ECLI:NL:RBGEL:2026:3739

ECLI:NL:RBGEL:2026:3739

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 30-04-2026
Datum publicatie 11-05-2026
Zaaknummer 05/284946-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zutphen

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een 25-jarige vrouw tot een gevangenisstraf van 10 maanden voor brandstichting.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05/284946-25

Datum uitspraak : 30 april 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] ,

op dit moment gedetineerd in het Justitieel Complex [verblijfplaats] .

Raadsman: mr. M.A.D. Kok, advocaat in Ermelo, waarnemend voor mr. Spiering.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 januari 2026 en 16 april 2026.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van vrijdag 24 oktober 2025 tot en met zaterdag 25 oktober 2025 te Zutphen, althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur (middels een aansteker) in aanraking te brengen met een broek en/of een of meerdere kledingstukken, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan de badkamer van een (verslavings)kliniek (gelegen aan [adres] ) geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde (verslavings)kliniek en/of één of meer delen van het interieur van deze (verslavings)kliniek en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te weten voor de in voornoemde (verslavings)kliniek aanwezige (en slapende) bewoner(s) te duchten was.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde, met dien verstande dat zij moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde levensgevaar. De officier van justitie acht gevaar voor zwaar lichamelijk letsel wel bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, met dien verstande dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar.

Beoordeling door de rechtbank

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , p. 9;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 22, p. 39, p. 46;

- het proces-verbaal forensisch brandonderzoek plaats delict, p. 1 t/m 4 (afzonderlijk proces-verbaal nummer PL0600-2025517264-16, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] en gesloten op 9 november 2025;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 april 2026;

Levensgevaar

Verdachte heeft in haar kamer rond 00.20 uur kleding in brand gestoken en heeft daarna haar kamer verlaten. In die kamer is vervolgens via de in brand gestoken kleren de coating van de pvc-vloer in brand gegaan. Op de camerabeelden is te zien dat de rookontwikkeling door de kamerdeur heen kwam en even later vanuit de geopende deur steeds dikker werd en door de gangen verspreidde. Te zien is dat de hele vleugel vol rook stond, personeel van de instelling hun handen voor hun mond hielden tijdens de ontruiming en dat de brandweer met perslucht het pand betrad om de brand te blussen. Alle andere bewoners op dezelfde gang zijn door het personeel en de brandweer uit hun bed gehaald en geëvacueerd.

Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat de meeste slachtoffers bij brand vallen door rook. Rook is door zijn snelle verspreiding, verduisterend effect en giftigheid de belangrijkste doodsoorzaak. Naast giftig is rook ook nog eens onvoorspelbaar en kan het zich heel snel door de kleinste kieren verspreiden. Hier bleek bij controle van de overige kamers dat de rookontwikkeling zich ook al had verspreid naast de naastgelegen kamer, waar zich ook iemand bevond. De brandweer heeft ook gewezen op het risico van uitbreiding van de brand via het plafond als de brand niet op tijd was geblust. Al met al acht de rechtbank bewezen dat sprake is geweest van levensgevaar voor de aanwezige personen.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

zij in of omstreeks de periode van vrijdag 24 oktober 2025 tot en met zaterdag 25 oktober 2025 te Zutphen, althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur (middels een aansteker) in aanraking te brengen met een broek en/of een of meerdere kledingstukken, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan de badkamer van een (verslavings)kliniek (gelegen aan [adres] ) geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde (verslavings)kliniek en/of één of meer delen van het interieur van deze (verslavings)kliniek en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te weten voor de in voornoemde (verslavings)kliniek aanwezige (en slapende) bewoner(s) te duchten was.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is

5. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een straf gelijk aan het voorarrest bepleit. Voorts heeft de verdediging nog twee opties meegegeven ter overweging. De eerste optie is het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld een klinische opname als bijzondere voorwaarde. De tweede optie is het nogmaals onderzoeken van een zorgmachtiging bij GGNet in [plaats] , zodat zij geplaatst kan worden bij [kliniek 1] , een expertisecentrum voor forensische psychiatrie. De geneesheerdirecteur van GGNet in [plaats] moet dan, via de korte bocht van artikel 2.3 WFZ, een onafhankelijk psychiater aanwijzen om een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheid tot het opleggen van een zorgmachtiging zonder de lange voorbereidingsprocedure.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft brand gesticht in de instelling waar zij met een zorgmachtiging was opgenomen. Daarmee heeft verdachte een voor de andere bewoners en het personeel van die instelling gevaarlijke situatie gecreëerd. Door snel optreden van het personeel en de brandweer zijn de gevolgen beperkt gebleven maar dat doet niets af aan de angst en de schade die verdachte met de brand heeft veroorzaakt.

Verdachte is een zeer kwetsbare vrouw. Zij kampt met ernstige psychotische klachten, vertrouwt niemand en heeft geen netwerk om op terug te vallen. Er lijkt sprake van verslavingsproblematiek en (zeer) ernstig trauma. Geprobeerd is verdachte psychologisch te onderzoeken. Verdachte heeft in ieder geval een eerste gesprek met de psycholoog gehad. Daarbij liet zij duidelijk psychotische symptomen zien, waarbij tevens duidelijk te signaleren was dat zij daarvan veel lijdensdruk had. Zij gaf aan dat zij niet goed in staat was een gesprek te voeren vanwege de stemmen in haar hoofd en te zien was dat ze bang is. Ze was duidelijk verward, had meerdere malen moeite om vragen te begrijpen en vertoonde lichamelijke onrust, welk beeld de rechtbank ook zag op zitting. Verdachte heeft aan de psycholoog verteld dat de stemmen haar opdracht gaven de kleding in brand te steken. De psycholoog rapporteert ook het sterke vermoeden van wanen. De conclusie van het onderzoek is dat verdachte ten tijde van de brandstichting waarschijnlijk kampte met een psychotisch toestandsbeeld maar vanwege de beperktheid van het onderzoek kan de psycholoog daar geen zekerheid over geven.

Ook de reclassering herkent het psychotische toestandsbeeld. Verdachte heeft eerder zowel klinische trajecten als begeleid wonen trajecten doorlopen maar deze werden telkens na korte tijd voortijdig beëindigd. Er zou sprake zijn van een patroon waarin verdachte de hulpverlening minimaal toelaat maar uiteindelijk volledig afstoot, ook wanneer een maatwerkplan wordt bedacht. Verdachte staat ook nu – vanuit haar problematiek - niet open voor reclasseringstoezicht en de reclassering ziet ook geen ingang om dat te verbeteren. Het advies van de reclassering is daarom om de zaak zonder bijzondere voorwaarden af te doen omdat zij ondanks alle zorgen geen mogelijkheden zien verdachte te begeleiden.

De vraag is welke straf passend is. Gelet op de bevindingen van de psycholoog en de reclassering acht de rechtbank aannemelijk dat verdachte ten tijde van de brandstichting in verminderd toerekeningsvatbaar was. Daar zal bij de strafoplegging rekening mee worden gehouden. Verder houdt de rechtbank rekening met het feit dat de reclassering geen mogelijkheden ziet om verdachte te begeleiden omdat zij dat niet wil en de reclassering geen mogelijkheden ziet om dat te veranderen. Een zorgmachtiging op grond van 2.3 Wfz is in opdracht van de rechtbank onderzocht maar ook daar worden geen mogelijkheden gezien. Verdachte heeft dit feit gepleegd terwijl zij met een zorgmachtiging op een besloten afdeling zat. Zij kan niet naar die kliniek terug. Er is ook geen andere kliniek waar verdachte terecht zou kunnen. De raadsman heeft gewezen op wellicht een mogelijkheid bij [kliniek 1] maar het is op dit moment maar de vraag of dat via de out of the box route zou lukken, of [kliniek 1] geschikt is en verdachte accepteert, of ze plaats hebben maar ook of dat de behandeling biedt die verdachte uiteindelijk wel nodig heeft om uit deze situatie van psychiatrische problematiek, ernstig trauma en verslaving te komen. Daarbij komt dat verdachte nu juist bij [kliniek 2] verbleef omdat zij was weggelopen bij [kliniek 1] omdat zij daar volgens haar verhaal misbruikt is en zij daarom absoluut niet terug wil naar [kliniek 1] . Die weg nu ingaan, acht de rechtbank daarom niet haalbaar. De kans van slagen hoeft niet groot te zijn maar is in dit geval echt veel te klein om reëel te kunnen zijn.

Alles afwegende ziet de rechtbank geen andere mogelijkheid dan die van een onvoorwaardelijke detentie. Een gevangenisstraf van 10 maanden wordt passend geacht bij de ernst van het feit en de kwetsbare vrouw die verdachte is. De rechtbank had het in het belang van verdachte graag anders gezien maar moet tegelijkertijd constateren dat het strafrecht in dit geval niet de oplossing kan bieden die verdachte nodig heeft.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.C.A.M. Janssen
  • mr. O. El Kadi

Griffier

  • mr. D. van Doorn

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand