uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaakgegevens 11423522 \ BR VERZ 24-3319 \ 894 ER
cjib-nr / registratienr 263114738 / 018KXZ
zitting van 15 april 2026
beslissing inzake Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
[betrokkene]
wonende te [adres] [woonplaats]
betrokkene
gemachtigde voorheen: mr. M.J.M.Berger (Boete.nu)
thans: mr. D. Wijsman, advocaat te Utrecht.
tegen
de officier van justitie
1. Gronden voor de beslissing:
Het beroep is ingesteld tegen een beslissing van de officier van justitie met bovenvermeld CJIB nummer.
Aan betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd vanwege het voor het motorrijtuig heeft het keuringsbewijs de geldigheid verloren.
Motivering
Gelet op de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht en hetgeen betrokkene heeft aangevoerd is naar het oordeel van de kantonrechter komen vast te staan dat de gedraging is verricht.
Vervolgens dient de kantonrechter te beoordelen of er redenen zijn om het bedrag van de sanctie te matigen of kwijt te schelden.
Betrokkene was naar eigen zeggen op tijd met de APK-keuring, maar toen bleek dat reparaties nodig was en de benodigde onderdelen waren niet voorradig omdat het een old-timer betreft. De levering van deze onderdelen liet zodanig lang op zich wachten dat de APK-periode intussen verlopen was. Al die tijd kon echter niet met de auto gereden worden. Ter adstructie hiervan zijn de bestelopdrachten van de onderdelen overgelegd.
De kantonrechter heeft geen reden hieraan te twijfelen en ziet daarin aanleiding voor matiging van het sanctiebedrag tot de helft.
Gelet op het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2023:6369) ziet de kantonrechter aanleiding om het bedrag van de administratieve sanctie verder te matigen met 25 procent, wegens het overschrijden van de redelijke termijn van berechting.
2. Proceskosten
De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking, voor zover professionele rechtsbijstand is verleend. Uit de stukken volgt dat betrokkene tijdens de administratieve beroepsprocedure werd bijgestaan door mr. Bergers, die ook het beroepschrift voor de kantonrechter heeft ingediend. Daarna heeft hij zich onttrokken en heeft mr. Wijsman zich gesteld als advocaat. Zij heeft ter zitting ook het woord gevoerd.
Het forfaitaire bedrag aan proceskosten die betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand moet ingevolge artikel 13a, tweede lid, van de Wahv worden vermenigvuldigd met 0,25 of 0,10, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tijdens de zitting werd betrokkene bijgestaan door mr. Wijsman, advocaat te Utrecht. Deze heeft de toepassing van artikel 13a lid 2 Wahv aan de orde gesteld omdat zij rechtsbijstand verleent op basis van een vooraf afgesproken uurtarief en niet op basis van ‘no cure no pay’, hetgeen ook niet wordt toegestaan door de Nederlandse Orde van Advocaten.
De Hoge Raad heeft hierover overwogen (HR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:985); NJ 2025/280 m.nt. W.H. Vellinga; AB 2025/231 m.nt. B. Tijssen):
“Het huidige tweede lid van artikel 13a Wahv is ingevoerd als onderdeel van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: Whpkv).
(…)
De wetgever heeft in de Whpkv, ook met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wahv, het oog gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de betreffende zaak. (…)
Gevallen die kennelijk niet de in 5.2 bedoelde kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Whpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 13a lid 2 Wahv, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Bpb berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10.”
Met de advocaat is de kantonrechter van oordeel dat de in artikel 13a lid 2 Wahv voorziene matiging via vermenigvuldiging met de factor 0,25 niet aan de orde is, nu op basis van de door haar verstrekte informatie aangenomen moet worden dat zij een reguliere advocatenpraktijk uitoefent en niet werkt op basis van no cure no pay maar op basis van een vast uurtarief.
Ter zitting heeft het openbaar ministerie de stelling ingenomen dat in de kantonfase geen vergoeding moet worden toegekend voor het door de vorige gemachtigde ingediende beroepschrift nu deze zich inmiddels heeft onttrokken. Deze stelling wordt verworpen. Het zich onttrekken als gemachtigde heeft geen terugwerkende kracht. De eenmaal verrichte werkzaamheden zijn nu eenmaal verricht en er is geen bijzondere reden deze uit te zonderen van de gebruikelijke vergoedingsregeling.
De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Gelet op het arrest van de van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6575, komen de in het administratief beroep gemaakte proceskosten niet voor vergoeding in aanmerking, aangezien het sanctiebedrag wordt gematigd in verband met de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht. Dit betreft niet een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Aan het indienen van het beroep bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting van de kantonrechter dienen in totaal 2 procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bij de kantonrechter bedraagt € 934. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 toegepast. Omdat de beslissing van de officier van justitie na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van het beroepschrift bij de kantonrechter op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Dat geldt niet voor de verleende rechtsbijstand tijdens de zitting. Die werd verleend door een advocaat, die, naar hij heeft verklaard en daarom moet worden aangenomen, niet werkt op basis van no cure no pay. De betreffende matigingsfactor van 25% is daarom hierop niet van toepassing. De stelling van het Cvom dat voor het door de vorige gemachtigde ingediende beroepschrift geen proceskostenvergoeding moet worden gerekend, nu deze zich vóór de zitting heeft onttrokken, wordt niet gevolgd. De officier van justitie zal derhalve worden veroordeeld in de kosten tot een bedrag van € 583,75 (= 1 x € 934 x 0,5 x 0,25 + 1 x € 934 x 0,5).
Beslissing
De kantonrechter:
-verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing;
-verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
-wijzigt de beschikking, in die zin dat de sanctie wordt gematigd tot € 60;
-verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
-bepaalt dat wat betrokkene teveel aan zekerheid heeft gesteld, door de officier van justitie wordt gerestitueerd;
-veroordeelt de officier van justitie in de proceskosten van betrokkene, begroot op
€ 583,75.
Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. F.J.H. Hovens, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier, De kantonrechter,
Rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, doch alleen indien:
a. de bij deze beslissing opgelegde sanctie meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. het beroepschrift niet-ontvankelijk is verklaard omdat de zekerheid niet (tijdig) is gesteld.
Het beroepschrift dient schriftelijk te worden ingediend bij de rechtbank Gelderland, Team strafrecht, Mulderzaken, kamer C.1.06, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem en dient door degene die beroep heeft ingesteld, of door zijn gemachtigde te zijn ondertekend. Beroepschriften die per e-mail worden ingediend, kunnen gezien de wettelijke regeling niet in behandeling worden genomen.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting wordt gevraagd waarbij u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Een afschrift van deze uitspraak is aan betrokkene en de officier van justitie verzonden op: