ECLI:NL:RBGEL:2026:3777

ECLI:NL:RBGEL:2026:3777

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 13-05-2026
Datum publicatie 12-05-2026
Zaaknummer 05/174579-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt verdachte voor het plegen van meineed. In een verklaring onder ede bij de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard dat agenten hem beloofd hadden dat hij vrij zou komen als hij zou verklaren over een levensdelict. Ook zouden de agenten hem de details van dit levensdelict verteld hebben voor de bandopname gestart was. De rechtbank legt een voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 3 maanden en een taakstraf van 120 uur.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats: Arnhem

Parketnummer: 05/174579-24

Datum uitspraak : 13 mei 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] [woonplaats] .

Raadsvrouw: mr. S.J.M. Laurier, advocaat in Den Haag.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 december 2023 te Arnhem, in ieder geval in Nederland, in het kabinet van de rechter-commissaris in de rechtbank Gelderland, als getuige in de strafzaak tegen [naam 1] , nadat hij op de bij de wet voorgeschreven wijze door de rechter-commissaris werd beëdigd als getuige en hij (daarbij) de eed en/of verklaring had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen, in elk geval in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vorderde en/of daaraan rechtsgevolgen verbond, mondeling persoonlijk opzettelijk als getuige een valse verklaring onder ede heeft afgelegd, door – zakelijk weergegeven – als volgt te verklaren:op de vraag van de rechter-commissaris “Wat heeft [naam 1] u verteld wat er met [naam 2] is gebeurd?”: “Helemaal niks. De politie heeft mij dingen ingefluisterd”;en/ofnadat verdachte werd voorgehouden “U houdt mij voor wat er is opgenomen in het proces-verbaal bevindingen op bladzijde 1979 van het dossier: “ [verdachte] vertelde mij vd week dat hij geld kan verdienen omdat hier iemand op de B1 zit die verdacht word van moord maar lijk is niet gevonden. Hij zei tegen mij kan je mij helpen want er staat geld op als er tips binnen komen. Hij vertelde dit ALLEEN tegen mij zei hij. Hij vroeg hoe hij het moest aanpakken en wou OM laten komen hier naar de bajes om verhaal te doen. Nu kwam ik erachter door met collega’s te praten dat dit waarschijnlijk over [naam 1] gaat. “U vraagt mij of dit klopt”. “Daar weet ik niks van. Het gaat ook niet zo goed met mij, ik heb traumabehandeling. Ik kan het mij in ieder geval niet meer herinneren dat ik dit heb besproken met iemand van de P.I. Het is een corrupte bende in de Pl. te [plaats] en de meesten werken mee aan vieze plannetjes richting de heer [naam 1] ”;en/of“De politie, met name [agent] , begon toen uit de school te klappen en ze zeiden dat [naam 1] een moordenaar is en dat zij persoonlijk betrokken waren geraakt, omdat zij het zoontje hebben leren kenden. Ik ben daar toen op ingegaan, dat is achteraf misschien niet slim van mij. Zij lieten mij blijken dat ik misschien wel geschorst kon worden. Ik heb toen het spelletje meegespeeld. Ik sta niet achter die woorden, nog niet 1% daarvan”;en/ofnadat verdachte werd voorgehouden: “U houdt mij voor dat ik tegenover de politie het volgende heb verklaard, pagina 1981 van het dossier: “V, En hoe heeft hij dat gedaan? A; Hij vertelde dat hij vanaf boven de trap vanachteren, hier ergens in zijn nek of schouder heeft hij gestoken en toen is hij van de trap gevallen. Hij heeft nog trots verteld dat hij die man een dag in huis heeft laten liggen“. U vraagt mij of ik dat heb verklaard. “De agenten hebben mij de informatie min of meer gegeven, voordat de bandopname aanging. Het is allemaal gebakken lucht. Zij hebben mij een schorsing toegezegd. Ik vond het al heel dubbel op dat moment”;en/of“De politie heeft mij vele verhalen verteld, voordat de bandopname is aangegaan”;en/of“De politie heeft mij gezegd dat hij van de trap is gevallen. Ik heb er zelf een draai aan gegeven”;en/of“De rechercheurs die betrokken zijn bij deze zaak hebben meerdere gedetineerden gesproken en daarin is veel besproken en is er veel aan hen beloofd”;en/ofop de vraag “Wat weet u nog wel van wat [agent] u heeft gezegd over de trap?” Zij heeft mij 9 van de 10 keer gezegd dat ik vrij zou komen. Zij gaf aan dat het verhaal met de trap klopte en dat hetgeen ik verklaarde volgens haar klopte en zij bevestigde mij dit. [agent] zei mij: “Je hebt gelijk”;en/ofnadat verdachte werd voorgehouden: “U zegt mij dat u in het proces-verbaal van de politie van het eerste verhoor nergens iets leest over een schorsing van de voorlopige hechtenis. U vraagt mij of dat dan vóór het gesprek tegen mij gezegd is”. Dat was voor het gesprek en niet één keer maar meerdere malen. Er is onderling contact geweest met de officier in mijn strafzaak en de officier in deze zaak. Er zouden connecties zijn. Zij, de politie, konden zonder afspraak de P.I. binnenlopen, omdat zij daar connecties hadden. Er is mij beloofd dat ik binnen no-time weer buiten zou staan, zodat ik bij mijn zieke kinderen kon zijn”;en/of“Ja, dat is wel 10 keer met mij besproken als het niet meer was. Er is wel 10 keer beloofd dat ik op vrije voeten zou komen”. “Het is wel meer dan 10 keer gezegd”;en/ofOp de vraag “Wat is er dan feitelijk tegen u gezegd?” Als ik een belastende verklaring zou afleggen in deze zaak, dan zou de officier van justitie in deze zaak contact opnemen met de officier van justitie in mijn zaak en dan zouden zij ervoor zorgen dat ik geschorst zou worden. Er was onderling al contact tussen hen”;en/ofnadat verdachte werd voorgehouden “U zegt mij dat de eis ziet op het feit dat ik eerst zou moeten vertellen waar de vindplek van [naam 2] is en u vraagt mij of dat zo met mij is besproken”. Nee, dat is niet zo met mij besproken. Misschien is dat later wel tijdens de bandopname zo met mij besproken, want toen ging alles wel volgens de regels. De politie heeft mij helemaal gestoord gemaakt met terugbelverzoeken en zij zeiden dan aan de telefoon: “Meneer [verdachte] wij hebben groen licht”;en/ofnadat verdachte werd voorgehouden: Is u gezegd: “We hebben groen licht”? Ja, dat hebben zij gezegd. Dat ging over mijn schorsing, dat ik geschorst zou worden en ik naar mijn kinderen kon”;en/ofnadat verdachte werd voorgehouden: “Voordat de schorsing is afgewezen, is u toen door de politie tegen u gezegd: “Wij hebben groen licht”? Ja.en/ofnadat verdachte werd voorgehouden: “Is de schorsing aangevraagd nadat u gehoord heeft dat er groen licht zou zijn voor een schorsing?” Ja, ik had verder ook geen andere argumenten om geschorst te worden. Het verzoek is ingediend, nadat de politie mij verteld had dat zij van de officieren hebben gehoord dat er tussen hen groen licht was voor een schorsing”;en/of“Ik moest eerst zoveel procent geven en dan kon ik alvast naar mijn kinderen, dat is mij toegezegd. De afspraak met de twee rechercheurs was dat ik dan buiten de rest zou verklaren. Dat hebben zij vast niet opgenomen, zoals heel veel dingen niet”;en/ofnadat verdachte werd voorgehouden: “Klopt de verklaring? Klopt het of klopt het niet?” “Het klopt, het klopt als een bus”;en/ofdoor bij voorlezing van zijn verklaring op te merken dat er ook meermaals contact is geweest met de officier in deze zaak, meneer Jansen, en dat daar ook mails en bewijzen van zijn.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte, gelet op de strekking en context ervan, valselijke verklaringen heeft afgelegd. Daarnaast heeft verdachte geen opzet gehad op het valselijk verklaren. Hoewel verdachte in zijn eerdere verklaring tegen de politie heeft gelogen omdat hij vrij wilde komen om bij zijn kinderen te zijn, is zijn verklaring bij de rechter-commissaris de waarheid. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Beoordeling door de rechtbank

Bewijsmiddelen

Op 13 juni 2023 is er een tip binnengekomen bij de politie over de vermissing van [naam 2] . De tip is gedaan door [naam 3] . [naam 3] heeft tegen de politie verklaard dat zijn voormalig schoonzoon, zijnde verdachte, in de bajes de buurman is geweest van [naam 1] . [naam 1] zou verdachte over de vermissing hebben verteld. Vervolgens werd door de politie op 14 juni 2023 een informatief gesprek met verdachte gevoerd. Hierna volgden meerdere verhoren van verdachte op 15 juni 2023, 27 juni 2023 en 18 juli 2023. Ook is er meerdere malen telefonisch contact geweest tussen verbalisanten en verdachte.

Verdachte heeft op 20 december 2023 de volgende verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris:

"Bent u bereid om te vertellen wat u weet over de verdwijning van [naam 2] ? Daar is nog een en ander over te bespreken. Er zijn mij dingen verteld door de politie en de politie is persoonlijk betrokken geraakt bij de zaak tegen [naam 1] . Er is heel veel door de agenten besproken met mij en daarna is de bandopname pas aangezet. Er is een vies spelletje gespeeld door de politie, want zij wilden mij bepaalde dingen laten zeggen. Zij hebben mij bepaalde dingen ingefluisterd.De rechter-commissaris beëdigt de getuige de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen, omdat dit noodzakelijk wordt geacht in verband met de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring. De getuige legt ten overstaan van de rechter-commissaris op de bij de wet voorgeschreven wijze de eed af dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen. Wat heeft [naam 1] u verteld wat er met [naam 2] is gebeurd?Helemaal niks. Ik heb in de gevangenis wel eens wat opgevangen, maar nadien bleek dat niet te kloppen. Een dag voor mijn overplaatsing heeft hij mij wel gezegd dat hij er niets mee te maken heeft. U zegt mij dat ik tegenover de politie heb aangegeven dat ik wel wat zou weten over de verdwijning van [naam 2] . De politie heeft mij bepaalde dingen ingefluisterd. De politie heeft in gesprekken met mij aangegeven dat zij connecties bij het OM hebben. Zij hebben mij zelfs doorgeschakeld met een hulpofficier van justitie. Ik ben blij dat ik nu onder ede sta en ik de waarheid kan vertellen. Bij voorlezing merkt de getuige op dat er ook er ook meermaals contact is geweest met de officier van justitie in deze zaak, meneer Jansen, en dat daar ook mails en bewijzen van zijn. Hoe is het contact met de politie tot stand gekomen in de P.I.?Ik heb dat zelf geregeld. Ik wilde mijzelf indekken. Ik heb voor [naam 1] een telefoontje gedaan vanuit de P.I., omdat hij in beperkingen zat. Ik heb een telefoontje gedaan naar een meisje, haar naam is [naam 4] . Ik hoorde later waar het verhaal over ging en daar wilde ik niks mee te maken hebben. Ik wilde niet met iets te maken hebben, waar ik niet bij betrokken ben en dat is de reden waarom ik de politie heb ingeschakeld.Is de politie bij u langsgekomen?Ik heb eerst telefonisch contact gehad via de opa van mijn kinderen en na een dag of twee stonden zij er.Wie is er langsgekomen?Twee rechercheurs, een man en een vrouw. De vrouw heet volgens mij [agent] .Wanneer was dat?Dat weet ik niet, zij zijn een paar keer geweest.

U houdt mij voor wat er is opgenomen in het proces-verbaal bevindingen op bladzijde 1979 van het dossier: " [verdachte] vertelde mij vd week dat hij geld kan verdienen omdat hier iemand op de BI zit die verdacht word van moord maar lijk is niet gevonden. Hij zei legen mij kan je mij helpen want er staat geld op als er tips binnen komen. Hij vertelde dit ALLEEN tegen mij zei hij. Hij vroeg hoe hij het moest aanpakken en wou OM laten komen hier naar de bajes om verhaal te doen. Nu kwam ik erachter door met collega's te praten dat dit waarschijnlijk over [naam 1] gaat. ” U vraagt mij of dit klopt. Daar weet ik niks van. Het gaat ook niet zo goed met mij, ik heb traumabehandeling. Ik kan het mij in ieder geval niet meer herinneren dat ik dit heb besproken met iemand van de P.I. Het is een corrupte bende in de P.I. te [plaats] en de meesten werken mee aan vieze plannetjes richting de heer [naam 1] .De politie is bij mij langsgekomen en zij vertelden mij dat zij contact hadden gehad met de opa van mijn kinderen. Zij vroegen mij waar het over ging en hoe en wat. Ik heb gezegd dat ik een telefoontje heb gepleegd voor [naam 1] en ik heb gezegd dat het ging om het wegmaken van spullen. Ik heb gezegd dat ik er verder niks mee te maken heb. De politie, met name [agent] , begon toen uit de school te klappen en ze zeiden dat [naam 1] een moordenaar is en dat zij persoonlijk betrokken waren geraakt, omdat zij het zoontje hebben leren kenden. Ik ben daar toen op ingegaan, dat is achteraf misschien niet slim van mij. Zij lieten mij blijken dat ik misschien wel geschorst kon worden. Ik heb toen het spelletje meegespeeld. Ik sta niet achter die woorden, nog niet 1% daarvan.U houdt mij voor dat ik tegenover de politie het volgende heb verklaard, pagina 1980 van het dossier: "Hij heeft mij toch wel verteld dat hij het toch wel zelf heeft gedaan weetje ”. U vraagt mij of dat klopt. Zij hebben niet alles meegenomen op papier. Ik stond er totaal niet achter. Ik was die ochtend een zombie, ik zat zwaar onder de medicatie. Ik slikte toen nog 100 mg oxazepam per dag.U houdt mij voor dat ik tegenover de politie het volgende heb verklaard, pagina 1981 van het dossier: “V; En hoe heeft hij dat gedaan? A; Hij vertelde dat hij vanaf boven de trap vanachteren, hier ergens in zijn nek of schouder heeft hij gestoken en toen is hij van de trap gevallen. Hij heeft nog trots verteld dat hij die man een dag in huis heeft laten liggen. "U vraagt mij of ik dat heb verklaard. De agenten hebben mij de informatie min of meer gegeven, voordat de bandopname aanging. Het is allemaal gebakken lucht. Zij hebben mij een schorsing toegezegd. Ik vond het al heel dubbel op dat moment. Bij voorlezing merkt de getuige op dat hij informatie van de politie heeft gekregen en in combinatie met de informatie die hij in de P.I. hoorde, hij dit verklaard heeft.(...)

Waarom gaat u dat dan aan uw ex-schoonvader voorhouden als dat gebakken lucht zou zijn? Ik heb één visie gehad om bij mijn zieke kinderen te kunnen zijn. Nu ik er al die tijd over na heb gedacht, dan krijgt er iemand een onterechte rechtszaak en dat mag best gezegd worden. De politie heeft mij vele verhalen verteld, voordat de bandopname is aangegaan.De rechter-commissaris merkt nogmaals op dat hij hier onder ede staat en dat hij de waarheid moet spreken. De rechter-commissaris zegt tegen de getuige dat hij een groot probleem kan krijgen als hij onder ede iets verklaart, maar uit ambtsedige processen-verbaal iets anders zou blijken.U houdt mij voor dat uit een proces-verbaal van bevindingen van 13 juli 2023 blijkt dat ik het volgende zou hebben gezegd tijdens een gesprek met de politie (pagina 2003 van het dossier):“ [verdachte] gaf aan dat hij niet eerder wilde vertellen waar het lichaam van [naam 2] ligt, dan dat hij buiten is. Wel is hij bereid om nog enkele nadere pikante details te vertellen over de wijze waarop er met het lichaam is om gegaan. ” U vraagt mij om mijn reactie.Is allemaal niet waar, ik heb dit allemaal gezegd om bij mijn zieke kinderen te kunnen zijn.De rechter-commissaris merkt op dat hij overweegt om een proces-verbaal van meineed op te maken en vraagt of de getuige en zijn advocaat daar overleg over willen voeren. De getuige vindt dat niet nodig, de advocaat merkt op dat zij hier van tevoren over heeft gesproken met haar cliënt.(...)

Is dat informatie die door de politie aan u is verteld, voordat de bandopname is gaan lopen? Niet met zoveel woorden. De politie heeft mij gezegd dat hij van de trap is gevallen. Ik heb er zelf een draai aangegeven.(...)

U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat [naam 2] is vermoord met een vleesmes (derde alinea pagina 1981). U vraagt mij hoe ik dat weet. 99% van mijn verklaring over het vleesmes heb ik verzonnen. In de gevangenis werd veel geroddeld. De rechercheurs die betrokken zijn bij deze zaak hebben meerdere gedetineerden gesproken en daarin is veel besproken en is er veel aan hen beloofd. Daardoor gingen er verhalen rond. Ik heb daar een broodje aap uit opgemaakt. Er werd extreem veel gepraat in de gevangenis over deze zaak en er werd veel over geroddeld.(...)

Wat weet u nog wel van wat [agent] u heeft gezegd over de trap? Zij heeft mij 9 van de 10 keer gezegd dat ik vrij zou komen. Zij gaf aan dat het verhaal met de trap klopte en dat hetgeen ik verklaarde volgens haar klopte en zij bevestigde mij dit. [agent] zei mij: “Je hebt gelijk”.(...)

U zegt mij dat u in het proces-verbaal van de politie van het eerste verhoor nergens iets leest over een schorsing van de voorlopige hechtenis. U vraagt mij of dat dan vóór het gesprek tegen mij gezegd is. Dat was voor het gesprek en niet één keer maar meerdere malen. Er is onderling contact geweest met de officier in mijn strafzaak en de officier in deze zaak. Er zouden connecties zijn. Zij, de politie, konden zonder afspraak de P.I. binnenlopen, omdat zij daar connecties hadden. Er is mij beloofd dat ik binnen no-time weer buiten zou staan, zodat ik bij mijn zieke kinderen kon zijn.Is na dit gesprek ook met u besproken dat u binnen no-time op vrije voeten zou komen?Ja, dat is wel 10 keer met mij besproken als het niet meer was. Er is wel 10 keer beloofd dat ik op vrije voeten zou komen.Mr. [commissaris] :Bedoelt u die 10 keer letterlijk?Het is wel meer dan 10 keer gezegd.Officier van justitie:Wat moest u daar dan voor doen/tegenoverstellen?Zoveel als mogelijk slechte dingen over [naam 1] verklaren, daar kwam het op neer, puntje bij paaltje. Daar kwam het in mijn ogen in ieder geval op neer.Wat is er dan feitelijk tegen u gezegd?Als ik een belastende verklaring zou afleggen in deze zaak, dan zou de officier van justitie in deze zaak contact opnemen met de officier van justitie in mijn zaak en dan zouden zij ervoor zorgen dat ik geschorst zou worden. Er was onderling al contact tussen hen. Ik heb al die tijd in mijn achterhoofd gehouden dat ik in gesprekken met de politie niet onder ede heb verklaard. Als ik ook maar een week of meer bij mijn kinderen was geweest, dan had ik onder ede verklaard wat ik vandaag vertel.(...)

U zegt mij dat mij het volgende is voorgehouden door de politie volgens het proces-verbaal van bevindingen (pagina 2524):"Wij leggen uit dat er al naar zijn zaak is gekeken, maar de Officier is er heel simpel in, het is een eis. ”U zegt mij dat de eis ziet op het feit dat ik eerst zou moeten vertellen waar de vindplek van [naam 2] is en u vraagt mij of dat zo met mij is besproken.Nee, dat is niet zo met mij besproken. Misschien is dat later wel tijdens de bandopname zo met mij besproken, want toen ging alles wel volgens de regels. De politie heeft mij helemaal gestoord gemaakt met terugbelverzoeken en zij zeiden dan aan de telefoon: “Meneer [verdachte] wij hebben groen lichtIs u gezegd: “We hebben groen licht”?Ja, dat hebben zij gezegd.Wat bedoelden zij daar dan mee?Dat ging over mijn schorsing, dat ik geschorst zou worden en ik naar mijn kinderen kon. Ik ben toen naar de rechtbank geweest. De schorsing werd van tafel geveegd en niemand wist ergens van. Mijn advocaat was daar ook bij, maar zij wist ook van niks en kon weinig zeggen.Voordat de schorsing is afgewezen, is u toen door de politie tegen u gezegd: “Wij hebben groen licht”?Ja.Is de schorsing aangevraagd nadat u gehoord heeft dat er groen licht zou zijn voor een schorsing?Ja, ik had verder ook geen andere argumenten om geschorst te worden. Het verzoek is ingediend, nadat de politie mij verteld had dat zij van de officieren hebben gehoord dat er tussen hen groen licht was voor een schorsing. [agent] heeft een terugbelverzoek voor mij achtergelaten in de gevangenis en ik heb met haar daarover gebeld. Ik voelde mij over die terugbelverzoeken overigens ongemakkelijk. Ik ontving namelijk vaker terugbelverzoeken van haar waardoor PIW-ers en medegedetineerden dat ook meekregen.(...)

U zegt mij dat in dit proces-verbaal (pagina 2525) staat dat er een patstelling is ontstaan en dat ik eerst een garantie zou willen en dat de officier juist eerst informatie wilde. Dat is wel zo besproken, dat is het eerste wat zij tegen mij zeiden bij dat gesprek. Ik gaf toen allemaal informatie, maar zij kwamen met niets terug. Ik moest eerst zoveel procent geven en dan kon ik alvast naar mijn kinderen, dat is mij toegezegd. De afspraak met de twee rechercheurs was dat ik dan buiten de rest zou verklaren. Dat hebben zij vast niet opgenomen, zoals heel veel dingen niet.(...)

De rechter-commissaris merkt op dat hij een proces-verbaal gaat opmaken en dat deze vervolgens aan de getuige wordt voorgehouden en dat de getuige dient aan te geven of hij bij zijn verklaring blijft. Vervolgens wordt besloten of het verhoor nog doorgang kan vinden. (...)

Klopt de verklaring? Het klopt aardig.Klopt het of klopt het niet?Het klopt, het klopt als een bus.."

Verdachte heeft tijdens een opgenomen telefoongesprek vanuit de PI, met zijn voormalig schoonvader een dag na het verhoor met de politie, te weten 16 juni 2023, verteld: ’En ik ga gewoon van die mensen zijn eerlijkheid uit, weet je, ze gaan het met hogerhand allemaal overleggen.

Op 27 juni 2023 heeft de politie verdachte gesproken in de PI in Arnhem. Tijdens dit gesprek heeft verdachte verklaard: ‘blijkbaar is het niet genoeg en nu willen jullie alles en moet ik maar hopen op de gok, beetje mazzel, dat ik wat terugkrijg’. De politie verbaliseerde vervolgens dat sprake is van een patstelling. Verdachte wil eerst garantie en de officier van justitie wil eerst informatie.

Op 18 juli 2023 is verdachte gehoord als getuige. Tijdens dit verhoor heeft verdachte aangegeven te weten wat er met het lichaam van [naam 2] is gebeurd en waar dit lichaam zich bevindt. Hij heeft deze informatie direct van verdachte [naam 1] vernomen tijdens zijn verblijf in detentie. Verdachte heeft aangegeven dat hij een gedeelte van de informatie pas wil geven als er een (schriftelijke) toezegging komt dat hij geschorst wordt uit detentie. De vindplaats van het lichaam van [naam 2] zal hij pas vertellen als hij buiten staat. De verbalisanten hebben verdachte medegedeeld dat zij niet de personen zijn die toezeggingen kunnen doen. In het uitgewerkte verhoor zegt verdachte dat hij garantie wil dat hij naar buiten komt. Verbalisant [verbalisant 1] zegt dat hij dit niet durft te garanderen. Verbalisant [verbalisant 2] voegt toe dat zij daar niet over gaan. Tot slot zegt verdachte dat hij weet dat de verbalisanten het niet voor het zeggen hebben.

Op 22 juli 2025 hebben verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] verklaard dat zij in alle verklaringen en telefoongesprekken met verdachte consistent gezegd hebben dat zij geen enkele toezegging aan verdachte konden doen over een schorsing omdat zij deze bevoegdheid niet hadden. Tevens hebben zij meerdere keren tegen hem gezegd dat de officier van justitie deze bevoegdheid ook niet had en dat hij de garantie had dat de officier

van justitie zijn uiterste best zou doen om de rechtbank te verzoeken om zijn detentie te schorsen, maar alleen op de voorwaarde dat hij zou verklaren waar het lichaam van [naam 2] lag.

Verbalisanten verklaren dat zij verdachte nimmer hebben gevraagd of hij een belastende verklaring over [naam 1] af wilde leggen in ruil voor zijn schorsingsverzoek.

De verhoren van verdachte werden tenslotte geverbaliseerd in processen-verbaal van verhoor en werden auditief opgenomen. Buiten de vernoemde telefoongesprekken en verhoren is er met verdachte niet gesproken, aldus verbalisanten.

Verdachte heeft op 21 december 2023 bij de politie verklaard dat het absoluut niet zo is dat hij zegt dat de agenten hem dat (de rechtbank begrijpt: informatie rondom de dood van [naam 2] ) hebben verteld. Verder is niet letterlijk en figuurlijk gezegd dat hij gaat vrijkomen. Verdachte zegt dat dat niet met zoveel woorden is gezegd.

Overwegingen van de rechtbank

Uit bovenstaande bewijsmiddelen volgt dat verdachte in eerste instantie bij de politie heeft verklaard dat hij informatie over de vermissing van [naam 2] heeft gekregen van [naam 1] , die destijds verdacht werd van doodslag en het wegmaken van het lijk van [naam 2] . Verdachte heeft onderhandeld met de politie om hen informatie te verschaffen over de locatie van het lichaam van [naam 2] in ruil voor een schorsing van zijn voorlopige hechtenis. Op 12 juli 2023 heeft het hof het, namens verdachte ingediende, verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis afgewezen. Op 20 december 2023 heeft verdachte bij de rechter-commissaris, kort gezegd, verklaard dat hij gelogen had in zijn verklaringen bij de politie over de vermissing van [naam 2] en zijn wetenschap waar het lichaam zich zou bevinden. Verdachte heeft toegelicht dat de informatie niet van verdachte [naam 1] kwam, maar zou zijn ingefluisterd door de politie. De verbalisanten zouden verdachte verder toezeggingen omtrent de schorsing van zijn voorlopige hechtenis hebben gedaan, waarbij deze toezeggingen zijn gedaan voordat de bandopname zou zijn gestart.

Verdachte heeft na zijn aanhouding op verdenking van meineed bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij zich verkeerd heeft verwoord met het woord influisteren. In feite bevestigde de verbalisanten alleen hetgeen verdachte verklaarde over de toedracht van de dood van [naam 2] . Verdachte heeft daarmee niet bedoeld dat de verbalisanten hem bepaalde informatie daarover hebben gegeven. Verdachte heeft verteld over de dood van [naam 2] doordat hij in detentie verhalen heeft opgevangen en de rest van het verhaal heeft verzonnen. Ook heeft verdachte bij de politie verklaard dat niet letterlijk en figuurlijk tegen hem is gezegd dat hij gaat vrijkomen. De verbalisanten hebben verklaard dat zij tijdens geen van de verhoren en telefoongesprekken toezeggingen naar verdachte hebben gedaan over een eventuele schorsing.

De rechtbank zal de vraag moeten beantwoorden of verdachte bij de rechter-commissaris opzettelijk een valse verklaring heeft afgelegd en overweegt daarbij dat de verklaring van verdachte zich laat toespitsen op het influisteren van verdachte door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] met informatie over de vermissing van [naam 2] en toezeggingen van verbalisanten omtrent de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte. De verklaringen van verdachte en de verbalisanten hierover spreken elkaar tegen.

Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de politie hem dingen heeft ingefluisterd over de dood van [naam 2] . Verbalisanten betwisten dit en verdachte heeft een dag na het verhoor bij de rechter-commissaris toegelicht dat hij het woord influisteren verkeerd heeft gebruikt. Verbalisanten zouden de door hem verstrekte informatie slechts hebben bevestigd. Hieruit concludeert de rechtbank dat verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris over het influisteren van verdachte door verbalisanten niet naar waarheid heeft verklaard.

Dat verdachte het woord influisteren per abuis verkeerd gebruikt heeft en derhalve niet de opzet had om onjuist te verklaren acht de rechtbank ongeloofwaardig. Met influisteren wordt in het kader van een politieverhoor naar algemeen gangbaar taalgebruik gedoeld op het door verbalisanten aanreiken van de inhoud van een verklaring, zodanig dat verdachte niet langer uit eigen wetenschap heeft verklaard maar hem woorden in de mond zijn gelegd of hij ontoelaatbaar in een bepaalde richting is gestuurd. Dat verdachte deze term ook met die betekenis heeft gebruikt, vindt ondersteuning in de verdere context van zijn verklaring. Verdachte heeft naast het woord influisteren immers ook verklaard dat verbalisant [verbalisant 1] uit de school begon te klappen, dat de agenten hem de informatie min of meer hebben gegeven en vele verhalen hebben verteld voordat de bandopname aanging en dat de politie heeft verteld dat [naam 2] van de trap is gevallen. De rechtbank concludeert daarom dat verdachte bij de rechter-commissaris wel degelijk bedoeld heeft te zeggen dat de politie hem informatie heeft ingefluisterd en dus actief informatie verschafte over de dood van [naam 2] . Het feit dat verdachte een dag na aanhouding in zijn verhoor bij de politie terugkomt op de door hem gebruikte bewoording bevestigt dat verdachte ook zelf wist dat zijn verklaring bij de rechter-commissaris onjuist was. Aldus komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte bij de rechter-commissaris onder ede opzettelijk vals heeft verklaard omtrent het influisteren van informatie door verbalisanten. Dat verdachte, zoals gesteld door de verdediging, achteraf verduidelijking gaf over zijn verklaringen doet niets af aan de valsheid van de verklaring op dat moment. Nadat verdachte er meerdere keren op werd gewezen dat hij onder ede stond is hij, zonder enig voorbehoud, bij zijn verklaring gebleven en heeft hij zijn verklaring bevestigd.

Daarnaast heeft verdachte in zijn verklaring bij de rechter-commissaris verklaard dat de politie hem een schorsing heeft toegezegd. Hij heeft onder meer verklaard dat de verbalisanten hem wel 10 keer toegezegd hebben dat hij vrij zou komen en dat zij ter zake groen licht hadden. Dat betekent naar algemeen gangbaar taalgebruik dat er een concrete mededeling door de verbalisanten is gedaan waaruit verdachte redelijkerwijs mocht begrijpen dat zijn invrijheidsstelling geregeld zou worden.

De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen volgt dat er tijdens gesprekken tussen verdachte en verbalisanten is onderhandeld over het verschaffen van informatie over de vermissing en mogelijke vindplaats van [naam 2] en een mogelijke schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte. Het schorsingsverzoek van verdachte is vervolgens op 12 juli 2023 door het hof afgewezen en op 18 juli 2023 heeft verdachte met verbalisanten verder onderhandeld over het verstrekken van informatie en schorsing van de voorlopige hechtenis. Hierbij heeft verdachte aangegeven een (schriftelijke) toezegging te willen over zijn schorsing en dat als hij vrij zou komen hij de vindplaats van [naam 2] zou vertellen. De verbalisanten hebben verklaard dat zij verdachte steeds hebben medegedeeld dat zij geen toezeggingen hebben gedaan of kunnen doen.

Uitgangspunt in de beoordeling zijn de ter zake op ambtsbelofte opgemaakte verklaringen van verbalisanten van 18 juli 2023 en 22 juli 2025 waarin zij hun verklaringen hebben neergelegd. Dat er door de verbalisanten geen toezegging is gedaan wordt ondersteund door de schriftelijke uitwerking van het (laatste) verhoor van 18 juli 2023 en de daarin opgenomen uitlatingen van verdachte zelf. Uit het dossier blijkt dat ook in een eerder stadium geen toezeggingen zijn gedaan. Uit het gesprek van verdachte met zijn voormalig schoonvader op 16 juni 2023 waarin verdachte zegt dat zij (de rechtbank begrijpt: de verbalisanten) het met hogerhand gaan bespreken, volgt dat er op dat moment geen toezegging was gedaan. Dit volgt eveneens uit het gesprek van 27 juni 2023, waarin verdachte aan de politie aangeeft dat hij eerst garantie wil voordat hij informatie geeft en dat hij blijkbaar maar moet hopen dat hij wat terugkrijgt.

Uit het voorgaande volgt dat de gesprekken die zijn gevoerd zijn blijven steken in de onderhandelingsfase. Aan verdachte is geen concrete mededeling gedaan waaruit verdachte redelijkerwijs mocht opmaken dat zijn invrijheidsstelling geregeld zou worden. Dat een dergelijke concrete mededeling niet is gedaan, heeft verdachte bevestigd tijdens zijn verhoor bij de politie op 21 december 2023.

Verdachte heeft bij de rechter-commissaris desalniettemin meerdere malen verklaard dat hem meerdere keren is toegezegd dat hij vrij zou komen. Daarmee heeft verdachte, terwijl hij wist dat aan hem geen concrete toezegging over zijn invrijheidsstelling was gedaan, bij de rechter-commissaris onder ede opzettelijk in strijd met de waarheid verklaard.

Conclusie

De rechtbank concludeert dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meineed door als getuige bij de rechter-commissaris opzettelijk valse verklaringen af te leggen terwijl hij onder ede stond. De rechtbank zal verdachte ter zake een aantal van de ten laste gelegde verklaringen (partieel) vrij spreken, zoals blijkt uit de bewezenverklaring. Een aantal van de door verdachte afgelegde verklaringen betreft immers persoonlijke meningen van verdachte of verklaringen waarvan de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat deze (opzettelijk) vals zijn afgelegd.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 20 december 2023 te Arnhem, in ieder geval in Nederland, in het kabinet van de rechter-commissaris in de rechtbank Gelderland, als getuige in de strafzaak tegen [naam 1] , nadat hij op de bij de wet voorgeschreven wijze door de rechter-commissaris werd beëdigd als getuige en hij (daarbij) de eed en/of verklaring had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen, in elk geval in een geval waarin een wettelijk voorschrift eenverklaring onder ede vorderde en/of daaraan rechtsgevolgen verbond, mondeling persoonlijk opzettelijk als getuige een valse verklaring onder ede heeft afgelegd, door – zakelijk weergegeven– als volgt te verklaren:op de vraag van de rechter-commissaris “Wat heeft [naam 1] u verteld wat er met [naam 2] is gebeurd?”: “Helemaal niks. De politie heeft mij dingen ingefluisterd”; en/ofnadat verdachte werd voorgehouden “U houdt mij voor wat er is opgenomen in het proces-verbaal bevindingen op bladzijde 1979 van het dossier: “ [verdachte] vertelde mij vd week dat hij geld kan verdienen omdat hier iemand op de B1 zit die verdacht word van moord maar lijk is niet gevonden. Hij zei tegen mij kan je mij helpen want er staat geld op als er tips binnen komen. Hij vertelde dit ALLEEN tegen mij zei hij. Hij vroeg hoe hij het moest aanpakken en wou OM laten komen hier naar de bajes om verhaal te doen. Nu kwam ik erachter door met collega’s te praten dat dit waarschijnlijk over [naam 1] gaat. “U vraagt mij of dit klopt”. “Daar weet ik niks van. Het gaat ook niet zo goed met mij, ik heb traumabehandeling. Ik kan het mij in ieder geval niet meer herinneren dat ik dit heb besproken met iemand van de P.I. Het is een corrupte bende in de Pl. te Arnhem en de meesten werken mee aan vieze plannetjes richting de heer [naam 1] ”;en/of“De politie, met name [agent] , begon toen uit de school te klappen en ze zeiden dat [naam 1] een moordenaar is en dat zij persoonlijk betrokken waren geraakt, omdat zij het zoontje hebben leren kenden. Ik ben daar toen op ingegaan, dat is achteraf misschien niet slim van mij. Zij lieten mij blijken dat ik misschien wel geschorst kon worden. Ik heb toen het spelletje meegespeeld. Ik sta niet achter die woorden, nog niet 1% daarvan”;en/ofnadat verdachte werd voorgehouden: “U houdt mij voor dat ik tegenover de politie het volgende heb verklaard, pagina 1981 van het dossier: “V, En hoe heeft hij dat gedaan? A; Hij vertelde dat hij vanaf boven de trap vanachteren, hier ergens in zijn nek of schouder heeft hij gestoken en toen is hij van de trap gevallen. Hij heeft nog trots verteld dat hij die man een dag in huis heeft laten liggen“. U vraagt mij of ik dat heb verklaard. “De agenten hebben mij de informatie min of meer gegeven, voordat de bandopname aanging. Het is allemaal gebakken lucht. Zij hebben mij een schorsing toegezegd. Ik vond het al heel dubbel op dat moment”;en/of“De politie heeft mij vele verhalen verteld, voordat de bandopname is aangegaan”;en/of“De politie heeft mij gezegd dat hij van de trap is gevallen. Ik heb er zelf een draai aan gegeven”;en/of“De rechercheurs die betrokken zijn bij deze zaak hebben meerdere gedetineerden gesproken en daarin is veel besproken en is er veel aan hen beloofd”;en/ofop de vraag “Wat weet u nog wel van wat [agent] u heeft gezegd over de trap?” Zij heeft mij 9 van de 10 keer gezegd dat ik vrij zou komen. Zij gaf aan dat het verhaal met de trap klopte en dat hetgeen ik verklaarde volgens haar klopte en zij bevestigde mij dit. [agent] zei mij: “Je hebt gelijk”;en/ofnadat verdachte werd voorgehouden: “U zegt mij dat u in het proces-verbaal van de politie van het eerste verhoor nergens iets leest over een schorsing van de voorlopige hechtenis. U vraagt mij of dat dan vóór het gesprek tegen mij gezegd is”. Dat was voor het gesprek en niet één keer maar meerdere malen. Er is onderling contact geweest met de officier in mijn strafzaak en de officier in deze zaak. Er zouden connecties zijn. Zij, de politie, konden zonder afspraak de P.I. binnenlopen, omdat zij daar connecties hadden. Er is mij beloofd dat ik binnen no-time weer buiten zou staan, zodat ik bij mijn zieke kinderen kon zijn”;en/of“Ja, dat is wel 10 keer met mij besproken als het niet meer was. Er is wel 10 keer beloofd dat ik op vrije voeten zou komen”. “Het is wel meer dan 10 keer gezegd”;en/of Op de vraag “Wat is er dan feitelijk tegen u gezegd?” Als ik een belastende verklaring zou afleggen in deze zaak, dan zou de officier van justitie in deze zaak contact opnemen met de officier van justitie in mijn zaak en dan zouden zij ervoor zorgen dat ik geschorst zou worden. Er was onderling al contact tussen hen”;

en/of nadat verdachte werd voorgehouden “U zegt mij dat de eis ziet op het feit dat ik eerst zou moeten vertellen waar de vindplek van [naam 2] is en u vraagt mij of dat zo met mij is besproken”. Nee, dat is niet zo met mij besproken. Misschien is dat later wel tijdens de bandopname zo met mij besproken, want toen ging alles wel volgens de regels. De politie heeft mij helemaal gestoord gemaakt met terugbelverzoeken en zij zeiden dan aan de telefoon: “Meneer [verdachte] wij hebben groen licht”;en/ofnadat verdachte werd voorgehouden: Is u gezegd: “We hebben groen licht”? Ja, dat hebben zij gezegd. Dat ging over mijn schorsing, dat ik geschorst zou worden en ik naar mijn kinderen kon”;en/ofnadat verdachte werd voorgehouden: “Voordat de schorsing is afgewezen, is u toen door de politie tegen u gezegd: “Wij hebben groen licht”? Ja. en/ofnadat verdachte werd voorgehouden: “Is de schorsing aangevraagd nadat u gehoord heeft dat er groen licht zou zijn voor een schorsing?” Ja, ik had verder ook geen andere argumenten om geschorst te worden. Het verzoek is ingediend, nadat de politie mij verteld had dat zij van de officieren hebben gehoord dat er tussen hen groen licht was voor een schorsing”;en/of“Ik moest eerst zoveel procent geven en dan kon ik alvast naar mijn kinderen, dat is mij toegezegd. De afspraak met de twee rechercheurs was dat ik dan buiten de rest zou verklaren. Dat hebben zij vast niet opgenomen, zoals heel veel dingen niet”;en/ofnadat verdachte werd voorgehouden: “Klopt de verklaring? Klopt het of klopt het niet?” “Het klopt, het klopt als een bus”;en/ofdoor bij voorlezing van zijn verklaring op te merken dat er ook meermaals contact is geweest met de officier in deze zaak, meneer Jansen, en dat daar ook mails en bewijzen van zijn.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

in de gevallen, waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen.

5. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank houdt bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd rekening met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank de landelijke oriëntatiepunten en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij rekening wordt gehouden met het strafblad van verdachte.

De ernst van het feit

Verdachte heeft zich bij de politie gemeld als een mogelijke getuige in een strafzaak over een levensdelict. Hij wilde geschorst worden uit voorlopige hechtenis en heeft daarvoor verschillende verklaringen afgelegd over wetenschap van het levensdelict. Uiteindelijk heeft hij bij de rechter-commissaris niet alleen aangegeven dat hij hierover heeft gelogen, maar ook dat de politie hem informatie over het feit heeft ingefluisterd en hem toezeggingen heeft gedaan over de schorsing van zijn voorlopige hechtenis. Verdachte heeft hiermee meineed gepleegd. Het afleggen van de eed of belofte dient ertoe om de betrouwbaarheid van een verklaring te waarborgen. Door opzettelijk tegenover een rechter-commissaris in strijd met de waarheid te verklaren over het handelen van de politie heeft verdachte deze waarborgen teniet gedaan en de waarheidsvinding in onze rechtstaat ondermijnd. Aan een onder eed afgelegde verklaring wordt immers veel waarde gehecht. Door vals te verklaren in het kader van een strafrechtelijk onderzoek kan een persoon mogelijk ten onrechte als verdachte worden aangemerkt, ten onrechte worden veroordeeld of ten onrechte worden vrijgesproken en aldus straffeloos blijven.

De rechtbank rekent het de verdachte bovendien zwaar aan dat hij als getuige de politie heeft beschuldigd van ernstige misdragingen, waardoor het vertrouwen in de politie ernstig had kunnen worden geschaad. Daar komt nog bij dat verdachte de politie puur voor eigen gewin heeft misleid door te vertellen dat hij iets wist over de vindplaats van het lichaam van het levensdelict, terwijl die kennis de nabestaanden van het slachtoffer de nodige rust had kunnen brengen. Tenslotte heeft hij geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 26 maart 2026. Verdachte is veelvuldig veroordeeld voor onder andere afpersing, opzetheling en rijden zonder rijbewijs. Het laatste strafbare feit dateert van 22 februari 2023. Het gestelde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is van toepassing.

Verdachte heeft een vast contract voor vijf dagen per week bij een schoonmaakbedrijf en een stabiele relatie. Hij heeft inmiddels weer goed contact met zijn kinderen. Verder heeft hij schulden waarvoor een betalingsregeling is getroffen.

Redelijke termijn

In art. 6, eerste lid, EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak dat verdachte op 21 december 2023 in verzekering is gesteld. Toen is de redelijke termijn aangevangen en deze werd overschreden vanaf 21 december 2025. Doordat de inhoudelijke behandeling plaats heeft gevonden op 23 april 2026 en op 13 mei 2023 uitspraak wordt gedaan, is de redelijke termijn met ruim vier en een halve maand overschreden.

De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

De rechtbank acht in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Echter gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn werk en gezinssituatie, alsmede de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn ziet de rechtbank reden deze straf te matigen zoals hieronder toegelicht.

De straf

De rechtbank zal een andere (lagere) straf op leggen dan geëist door de officier van justitie. De rechtbank ziet, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn, geen reden verdachte naar de gevangenis te sturen en zo de positieve wending die hij in zijn leven heeft gemaakt te doorkruisen. Om de ernst van het door hem gepleegde feit tot uitdrukking te brengen zal de rechtbank een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen om verdachte ervan te weerhouden wederom over te gaan tot het plegen van strafbare feiten. De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek en een proeftijd van drie jaar en een taakstraf voor de duur van 120 uur, bij niet verrichten te vervangen door een hechtenis van 60 dagen, passend en geboden.

8. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 207 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

 bepaalt dat deze gevangenisstraf, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 legt op een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. R.P.W. van de Meerakker
  • mr. C.J.M. Vijftigschild

Griffier

  • mr. E.M. Breed

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand