RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 12104519 \ VV EXPL 26-20
Vonnis in kort geding van 8 april 2026
in de zaak van
[naam eiser] B.V.
te [woonplaats]
eisende partij
hierna te noemen: [de eiser] ,
gemachtigde: mr. C. Cenik,
tegen
[naam gedaagde] H.O.D.N. [naam gedaagd bedrijf],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
gemachtigde: U. Hosgoren.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 maart 2026 met producties 1 tot en met 6;
- de conclusie van antwoord van 23 maart 2026;
- de nagekomen producties 7 en 8 van de zijde van [de eiser] ;- de mondelinge behandeling van 25 maart 2026 ter gelegenheid waarvan de gemachtigde van [de eiser] spreekaantekeningen heeft voorgedragen en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Vervolgens is vonnis bepaald op heden.
2. De feiten
Tussen de rechtsvoorganger van [de eiser] en [de gedaagde] is een huurovereenkomst tot stand gekomen waarbij de bedrijfsruimte gelegen aan de [adres] (hierna: het gehuurde) aan [de gedaagde] is verhuurd van 14 februari 2025 tot en met 13 februari 2026. In de huurovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:
Duur verlenging en opzegging
Deze huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van 1 jaar (12 maanden), ingaande 14 februari 2025 (hierna te noemen ‘ingangsdatum’) en lopende tot en met 13 februari 2026.
Behoudens beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging door huurder of verhuurder in overeenstemming met 3.4 en 3.5 wordt de huurovereenkomst na het verstrijken van de in 3.1 genoemde periode voortgezet voor een aansluitende periode van 12 maanden, derhalve tot en met 13 februari 2027.
Behoudens beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging door huurder of verhuurder in overeenstemming met 3.4 en 3.5 wordt de huurovereenkomst na het verstrijken de in 3.2 genoemde periode voortgezet voor een aansluitende periode van 1 jaar (12 maanden) derhalve tot en met 13 februari 2028. Na deze datum wordt het contract voor onbepaalde tijd voortgezet.
Beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging vindt plaats door huurder aan verhuurder of door verhuurder aan huurder tegen het einde van de lopende huurperiode of, ingeval van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd, tegen ieder tijdstip, een en ander met inachtneming van een opzegtermijn van 3 kalendermaanden Verhuurder neemt daarbij de wettelijke opzeggingsgronden in acht.
Opzegging van deze huurovereenkomst dient te geschieden door middel van een deurwaardersexploot of per aangetekende brief. Huurder dient de huuropzegging aan verhuurder te sturen met een afschrift aan de beheerder als genoemd in artikel 8.1 van de huurovereenkomst.
Op 28 mei 2025 is [de eiser] eigenaar – en daarmee tevens verhuurder – van het gehuurde geworden.
Bij deurwaardersexploot van 12 juni 2025 heeft [de eiser] de huur tegen 13 februari 2026 opgezegd.
In november 2025 heeft [de gedaagde] via WhatsApp geïnformeerd naar de herstructureringsplannen van het gehuurde. [de eiser] heeft gereageerd dat de plannen doorgaan en dat de huurovereenkomst zal eindigen, maar dat het nog afwachten is op de vergunning van de gemeente.
Op 11 februari 2026 hebben partijen via WhatsApp contact gehad en geprobeerd om te komen tot een minnelijke regeling. Dit is niet gelukt.
Bij brief van 13 februari 2026 heeft de gemachtigde van [de eiser] [de gedaagde] verzocht om het gehuurde te ontruimen en op te leveren. Als [de gedaagde] dat niet doet, zal een kort geding procedure tot ontruiming worden gestart, zo heeft de gemachtigde van [de eiser] geschreven.
3. Het geschil
[de eiser] vordert samengevat - ontruiming van het gehuurde aan [adres] , gemeente [gemeentenaam] , binnen twee dagen na betekening van dit vonnis en de veroordeling van [de gedaagde] tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 1.250,00, te vermeerderen met 21% omzetbelasting, per maand na 13 februari 2026 voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [de gedaagde] het gehuurde niet heeft ontruimd, met veroordeling van [de gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[de eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij de huurovereenkomst met [de gedaagde] rechtsgeldig tegen het einde van de huurovereenkomst heeft opgezegd. [de gedaagde] is na het einde van de huurovereenkomst het gehuurde echter zonder recht of titel blijven gebruiken.
[de gedaagde] voert verweer waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of [de eiser] de huurovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is en overweegt daarover als volgt.
Anders dan [de gedaagde] heeft betoogd, is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een huurovereenkomst in de zin van artikel 7:301 BW. Voldoende aannemelijk is geworden dat partijen bij het aangaan van de huurovereenkomst hebben beoogd een tijdelijk gebruik van beperkte duur mogelijk te maken. Dit volgt uit de inhoud van de overeenkomst, waaronder de bepalingen omtrent looptijd en beëindiging, alsmede uit de context waarin de overeenkomst is gesloten. De overeenkomst tussen partijen kwalificeert dus als een huurovereenkomst die naar zijn aard van korte duur is in de zin van artikel 7:301 BW. Dit brengt in beginsel mee dat de dwingendrechtelijke huurbescherming van artikel 7:290 BW e.v. niet van toepassing is en dat voor beëindiging geen wettelijke opzeggingsgrond is vereist.
De kantonrechter volgt [de gedaagde] ook niet in zijn standpunt dat [de eiser] op grond van de huurovereenkomst gehouden was bij opzegging een opzeggrond in acht te nemen. Naar het oordeel van de kantonrechter slaat de zinsnede Verhuurder neemt daarbij de wettelijke opzeggingsgronden in acht in artikel 3.4 van de huurovereenkomst op de zin ervoor, die ziet op huurovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Bij huurovereenkomsten voor onbepaalde tijd dient verhuurder de wettelijke opzeggronden in acht nemen. Dit volgt ook uit de wet. Voor huurovereenkomsten voor bepaalde tijd, zoals in dit geval, is dat niet aan de orde. De wettelijke opzeggronden van artikel 7:296 BW zijn niet van toepassing op huurovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Dus ook niet het door [de gedaagde] aangehaalde lid 2 van dat wetsartikel.
Het standpunt van [de gedaagde] dat artikel 3.4 van de huurovereenkomst in samenhang met artikel 3.2 van de huurovereenkomst moet worden gelezen en dat dat daaruit volgt dat een opzeggingsgrond is vereist, leidt niet tot een ander oordeel. Artikel 3.2 schrijft immers alleen voor dat opzegging conform artikel 3.4 dient te geschieden. Hiervoor is reeds geoordeeld dat uit artikel 3.4 volgt dat geen wettelijke opzeggronden vereist zijn bij huurovereenkomsten voor bepaalde tijd. Ook via deze weg kan dus niet worden aangenomen dat partijen hebben beoogd af te wijken van het wettelijke uitgangspunt van artikel 7:301 BW, inhoudende dat bij kortdurende huur geen opzeggingsgrond nodig is.
Het voorgaande leidt ertoe dat de opzegging van de huurovereenkomst door [de eiser] van 12 juni 2025 rechtsgeldig is. De huurovereenkomst tussen partijen is daarmee geëindigd op 13 februari 2026. [de gedaagde] verblijft sindsdien zonder recht of titel in het gehuurde. Dit maakt tevens dat hiermee het spoedeisend belang van deze procedure is gegeven.
De gevorderde ontruiming zal worden toegewezen. De ontruimingstermijn wordt – conform beleid – gesteld op 14 dagen en niet op de door [de eiser] gevorderde 2 dagen.
De gebruiksvergoeding zal als gevorderd eveneens worden toegewezen.
[de gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
157,69
- griffierecht
€
350,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.481,19
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [de gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan [adres] , gemeente [gemeentenaam] , te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [de eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [de eiser] en vervolgens te verlaten en ontruimd te houden;
veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 1.250,00, te vermeerderen met 21% omzetbelasting, uit hoofde van gebruiksvergoeding per maand na 13 februari 2026 voor iedere maand of gedeelte van een maand totdat [de gedaagde] aan de onder rechtsoverweging 5.1. genoemde verplichting heeft voldaan;
veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 1.481,19, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [de gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Braaksma en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.