op basis van een vooraf afgesproken uurtarief en niet op basis van ‘no cure no pay’, hetgeen ook niet wordt toegestaan door de Nederlandse Orde van Advocaten.
De Hoge Raad heeft hierover overwogen (HR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:985); NJ 2025/280 m.nt. W.H. Vellinga; AB 2025/231 m.nt. B. Tijssen):
“Het huidige tweede lid van artikel 13a Wahv is ingevoerd als onderdeel van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: Whpkv).
(…)
De wetgever heeft in de Whpkv, ook met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wahv, het oog gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de betreffende zaak. (…)
Gevallen die kennelijk niet de in 5.2 bedoelde kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Whpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 13a lid 2 Wahv, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Bpb berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10.”
Met de advocaat is de kantonrechter van oordeel dat de in artikel 13a lid 2 Wahv voorziene matiging via vermenigvuldiging met de factor 0,25 niet aan de orde is, nu op basis van de door hem verstrekte informatie moet worden aangenomen dat hij een reguliere advocatenpraktijk uitoefent en niet werkt op basis van no cure no pay maar op basis van een vast uurtarief.
Er wordt ter zake van kosten rechtsbijstand dus één punt toegekend. Aan het verschijnen ter zitting van de kantonrechter dient één procespunt te worden toegekend. De waarde per punt bij de kantonrechter bedraagt € 934. De officier van justitie zal derhalve worden veroordeeld in de kosten tot een bedrag van € 467 (= 1 x € 934 x 0,5).
Beslissing
De kantonrechter:
-verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt de bestreden beslissing en de inleidende beschikking;
-bepaalt dat wat betrokkene aan zekerheid heeft gesteld, door de officier van justitie wordt gerestitueerd;
-veroordeelt de officier van justitie in de proceskosten van betrokkene, begroot op
€ 467.