proces-verbaal/uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaakgegevens 11424179 \ BR VERZ 24-3329 \ 894 ER
cjib-nr / registratienr 260813062 / 018XT2
zitting van 15 april 2026
proces-verbaal/beslissing inzake Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
[betrokkene] B.V.
gevestigd te [vestigingsplaats]
betrokkene
gemachtigde: voorheen mr. M.J.M. Bergers (Boete.nu)
thans: mr. D. Wijsman, advocaat te Utrecht
tegen
de officier van justitie
1. De procesgang
Het beroep is ingesteld tegen een beslissing van de officier van justitie met bovenvermeld CJIB nummer.
Aan betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd vanwege het als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden.
De zaak is behandeld op de openbare zitting door de kantonrechter mr. F.J.H. Hovens, bijgestaan door H.H. Roelofs als griffier. Daarbij zijn verschenen:
- mr. D. Wijsman, gemachtigde
- [medewerker CVOM] , medewerker van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM), als vertegenwoordiger van de officier van justitie.
De advocaat voert -zakelijk weergegeven- het volgende aan.
Betrokkene betwist dat hij een telefoon vast hield tijdens de rijden. Ik heb de door verbalisant gemaakte foto’s van de vrachtwagencabine uitvergroot en toegezonden. Daarop is zichtbaar dat cliënt in de ene hand een bril vast heeft en in de andere hand een brillenkoker. Op de kleine foto’s in het dossier heeft verbalisant nooit kunnen waarnemen dat het een telefoon betreft. De bestuurder beschikte ook over apparatuur om handsfree te bellen.
Als de verbalisanten de moeite hadden genomen om deze controle met z’n tweeën uit te voeren, had de ene verbalisant de apparatuur kunnen bedienen en de waarneming kunnen doen, waarna de andere verbalisant langs de snelweg meteen de achtervolging had kunnen inzetten om cliënt staande te houden. Dan was de zaak meteen opgehelderd. Beide verweren dienen te leiden tot gegrond verklaring.
De officier van justitie voert -zakelijk weergegeven- het volgende aan.
De bestuurder is niet staandegehouden omdat het betreft een eenmanscontrole. Dan is volgens het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voldoende uitgelegd dat staandehouden niet mogelijk is. Betrokkene ontkent de gedraging, maar er wordt wel degelijk een mobiele telefoon vastgehouden. Het verweer geeft geen reden voor twijfel. De gedraging kan worden vastgesteld. Daarnaast is de redelijke termijn van berechting overschreden. Ik vraag daarom gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep en matiging van het sanctiebedrag. De proceskosten voor de kantonfase kunnen worden toegewezen, met dien verstande dat voor het beroepschrift geen punt wordt toegekend omdat de toenmalige gemachtigde zich inmiddels heeft terug getrokken.
2. Gronden voor de beslissing:
Uitgangspunt van de wet is dat bij een ter plaatse door verbalisanten geconstateerde overtreding de bestuurder wordt staande gehouden (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16 december 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11556). Dat is vooral bedoeld om betrokkene meteen de gelegenheid te geven om te reageren op de vermeende geconstateerde overtreding waarbij ook gelegenheid is voor nader onderzoek door de verbalisant waarbij eventuele misverstanden of vergissingen kunnen worden opgehelderd. Dit dient zowel de waarheidsvinding als de eerlijkheid van de procedure, nu het voor betrokkene doorgaans erg lastig is om twee of drie jaar later bij de rechter alsnog zijn gelijk aan te tonen. Deze beginselverplichting tot staande houden moet daarom ook serieus worden genomen.
Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen (na staande houding), mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 juli 2021,ECLI:NL:GHARL:2021:6740). Hierover vermeldt de memorie van toelichting bij het wetsontwerp Wahv:
“Een groot deel van de constateringen van lichte overtredingen van verkeersvoorschriften vindt plaats met behulp van technische middelen (onder andere radar-apparatuur en rood licht-camera's). Een directe confrontatie tussen de politie-ambtenaar en de overtreder vindt in dergelijke gevallen niet plaats. Hetzelfde geldt voor het overgrote deel van geconstateerde parkeerovertredingen. In dergelijke gevallen, waarin niet aanstonds kan worden vastgesteld wie de bestuurder is van het motorrijtuig waarmee of door middel waarvan de gedraging heeft plaatsgevonden, wordt ingevolge dit artikel de administratieve sanctie opgelegd aan de kentekenhouder.” (Kamerstukken II, 1987-1988, 20 329, nr. 3, p. 41).
De Hoge Raad heeft hieruit afgeleid dat het moet gaan om een reële mogelijkheid tot staande houden:
“3.3. Vooropgesteld moet worden dat het stelsel van de WAHV meebrengt dat de administratieve sanctie dient te worden opgelegd aan de bestuurder van het desbetreffende motorrijtuig. In art. 5 WAHV wordt daarop een uitzondering gemaakt in die zin dat, indien niet aanstonds kan worden vastgesteld wie de bestuurder is, de sanctie kan worden opgelegd aan de kentekenhouder, ook al was deze niet de bestuurder. Daarbij gaat het om de gevallen waarin de verkeersovertredingen al dan niet met technische hulpmiddelen worden geconstateerd zonder dat er voor de politie — in aanmerking genomen factoren zoals de verkeersveiligheid en de feitelijke onmogelijkheid tot voortdurende surveillance — een reële mogelijkheid bestaat tot staandehouding van de bestuurder (verg. HR 16 februari 1993, NJ 1993, 538 (https://www.inview.nl/document/id34199302164692vnj1993538dosred)(VR 1993, 86 (https://www.inview.nl/document/id1576199302164692vvr199386dosred); red. VR)).” (HR 28 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9774 (n.g.), VR 1994/218)
Hieruit blijkt dat de wetgever met deze uitzondering op het beginsel van staande houden het oog had op situaties waarin redelijkerwijs geen contact mogelijk is met de bestuurder, zoals het parkeren op een plek waar dat niet mag, het constateren van een snelheidsovertreding of rood licht overtreding met behulp van een vaste ‘flitspaal’. Deze gegevens worden immers geautomatiseerd verwerkt en enige tijd later op een andere locatie uitgelezen en beoordeeld op strafwaardigheid.
Dat is echter anders wanneer een verbalisant zich nabij de openbare weg bevindt en de snelheid van een voorbijkomende voertuig opmeet met laserapparatuur. Dan kunnen aanvullende maatregelen worden genomen. In een zaak betreffende een snelheidscontrole met behulp van een lasergun waarbij geen staandehouding had plaatsgevonden, heeft het hof overwogen:
“6. Bij het gebruik van de lasergun vindt meestal geen fotografische- of videoregistratie van de snelheidsoverschrijding plaats. Dat brengt naar het oordeel van het hof mee dat in beginsel tot staandehouding moet worden overgegaan, al dan niet door een andere ambtenaar. Zo wordt de bestuurder geconfronteerd met de bevindingen van de ambtenaar en weet hij waartegen hij zich desgewenst heeft te verdedigen.
7. Uit de door de ambtenaar in deze zaak vermelde reden om niet tot staandehouding over te gaan leidt het hof af dat de ambtenaar bezig was met het constateren van andere gedragingen. In beginsel leent de - voor de mogelijkheid van staandehouding van belang zijnde - keuze van de ambtenaar voor de wijze waarop een verkeerscontrole wordt uitgevoerd zich slechts voor een uiterst marginale toetsing door de rechter. Dit neemt echter niet weg dat de ambtenaar wel inzichtelijk dient te maken waarom hij ervoor heeft gekozen om de snelheidscontrole zodanig vorm te geven dat na de meting geen staandehouding kan plaatsvinden. Dit is in de onderhavige zaak niet gebeurd. Aldus is onvoldoende gebleken waarom zich in dit geval geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan.” (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1233)
Hetzelfde, en misschien nog wel pregnanter, geldt dit bij overtreding van artikel 61a Rvv: het vasthouden van een elektronisch apparaat tijdens het rijden. Hier is het bijna standaard verweer in de kantonrechterspraktijk dat betrokkenen aanvoeren dat het geen elektronisch apparaat was dat zij vasthielden, maar een aansteker, een vaper, een scheerapparaat en wat dies meer zij. Als het dossier al foto’s bevat van de gedraging, is daarop doorgaans nauwelijks te zien wat de bestuurder in handen heeft.
Het is juist dat er ook uitspraken zijn waarin het hof oordeelde dat de verklaring van de ambtenaar dat sprake was van een mobiele radarcontrole door één persoon, volstaat voor de conclusie dat er geen reële mogelijkheid was de bestuurder staande te houden (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4240; Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5506).
Door deze rechtspraak dreigt echter een feitelijke uitholling van het, ook door het hof steeds benadrukte wettelijke uitgangspunt van staandehouding.
Niet valt in te zien waarom bij een controle als onderhavige niet twee of meer verbalisanten betrokken zouden kunnen zijn. Een dergelijke controle wordt terdege voorbereid. De benodigde apparatuur wordt opgesteld op een viaduct boven de snelweg en de betreffende verbalisant kijkt door de camera in de cabine van de onderdoor rijdende auto’s en vrachtwagens. Het is heel wel mogelijk dat deze verbalisant, als hij meent een overtreding waar te nemen, dat meteen doorgeeft aan een andere verbalisant (op de motor) die een stuk verderop langs de snelweg staat te wachten. Deze kan vervolgens, als het betreffende voertuig voorbij komt, de achtervolging inzetten en het voertuig staande houden waarna hij een nader onderzoek kan instellen naar het voorwerp dat de collega-verbalisant meende te zien en de bestuurder de mogelijkheid biedt om te reageren.
De enkele mededeling dat het nu eenmaal een eenmanscontrole betreft moet onvoldoende worden geacht om het wettelijke uitgangspunt van staande houding terzijde te stellen. Dit is geen kwestie van ‘overmacht’, maar van efficiënte organisatie van de werkzaamheden en recht doen aan de bedoeling van de wetgever.
3. Proceskosten
De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking, voor zover professionele rechtsbijstand is verleend. Uit de stukken volgt dat betrokkene tijdens de administratieve beroepsprocedure werd bijgestaan door mr. Bergers, die ook het beroepschrift voor de kantonrechter heeft ingediend. Daarna heeft hij zich onttrokken en heeft mr. Wijsman zich gesteld als advocaat. Zij heeft ter zitting ook het woord gevoerd.
Het forfaitaire bedrag aan proceskosten die betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand moet ingevolge artikel 13a, tweede lid, van de Wahv worden vermenigvuldigd met 0,25 of 0,10, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tijdens de zitting werd betrokkene bijgestaan door mr. Wijsman, advocaat te Utrecht. Deze heeft de toepassing van artikel 13a lid 2 Wahv aan de orde gesteld omdat zij rechtsbijstand verleent op basis van een vooraf afgesproken uurtarief en niet op basis van ‘no cure no pay’, hetgeen ook niet wordt toegestaan door de Nederlandse Orde van Advocaten.
De Hoge Raad heeft hierover overwogen (HR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:985); NJ 2025/280 m.nt. W.H. Vellinga; AB 2025/231 m.nt. B. Tijssen):
“Het huidige tweede lid van artikel 13a Wahv is ingevoerd als onderdeel van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: Whpkv).
(…)
De wetgever heeft in de Whpkv, ook met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wahv, het oog gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de betreffende zaak. (…)
Gevallen die kennelijk niet de in 5.2 bedoelde kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Whpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 13a lid 2 Wahv, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Bpb berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10.”
Met de advocaat is de kantonrechter van oordeel dat de in artikel 13a lid 2 Wahv voorziene matiging via vermenigvuldiging met de factor 0,25 niet aan de orde is, nu op basis van de door haar verstrekte informatie moet worden aangenomen dat zij een reguliere advocatenpraktijk uitoefent en niet werkt op basis van no cure no pay maar op basis van een vast uurtarief.
Ter zitting heeft het openbaar ministerie de stelling ingenomen dat in de kantonfase geen vergoeding moet worden toegekend voor het door de vorige gemachtigde ingediende beroepschrift nu deze zich inmiddels heeft onttrokken. Deze stelling wordt verworpen. Het zich onttrekken als gemachtigde heeft geen terugwerkende kracht. De eenmaal verrichte werkzaamheden zijn nu eenmaal verricht en er is geen bijzondere reden deze uit te zonderen van de gebruikelijke vergoedingsregeling.
De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Gelet op het arrest van de van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6575, komen de in het administratief beroep gemaakte proceskosten niet voor vergoeding in aanmerking, aangezien het sanctiebedrag wordt gematigd in verband met de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht. Dit betreft niet een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Aan het indienen van het beroep bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting van de kantonrechter dienen in totaal 2 procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bij de kantonrechter bedraagt € 934. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 toegepast. Omdat de beslissing van de officier van justitie na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van het beroepschrift bij de kantonrechter op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Dat geldt niet voor de verleende rechtsbijstand tijdens de zitting. Die werd verleend door een advocaat, die, naar hij heeft verklaard en daarom moet worden aangenomen, niet werkt op basis van no cure no pay. De betreffende matigingsfactor van 25% is daarom hierop niet van toe passing. De stelling van het Cvom dat voor het door de vorige gemachtigde ingediende beroepschrift geen proceskostenvergoeding moet worden gerekend, nu deze zich vóór de zitting heeft onttrokken, wordt niet gevolgd. Verder zal de kantonrechter voor het overleggen van een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [betrokkene] B.V. een kostenvergoeding ten bedrage van € 2,95 toekennen, aangezien daaruit blijkt dat [bevoegde] bevoegd is betrokkene te machtigen. De officier van justitie zal derhalve worden veroordeeld in de kosten tot een bedrag van € 586,70 (= 1 x € 934 x 0,5 x 0,25 + 1 x € 934 x 0,5 + € 2,95).
Beslissing
De kantonrechter:
-verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing;
-verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
-wijzigt de beschikking, in die zin dat de sanctie wordt gematigd tot € 285;
-verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
-bepaalt dat wat betrokkene teveel aan zekerheid heeft gesteld, door de officier van justitie wordt gerestitueerd;
-veroordeelt de officier van justitie in de proceskosten van betrokkene, begroot op € 586,70.
Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. F.J.H. Hovens, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier, De kantonrechter,
Rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, doch alleen indien:
a. de bij deze beslissing opgelegde sanctie meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. het beroepschrift niet-ontvankelijk is verklaard omdat de zekerheid niet (tijdig) is gesteld.
Het beroepschrift dient schriftelijk te worden ingediend bij de rechtbank Gelderland, Team strafrecht, Mulderzaken, kamer C.1.06, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem en dient door degene die beroep heeft ingesteld, of door zijn gemachtigde te zijn ondertekend. Beroepschriften die per e-mail worden ingediend, kunnen gezien de wettelijke regeling niet in behandeling worden genomen.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting wordt gevraagd waarbij u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Een afschrift van deze uitspraak is aan betrokkene en de officier van justitie verzonden op: