ECLI:NL:RBGEL:2026:3747

ECLI:NL:RBGEL:2026:3747

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 24-02-2026
Datum publicatie 11-05-2026
Zaaknummer C/05/461871 FT RK 26/22
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Zutphen

Samenvatting

WHOA; afwijzing verzoek afkoelingsperiode

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

beschikking

Team Insolventies – meervoudige kamer

Verzoek afkoelingsperiode

zaak/rekestnummer: C/05/461871 FT RK 26/22

uitspraakdatum: 24 februari 2026

beschikking op het ingekomen verzoekschrift tot het afkondigen van een afkoelingsperiode ex artikel 376 Faillissementswet (Fw) tevens houdende verzoek tot het aanstellen van een observator ex artikel 379 juncto 380 Fw en het opheffen van beslagen van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster] B.V.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats],

verzoekster,

advocaten: mr. B.J. Tideman en mr. E.J. Luten, kantoorhoudende te Den Haag.

1. De procedure

Verzoekster heeft op 14 januari 2026 een verzoek gedaan tot het afkondigen van een afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw, het aanstellen van een observator en het opheffen van beslagen, waarbij tevens is verzocht om een afkoelingsperiode bij wijze van onmiddellijke voorziening.

Verzoekster heeft hiertoe de volgende stukken in het geding gebracht:

- het verzoekschrift d.d. 14 januari 2026 met bijlagen 1 t/m 9.

Op grond van hetgeen in het verzoekschrift is gesteld, heeft de rechtbank in een beschikking d.d. 19 januari 2026 bij wijze van tijdelijke voorziening bepaald dat er een afkoelingsperiode wordt ingesteld tot de eindbeslissing op het verzoek is gegeven. De rechtbank heeft hierbij iedere verdere beslissing aangehouden en de mondelinge behandeling van het verzoek bepaald op 10 februari 2026.

Vooruitlopend op de mondelinge behandeling zijn door belanghebbenden de volgende stukken in het geding gebracht:

Zienswijze d.d. 27 januari 2026 van [adviesbureau 1];

Zienswijze d.d. 5 februari 2026 van [schuldeiser 1], [schuldeiser 2] B.V. en [schuldeiser 3] met bijlagen 1 t/m 5;

Zienswijze d.d. 6 februari 2026 van [schuldeiser 4] B.V. met bijlagen 1 t/m 5.

Op 10 februari 2026 is het verzoek door de rechtbank in raadkamer, door middel van een videoverbinding, behandeld in aanwezigheid van:

Namens verzoekster

[bestuurder], (indirect) bestuurder

[adviseur 1], adviseur ([adviesbureau 2])

Advocaten: mrs. B.J. Tideman en E.J. Luten

Namens [schuldeiser 1], [schuldeiser 2] B.V. en [schuldeiser 3] (schuldeisers)

[naam 1] ([schuldeiser 1])

[naam 2] ([schuldeiser 2])

[naam 3] ([schuldeiser 3])

[adviseur 2], financieel adviseur

Advocaat: mr. M. Loef

Namens [schuldeiser 4] B.V. (schuldeiser)

[naam 4]

Advocaten: mrs. L. van de Mortel en D. de Jong

Namens [schuldeiser 5] (schuldeiser)

- [naam 5] voornoemd

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben de aanwezigen het verzoek nader toegelicht, vragen van de rechtbank beantwoord en inlichtingen verstrekt. De rechtbank merkt hierbij volledigheidshave op dat het door de advocaat van verzoekster ter zitting toegezegde schriftelijke exemplaar van de pleitnota door de rechtbank niet is ontvangen.

De rechtbank heeft haar beslissing bepaald op 24 februari 2026 of zoveel eerder of later als deze uitspraak gereed is.

2. Het verzoek

Verzoekster heeft op 1 januari 2026 een startverklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw gedeponeerd en verzoekt de rechtbank onder meer een algemene afkoelingsperiode van ten hoogste vier maanden af te kondigen op grond van artikel 376 Fw. Verzoekster maakt deel uit van een groep vennootschappen behorende tot de [naam groep]. Zij drijft een onderneming die zich richt op het faciliteren en organiseren van de inhuur van extern personeel voor opdrachtgevers. In dat kader treedt zij op als [ondernemingsactiviteit].

Verzoekster stelt dat sprake is van (tijdelijke) liquiditeitsproblemen die zijn ontstaan na beëindiging van een factoringrelatie en negatieve publiciteit, waardoor betalingen zijn uitgebleven en opdrachtgevers contractuele relaties hebben beëindigd. Verzoekster is van mening dat zij in de WHOA-toestand verkeert en acht het aannemelijk dat zij zonder afkoelingsperiode (al dan niet op eigen aangifte) failliet zal worden verklaard, mede gelet ook op ingediende faillissementsaanvragen en gelegde beslagen door externe schuldeisers.

Volgens verzoekster is de afkoelingsperiode noodzakelijk om haar onderneming tijdens de voorbereiding van een akkoord, dat zij binnen twee maanden aan haar schuldeisers wil aanbieden, te kunnen voortzetten, verhaalsacties te voorkomen en haar liquiditeitspositie te stabiliseren en inzichtelijk te maken. Verzoekster stelt dat haar (indirect) aandeelhouder (aanvullende) middelen ter beschikking zal stellen voor een akkoord. Uit een memo van [adviesbureau 2] blijkt dat verzoekster gedurende de afkoelingsperiode aan haar lopende verplichtingen kan voldoen en dat schuldeisers

onder een akkoord beter af zullen zijn dan in een faillissement. Daarnaast verzoekt zij opheffing van gelegde beslagen en het aanstellen van een observator.

3. De zienswijzen van de schuldeisers

De rechtbank stelt vast dat de zienswijzen die door de diverse schuldeisers zijn ingediend grotendeels dezelfde strekking hebben. De schuldeisers concluderen unaniem tot afwijzing van de verzoeken. Hierbij wordt onder meer en voor zover relevant het volgende aangevoerd.

De schuldeisers signaleren dat verzoekster niet in de WHOA toestand verkeert, zij is deze voorbij. Verzoekster heeft zelf de liquiditeitscrisis veroorzaakt door ‘betalingen’ aan haar aandeelhouder. Ook hebben de schuldeisers geen vertrouwen dat er op korte termijn een akkoord zal kunnen worden aangeboden dat meerwaarde heeft voor de crediteuren. De schuldeisers zijn van mening dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers niet zijn gediend bij het afkondigen van een afkoelingsperiode. Meer in het bijzonder stellen de schuldeisers zich op het standpunt dat de WHOA-procedure door verzoekster wordt ingezet om de hierboven genoemde liquiditeitscrisis af te wentelen op de concurrente schuldeisers. Volgens de schuldeisers is het negatieve resultaat over 2025 vrijwel volledig veroorzaakt door een omvangrijke interne doorbelasting van kosten c.q. verrekening van een bedrag van circa € 8 miljoen in rekening-courant ten gunste van de (indirecte) aandeelhouder. De schuldeisers hebben ernstige twijfels bij de rechtmatigheid van deze transactie. Voorts wordt gemotiveerd aangevoerd dat niet aannemelijk is dat de schuldeisers in een faillissement slechter af zijn dan bij een akkoord. Van de vorm van een mogelijk akkoord is nog niets bekend en is dus ook nog niet duidelijk welke uitkering aan de schuldeisers wordt begroot. De liquidatiewaarde is te laag ingeschat, onder meer door een zeer laag uitwinningspercentage van debiteuren te hanteren. [schuldeiser 4] B.V. verzoekt hiernaast om de gevraagde opheffing van het gelegde beslag af te wijzen.

4. De beoordeling

De rechtbank heeft zich in het kader van de onderhavige procedure eerder al (relatief) bevoegd verklaard en verwijst hiervoor naar haar beschikking d.d. 19 januari 2026.

Op grond van artikel 376 Fw kan, nadat een startverklaring is gedeponeerd, een schuldenaar de rechtbank verzoeken een afkoelingsperiode af te kondigen. In dat geval moet een akkoord zijn aangeboden of moet de schuldenaar toezeggen dat binnen ten hoogste twee maanden een akkoord zal worden aangeboden. Het verzoek moet verband houden met een (voorgenomen) akkoord als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw. Het verzoek wordt toegewezen indien onder meer summierlijk blijkt dat (i) de afkoelingsperiode noodzakelijk is om de onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten of gecontroleerd af te wikkelen, en (ii) redelijkerwijs valt aan te nemen dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers hierbij zijn gediend. De rechtbank is van oordeel dat niet aan deze cumulatieve vereisten is voldaan en overweegt hiertoe het volgende.

Het is aan verzoekster om de noodzaak voor een afkoelingsperiode op transparante en toetsbare wijze aannemelijk te maken. Hoewel verzoekster voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een noodzaak is, denk aan de gelegde beslagen en de faillissementsaanvragen, stelt de rechtbank vast dat het verzoekschrift onvoldoende informatie bevat om te beoordelen of redelijkerwijs valt aan te nemen dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers hiermee gediend zijn. Redengevend hiervoor is onder meer dat een afdoende gevalideerde cijfermatige onderbouwing ontbreekt waaruit blijkt dat

aan de lopende verplichtingen kan worden voldaan. Dit heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen. Verzoekster heeft verzuimd voldoende inzicht te geven in het feitelijke (financiële) verloop van de

maand januari 2026, terwijl juist die periode relevant is voor de beoordeling van de actuele liquiditeitspositie en de waarschijnlijkheid dat ook de liquiditeitsprognose voor de overige maanden reëel is, hetgeen van belang is voor de beoordeling of aan de lopende verplichtingen kan worden voldaan gedurende de afkoelingsperiode. Ook voor het overige kan de rechtbank niet voldoende uitgaan van de juistheid en volledigheid van de door [adviesbureau 2] gepresenteerde cijfers (waaronder de geschatte liquidatiewaarde), nu ter zitting door [adviseur 1] is verklaard dat hij belangrijke onderdelen van de cijfermatige onderbouwing niet kan verifiëren en dat ook niet beschouwd als zijn taak. Ook heeft hij de omzet en cashflow van de maand januari 2026 niet zelf kunnen verifiëren.

Gelet op het hierboven overwogene is niet summierlijk gebleken dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers met een afkoelingsperiode zijn gediend. Het valt immers (ook) niet uit te sluiten dat de schulden bij een eventuele afkoelingsperiode zullen toenemen. De rechtbank zal het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode dan ook afwijzen. Nu het verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode wordt afgewezen, is voor het aanstellen van een observator geen plaats. Eveneens wordt het verzoek tot opheffing van de gelegde beslagen afgewezen, nu de wettelijke grondslag daarvoor ontbreekt zonder een afkoelingsperiode.

5. De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode af en heft de tijdelijke afkoelingsperiode zoals bij beschikking d.d. 19 januari 2026 ingesteld met onmiddellijke ingang op;

- wijst het verzoek tot opheffing van gelegde beslagen af;

- wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Steverink, voorzitter, mr. A.E. de Vos en mr. S. Boot, rechters, en in aanwezigheid van mr. K. Dijkstra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.H. Steverink
  • mr. A.E. de Vos
  • mr. S. Boot

Griffier

  • mr. K. Dijkstra

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand