ECLI:NL:RBGEL:2026:3521

ECLI:NL:RBGEL:2026:3521

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 04-05-2026
Datum publicatie 04-05-2026
Zaaknummer 462939
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Kort geding inzake de ontruiming van een zorgboerderij in Arnhem. De vorderingen worden toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer: C/05/462939 / KG ZA 26-66

Vonnis in kort geding van 4 mei 2026

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ARNHEM,

zetelend in Arnhem,

eisende partij,

hierna te noemen: “de gemeente”,

advocaat: mr. M.C. Willems-Muller,

tegen

1. de vennootschap onder firma

V.O.F. [naam gedaagde 1],

gevestigd in [vestigingsplaats] ,2. [naam gedaagde 2],

wonende op een geheim adres,3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NEWFUTURE ZORG BEHEER B.V.,

gevestigd in Arnhem,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: “gedaagden”,

advocaat: mr. J.M. Heikens.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 14;- de aanvullende producties 15 tot en met 19 van de gemeente;- de producties 1 tot en met 14 van gedaagden;- de mondelinge behandeling van 20 april 2026;- de pleitnota van de gemeente;- de pleitnota van gedaagden.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

De gemeente is eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan [adres] te [postcode] Arnhem (hierna: het bedrijfspand). Op 23 februari 2017 heeft de gemeente een huurovereenkomst gesloten met NewFuture Zorg B.V. (hierna: NewFuture Zorg) met betrekking tot het bedrijfspand als bedrijfsruimte. De huurovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, na een eenmalige verlenging, tot en met 31 december 2026.

NewFuture Zorg is vervolgens onderhuurrelaties aangegaan voor verschillende gedeelten van het bedrijfspand, waaronder met V.O.F. [gedaagde 1] (hierna: de VOF). In het door haar ondergehuurde gedeelte van het bedrijfspand drijft de VOF een zorgboerderij (hierna: de zorgboerderij). [gedaagde 2] en NewFuture Zorg Beheer B.V. (hierna: NewFuture Zorg Beheer) zijn vennoten in de VOF.

[directeur hoofdhuurder] is directeur-grootaandeelhouder van zowel NewFuture Zorg, de hoofdhuurder van het bedrijfspand en onderverhuurder van de zorgboerderij, als NewFuture Zorg Beheer, onderhuurder van de zorgboerderij en vennoot in de VOF.

Vanwege een oplopende huurachterstand van omstreeks € 60.000,00 hebben de gemeente en NewFuture Zorg de huurovereenkomst beëindigd met wederzijds goedvinden per 1 augustus 2024. Aan die beëindiging heeft de gemeente de voorwaarde verbonden dat NewFuture Zorg de onderhuurovereenkomsten met de onderhuurders van het bedrijfspand zou opzeggen. Dit heeft NewFuture Zorg gedaan, waarna ook de onderhuurovereenkomst met de VOF is geëindigd per 1 augustus 2024.

Met een e-mailbericht van 10 juli 2024 heeft de gemeente de onderhuurders van het pand bericht dat zij voorlopig gebruik kunnen blijven maken van het bedrijfspand en hiervoor geen huur zijn verschuldigd aan de gemeente. De gemeente schrijft:

Wij realiseren ons dat de opzegging van de huur per 1 augustus 2024 door New Future voor alle partijen erg onverwachts is, ook voor de gemeente.

Samen met TLO wordt beoordeeld welke vervolgstappen er nu gezet moeten worden en welke gevolgen dit heeft voor de vaste onderhuurders waaronder [gedaagde 1] . Dit kost tijd en zeker met de vakantieperiode in het vooruitzicht verwachten wij niet op heel korte termijn een passende oplossing te vinden.

Wij hebben daarom besloten – hoewel de gemeente Arnhem daartoe niet verplicht is – dat de vaste onderhuurders in ieder geval de maand augustus 2024 gebruik kunnen blijven maken van de faciliteiten. De oplevering van New Future aan de gemeente Arnhem staat gepland voor 12 augustus 2024; wij hebben daarbij gemeld dat New Future NIET de sleutels van de vaste onderhuurders dient te overhandigen. Ook uw eigendommen zullen door New Future niet worden verwijderd.

Wij hopen medio augustus 2024 meer zicht te hebben op de te zetten vervolgstappen en zullen u daarna zo snel als mogelijk informeren.

(…)

Op 12 augustus 2024 heeft de oplevering van het bedrijfspand plaatsgevonden door NewFuture Zorg aan de gemeente. Bij de oplevering waren onder anderen, [vastgoedmanager] , senior vastgoedmanager van de gemeente, en [gedaagde 2] aanwezig.

Vervolgens heeft de gemeente via een openbare selectieprocedure het bedrijfspand te huur aangeboden tegen een huurprijs van € 48.381,11 per jaar, met als maatschappelijke functie ‘Activerend Werken’. De VOF heeft niet meegedaan aan de selectieprocedure.

Op 12 december 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen, onder anderen, [vastgoedmanager] en [gedaagde 2] als vennoot van de VOF. Tijdens dat gesprek is onder meer besproken: de juridische relatie tussen de VOF en de gemeente, in hoeverre de VOF de zorgboerderij in de toekomst kan blijven uitbaten in het bedrijfspand en wat er gaat gebeuren met de eigendommen van de VOF op de zorgboerderij, waaronder enkele opstallen.

De gemeente heeft uiteindelijk Vloww B.V. (hierna: Vloww) geselecteerd als nieuwe huurder van het bedrijfspand en heeft vervolgens met haar een huurovereenkomst gesloten ingaande in het begin van 2026.

Op 16 september 2025 heeft een overleg plaatsgevonden tussen de gemeente en de VOF. Vervolgens heeft de gemeente met een e-mailbericht van 23 september 2025 het volgende aan de VOF bericht:

(…)

Wij verzoeken u dan ook uw bedrijfsvoering op de locatie [adres] zo snel mogelijk, doch uiterlijk per 1 januari 2026, te beëindigen. Wij achten dit een realistisch tijdspad waarin u de cliënten die u begeleidt gedurende deze periode zorgvuldig kan overdragen aan andere zorgaanbieder(s) dan wel de begeleiding van hen op een andere locatie kan voortzetten. Hierover dient u afstemming te zoeken met de organisatie die de zorg aan u heeft toegewezen.

U heeft op dinsdag 16 september 2025 een gesprek gehad met mevrouw [vastgoedmanager] van onze afdeling Vastgoed. Tijdens dit gesprek is hetgeen in deze brief is verwoord met u doorsproken en is er afgesproken dat met u een afspraak met wordt gemaakt voor het bespreken van de oplevering van het terrein aan [adres] .

(…)

Vooruitlopend op de ingangsdatum van de huurovereenkomst, hebben de gemeente en Vloww op 10 november 2025 een sleutelovereenkomst gesloten, waarbij Vloww alvast de sleutels van het bedrijfspand heeft ontvangen.

Op verzoek van gedaagden heeft op 18 november 2025 nogmaals een bespreking plaatsgevonden tussen de gemeente en de VOF. Daarin heeft de VOF de gemeente verzocht om instemming te verlenen voor het leggen van direct contact met de nieuwe huurder Vloww door de VOF om te onderzoeken of zij eventueel met Vloww onderling afspraken kan maken voor voortzetting van haar onderneming vanuit het bedrijfspand. De gemeente heeft daar vervolgens mee ingesteld.

Vloww en de VOF hebben daarop meerdere verkennende gesprekken gehad. Dit heeft niet geleid tot een nieuwe (onderhuur)constructie waarbij de VOF beheerder van de zorgboerderij blijft. Hiervan hebben zowel de VOF als Vloww de gemeente bericht gedaan per brief van 12 januari 2026.

Met een e-mailbericht van 19 januari 2026 heeft de gemeente vervolgens gedaagden in de gelegenheid gesteld om de zorgboerderij vrijwillig te ontruimen. In de daaropvolgende periode is tussen partijen onenigheid ontstaan over de vraag of de bruikleenovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd en of gedaagden daarom de zorgboerderij moeten ontruimen. Partijen hebben daarover uitvoerig met elkaar gecorrespondeerd. Vervolgens is de gemeente onderhavig kort geding gestart.

3. Het geschil

De gemeente vordert, samengevat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden te veroordelen om de zorgboerderij binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, met al diegene die en al datgene dat zich daarop vanwege hen bevindt volledig en behoorlijk te ontruimen en ontruimd te houden, op straffe van een dwangsom, met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

Gedaagden voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van de gemeente, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de gemeente in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Spoedeisend belang

Naar oordeel van de voorzieningenrechter heeft de gemeente voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de vorderingen. De gemeente heeft onderbouwd dat nu gedaagden de zorgboerderij niet willen ontruimen, de geplande opening van het bedrijfspand met als nieuwe huurder Vloww, waarvoor reeds meerdere voorbereidingen zijn getroffen, ernstige vertraging oploopt, terwijl de huurovereenkomst al sinds enige tijd is aangevangen. Dat  zoals gedaagden aanvoeren  Vloww een afwachtende houding heeft ingenomen, maakt nog niet dat daarmee het spoedeisend belang is komen te ontvallen. Immers heeft de gemeente onbetwist gesteld dat Vloww haar verplichtingen uit de huurovereenkomst heeft opgeschort en de gemeente daardoor, bovenop het voorgaande, inkomsten uit huur misloopt.

Heeft de gemeente de bruikleenovereenkomst opgezegd?

Tussen partijen is niet in geschil dat nadat de (onder)huurovereenkomst op 1 augustus 2024 was geëindigd, de VOF het gebruik van de zorgboerderij heeft voortgezet onder de titel van een bruikleenovereenkomst. Immers maakt de VOF sindsdien gebruik van de zorgboerderij met instemming van de gemeente, terwijl zij daar geen huurprijs of andere tegenprestatie voor verschuldigd is. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat voor de bruikleenovereenkomst geen einddatum is afgesproken en dat daarin tevens niet is voorzien in een opzegregeling.

Gedaagden betwisten in de eerste plaats dat de gemeente de bruikleenovereenkomst heeft opgezegd. Volgens hen valt de brief van de gemeente van 23 september 2025 niet te kwalificeren als opzegging. Zij kunnen echter niet in dit standpunt worden gevolgd. Uit de tekst van het bericht van 23 september 2025 volgt onmiskenbaar en ondubbelzinnig dat de gemeente de bruikleenovereenkomst heeft willen beëindigen per 1 januari 2026. Immers schrijft de gemeente in dat bericht dat de hoofdhuur al per 1 augustus 2024 was geëindigd en daarmee ook de onderhuurovereenkomst van de VOF, dat de VOF de zorgboerderij wel heeft mogen gebruiken vanaf dat moment zonder huur te betalen maar dat de gemeente via een selectieprocedure nu een nieuwe huurder heeft gevonden, dat de gemeente geen huurovereenkomst zal sluiten met de VOF en haar verzoekt om zo snel mogelijk doch uiterlijk 1 januari 2026, zijnde de start van de huurovereenkomst met de nieuwe huurder, de bedrijfsvoering te beëindigen. De voorzieningenrechter ziet niet hoe dit bericht anders kan worden begrepen dan als een opzegging door de gemeente. Daarbij blijkt ook uit het handelen van gedaagden in de daaropvolgende periode dat zij de brief van 23 september 2025 als een opzegging hebben opgevat. Immers hebben gedaagden na die brief aan de gemeente verzocht of zij direct in contact mochten treden met de nieuwe huurder van het pand om op die manier te proberen met Vloww een nieuwe (huur)constructie tot stand te brengen, zodat gedaagden de zorgboerderij toch konden blijven uitbaten. Dat deze gesprekken niet hebben geleid tot overeenstemming tussen Vloww en gedaagden maakt niet dat de brief van 23 september 2025 niet valt te kwalificeren als opzegging van de bruikleenovereenkomst.

Was de opzegging ook rechtsgeldig?

Gedaagden hebben in de tweede plaats aangevoerd dat de opzegging per 1 januari 2026 niet rechtsgeldig was, althans dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid aan opzegging in de weg staan, althans dat op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid aan een opzegging nadere eisen moeten worden gesteld. Maar ook daarin kunnen zij niet worden gevolgd. Daarbij is het volgende van belang.

Omdat tussen partijen voor de bruikleenovereenkomst geen einddatum is afgesproken, betreft het een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Vaste rechtspraak is dat een voor onbepaalde tijd gesloten duurovereenkomst in beginsel opzegbaar is, ook indien, zoals hier, de wet en die overeenkomst niet voorzien in een regeling van opzegging. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat. Uit diezelfde eisen kan, eveneens in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, voortvloeien dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Het is in dit geval dan aan gedaagden om voldoende onderbouwd te stellen dat opzegging van de bruikleenovereenkomst slechts mogelijk was met voldoende zwaarwegende grond.

Gedaagden noemen in dit verband een aantal omstandigheden die volgens hen samen tot de conclusie moeten leiden aan de opzegging nadere eisen moeten worden gesteld. In dat verband stellen zij dat de gemeente heeft toegezegd en meegedeeld dat de VOF nadat de huurovereenkomst met NewFuture Zorg was beëindigd, gebruik mocht blijven maken van de zorgboerderij totdat een nieuwe huurder voor het bedrijfspand was gevonden waarmee een nieuwe constructie kon worden opgezet die erin resulteerde dat gedaagden hun onderneming op die locatie konden voortzetten. Volgens hen blijkt deze toezegging uit de omstandigheden dat [vastgoedmanager] op 12 augustus 2024 tijdens de oplevering van het bedrijfspand aan [gedaagde 2] heeft aangegeven ‘dat het voor jou wel goed zal komen’ en ‘dat je je geen zorgen hoeft te maken’ en dat later de gemeente in haar brief van 10 juli 2024 spreekt over ‘een passende oplossing’. Deze passende oplossing kon volgens gedaagden uitsluitend betekenen dat de VOF een nieuwe (onder)huurovereenkomst zou worden aangeboden om hun bedrijf en de zorgboerderij op locatie voort te zetten, omdat dit de enige passende oplossing voor hen kan zijn. Volgens gedaagden blijkt ook uit latere communicatie van de gemeente dat zij heeft toegezegd een nieuwe (onderhuur)constructie met de VOF te zullen regelen, meer in het bijzonder het gesprek tussen de VOF en de gemeente van 12 december 2024.

Een door gedaagden in dit verband genoemde andere omstandigheid die aan opzegging in de weg zou staan is dat de gemeente geen rekening heeft gehouden met de door haar opgewekte verwachting toen zij de het bedrijfspand zonder vermelding van de rol van de zorgboerderij op de markt heeft aangeboden. Verder zou de gemeente onzorgvuldig hebben gehandeld in de marktaanbieding door hierin eigendommen van de zorgboerderij mee te nemen en door dit niet te corrigeren nadat daar in het gesprek van 12 december 2024 op was gewezen. Andere omstandigheden die gedaagden aandragen zijn het in strijd met gedane toezeggingen kort na dit gesprek inzetten op beëindiging van de samenwerking zonder dat aan gedaagden te vertellen en het daarmee aanvoeren dat de zorgcomponent niet passend was alsmede dat de gemeente communicatie met gedaagden uit de weg ging en hen na het bericht van 23 september 2025 het bos in sturen met de mededeling dat zij zelf maar met de nieuwe huurder tot een oplossing moest komen.

Het betoog van gedaagden faalt. De opmerking dat ‘het wel goed komt’ of uitingen van gelijke strekking in het gesprek van 12 december 2024 zijn zeer algemeen en geenszins voldoende concreet om daaruit een toezegging te kunnen afleiden, nog daargelaten de vraag of [vastgoedmanager] wel bevoegd was om een dergelijke toezegging te doen. Dat gedaagden uit die algemene zinssneden hebben mogen opmaken dat zij de zorgboerderij mochten blijven uitbaten tot er een nieuwe huurder zou zijn gevonden waarmee vervolgens een nieuwe onderhuurovereenkomst zou worden gesloten, blijkt nergens uit. In het gesprek tussen [gedaagde 2] als vennoot van de VOF en de gemeente van 12 december 2024 is weliswaar, zoals gedaagden stellen, door [vastgoedmanager] gezegd dat de zorgboerderij overeind moet blijven in welke vorm dan ook, maar in datzelfde gesprek herhaalt [vastgoedmanager] meerdere malen dat niet zij beslist welke partij het bedrijfspand uiteindelijk zal gaan huren, maar de wethouder en dat deze nieuwe huurder vervolgens zal moeten bepalen wie beheerder van de zorgboerderij wordt, al dan niet op basis van een onderhuurovereenkomst. Dat blijkt uit de door gedaagden zelf overgelegde transcriptie van dat gesprek.

Voorts wordt in het gesprek door [vastgoedmanager] er meerdere keren op gewezen dat het niet vast staat dat de VOF beheerder zal blijven van de zorgboerderij en dat er juridisch gezien vanuit de gemeente geen verplichtingen zijn jegens de VOF als onderhuurder, dat met het eindigen van de huur ook de onderhuurovereenkomsten zijn beëindigd en dat er nu in dat opzicht geen afspraken zijn tussen de gemeente en de VOF. Dat [vastgoedmanager] haar best heeft willen doen om de VOF als beheerder van de zorgboerderij te behouden, betekent nog niet dat daarmee door de gemeente is toegezegd dat er met de VOF gegarandeerd een nieuwe onderhuurconstructie op touw zou worden gezet en/of dat gedaagden er op hebben mogen vertrouwen dat zij van de zorgboerderij gebruik mochten blijven maken tot er voor hen een passende oplossing was gevonden. Uit het geheel van mededelingen hadden zij redelijkerwijs moeten begrijpen dat het nog maar de vraag was of er nog plek voor de zorgboerderij was nadat een nieuwe huurder zou zijn geselecteerd.

De woorden ‘passende oplossing’, waar gedaagden ter zitting meerdere malen aan hebben gerefereerd en die afkomstig zijn uit een e-mail van [vastgoedmanager] van 10 juli 2024, maken dit niet anders. Deze woorden zijn gebezigd in het kader van de beëindiging van de onderhuurovereenkomst die  zonder passende oplossing  tot een onmiddellijke ontruiming zou hebben geleid. Hierna is de bruikleenovereenkomst tot stand gekomen die in elk geval voor dat moment een passende oplossing was.

Het voorgaande betekent dat uit het gehele complex van omstandigheden niet blijkt dat er enige concrete toezegging is gedaan jegens gedaagden, nog daargelaten dat niet [vastgoedmanager] maar de wethouder daartoe alleen bevoegd was.

Partijen strijden voorts nog over de vraag wie van hen eigenaar is van enkele op de zorgboerderij aanwezig (op)stallen en in hoeverre dit invloed heeft op de verhuur van het bedrijfspand, dan wel de opzegging van de bruikleenovereenkomst. In de selectieprocedure voor de verhuur van het bedrijfspand heeft de gemeente wellicht ten onrechte bij de omschrijving van het bedrijfspand de suggestie gedaan dat alle (op)stallen die zich op de zorgboerderij bevinden onder het gehuurde vallen en in eigendom van de gemeente zijn. Dit is echter geen omstandigheid die maakt dat de opzegging door de gemeente gedaagden niet kan worden tegengeworpen, maar hooguit een omstandigheid die ten aanzien van de partijen die zich hebben ingeschreven voor de selectieprocedure een rol speelt. Bovendien is gebleken dat voor geen van die inschrijvende partijen de insteek is geweest om de zorgboerderij op gelijke voet voort te zetten en het gegeven dat er bepaalde (op)stallen niet tot het gehuurde behoren in ieder geval geen reden is voor Vloww om niet met de gemeente verder te gaan.

Voorts hebben gedaagden nog gesteld dat het nieuwe doel dat de gemeente met het bedrijfspand wil realiseren, namelijk ‘Activerend Werken’ al is wat de VOF met de zorgboerderij doet en wezenlijk niet verschilt van het voorgaande doel van het bedrijfspand dat meer op zorg was gericht. Volgens hen kan dit dus geen reden zijn om gedaagden niet de zorgboerderij te laten blijven beheren. Dit doet echter verder niet ter zake. De gemeente heeft naar een nieuwe huurder gezocht om het gehele bedrijfspand aan te verhuren en op basis van voornoemd maatschappelijk doel deze nieuwe huurder geselecteerd. Door gedaagden is desgevraagd ter zitting zelf bevestigd dat zij zich geheel niet wilden inschrijven voor de selectieprocedure om (hoofd)huurder te worden van het bedrijfspand. Uiteindelijk heeft de gemeente Vloww geselecteerd als nieuwe huurder. Hoe Vloww uitvoering wil geven aan het doel Activerend Werken en of zij daarvoor onderhuurovereenkomst wil sluiten, en zo ja, met wie is, geheel aan haar. Dat de VOF zelf in gesprek moest met Vloww over een mogelijke (onder)huurconstructie is inherent aan het feit dat de gemeente een nieuwe huurder heeft gevonden en de onderhuur al was geëindigd. Dat de gesprekken met Vloww niet hebben geleid tot een voor gedaagden bevredigende oplossing doet daar verder niet aan af. Tevens is de gemeente niet gehouden om een onderdeel van het bedrijfspand aan gedaagden te verhuren. Dat de gemeente het bedrijfspand als een geheel wil verhuren zodat zij een contactpersoon heeft en één huurder waarmee zij in een zakelijke relatie treedt, behoort tot de beleidsruimte die een gemeente heeft en dat beleid acht de voorzieningenrechter niet onbegrijpelijk of onredelijk.

Als het gaat om de omstandigheden die moeten worden meegewogen bij de vraag of de opzegging niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was, is  naar het oordeel van de voorzieningenrechter  in elk geval ook van belang dat de situatie waar de VOF zich in bevindt, waarbij zij geen onderhuurovereenkomst meer heeft, door de bestuurder van een van haar vennoten zelf is gecreëerd, namelijk [directeur hoofdhuurder] . Zij was ook de bestuurder van de hoofdhuurder bij wie een grote huurachterstand was ontstaan. Vervolgens heeft [directeur hoofdhuurder] zelf, met instemming van de gemeente, voortijdig de huurovereenkomst én de onderhuurovereenkomsten opgezegd en daarbij heeft zij verzuimd om enige voorziening te treffen voor de onderhuurders, waaronder dus de VOF die zij (indirect) ook zelf vertegenwoordigde. Voor [directeur hoofdhuurder] moet inzichtelijk zijn geweest wat de opzegging van de huurovereenkomst zou betekenen voor de VOF als onderhuurder. Daarbij is nog van belang dat het hier niet gaat om een willekeurige consument, maar om een ondernemer die een bedrijfspand huurde en aldaar haar onderneming dreef. Daarvan mag worden verwacht dat die kennis van zaken heeft. Dat zij, zoals zij zelf ter zitting heeft verklaard, daarin naïef is geweest, komt voor haar risico en rekening.

Voorts weegt naar oordeel van de voorzieningenrechter zwaar mee dat de VOF sinds augustus 2024 tot heden, dus al ruim anderhalf jaar, gebruik maakt van de zorgboerderij zonder daar een maandelijks geldbedrag voor verschuldigd te zijn terwijl zij wel zorggelden ontvangt. In die zin is zij al geruime tijd door de gemeente is geholpen, in elk geval tot meer duidelijkheid bestond over de nieuwe huurder en (on)mogelijkheden om daarmee een onderhuurovereenkomst te sluiten. Meer konden gedaagden redelijkerwijs niet van de gemeente verwachten.

Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat gelet op de omstandigheden van dit geval het voor opzegging van de bruikleenovereenkomst door de gemeente niet was vereist dat zij daaraan tevens een zwaarwegende grond ten grondslag legde, dan wel dat zij een langere opzegtermijn had moeten hanteren dan de drie maanden die zij de VOF heeft gegund. Dat laatste is overigens verder ook niet door gedaagden gesteld. Dat betekent dat de bruikleenovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd per 1 januari 2026. Gelet daarop worden de vorderingen toegewezen.

Een belangenafweging maakt het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders. Hoewel zij het belang van gedaagden bij behoud van het beheer van de zorgboerderij onderkent, alsmede de belangen van de daarop aanwezige dieren, weegt dit niet op tegen het belang van de gemeente bij ontruiming. De gemeente heeft al een nieuwe huurder gevonden voor het gehele bedrijfspand en de huurovereenkomst is inmiddels geruime tijd aangevangen. Zolang gedaagden de zorgboerderij niet hebben ontruimd, kan de gemeente het pand niet volledig ter beschikking stellen van Vloww en kan Vloww niet van start gaan met haar onderneming in het bedrijfspand. De werkzaamheden die Vloww aldaar wil uitvoeren stemmen overeen met het maatschappelijk doel dat de gemeente als openbaar lichaam conform haar beleid met het bedrijfspand probeert te verwezenlijken. Daarbij kan van de gemeente niet worden verwacht dat zij voor onbepaalde tijd de zorgboerderij ter beschikking blijft stellen aan gedaagden totdat zij een voor hen bevredigende oplossing hebben gevonden voor hun onderneming, mede omdat voor hen in ieder geval vanaf september 2025 kenbaar was dat zij de zorgboerderij moeten ontruimen en Vloww al heeft aangegeven verder niet in samenwerking te willen treden met gedaagden. Daarbovenop komt nog dat Vloww haar verplichtingen uit de huurovereenkomst heeft opgeschort omdat haar het volledige bedrijfspand niet ter beschikking is gesteld en de gemeente dus al langere tijd inkomsten uit huur misloopt. Wat betreft de dieren op de zorgboerderij geldt dat niet is uitgesloten dat Vloww de dieren kan overnemen van gedaagden, aangezien Vloww heeft aangegeven de zorgboerderij wellicht als kinderboerderij te willen gaan uitbaten. Mocht dit toch niet het geval zijn, dan weegt dit belang niet op tegen het belang van de gemeente bij een ontruiming op korte termijn.

Ten overvloede wordt overwogen dat de gemeente heeft toegezegd de zogenaamde ophokplicht (het verplicht binnenhouden van vogels) te respecteren. Voor zover die verplichting nog zou bestaan ten tijde van het wijzen van dit vonnis, kan die op zichzelf dan ook niet aan toewijzing van de vordering tot ontruiming in de weg staan.

Dwangsom

De gevorderde dwangsom zal zoals hierna in de beslissing is vermeld beperkt en gemaximeerd worden toegewezen.

Proceskosten

Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

153,02

- griffierecht

735,00

- salaris advocaat

1.177,00

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.254,02

De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

veroordeelt gedaagden hoofdelijk om de zorgboerderij, gelegen aan [adres] te [postcode] Arnhem binnen vier weken na betekening van dit vonnis met al diegene die en al datgene dat zich daarop vanwege gedaagden bevindt, volledig en behoorlijk te ontruimen en ontruimd te houden,

veroordeelt gedaagden hoofdelijk om aan de gemeente een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de onder 5.1. uitgesproken veroordeling voldoen, tot een maximum van € 20.000,00 is bereikt,

veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 2.254,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2026.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

1863

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand