RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05/213023-24; 05/152800-25 (ttz. gev.)
Datum uitspraak : 12 mei 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats] (Sierra Leone),
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfsplaats] .
Raadsman: mr. T.J.F. Wassenaar, advocaat in ‘s-Hertogenbosch.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging en na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
Parketnummer 05/213023-24:
1.hij op of omstreeks 2 juli 2024 te [plaats 1] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, gedurende de nachtelijke uren,-zich heeft begeven naar de woning van die [slachtoffer 1] aan het [adres 1] en/of-die woning, waarin die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op dat moment lag/lagen te slapen, althans aanwezig was/waren, is binnen gedrongen met een gekopieerde sleutel en/of-die [slachtoffer 1] en/of de vloer van de slaapkamer en/of het bed waarin die [slachtoffer 1] lag te slapen, met benzine, althans met een brand versnellend middel, heeft overgoten/besprenkeld en/of (vervolgens)-die [slachtoffer 1] en/of die brandbare stof met het vuur van een aansteker of lucifers heeft aangestoken en aldus in brand heeft gestoken, waardoor die brandbare stof en die [slachtoffer 1] voornoemd vlam vatten, ten gevolge waarvan in de slaapkamer van die [slachtoffer 1] voornoemd brand is ontstaan, waarbij verdachte tevens heeft getracht die [slachtoffer 1] te beletten de woning te verlaten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op of omstreeks 2 juli 2024 te [plaats 1] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, althans opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, gedurende de nachtelijke uren,-zich heeft begeven naar de woning aan het [adres 1] en/of-die woning, waarin die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] op dat moment lag/lagen te slapen, althans aanwezig was/waren, is binnen gedrongen met een gekopieerde sleutel en/of- [slachtoffer 1] en/of de vloer van de slaapkamer en/of het bed waarin die [slachtoffer 1] lag te slapen, met benzine, althans met een brand versnellend middel, heeft overgoten/besprenkeld en/of (vervolgens)-die [slachtoffer 1] en/of die brandbare stof met het vuur van een aansteker of lucifers heeft aangestoken en aldus in brand heeft gestoken, waardoor die brandbare stof en die [slachtoffer 1] voornoemd vlam vatten, ten gevolge waarvan in de slaapkamer van die [slachtoffer 1] voornoemd brand is ontstaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.hij op of omstreeks 2 juli 2024 te [plaats 1] , opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan het [adres 1] , door in een slaapkamer van die woning, waar op dat moment [slachtoffer 1] lag te slapen, die [slachtoffer 1] voornoemd en/of de vloer van die slaapkamer te overgieten/besprenkelen met benzine, althans met een brand versnellend middel en/of die [slachtoffer 1] en/of die brandbare stof vervolgens heeft aangestoken met een aansteker of lucifers, althans open vuur in aanraking gebracht met een brandbare stof, waardoor brand is ontstaan, ten gevolge waarvan die woning, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de zich in die woning bevindende goederen (te weten de inboedel en de kat) en/of voor de belendende percelen en/of levensgevaar voor de aanwezige perso(o)n(en) in die woning, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of de perso(o)n(en) aanwezig in de belendende percelen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bovengenoemde perso(o)n(en), in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;
4.hij op of omstreeks 30 juni 2024 te [plaats 2] , gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in de woning gelegen aan de [adres 2] bij een ander, te weten bij [slachtoffer 4] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen door middel van een valse sleutel (door gebruik te maken van de sleutel die hij zonder toestemming van [slachtoffer 1] van haar sleutelbos heeft weggenomen), waarbij verdachte zich heeft bediend van een middel geschikt om vrees aan te jagen, te weten een koekenpan, welke hij opgeheven vast hield;
5.hij op of omstreeks 2 juli 2024 te [plaats 1] , in elk geval in Nederland, een dier, behorend tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen diersoorten of diercategorieën, te weten: een kat heeft gedood.Parketnummer 05/152800-25:hij op of omstreeks [geboortedag slachtoffer 4] 2025 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, [slachtoffer 4] telefonisch heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het levengericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] voornoemd middels een voicemail bericht dreigend de woorden toe te voegen
“kankermongoolBen je trots op ... of niet? Kankersukkel. K neuk jou en je dochter.Jullie zijn nog niet van me af, wacht maar.Ik kom naar je huis, ik ga je doodmaken, kankermongool. Je weet .... heb gedaan toch?Ja, ik ga je doodmaken. ... geslagen ... gewoon pistool mee.Ik ga je zweren, je gaat ... pijn krijgen, let maar op, kankersukkel.Je bent nog niet van me af vriend, als je dat maar weet, je bent nog niet van me af. Je durft niet op te nemen.Dit nu je verjaardagscadeau.Dit is het verjaardagscadeau die je van mij krijgt. ... 4 of 5 jaar. ... dochter krijgen, kankerlijer”,althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle tenlastegelegde feiten.
Feiten 1 en 2 moeten volgens de officier van justitie worden gekwalificeerd als poging tot moord.
Bij feit 3 kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat door de brandstichting gemeen gevaar voor de zich in die woning bevindende goederen en voor de belendende percelen en levensgevaar voor de personen in de woning en de belendende percelen te duchten was.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van feiten 1 tot en met 3 bepleit dat verdachte niet heeft gehandeld vanuit een vooraf bedacht plan, maar vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Verder was er in de gegeven omstandigheden geen sprake van een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , en ook geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel ten aanzien van [slachtoffer 2] . Daarom moet verdachte integraal worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
Daarnaast moet verdachte worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde veroorzaken van levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gemeen gevaar voor de belendende percelen. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het veroorzaken van gemeen gevaar voor goederen voor zover dit ziet op de inboedel en de kat en het veroorzaken van gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ten aanzien van [slachtoffer 1] .
De raadsman heeft zich ten aanzien van feiten 4 en 5 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van parketnummer 05/152800-25 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. Verdachte ontkent namelijk stellig en op basis van het procesdossier kan niet worden vastgesteld dat hij op enige manier betrokken was bij het voicemailbericht.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
Verdachte (hierna ook: [verdachte] of [verdachte] ) en [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) kregen in 2019 of 2020 een relatie. Op 6 juni 2024 heeft [slachtoffer 1] de relatie met verdachte verbroken. Verdachte is toen ingetrokken bij zijn moeder. Op 27 juni 2024 heeft [slachtoffer 1] de relatie definitief beëindigd. Op 30 juni 2024 zou verdachte zijn laatste spullen uit de woning van [slachtoffer 1] halen en zijn huissleutel inleveren.
Tot die tijd woonden verdachte en [slachtoffer 1] samen in de woning aan het [adres 1] in [plaats 1] . Deze woning is eigendom van [slachtoffer 1] . Ook [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), een vriendin van [slachtoffer 1] , woonde daar. Ze hebben ongeveer een jaar met zijn drieën samen gewoond.
De verdenkingen tegen verdachte zien op verschillende strafbare feiten die hij zou hebben gepleegd op verschillende momenten nadat [slachtoffer 1] hun relatie had beëindigd. De rechtbank zal deze verdenkingen in chronologische volgorde bespreken. Dat betekent dat de rechtbank eerst zal ingaan op de tenlastegelegde huisvredebreuk op 30 juni 2024, vervolgens op de brand op 2 juli 2024 en de daarmee samenhangende verdenkingen en tot slot de verdenking dat verdachte op [geboortedag slachtoffer 4] 2025 de vader van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ), zou hebben bedreigd.
De rechtbank zal telkens eerst de bewijsmiddelen uiteenzetten. Daarna zal de rechtbank uitleggen tot welke conclusies zij komt op basis van die bewijsmiddelen. Hierbij zal de rechtbank ook eventuele verweren bespreken.
Parketnummer 05/213023-24
Feit 4 – 30 juni 2024
De bewijsmiddelen
[slachtoffer 4] woont op de [adres 2] in [plaats 2] . In de nacht van 29 op 30 juni 2024 is [verdachte] in de woning van [slachtoffer 4] geweest. Het beveiligingssysteem systeem heeft hiervan een log gemaakt. De achterdeur ging open om 00:19 uur, 01:17 uur, 01:59 uur, 03:44 uur en 04:13 uur. De deur heeft geen braakschade. Iemand heeft de achterdeur dus met een sleutel geopend.
[slachtoffer 4] lag die nacht in bed in zijn slaapkamer en werd omstreeks 03:45 uur wakker. Hij zag een silhouet. Hij verklaart dat hij zich zelden zo kwetsbaar heeft gevoeld. Hij herkende [verdachte] op het moment dat de lamp aanging. [verdachte] stond in de deuropening van de slaapkamer van [slachtoffer 4] met een koekenpan geheven in zijn hand. [slachtoffer 4] schreeuwde dat hij zijn huis uit moest gaan, maar durfde niet te bewegen, omdat hij niet kon inschatten wat [verdachte] zou doen. [verdachte] schreeuwde niet, maar stond wel heel gespannen. [slachtoffer 4] is met hem in gesprek gegaan. Uiteindelijk heeft [verdachte] de woning verlaten. Daarbij gaf hij [slachtoffer 4] de sleutel van zijn achterdeur. Dit bleek een gekopieerde sleutel te zijn.
Verdachte heeft verklaard dat hij een kopie heeft gemaakt van de sleutels van de woningen van de ouders van [slachtoffer 1] . Hij is in de nacht naar de woning van [slachtoffer 4] gegaan, omdat die niet had gereageerd op de WhatsApp-berichten van verdachte en verdachte wilde weten wat er was. Verdachte is met een koekenpan naar de slaapkamer van [slachtoffer 4] gegaan, omdat hij niet wist hoe [slachtoffer 4] uit angst zou reageren.
De beoordeling door de rechtbank
Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte gedurende de voor nachtrust bestemde tijd naar de woning van [slachtoffer 4] [slachtoffer 1] is gegaan. Hij heeft zichzelf binnengelaten met een valse sleutel, namelijk een sleutel die hij zonder toestemming van de sleutelbos van [slachtoffer 1] had weggenomen en gekopieerd. Daarmee is hij die woning wederrechtelijk binnengedrongen.
Vervolgens is verdachte met een koekenpan naar de slaapkamer gegaan waar [slachtoffer 4] op dat moment lag te slapen. Toen [slachtoffer 4] wakker werd, heeft verdachte die koekenpan opgeheven vastgehouden. De rechtbank vindt dit, gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden, een geschikt middel om vrees aan te jagen.
De rechtbank acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Feiten 1, 2, 3 en 5 – 2 juli 2024
De bewijsmiddelen
[slachtoffer 1] heeft verklaard dat ze in de nacht van 1 op 2 juli 2024 ineens wakker werd, omdat ze voelde dat er een dikke vloeistof over haar gezicht werd gegooid. Het voelde dikker dan olijfolie. Ze kon haar ogen pas openen toen ze de vloeistof uit haar ogen gewreven had. Ze zag dat [verdachte] bij de deur van haar slaapkamer stond. Hij gooide vloeistof op de grond in de slaapkamer. Meteen daarna stak hij iets aan en was er brand.
[slachtoffer 1] probeerde het raam open te maken. Verdachte pakte haar vast, als een soort stevige knuffel, waardoor [slachtoffer 1] zich opgesloten voelde, en zei: ‘Als we gaan, dan gaan we samen’. [slachtoffer 1] schreeuwde naar haar huisgenote (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ) dat die 112 moest bellen.
Vervolgens is [slachtoffer 1] over de vlammen heen gerend, naar beneden. Ze probeerde de voordeur open te maken. Ze opende de haken van de voordeur, maar [verdachte] deed die weer dicht. Dat gebeurde drie keer. Ze had een worsteling met [verdachte] om uit de woning te komen. Tijdens die worsteling heeft [verdachte] haar nog een keer op dezelfde manier vastgepakt. Hij zei weer: ‘Als we gaan, dan gaan we samen’. [verdachte] heeft haar een paar keer vastgehouden en hij hield haar tegen.
Uiteindelijk is [slachtoffer 1] naar buiten gerend. Vanwege haar brandwonden heeft ze bij haar buren onder de douche gestaan tot de ambulance kwam.
[slachtoffer 1] heeft op meerdere momenten gedacht dat ze dit niet zou overleven: toen het vuur aan het begin van haar kamer werd aangestoken, toen ze het raam daar niet open kreeg, toen verdachte haar boven vasthield, het spelletje bij de deur (de rechtbank begrijpt: met de haken) en toen hij haar beneden vasthield.
Na de brand was de kamer van [slachtoffer 1] afgebrand. De bovenverdieping van de woning was zwart van het roet en niet meer bewoonbaar. De hele bovenverdieping moest worden gestript. Er zit een meter of twee, tweeëneenhalf tussen de kamer van [slachtoffer 1] en die van [slachtoffer 2] .
Tijdens de brand heeft [slachtoffer 1] letsel opgelopen, namelijk oppervlakkige en dieper gelegen tweedegraads brandwonden op haar gezicht, onderarmen en handen. In totaal was zes procent van haar lichaamsoppervlak verbrand. Hiervoor is ze opgenomen en behandeld in een brandwondencentrum. De verwachte genezingsduur was meerdere weken tot enkele maanden. Met uitzondering van mogelijk permanent zichtbare littekens in het gelaat en op de armen kan
– normaal gesproken – volledig herstel worden verwacht.
Volgens de deskundige is het letselbeeld veel waarschijnlijker onder de hypothese dat het letsel is ontstaan door blootstelling aan hitte/vlammen afkomstig van brand dan dat dit door een andere omstandigheid/mechanisme is ontstaan. Ook zijn (een aantal van) deze letsels waarschijnlijker onder de hypothese dat ze zijn ontstaan doordat de huid/het lichaam zelf in brand heeft gestaan door de mogelijke aanwezigheid van een ontbrandbare vloeistof op de huid dan dat ze zijn ontstaan doordat de huid/het lichaam zich in de directe nabijheid van brand en/of de hitte van brand heeft bevonden.
Bij langer blootstaan aan hoge temperaturen en verbrandingsproducten, bestaat de kans op ernstiger thermisch letsel (derde tot vierdegraads verbranding) met een samenhangende kans op overlijden. Daarnaast was er een reële kans geweest op het inademen van giftige gassen, wat kan leiden tot verstoring van de zuurstofopname en daardoor tot (acuut) overlijden.
[slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij met [slachtoffer 1] op het [adres 1] in [plaats 1] woont. Van maandag op dinsdag slaapt ze altijd thuis, ook toen [verdachte] nog bij hen woonde.
Op dinsdag 2 juli omstreeks 02:30 uur lag [slachtoffer 2] in bed in haar slaapkamer op de eerste verdieping. Ze schrok wakker en hoorde dat [slachtoffer 1] haar naam schreeuwde. [slachtoffer 2] rende naar de overloop. Ze hoorde een ontploffing en zag een flits door het bovenraam van haar slaapkamerdeur. Daarna werd het heel heet. Toen [slachtoffer 2] de deur open deed, zag ze [slachtoffer 1] en [verdachte] op de overloop staan. Ze zag dat er brand was in de slaapkamer van [slachtoffer 1] , die zich op de eerste verdieping van de woning bevond. Het vuur was heel dichtbij, bij de ingang van de kamer.
Ze zijn naar beneden gerend. Bij de voordeur pakte [verdachte] [slachtoffer 1] zo vast dat ze de woning niet uit kon. [slachtoffer 2] hoorde hem roepen: ‘Als we dood gaan, gaan we samen dood’, of woorden van gelijke strekking. [slachtoffer 1] probeerde naar buiten te komen en [verdachte] wilde dat voorkomen. [slachtoffer 2] is via de achterdeur naar buiten gerend.
Verdachte heeft verklaard dat hij rond 1 uur ’s nachts naar de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is gegaan. In het tempo waarmee hij liep, duurde dat ongeveer tien minuten. Hij wilde met [slachtoffer 1] praten, omdat ze niet meer reageerde op WhatsApp-berichten. Hij zag de auto van haar moeder staan en ging er toen vanuit dat [slachtoffer 1] thuis was. Hij heeft eerder, nadat zij het uit had gemaakt en de sloten had laten vervangen, stiekem een kopie van de sleutels gemaakt. Hij is met de gekopieerde sleutels de woning binnen gegaan.
In de woning heeft hij zijn schoenen uitgedaan en weggezet, de hond geaaid en een tijdje met de hond gespeeld. Daarna is hij naar boven gegaan, waar hij een paar seconden heeft gekeken in de kamer links, waar [slachtoffer 1] en hij eerst sliepen. Vervolgens is verdachte weer naar beneden gegaan. Hij heeft nog op zijn telefoon gezeten. Hij heeft een aansteker gepakt. Met die aansteker en met een fles benzine is hij naar boven gegaan.
Verdachte is gewoon gaan strooien met de benzine. Hij heeft overal aan de linkerzijde in de kamer van [slachtoffer 1] brandstof gegoten, waarbij hij een stuk van het bed heeft geraakt, en aangestoken. Verdachte zag dat er iemand in bed lag. Verdachte heeft [slachtoffer 1] niet wakker gemaakt of gewaarschuwd. Verdachte wist dat [slachtoffer 2] van maandag op dinsdag altijd thuis sliep.
Toen [slachtoffer 1] bij de deur stond, pakte verdachte haar vast. [slachtoffer 1] en hij hebben een beetje geduw en getrek gehad.
Bij de tuinpoort van de woning waren beveiligingscamera’s geplaatst. Daarvan zijn de beelden uitgekeken die op 2 juli 2024 zijn gemaakt.
Op die beelden zag de politie dat de tuindeur om 01:42:49 uur open ging. Terwijl de deur open ging, zag de politie om 01:43:06 uur een beweging. Door de manier waarop de deur bewoog, kreeg de politie het vermoeden dat de deur door iets of iemand werd bewogen/geopend.
Om 01:43:54 zag de verbalisant beweging bij de poort, waaronder een donker vlak met witte opschriften. Aan de manier van bewegen zag de verbalisant dat het om een persoon ging. De persoon was ergens mee bezig op de grond. Om 01:44:32 uur zag de verbalisant het voorwerp met de witte opschriften nogmaals in beeld. De verbalisant herkende deze opschriften als die op een trui die in de woning in beslag werd genomen. Volgens [slachtoffer 2] was deze trui van verdachte. Om 01:49:08 zag de verbalisant dat een persoon de poort dicht deed, terwijl die in de tuin stond.
Om 01:52:26 uur was te zien dat de buitendeur van de woning opende. Om 01:52:49 sloot deze weer. Om 01:53:00 was er een aantal kleine lichtflitsen in beeld.
Vervolgens zag de verbalisant om 02:28:59 uur dat een persoon de poort open deed en weg rende via de achteromgang.
[brandweerman] is brandonderzoeker en was als brandweerman betrokken bij de brandmelding. Boven in de woning zag hij een kamer waarvan de deur gesloten was. Deze kamer stond vol rook. Er was geen zicht. Daarna werd het bed zichtbaar, waarvan het matras aan het voeteneinde nog gloeide. Links op de vloer bij de deur waren nog lichte vlammen. Die heeft hij geblust. Het bed en het matras aan de linkerzijde hadden het meest gebrand.
In de kamer stond een kledingkast met schuifdeuren die een klein stukje open stonden. Onder in de kast lag een kat met slijmvorming uit de mond. De kat bleek te zijn overleden. Volgens [brandweerman] is de brand gesmoord doordat de deur van de kamer gesloten was. Bij voldoende zuurstof zou de brand veel groter zijn geweest, waarschijnlijk zelfs uitslaand.
De politie heeft onderzoek gedaan naar de brand. In de slaapkamer was sprake van forse beroeting van de muren, het plafond en de meubels, de stuclaag van het plafond had losgelaten, de ramen waren geknapt en de plafondlamp was vrijwel geheel gesmolten. Gelet hierop moet er een zeer hete, verstikkende rooklaag aanwezig zijn geweest.
De overleden kat was licht beroet en had vrijwel geen brandletsel. Hieruit bleek dat de kat vermoedelijk was gestikt door het inademen van de zeer hete en verstikkende rooklaag in de slaapkamer.
Er waren verschillende brandhaarden. Links op de vloer stond een rugzak tegen het voeteneinde van het bed en een kastje. Daar trof de politie een primaire brandhaard aan. Dat is een plek waar brand is ontstaan. De linkerzijde van het matras was op enkele plaatsen fors ingebrand. Dit leek, gelet op de vormen en plekken van de inbrandingen, niet te zijn ontstaan vanuit de brandhaard bij de rugzak. Er waren ook nog enkele volledig op zichzelf staande brandhaarden op de vloer links naast het bed.
De politie heeft een monster genomen van een stuk van de vloerbedekking onder de brandhaard op de vloer links naast het bed. Hierin werden vluchtige stoffen aangetroffen die afkomstig zijn van motorbenzine.
Voor deze brandhaarden was geen legaal verklaarbare oorzaak. Er moet dus vuur zijn ingebracht om de brand te ontsteken. Gezien de locatie van de brandhaarden en het tijdstip van de brand moet een persoon dit opzettelijk hebben gedaan. De politie trekt dan ook de conclusie dat sprake was van brandstichting. Gelet op de aangetroffen afzonderlijke brandhaarden is de motorbenzine op verschillende plaatsen aangebracht of terecht gekomen. De motorbenzine begon meteen te verdampen. Deze damp heeft zich verspreid. De dader hoefde de motorbenzine slechts op één plaats aan te steken, waarna de dampen van de motorbenzine ook met het open vuur in aanraking zijn gekomen en zijn ontstoken.
Over het gevaar dat deze brand heeft veroorzaakt, heeft de politie het volgende opgeschreven. Er is forse schade ontstaan, niet alleen in de slaapkamer van [slachtoffer 1] , waar bijna alle spullen (deels) verbrand, gesmolten of beroet waren, maar ook aan de woning. Dit komt onder andere door de beroeting van vrijwel de gehele bovenverdieping, de hitteschade door loslatend stucwerk in de slaapkamer van [slachtoffer 1] en door de geknapte ramen. Volgens de politie was er daarom gemeen gevaar voor goederen te duchten.
Tijdens de brand lag een vrouw (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) op bed in deze slaapkamer. Er is onder meer brand ontstaan in het schuimmatras. Bij de verbranding van dergelijke matrassen komen in zeer korte tijd grote hoeveelheden zeer hete en verstikkende rookgassen vrij, waaronder koolmonoxide. Deze rookgassen verspreiden zich over de hele ruimte en worden steeds dikker, waardoor ze lager in de kamer komen te hangen. Ook een kort verblijf in een kamer met dit soort gassen is heel risicovol. Het inademen van deze gassen van honderden graden Celsius kan het ademhalingsorgaan fataal beschadigen. Bovendien bevatten deze gassen bedwelmende en verstikkende stoffen, waardoor iemand in zeer korte tijd het bewustzijn kan verliezen. Hierdoor is de kans op overlijden extreem hoog. Tot slot stralen deze rookgassen extreme hitte naar beneden, met alle lichamelijke risico’s die daarbij komen kijken.
Een aantal van de brandhaarden bevond zich vlak naast de vluchtweg van de slaapkamer naar de overloop. De hitte en vlammen van die brandhaarden kunnen meerdere honderden graden tot ruim boven de duizend graden Celsius zijn geweest. Ze zullen schuin naar boven zijn getrokken en zich recht voor de vluchtweg hebben bevonden. Er was geen andere – reële – vluchtweg om uit de brandende slaapkamer te komen.
Als iemand in die slaapkamer niet tijdig langs die vlammen bij het voeteneinde van het bed had kunnen komen, was het binnen zeer korte tijd onmogelijk geworden om de slaapkamer te ontvluchten. De vlammen langs de vluchtroute zouden in rap tempo steeds groter en heter zijn geworden, waardoor het onmogelijk zou zijn om langs deze vlammen de kamer te verlaten, en de hete, verstikkende laag rookgassen tegen het plafond zou steeds dikker en intenser zijn geworden waardoor het ademen onmogelijk zou zijn geworden en er daarbij vanuit deze laag rookgassen een extreme hitte van meerdere honderden graden Celsius naar beneden zou worden gestraald. Dergelijke omstandigheden zijn niet met leven verenigbaar. Een paar ademteugen van die rookgassen kan fataal zijn.
Alle kamers op de eerste etage waren beroet. Dat betekent dat de hete en verstikkende rookgassen zich vanuit de brandende slaapkamer over de hele eerste etage hadden verspreid. Wanneer het de tweede vrouw (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ) door omstandigheden niet was gelukt om de eerste etage tijdig te verlaten, dan zou zij zijn geconfronteerd met de hete en verstikkende rookgassen, met alle lichamelijke risico’s die dit met zich meebrengt. Hierbij heeft de verbalisant rekening gehouden met mogelijke vluchtwegen.
Er was bij de brand dus levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten.
[getuige 1] , een vriendin van verdachte, heeft verklaard dat zij op 2 juli van 00:00 tot 01:50 uur contact had met verdachte via Snapchat.
Verdachte heeft aan meerdere mensen een bericht verstuurd, waarin onder meer het volgende staat:
“01-07-2024
Na lang wikken en wegen heb ik besloten dat het voor mij dan echt stopt vannacht. Ik heb veel
gedaan om dit zo ver mogelijk uit te stellen of helemaal niet te hoeven doen, maar het lukt me
gewoon niet.
Diegene voor wie ik alles deed en die alles voor me was heeft besloten mij te verlaten in de periode waarin ik haar het hardst nodig heb. Deze klap kan ik niet te boven komen na alles wat er al is gebeurd het afgelopen jaar. […]
Even terug komen op haar besluit. Ik denk dat haar vader en beste vriendin [slachtoffer 2] hier een flinke aandeel in hebben. […]
Voor mijn familie en vrienden, ik wens jullie het beste op deze aardbol en ik gun het niemand om mee te maken wat ik het afgelopen halfjaar heb moeten doorstaan. Ik weet dat ik met deze beslissing die ik neem veel mensen pijn ga doen. Maar ik kan het oprecht niet meer. Ik slaap maanden slecht ik heb steeds enge gedachten in m’n hoofd die ik er maar niet uit krijg. Ik ben het helemaal zat. […]
En voor [slachtoffer 1] , we hebben elkaar een pinky swear gedaan voordat je ging ‘tot de dood ons scheidt’ dus dat gaat nu ook gebeuren. We gaan samen heen! Ze zeggen wel eens soms is houden van ook loslaten, maar ik kan jou echt niet loslaten.”
Verdachte heeft dit bericht op 2 juli 2024 om 02:26 uur naar [slachtoffer 1] gestuurd. Op datzelfde moment heeft ook [getuige 2] , een vriend van verdachte, dit bericht van hem ontvangen. [getuige 3] , het broertje van verdachte, heeft dit bericht op 2 juli 2024 om 02:22 uur van verdachte ontvangen.
Verdachte heeft verklaard dat hij dit bericht heeft getypt en naar voornoemde personen en [slachtoffer 4] heeft verstuurd. Het is een samengesteld bericht dat hij heeft geschreven nadat de relatie met [slachtoffer 1] uit was en dat hij heeft verstuurd toen hij in de woning van [slachtoffer 1] was. Een deel had hij eerder getypt en een deel net voordat hij het had verstuurd. Doordat [slachtoffer 1] en verdachte uit elkaar waren, voelde hij zich zó somber dat hij uit het leven wilde.
De beoordeling van feit 3
De rechtbank stelt vast dat verdachte de slaapkamer van [slachtoffer 1] is binnengegaan, terwijl zij daar lag te slapen. Vervolgens heeft hij [slachtoffer 1] en de vloer van de slaapkamer overgoten of besprenkeld met benzine en de benzine aangestoken met een aansteker. Hiermee heeft hij opzettelijk brand gesticht.
Door de brand is forse schade ontstaan. Bijna alle spullen in de slaapkamer van [slachtoffer 1] zijn (deels) verbrand, gesmolten of beroet en vrijwel de gehele bovenverdieping is beroet. Tot slot is [kat] , de kat van [slachtoffer 1] , overleden door het inademen van de hete rookgassen als gevolg van de brand. De rechtbank stelt dan ook vast dat er gemeen gevaar voor de goederen in de woning te duchten was en dat dit gevaar zich ook heeft verwezenlijkt.
Er is ook brand ontstaan in het schuimmatras van [slachtoffer 1] . Bij branden in dergelijke matrassen komen in zeer korte tijd grote hoeveelheden zeer hete en verstikkende rookgassen vrij. Zelfs een kort verblijf in een kamer met dit soort gassen is heel risicovol, omdat deze gassen het ademhalingsorgaan fataal kunnen beschadigen en iemand heel snel, na een paar ademteugen, het bewustzijn kan verliezen. De kans op overlijden is hierdoor extreem hoog.
Bovendien bevond een aantal van de brandhaarden zich vlak naast de – enige reële – vluchtweg van de slaapkamer naar de overloop. De vlammen zullen schuin naar boven zijn getrokken en zich recht voor de vluchtweg hebben bevonden. Als [slachtoffer 1] daar niet tijdig langs had kunnen komen, was het binnen zeer korte tijd onmogelijk geworden om nog weg te kunnen komen. Enerzijds omdat de brand zich razendsnel heeft uitgebreid, waardoor de vlammen langs de vluchtroute steeds groter en heter zouden zijn geworden, anderzijds omdat vanuit de hete, verstikkende laag rookgassen een extreme hitte van meerdere honderden graden Celsius naar beneden zou worden gestraald, waardoor ze al na enkele ademteugen het bewustzijn zou hebben verloren.
Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat er levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was voor [slachtoffer 1] .
Alle kamers op de eerste etage waren beroet. Dat betekent dat de hete en verstikkende rookgassen zich vanuit de brandende slaapkamer over de hele eerste etage hadden verspreid. Als het [slachtoffer 2] door omstandigheden niet was gelukt om de eerste etage tijdig te verlaten, dan zou zij zijn geconfronteerd met de hete en verstikkende rookgassen, met alle voornoemde risico’s die dit met zich meebrengt.
Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat er ook levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was voor [slachtoffer 2] .
In het forensisch brandonderzoek wordt niets gezegd over het gevaar dat de brand heeft veroorzaakt voor de belendende percelen en de eventueel daarin aanwezige personen. Er bevinden zich in het dossier op dit punt geen andere bewijsmiddelen, zodat de rechtbank verdachte vrij zal spreken van deze onderdelen van de tenlastelegging.
Voor het overige acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.
De beoordeling van feiten 1 en 2
Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat het volgende is gebeurd.
Verdachte is naar de woning van [slachtoffer 1] gegaan, waar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] lagen te slapen. Hij is de woning binnen gegaan met een gekopieerde sleutel. Uit de camerabeelden blijkt dat dit om 01:52:26 uur was. Daarvoor was hij al enige tijd in de tuin.
In de woning heeft hij zijn schoenen uitgedaan, de hond geaaid en met de hond gespeeld. Daarna is hij naar boven gegaan, waar hij een paar seconden heeft gekeken in de slaapkamer van [slachtoffer 1] , waar [slachtoffer 1] en hij eerst sliepen. Vervolgens is verdachte weer naar beneden gegaan. Hij heeft nog op zijn telefoon gezeten. Hij heeft via Snapchat contact gehad met getuige [getuige 1] . Om 02:22 en om 02:26 uur heeft verdachte een afscheidsbericht verstuurd naar een aantal personen, waarvan hij (in ieder geval) het laatste deel in de woning heeft getypt.
Verdachte heeft op enig moment ergens benzine vandaan gehaald. Hij is met benzine en een aansteker de trap op gelopen en naar de slaapkamer van [slachtoffer 1] gegaan. Daar heeft hij [slachtoffer 1] , de vloer en het bed overgoten/besprenkeld met benzine en heeft die aangestoken. Hierdoor hebben zowel de benzine als [slachtoffer 1] vlam gevat en is er brand ontstaan in het bed en de slaapkamer van [slachtoffer 1] .
[slachtoffer 1] heeft geprobeerd uit de slaapkamer te komen om naar beneden te gaan. Verdachte heeft [slachtoffer 1] vastgepakt in een soort stevige knuffel en zei tegen haar: ‘Als we gaan, dan gaan we samen’. [slachtoffer 1] is over de vlammen heen de slaapkamer uit gerend en is naar beneden gegaan. Ze heeft de haken van de voordeur geopend, maar verdachte deed die weer dicht. Dat gebeurde drie keer. In de worsteling met verdachte om uit de woning te komen, pakte verdachte haar nog een keer vast en zei weer: ‘Als we gaan, dan gaan we samen’. Hiermee heeft verdachte [slachtoffer 1] belet om de woning te verlaten.
Uiteindelijk hebben zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] de woning weten te ontvluchten, waarbij op de camerabeelden te zien is dat [slachtoffer 2] om 02:28:59 uur weg rende via de achteromgang.
De rechtbank zal eerst ingaan op het opzet van verdachte en vervolgens beoordelen of er sprake was van voorbedachte raad.
Verdachte is in de nacht naar de slaapkamer van [slachtoffer 1] gegaan, die daar lag te slapen. Hij heeft benzine gesprenkeld over de vloer, het bed en [slachtoffer 1] zelf en die benzine aangestoken. Kort daarvoor had verdachte een afscheidsbericht verstuurd, waarin hij onder meer schreef: ‘En voor [slachtoffer 1] , we hebben elkaar een pinky swear gedaan voordat je ging ‘tot de dood ons scheidt’ dus dat gaat nu ook gebeuren. We gaan samen heen! Ze zeggen wel eens soms is houden van ook loslaten, maar ik kan jou echt niet loslaten.’ Hij heeft verklaard dat hij heel somber was door de relatiebreuk en zelf uit het leven wilde. Verder heeft hij meerdere malen geprobeerd om te voorkomen dat [slachtoffer 1] de woning zou ontvluchten, waarbij hij twee keer heeft gezegd: ‘Als we gaan, dan gaan we samen’. De rechtbank kan dit op geen enkele andere manier opvatten dan dat het de bedoeling was dat zowel verdachte als [slachtoffer 1] de brand niet zouden overleven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte vol opzet had op de dood van [slachtoffer 1] .
Verdachte heeft midden in de nacht brand gesticht in de slaapkamer van [slachtoffer 1] , terwijl [slachtoffer 2] in haar eigen slaapkamer, daar vlakbij gelegen, op dezelfde verdieping, lag te slapen. Gelet op de gevaarzetting door het vuur en de rookontwikkeling, zoals die in het forensisch brandonderzoek uiteen is gezet, was er een aanmerkelijke kans dat ook [slachtoffer 2] zou komen te overlijden. Verdachte was zich bewust van die kans. Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke brand in een woning snel kan uitbreiden en dodelijk kan zijn. Hij wist dat [slachtoffer 2] daar woonde en dat zij thuis (op die verdieping) sliep van maandag op dinsdag. Verdachte heeft die aanmerkelijke kans ook bewust aanvaard. Zijn handelen was gericht op het stichten van een snelle en allesverwoestende brand om [slachtoffer 1] te doden, waarbij hij kennelijk alle gevolgen voor lief nam. Zijn handelen kan naar uiterlijke verschijningsvorm niet anders worden opgevat dan dat hij de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 2] heeft aanvaard. Dat betekent dat verdachte in voorwaardelijke zin opzet had op de dood van [slachtoffer 2] .
Ten aanzien van de voorbedachte raad overweegt de rechtbank als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de situatie in de nacht van 2 juli 2024 was dat [slachtoffer 1] de relatie met verdachte had verbroken, waarvan hij veel verdriet had en waarover hij nog vragen had. Hij had door de relatiebreuk de woning moeten verlaten en [slachtoffer 1] had de sloten van de woning vervangen omdat zij zich niet veilig voelde bij verdachte. Kort ervoor, in de nacht van zaterdag op zondag, is verdachte met een gekopieerde sleutel ’s nachts de woning van de vader van [slachtoffer 1] binnengedrongen, waarbij hij met een koekenpan in diens slaapkamer stond.
Verdachte is midden in de nacht van maandag op dinsdag, zonder zijn komst aan te kondigen, de woning van [slachtoffer 1] binnen gedrongen met een gekopieerde sleutel. Verdachte is van ongeveer 01:52:26 uur tot 02:28:59 uur in de woning geweest, terwijl [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] boven lagen te slapen. Hij is daar dus minstens een half uur binnen geweest voordat hij de brand heeft gesticht. In die tijd heeft hij verschillende handelingen verricht: hij heeft zijn schoenen uitgedaan, de hond geaaid en met de hond gespeeld, hij is naar boven gegaan, waar hij een paar seconden heeft gekeken in de slaapkamer van [slachtoffer 1] en hij is weer naar beneden gegaan. Verder heeft hij via Snapchat contact gehad met getuige [getuige 1] en hij heeft een gedeelte van het afscheidsbericht getypt dat hij vervolgens om 02:22 en om 02:26 uur heeft verstuurd. Hij is met een aansteker en met benzine, die hij vooraf ergens vandaan heeft moeten halen, weer de trap op gegaan, naar de slaapkamer van [slachtoffer 1] . Vervolgens heeft hij de benzine op meerdere plekken uitgegoten en die vervolgens aangestoken. Op deze verschillende momenten en bij deze verschillende handelingen heeft verdachte de tijd en de gelegenheid gehad om zich te beraden op wat hij aan het doen was en wat hij uiteindelijk heeft gedaan: het stichten van de brand.
Ook uit het afscheidsbericht en de inhoud daarvan blijkt dat verdachte op meerdere momenten de gelegenheid had om na te denken over wat hij ging doen. Hij moet die gelegenheid ook benut hebben. Hij heeft namelijk na moeten denken over wat hij wilde toevoegen aan dat bericht en dat vervolgens moeten typen. Daarna heeft hij bedacht aan wie hij dit bericht zou versturen en tot slot moest hij het bericht daadwerkelijk aan hen verzenden. Daarbij heeft hij in elk geval steeds, afzonderlijk, met minuten daartussen gelegen, het bericht verzonden aan een vriend, een broertje, en aan [slachtoffer 1] .
Verdachte heeft in zijn afscheidsbericht onder meer geschreven: ‘Na lang wikken en wegen heb ik besloten dat het voor mij dan echt stopt vannacht.’ Verdachte was dus in ieder geval van plan om zijn eigen leven te beëindigen en heeft hierover lang nagedacht. Verder kan de laatste alinea van het afscheidsbericht, zoals hiervoor overwogen, volgens de rechtbank niet anders worden opgevat dan dat het de bedoeling was dat zowel verdachte als [slachtoffer 1] die nacht zouden komen te overlijden.
Er zijn dus meerdere keuzemomenten geweest, waarop verdachte telkens de gelegenheid had om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Ook zijn handelen ná het stichten van de brand past hierbij. Verdachte heeft [slachtoffer 1] meerdere keren vast- en tegengehouden en tegen haar gezegd: ‘Als we gaan, dan gaan we samen’. Bij de voordeur deed verdachte meerdere keren de haken dicht die [slachtoffer 1] probeerde te openen. Dit past bij de inhoud van het afscheidsbericht. Dit duidt erop dat verdachte nog steeds bezig was met het uitvoeren van zijn plan, namelijk zowel [slachtoffer 1] als zichzelf van het leven beroven.
Uit al de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte het vooropgezette plan had om brand te stichten in de slaapkamer van [slachtoffer 1] met als doel haar van het leven te beroven, waarbij hij het overlijden van [slachtoffer 2] op de koop toe nam.
Verdachte heeft voorafgaand aan zijn handelen voldoende tijd gehad zich te beraden op het besluit om brand te stichten en [slachtoffer 1] , en daarmee [slachtoffer 2] , om het leven te brengen, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven.
De rechtbank acht geen contra-indicaties aannemelijk geworden die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. De verweren van de verdediging, dat sprake was van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling en dat verdachte geprobeerd heeft [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] na de brandstichting te redden, worden door de bewijsmiddelen weerlegd.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Daarmee acht de rechtbank feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.
De beoordeling van feit 5
Doordat verdachte op 2 juli 2024 brand heeft gesticht in de slaapkamer van [slachtoffer 1] , is een zeer hete en verstikkende rooklaag ontstaan in de slaapkamer. [kat] , de kat van [slachtoffer 1] , heeft die rook ingeademd en is daardoor gestikt. Katten worden genoemd in het Besluit houders van dieren.
De rechtbank acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Parketnummer 05/152800-25 – [geboortedag slachtoffer 4] 2025
De bewijsmiddelen
[slachtoffer 4] [slachtoffer 1] zag dat hij op [geboortedag slachtoffer 4] 2025, zijn verjaardag, om 10:44 uur een voicemailbericht had ontvangen van het nummer [telefoonnummer] . Toen [slachtoffer 4] dit voicemailbericht beluisterde, verstond hij op een gegeven moment iets van ‘dochter’. Hierdoor besefte hij dat het ging om verdachte.
Op dit voicemailbericht is het volgende te horen:
“ […] kankermongool. Ben je trots op […] of niet? Kankersukkel. K neuk jou en je dochter. Jullie zijn nog niet van me af, wacht maar. Ik kom naar je huis, ik ga je doodmaken, kankermongool. Je weet […] heb gedaan toch? Ja, ik ga je doodmaken. […] geslagen. […] gewoon pistool mee. Ik ga je zweren, je gaat […] pijn krijgen, let maar op, kankersukkel. Je bent nog niet van me af, vriend, als je dat maar weet, je bent nog niet van me af. Je durft niet op te nemen. Dit nu je verjaardagscadeau. Dit is het verjaardagscadeau die je van mij krijgt. […] vier of vijf jaar. […] dochter krijgen, kankerlijer.”
Op de versie van dit voicemailbericht met betere geluidskwaliteit was onder meer het volgende te horen: ‘Vorige keer had ik een pan in je kop doodgeslagen’.
Er werd gebeld vanuit de PI [plaats 2] . Er bleek te zijn gebeld met een belkaart die in gebruik was bij verdachte.
Verbalisant [verbalisant 1] heeft de 342 gesprekken uitgeluisterd die verdachte vanuit de PI heeft gevoerd. Zij hoorde dat de stem in voornoemd voicemailbericht overeenkomt met de andere gesprekken. In het voicemailbericht wordt met een wat zwaardere stem gesproken, maar de klankkleur, de woordkeuze en het spraakpatroon komen overeen. Daarom is dit voicemailbericht volgens de verbalisant met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ingesproken door verdachte.
Verbalisant [verbalisant 2] heeft meerdere keren gesproken met verdachte tijdens zijn verhoren en weet dus hoe zijn stem klinkt. Zij heeft het voicemailbericht meerdere keren beluisterd en kan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zeggen dat ze de stem herkent als die van verdachte. De persoon die het voicemailbericht inspreekt, praat langzamer en de klank van de stem is wat zwaarder, maar de klankkleur, waarbij op een nasale manier wordt gesproken, en de lichte kraak in zijn stem voordat hij woorden uitspreekt, lijken zeer sterk op de stem van verdachte. Ook het accent, de manier waarop woorden uitgesproken, lijkt zeer sterk op de uitspraak van verdachte.
Verbalisant [verbalisant 3] heeft verdachte ook verhoord. Hij heeft het voicemailbericht beluisterd via een systeem met een betere geluidskwaliteit, waardoor de stem duidelijker hoorbaar werd. Hij vermoedt dat verdachte dit voicemailbericht heeft ingesproken door de nasale klank en de lichte kraak in zijn stem voordat hij begint met praten. Toen hij verdachte verhoorde, hoorde hij dezelfde nasale klank en lichte kraak in de stem voordat verdachte sprak.
De beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft ontkend het bericht te hebben ingesproken. De rechtbank stelt vast dat het bericht afkomstig is uit de PI waar verdachte verbleef, en dat met zijn belkaart is gebeld. Het bericht bevat meerdere details, namelijk over een incident met een koekenpan, dat het de verjaardag was van [slachtoffer 4] [slachtoffer 1] en dat hij een dochter heeft, die rechtstreeks in verband te brengen zijn met verdachte.
De stem op het voicemailbericht (met verbeterde geluidskwaliteit) is door meerdere verbalisanten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid herkend als de stem van verdachte.
Op basis hiervan stelt de rechtbank dan ook vast dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte degene is geweest die het voicemailbericht heeft ingesproken en dus de bedreiging heeft geuit.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 tot en met 5 van parketnummer 05/213023-24 en het onder parketnummer 05/152800-25 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Parketnummer 05/213023-24:
1.hij op of omstreeks 2 juli 2024 te [plaats 1] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, gedurende de nachtelijke uren,- zich heeft begeven naar de woning van die [slachtoffer 1] aan het [adres 1] en/of- die woning, waarin die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op dat moment lag/lagen te slapen, althans aanwezig was/waren, is binnen gedrongen met een gekopieerde sleutel en/of- die [slachtoffer 1] en/of de vloer van de slaapkamer en/of het bed waarin die [slachtoffer 1] lag te slapen, met benzine, althans met een brand versnellend middel, heeft overgoten/besprenkeld en/of (vervolgens)- die [slachtoffer 1] en/of die brandbare stof met het vuur van een aansteker of lucifers heeft aangestoken en aldus in brand heeft gestoken, waardoor die brandbare stof en die [slachtoffer 1] voornoemd vlam vatten, ten gevolge waarvan in de slaapkamer van die [slachtoffer 1] voornoemd brand is ontstaan, waarbij verdachte tevens heeft getracht die [slachtoffer 1] te beletten de woning te verlaten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op of omstreeks 2 juli 2024 te [plaats 1] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, althans opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, gedurende de nachtelijke uren,- zich heeft begeven naar de woning aan het [adres 1] en/of- die woning, waarin die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] op dat moment lag/lagen te slapen, althans aanwezig was/waren, is binnen gedrongen met een gekopieerde sleutel en/of- [slachtoffer 1] en/of de vloer van de slaapkamer en/of het bed waarin die [slachtoffer 1] lag te slapen, met benzine, althans met een brand versnellend middel, heeft overgoten/besprenkeld en/of (vervolgens)- die [slachtoffer 1] en/of die brandbare stof met het vuur van een aansteker of lucifers heeft aangestoken en aldus in brand heeft gestoken, waardoor die brandbare stof en die [slachtoffer 1] voornoemd vlam vatten, ten gevolge waarvan in de slaapkamer van die [slachtoffer 1] voornoemd brand is ontstaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.hij op of omstreeks 2 juli 2024 te [plaats 1] , opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan het [adres 1] , door in een slaapkamer van die woning, waar op dat moment [slachtoffer 1] lag te slapen, die [slachtoffer 1] voornoemd en/of de vloer van die slaapkamer te overgieten/besprenkelen met benzine, althans met een brand versnellend middel en/of die [slachtoffer 1] en/of die brandbare stof vervolgens heeft aangestoken met een aansteker of lucifers, althans open vuur in aanraking gebracht met een brandbare stof, waardoor brand is ontstaan, ten gevolge waarvan die woning, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de zich in die woning bevindende goederen (te weten de inboedel en de kat) en/of voor de belendende percelen en/of levensgevaar voor de aanwezige perso(o)n(en) in die woning, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of de perso(o)n(en) aanwezig in de belendende percelen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bovengenoemde perso(o)n(en), in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;4.hij op of omstreeks 30 juni 2024 te [plaats 2] , gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in de woning gelegen aan de [adres 2] bij een ander, te weten bij [slachtoffer 4] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen door middel van een valse sleutel (door gebruik te maken van de sleutel die hij zonder toestemming van [slachtoffer 1] van haar sleutelbos heeft weggenomen), waarbij verdachte zich heeft bediend van een middel geschikt om vrees aan te jagen, te weten een koekenpan, welke hij opgeheven vast hield;
5.hij op of omstreeks 2 juli 2024 te [plaats 1] , in elk geval in Nederland, een dier, behorend tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen diersoorten of diercategorieën, te weten: een kat, heeft gedood.
Parketnummer: 05-152800-25: hij op of omstreeks [geboortedag slachtoffer 4] 2025 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, [slachtoffer 4] telefonisch heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het levengericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] voornoemd middels een voicemailbericht dreigend de woorden toe te voegen
“kankermongoolBen je trots op ... of niet? Kankersukkel. K neuk jou en je dochter.Jullie zijn nog niet van me af, wacht maar.Ik kom naar je huis, ik ga je doodmaken, kankermongool. Je weet .... heb gedaan toch?Ja, ik ga je doodmaken. ... geslagen ... gewoon pistool mee.Ik ga je zweren, je gaat ... pijn krijgen, let maar op, kankersukkel.Je bent nog niet van me af vriend, als je dat maar weet, je bent nog niet van me af. Je durft niet op te nemen.Dit nu je verjaardagscadeau.Dit is het verjaardagscadeau die je van mij krijgt. ... 4 of 5 jaar. ... dochter krijgen, kankerlijer”,althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Parketnummer 05/213023-24:
Eendaadse samenloop van
feit 1:
poging tot moord;
en
feit 2:
poging tot moord;
en
feit 3:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
en
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
en
feit 5:
handelen in strijd met een in artikel 2.10 van de Wet Dieren gegeven verbod;
feit 4:
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl hij zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen;
parketnummer 05/152800-25:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beoordeling van de toerekeningsvatbaarheid en de strafbaarheid van verdachte zal de rechtbank het rapport betrekken dat GZ-psycholoog J. Meijers en psychiater S. Rakshandehroo van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) op 3 februari 2026 over verdachte hebben opgemaakt na zijn observatie daar. De psychiater heeft, in samenspraak met de psycholoog, schriftelijke vragen beantwoord over dit rapport en de psycholoog is hierover bevraagd op de terechtzitting van 14 april 2026.
De stoornissen van verdachte
De rapporteurs stellen vast dat bij verdachte sprake is van een narcistische persoonlijkheidsstoornis met bedekte grandiositeit en een gokstoornis. Over de persoonlijkheid van verdachte rapporteren zij het volgende:
‘Aan de oppervlakte functioneert betrokkene ogenschijnlijk normaal […]. Het huidige onderzoek laat zien dat achter dit ogenschijnlijk normaal functioneren er echter een fragiel en onzeker zelfbeeld bestaat, dat hij, weliswaar onbewust, probeert te beschermen. Dit doet hij door zich sociaal aangepast, behulpzaam en positief op te stellen, waardoor hij bewondering en goedkeuring van anderen kan ontvangen.
Tegelijkertijd probeert hij negatieve gevoelens en ervaringen af te weren, bijvoorbeeld door afweermechanismen als ontkenning, rationalisatie of acting-out, waarbij sprake lijkt van een vergaande ontkenning van innerlijke belevingen, tot aan loochening toe (merkbaar in zijn contact met de onderzoekers, zie verder). Hierdoor blijven doorleefde emotionele betrokkenheid, zelfreflectie en inzicht in de eigen innerlijke dynamiek grotendeels afwezig.
Betrokkene lijkt nauwelijks contact te hebben met zijn innerlijke wereld, waardoor hij bij opgelopen stress controle over zijn emoties ernstig kan verliezen. Betrokkene is bijzonder gevoelig voor kritiek en afwijzing, wat hij slecht kan verdragen. Contact aangaan met anderen kan beangstigend zijn, omdat dit zijn kwetsbare zelfbeeld kan raken. Kenmerkend hierbij is een patroon van hypervigilantie (overmatige, maar grotendeels innerlijk beleefde waakzaamheid), waarbij hij voortdurend alert is op mogelijke tekenen van afwijzing, kritiek of gezichtsverlies.
Deze waakzaamheid is - in tegenstelling tot meer openlijk grandioze narcistische presentatievormen - nauwelijks zichtbaar in uiterlijk gedrag; het manifesteert zich vooral intern en leidt tot zich terugtrekken, controle en defensiviteit. Pas wanneer betrokkene zich ‘veilig’ voelt, toont hij enige oppervlakkige openheid. Dit patroon van hypervigilantie en rigide afweer is zichtbaar in gesprekken met de onderzoekers, waarin hij coöperatief en sociaal wenselijk reageert, maar nauwelijks tot geen affectief-empathisch vermogen toont en pijnlijke innerlijke belevingen systematisch ontkent of loochent. Dit draagt bij aan het bevreemdende contact tussen de onderzoekers en betrokkene: hij reflecteert nauwelijks en toont geen waarneembare innerlijke worsteling. […]
Betrokkene lijkt voortdurend bezig zijn zelfbeeld te beschermen en negatieve gevoelens af te weren, maar vanuit een egosyntoon zelfbeeld - dat wil zeggen door betrokkene als passend en juist, en dus niet als problematisch, ervaren - waarin deze kwetsbaarheid grotendeels buiten het bewustzijn wordt gehouden. Hierdoor ontbreekt besef van de onderliggende dynamiek en is er geen corrigerende emotionele ervaring mogelijk. Boosheid en agressie worden slechts geuit naar specifieke personen bij wie hij zich relatief veilig voelt (zoals zijn ex-partner), terwijl hij in andere contexten emoties strak reguleert via rigide afweermechanismen.
Suïcidale uitingen en gevoelens van krenking, bijvoorbeeld naar aanleiding van het uitkomen
van zijn gokverslaving, worden eveneens ingekaderd door beschermende strategieën voor het
fragiele zelfbeeld. […]
Samengevat blijkt uit dit patroon van sociaal aangepast gedrag, hypervigilantie en afweer dat betrokkene een pervasief en inflexibel patroon van persoonlijkheidskenmerken vertoont passend bij een narcistische persoonlijkheidsstoornis met bedekte grandiositeit.’
Over de gokstoornis van verdachte wordt het volgende gerapporteerd:
‘De start van de problematiek valt samen met de eerste keer samenwonen met zijn vriendin [slachtoffer 1] begin 2023. Gezien zijn onderliggende gevoeligheid voor afwijzing (c.q. narcistische kwetsbaarheid […] ) kan deze periode extra stressvol zijn geweest. Mogelijk fungeerde het gokken onbewust als afweermechanisme tegen innerlijke onzekerheid. In de praktijk leidde dit echter tot een vicieuze cirkel: verliezen veroorzaakten extra stress en gevoelens van krenking, wat mede bijdroeg aan suïcidale gedachten en gedrag. […]
Tijdens het spelen kan hij zich nergens anders op concentreren en ervaart hij intense spanning en euforie bij winst. Pogingen om te stoppen of het gedrag te beheersen zijn mislukt. Gokken heeft geleid tot financiële problemen, spanningen in relaties, liegen om het gedrag te verbergen, en gevaar voor sociale relaties. Betrokkene heeft wel hulp gezocht, maar een verslavingsbehandeling kwam niet goed van de grond, deels door overschatting van zijn eigen beheersing en later door detentie. Zijn inzicht in de problematische aard van zijn gedrag is beperkt; […]
Samengevat voldoet het patroon van betrokkene aan de criteria voor een ernstige gokstoornis: er is sprake van sterke preoccupatie, toenemende inzet, rusteloosheid en prikkelbaarheid, mislukte pogingen tot beheersing, gebruik van gokken om negatieve gevoelens te reguleren, liegen over de ernst van het gedrag, en voortdurende problemen in financiële en sociale domeinen. Het gedrag is niet beter te verklaren door een andere psychische stoornis en is persisterend aanwezig. Ook in detentie blijft betrokkene gokken, met name op voetbalwedstrijden en met een voortdurende craving naar roulette, waardoor niet gesproken kan worden van remissie.’
Volgens de rapporteurs waren ten tijde van de tenlastegelegde feiten zowel de persoonlijkheidsstoornis als de gokstoornis aanwezig.
De invloed van die stoornissen op het tenlastegelegde
Bij de feiten die samenhangen met de brandstichting hebben zowel de persoonlijkheidsstoornis als de gokstoornis een rol gespeeld. In de periode voorafgaand aan deze feiten had verdachte last van ernstige stress, omdat [slachtoffer 1] hun relatie had verbroken, waardoor verdachte de woning uit moest en hij voortdurend emotionele spanning ervaarde. Het gokken diende om die gevoelens te onderdrukken en ter afleiding, maar zorgde tegelijkertijd weer voor emotionele ontregeling doordat het zelfbeeld van verdachte werd aangetast. Hierdoor nam zijn capaciteit voor coping af en werd de drempel voor impulsief handelen verlaagd.
Verdachte ervaarde de relatiebreuk en het daarmee samenhangende verlies van controle over [slachtoffer 1] als een ernstige persoonlijke krenking. Dit leidde tot rigide gedrag en mondde uiteindelijk uit in een narcistische woededoorbraak. Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten kwamen zijn affectieve dysregulatie, beperkte empathische vermogen en obsessieve hechtingsdynamiek sterk naar voren.
De pathologische afweermechanismen die betrokkene massief hanteert, zoals ontkenning,
loochening, het externaliseren van schuld en het bagatelliseren van de ernst van de situatie, waren ten tijde van deze feiten aanwezig en belemmerden verdachtes vermogen tot reflectie en adequate emotieregulatie.
De combinatie van deze factoren maakt dat de persoonlijkheidsstoornis en de gokstoornis van verdachte doorwerkten in zijn handelen. Tegelijkertijd waren er echter ook momenten van planvorming en bewuste keuzes. Daarom adviseren de rapporteurs om deze feiten in een verminderde mate toe te rekenen aan verdachte.
Bij de huisvredebreuk van [slachtoffer 4] zijn de persoonlijkheidsstoornis en de gokstoornis ook van invloed geweest. De emotionele ontregeling, stress en onzekerheid die samenhingen met zijn gokproblematiek en, vanuit de obsessieve hechtingsdynamiek, sociale spanningen rondom de relatiebreuk, zetten de coping van verdachte onder druk. Verdachte hield [slachtoffer 4] verantwoordelijk voor zijn ervaren onrecht en verlies. Zijn handelen tijdens de huisvredebreuk, past binnen een patroon van narcistische krenking en woede, die hij op destructieve wijze gericht heeft uit willen leven op het object van zijn krenking om op die manier zijn zelfbeeld (inadequaat) te herstellen. De pathologie en de beschreven context leidden ertoe dat verdachte emotioneel ontregeld was en zijn frustratie niet goed kon reguleren. Daarom adviseren de rapporteurs om ook dit feit in een verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De bedreiging van [slachtoffer 4] vanuit de PI vinden de rapporteurs moeilijk om te beoordelen, onder meer omdat verdachte dit feit ontkent. De rapporteurs vinden het op basis van het totale psychische profiel van verdachte echter aannemelijk dat, indien er zich op dat moment een voor verdachte voldoende krenkende of bedreigende trigger heeft voorgedaan, de persoonlijkheidsstoornis een rol heeft gespeeld bij dit feit. Verdachtes algemene patroon van affectieve dysregulatie, narcistische woede, rigide overtuigingen en lage drempel voor agressieve ideaties in relatie tot [slachtoffer 1] en haar vader maakt het moeilijk voorstelbaar dat de persoonlijkheidsstoornis geen invloed had. Daarom adviseren de rapporteurs om dit feit in een verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank neemt bovenstaande conclusies van de rapporteurs over en maakt die tot de hare.
Dat betekent dat zij van oordeel is dat de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot:
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bij de oplegging van straf en/of maatregel aandacht gevraagd voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat de feiten verminderd aan hem kunnen worden toegerekend.
Ten aanzien van de gevorderde gevangenisstraf heeft de raadsman gewezen op enkele vergelijkbare uitspraken.
De raadsman heeft verder verzocht om geen tbs met dwangverpleging, maar tbs met voorwaarden op te leggen, omdat dit een minder vergaande maatregel is, waarmee het recidiverisico ook afdoende kan worden ingeperkt en verdachte hier gemotiveerd voor is.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de gevorderde 38z-maatregel.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee pogingen tot moord en brandstichting. Hij kon het einde van de relatie met [slachtoffer 1] niet accepteren. Hij is midden in de nacht binnengedrongen in de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , die daar lagen te slapen. Hij heeft daar een afscheidsbericht getypt en verstuurd en is met benzine en een aansteker de trap op gegaan. Hij heeft benzine uitgegoten over de vloer van [slachtoffer 1] ’s slaapkamer, het bed en over [slachtoffer 1] zelf en deze aangestoken, waarna een zich snel uitbreidende en levensgevaarlijke brand is ontstaan. Dankzij hun moed, snelle handelen en geluk hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de woning weten te ontvluchten. Verdachte heeft [slachtoffer 1] echter meerdere keren geprobeerd tegen te houden en zei tegen haar: ‘Als we gaan, dan gaan we samen’.
Verdachte heeft geprobeerd om het leven van twee jonge vrouwen te beëindigen. De rechtbank ziet het handelen van verdachte als een poging tot femicide.
[slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben het gelukkig overleefd. [slachtoffer 1] heeft tweedegraads brandwonden opgelopen. In totaal zes procent van haar lichaam was verbrand. Ze heeft een week in het brandwondencentrum gelegen en draagt nog lange mouwen, omdat haar littekens niet in de zon mogen komen. Door de brand is de slaapkamer van [slachtoffer 1] verwoest en was de hele bovenverdieping van de woning onbewoonbaar. Ook de kat van [slachtoffer 1] is door de brand overleden.
De mentale gevolgen voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn groot. Uit de indringende slachtofferverklaringen die zij ter terechtzitting hebben voorgelezen, blijkt dat het handelen van verdachte een enorme impact heeft en hun leven voorgoed heeft veranderd. Ze leven nog altijd in angst en hun vertrouwen in anderen is diep beschadigd. De gevolgen van het handelen van verdachte worden niet alleen gedragen door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , maar ook door hun families.
Het zorgelijke gedrag van verdachte is ook gericht geweest tegen [slachtoffer 1] vader, [slachtoffer 4] . Een paar dagen voor de brandstichting is verdachte midden in de nacht de woning van [slachtoffer 4] binnengedrongen, waar verdachte met een opgeheven koekenpan naar de slaapkamer is gegaan waar hij lag te slapen. Bijna een jaar na de brandstichting heeft verdachte [slachtoffer 4] vanuit de PI met de dood bedreigd via een voicemailbericht. Voor [slachtoffer 4] én [slachtoffer 1] moet ook dit handelen zeer beangstigend zijn geweest. De bedreiging toont aan dat verdachte (nog steeds) moeite heeft om [slachtoffer 1] los te laten, zoals ook verder in het dossier naar voren komt. Dit baart de rechtbank grote zorgen.
De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
Verdachte heeft een blanco strafblad. Sinds de dag van de brand, bijna twee jaar geleden, zit hij in voorlopige hechtenis.
In het PBC-rapport dat over verdachte is opgemaakt, wordt naast de bevindingen over zijn stoornissen en toerekeningsvatbaarheid ook ingegaan op het recidiverisico en eventuele interventies die dit risico zouden kunnen beperken. Op basis van een risicotaxatie wordt het risico op geweld bij stressvolle of triggerende situaties in de toekomst als verhoogd geschat.
Het recidiverisico op herhaald geweld in de toekomst is ook geschat aan de hand van de klinische indrukken van de rapporteurs. Die melden hierover het volgende:
‘De ernst van de eerdere gedragingen (indien bewezen), waaronder de brandstichting bij de aangeefster, en de bedreigingen richting de vader van [slachtoffer 1] , in combinatie met een latente persisterende gevoeligheid voor het ontwikkelen van narcistische rage/woede bij opstapelende krenking, impulsiviteit, relationele fixatie en de oplopende stress als gevolg van het problematisch gokken, maakt dat betrokkene een substantieel risico op herhaald geweld met zich meedraagt.
Daarnaast impliceert, indien de bedreiging van de vader vanuit de gevangenis bewezen wordt verklaard, dat ondanks een ogenschijnlijk aangepast functioneren binnen de detentiesituatie, onderliggende affectieve escalaties aanwezig blijven, maar doorgaans worden afgeschermd door een massieve en rigide afweerstructuur. Welke specifieke krenkende of spanningsverhogende trigger bij dit ten laste gelegde feit een rol heeft gespeeld, blijft onduidelijk.
Betrokkene vertoont beperkt tot nauwelijks inzicht in zijn stoornissen en in de risico’s van gewelddadig gedrag. Zijn verklaringen over de brandstichting en de bedreigingen wijzen op een combinatie van emotionele ontregeling, inadequaat probleemoplossend vermogen en een sterke impulsiviteit, versterkt door een beperkte frustratietolerantie. Daarbij komt dat betrokkene tijdens detentie zijn ex-vriendin lijkt te idealiseren, wat erop wijst dat oude relationele dynamieken nog steeds sterk bepalend kunnen zijn voor zijn handelen.
De combinatie van een onbehandelde persoonlijkheidsstoornis en gokstoornis, gekoppeld aan een sterke mate van affectieve en relationele fixatie, maakt dat zowel naar zijn ex-vriendin als naar een eventuele toekomstige partner een substantieel risico op herhaald agressief of bedreigend gedrag aanwezig blijft. Het risico is grotendeels contextafhankelijk en situationeel, waarbij stress, confrontatie met verlies of frustratie, of het ervaren van sociale/relationele afwijzing een escalatie kan uitlokken.
Op basis van de klinische indrukken van de onderzoekers wordt dit risico, ondersteund door
de gestructureerde risicotaxatie, bij een onbehandelde toestand, als zeer hoog ingeschat.’
Het PBC heeft ook een gestructureerd instrument gebruikt om het risico op (herhaald) stalkingsgedrag te beoordelen, omdat het gefixeerde gedrag van verdachte na het verbreken van de relatie zo zou kunnen worden opgevat. Samenvattend zijn er verschillende alarmsignalen en risicofactoren aanwezig, inclusief risicofactoren voor volharding.
Er is gekeken naar beschermende factoren, maar deze zijn beperkt van aard en slechts deels aanwezig. Volgens de rapporteurs zijn deze grotendeels onvoldoende sterk ontwikkeld om het risico op herhaald geweld te beperken.
Hoewel verdachte een blanco strafblad heeft, is er sprake van een ernstige psychische stoornis en een hoog risico op herhaald geweld. Door adequaat toezicht en intensieve begeleiding kan dit risico worden verminderd, maar deze behandeling vereist een lange adem. Daarbij ligt een substantieel gevaar op de loer dat verdachte zich tijdens de behandeling sociaal wenselijk kan presenteren, terwijl de onderliggende problematiek niet wordt aangepakt. Als de behandeling te kort of niet intensief genoeg is, kan na het beëindigen van het toezicht de kans op escalaties bij toegenomen stress aanzienlijk zijn.
Gelet hierop vinden de rapporteurs dat tbs met voorwaarden niet voldoende veiligheid biedt en niet effectief genoeg is. Het risico dat verdachte zich sociaal wenselijk kan gedragen en het behandeltraject oppervlakkig kan worden doorlopen, maar de kernproblematiek niet effectief wordt aangepakt, schatten de rapporteurs in als aanzienlijk. Bovendien vereist de stoorniscomplexiteit van verdachte een langdurige en intensieve behandeling. Bij tbs met voorwaarden kan dit onvoldoende worden gewaarborgd.
Alleen tbs met dwangverpleging biedt de noodzakelijke combinatie van gedwongen behandeling, intensief toezicht en controle over risicofactoren die voor vermindering van de kans op herhaald, ernstig geweld kan zorgen.
Reclassering Nederland heeft naar aanleiding van het PBC-rapport een advies over verdachte uitgebracht. De reclassering ziet geen mogelijkheden om op passende wijze bij te dragen aan recidiverisicobeheersing in het kader van een voorwaardelijk strafdeel. Daarom adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Bij een veroordeling tot een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf adviseert de reclassering een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, zodat na de gevangenisstraf, v.i. of tbs-maatregel voorwaarden kunnen worden gesteld.
De reclassering schat het risico op recidive in als hoog. Ook het risico op letsel, meer specifiek het risico op ernstig letsel/dodelijk geweld, wordt ingeschat als hoog.
Gevangenisstraf
Verdachte heeft meerdere, zeer ernstige feiten gepleegd, waaronder twee pogingen tot moord. Gelet hierop, en gelet op de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers, is alleen een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats.
De straf die de rechtbank passend acht, is lager dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank houdt, meer dan de officier van justitie heeft gedaan, rekening met de verminderde toerekening van de feiten aan verdachte, de te verwachten lange behandelduur van de complexe problematiek van verdachte en het belang van de maatschappij bij de start van die behandeling. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van 10 jaar, met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Tbs-maatregel
De rapporteurs die het PBC-rapport hebben opgemaakt, adviseren om aan verdachte tbs met dwangverpleging op te leggen.
In dit rapport is beschreven dat tijdens het begaan van de feiten bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. In dit kader verwijst de rechtbank naar de inhoud van het PBC-rapport zoals dat is weergegeven onder het kopje ‘de strafbaarheid van de verdachte’.
De rechtbank neemt deze conclusies over en stelt vast dat tijdens het begaan van de feiten bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.
De rechtbank stelt verder vast dat de onder 1, 2, 3 en 5 van parketnummer 05/213023-24 bewezenverklaarde feiten en het onder parketnummer 05/152800-25 bewezenverklaarde feit misdrijven zijn als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafrecht waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging eist. Hierbij heeft de rechtbank de ernst van de feiten in aanmerking genomen.
Hoewel verdachte een blanco strafblad heeft, is er sprake van ernstige psychische stoornissen, te weten een narcistische persoonlijkheidsstoornis en een gokstoornis, en een hoog tot zeer hoog risico op herhaald geweld. De reclassering schat het risico op ernstig letsel dan wel dodelijk geweld in als hoog. Dit komt door de ernst van de feiten in combinatie met een latente persisterende gevoeligheid voor het ontwikkelen van narcistische rage/woede bij opstapelende krenking, impulsiviteit, relationele fixatie en de oplopende stress als gevolg van het problematisch gokken.
Bovendien laat de bedreiging vanuit de PI zien dat bij verdachte, ondanks een ogenschijnlijk aangepast functioneren binnen de detentiesituatie, onderliggende affectieve escalaties aanwezig blijven, maar doorgaans worden afgeschermd door een massieve en rigide afweerstructuur.
Verdachte vertoont verder beperkt tot nauwelijks inzicht in zijn stoornissen en in de risico’s van gewelddadig gedrag.
Zoals hiervoor is geciteerd uit het PBC-rapport kan het risico op herhaald geweld door adequaat toezicht en intensieve begeleiding worden verminderd, maar deze behandeling vereist een langdurige en intensieve behandeling. Daarbij ligt een substantieel gevaar op de loer dat verdachte zich tijdens de behandeling sociaal wenselijk kan presenteren, terwijl de onderliggende problematiek niet wordt aangepakt. Als de behandeling te kort of niet intensief genoeg is, kan na het beëindigen van het toezicht de kans op escalaties bij toegenomen stress aanzienlijk zijn. Bij tbs met voorwaarden kan de benodigde behandeling onvoldoende worden gewaarborgd.
De rechtbank heeft gehoord dat verdachte op de zitting heeft benadrukt dat hij gemotiveerd is en mee wil werken aan een tbs met voorwaarden. De vraag is niet zozeer of verdachte dat wil, maar veeleer of verdachte dat kan. Zoals de psycholoog ter terechtzitting heeft toegelicht, is het vermogen om daar succesvol aan mee te werken beperkt, gelet op de problematiek van verdachte.
Alleen tbs met dwangverpleging biedt de noodzakelijke combinatie van gedwongen behandeling, intensief toezicht en controle over risicofactoren die voor vermindering van de kans op herhaald, ernstig geweld kan zorgen. De rapporteurs hebben duidelijk toegelicht dat en waarom er geen andere passende interventie bestaat.
De onder 1, 2 en 3 van parketnummer 05/213023-24 en het onder parketnummer 05/152800-25 bewezenverklaarde feit zijn misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Op grond van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht is de maatregel dan ook niet in duur gemaximeerd.
Nu de rechtbank geen aanleiding ziet om tbs met voorwaarden op te leggen, verwerpt zij het verzoek van de verdediging om een maatregelen rapport op te laten maken.
De 38z-maatregel
Ter bescherming van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zal de rechtbank een gedragsbeïnvloedende- en/of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Deze maatregel zal na afloop van de detentie en de tbs-maatregel nader worden geconcretiseerd.
8. De beoordeling van de civiele vorderingen
De vordering van [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met het onder 1, 3 en 5 van parketnummer 05/213023-24 tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 49.909,01 aan materiële schade en € 35.000,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De raadsman van de benadeelde partij heeft verzocht om de benadeelde partij ten aanzien van een aantal kostenposten (gedeeltelijk) niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat dit gaat om toekomstige schade. Hij heeft verzocht een bedrag van € 15.758,91 aan materiële schade toe te wijzen en een bedrag van € 27.500,- aan immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
De rechtbank overweegt dat de schadeposten niet inhoudelijk zijn betwist. Deze schadeposten zijn verder voldoende onderbouwd en komen redelijk voor.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade tot een hoogte van € 15.758,91 kan worden toegewezen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, zoals verzocht, omdat het toekomstige schade betreft.
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen meerdere van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Door feiten 1, 3 en 5 heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel in de vorm van brandwonden opgelopen en is zij op andere wijze in de persoon aangetast. De aard en de ernst van de normschendingen, te weten poging tot moord door brandstichting in een slaapkamer, terwijl de benadeelde partij lag te slapen, waarbij haar kat is overleden, brengen met zich mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zó voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 27.500,- vaststellen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
De wettelijke rente
Verdachte is vanaf 2 juli 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
De vordering van [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in verband met het onder feiten 2 en 3 van parketnummer 05/213023-24 tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.477,82 aan materiële schade en € 7.500,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, gelet op de door de verdediging bepleite vrijspraak ten aanzien van feit 2. Voorts is de vordering niet betwist.
De beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
De rechtbank overweegt dat de schadeposten niet inhoudelijk zijn betwist. Deze schadeposten zijn verder voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade tot een hoogte van € 1.477,82 kan worden toegewezen.
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Door feiten 2 en 3 is de benadeelde immers op andere wijze in de persoon aangetast. De aard en de ernst van de normschendingen, te weten poging tot moord door brandstichting in een slaapkamer, terwijl de benadeelde partij in de naastgelegen slaapkamer lag te slapen, brengen met zich mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zó voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 7.500,- vaststellen.
De wettelijke rente
Verdachte is vanaf 2 juli 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 37 a, 37b, 38z, 45, 55, 57, 60a, 138, 157, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht;
- artikel 2.10, 8.11 en 8.12 van de Wet Dieren en
- artikelen 1.9 en 1.10 van het Besluit houders van dieren.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;
legt een gedragsbeïnvloedende en/of vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet ontvankelijk in de vordering tot materiële schade en tot smartengeld;