RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
[eiseres] B.V. uit [plaats], eiseres
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8494
in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. C.A. van der Steen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: P. Spoelstra).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van 50% die het UWV aan ex-werknemer, [persoon A], heeft opgelegd op grond van de Ziektewet (ZW). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de maatregel van 50% die het UWV aan ex-werknemer heeft opgelegd.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het UWV heeft tijdens de zitting erkend dat in het bestreden besluit ten onrechte is opgenomen dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid van ex-werknemer. Eiseres krijgt daarom gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming bestreden besluit en procesverloop
2. Ex-werknemer werkte bij eiseres als chauffeur, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 1 juli 2023 tot en met 31 januari 2024, voor gemiddeld 40 uur per week.
Ex-werknemer is op 6 en 12 juli 2023 niet verschenen op het werk. Omdat bleek dat ex-werknemer ook nog geen VOG had overgelegd, heeft eiseres het dienstverband in de proeftijd beëindigd per 12 juli 2023. Op 13 juli 2023 heeft ex-werknemer zijn spullen bij eiseres ingeleverd.
Op 17 juli 2023 heeft ex-werknemer zich met terugwerkende kracht ziekgemeld per 11 juli 2023.
Met het besluit van 21 augustus 2023 (primair besluit 1) heeft het UWV besloten dat aan ex-werknemer geen ziekengeld wordt uitbetaald over de periode van 13 juli 2023 tot en met 31 januari 2024. Op 3 september 2023 heeft ex-werknemer hiertegen bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 9 oktober 2023 (primair besluit 2) heeft het UWV besloten dat ex-werknemer ten aanzien van zijn ziekmelding per 11 juli 2023 niet arbeidsongeschikt wordt geacht. Aan het primaire besluit 2 ligt een rapport van een arts van het UWV van 5 oktober 2023 ten grondslag.
Met het besluit van 11 januari 2024 op het bezwaar van ex-werknemer, is het UWV bij de primaire besluiten 1 en 2 gebleven.
Op 29 februari 2024 heeft het UWV het besluit op bezwaar van 11 januari 2024 ingetrokken en het dossier (de bezwaarfase) heropend, omdat de gemachtigde van ex-werknemer de uitnodiging voor de hoorzitting niet had ontvangen.
Op 31 juli 2024 heeft het UWV een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Het bezwaar van ex-werknemer is door het UWV geacht mede gericht te zijn tegen het primaire besluit 2. Met dit besluit is het bezwaar van ex-werknemer gericht tegen zowel het primaire besluit 1, als het primaire besluit 2 gegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van 24 juli 2024 ten grondslag.
Met het bestreden besluit van 1 augustus 2024 heeft het UWV het besluit op bezwaar van 31 juli 2024 vervangen. Aan het bestreden besluit heeft het UWV – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat ex-werknemer per 12 juli 2023 arbeidsongeschikt wordt geacht en dat hij een benadelingshandeling heeft begaan. Het UWV stelt dat een algehele weigering van het ziekengeld van ex-werknemer onevenredig zwaar is, waardoor aan ex-werknemer een maatregel van 50% is opgelegd gedurende de periode van 14 juli 2024 tot en met 31 januari 2024.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het UWV deelgenomen. De gemachtigde van eiseres heeft zich voor de zitting afgemeld. Het beroep is gelijktijdig behandeld met zaak ARN 24/4325. In beide zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
3. Omdat ex-werknemer geen toestemming heeft gegeven om zijn medische gegevens aan eiseres te verstrekken, zal de rechtbank terughoudend zijn met het opnemen van inhoudelijk medische overwegingen in deze uitspraak om te voorkomen dat eiseres alsnog kennisneemt van de medische situatie van ex-werknemer.
Beoordeling door de rechtbank
De arbeidsongeschiktheid van ex-werknemer
4. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat ex-werknemer op en na 11 juli 2023 niet arbeidsongeschikt is. Subsidiair betoogt eiseres dat, indien door het UWV terecht is aangenomen dat ex-werknemer arbeidsongeschikt is, het UWV ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar de eerste dag van arbeidsongeschiktheid. Mogelijk was ex-werknemer al arbeidsongeschikt voorafgaand aan de dag dat hij bij eiseres in dienst trad per 3 juli 2023, zodat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag ligt voor aanvang van zijn dienstverband met eiseres. Dit betekent dat eiseres niet het ziekengeld hoeft uit te betalen.
De rechtbank stelt voorop dat het UWV zijn besluiten omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is.
De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van het UWV zorgvuldig is geweest. Daarbij is het volgende van belang. Uit het rapport van de verzekeringsarts b&b blijkt dat in bezwaar dossierstudie is verricht en dat de verzekeringsarts b&b aan de hoorzitting op 4 juni 2024 heeft deelgenomen door middel van beeldbellen. Ook is informatie opgevraagd bij de huisarts van ex-werknemer. De rechtbank heeft geen reden om te oordelen dat de verzekeringsarts b&b aanvullend onderzoek had moeten doen of aanvullende medische informatie had moeten opvragen. Verder is de rechtbank van oordeel dat de conclusie van de verzekeringsarts b&b logisch voortvloeit uit de onderzoeksbevindingen.
Wanneer was ex-werknemer arbeidsongeschikt ten gevolge van ziekte?
5. De verzekeringsarts b&b heeft in zijn rapporten van 24 juli 2024 en 7 juli 2025 navolgbaar gemotiveerd dat ex-werknemer bij de start van zijn dienstverband met eiseres op 1 juli 2023 arbeidsgeschikt was voor zijn werk als chauffeur. Ex-werknemer was per 12 juli 2023 arbeidsongeschikt als gevolg van ziekte. De rechtbank kan de motivering van de verzekeringsarts b&b volgen. De beroepsgrond slaagt niet.
Benadelingshandeling door ex-werknemer
6. Eiseres voert aan dat het UWV ten onrechte verminderde verwijtbaarheid heeft aangenomen ten aanzien van ex-werknemer. Dit standpunt van het UWV is onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd. Het in één week tijd tot tweemaal toe, zonder geldige reden, niet op het werk verschijnen en het niet overleggen van een VOG heeft geleid tot het ontslag van ex-werknemer in zijn proeftijd. Daar komt bij dat ex-werknemer ook de verplichting opgenomen in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de ZW heeft geschonden, nu hij het advies van zijn huisarts niet heeft opgevolgd. Er is dan ook sprake van een benadelingshandeling door ex-werknemer die hem volledig te verwijten is.
Artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW bepaalt, voor zover hier van belang, dat het UWV het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend weigert, indien de verzekerde door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Uitvoeringsfonds voor de overheid, de Werkhervattingskas of de eigenrisicodrager benadeelt of zou kunnen benadelen. Onder benadeling wordt op grond van het zevende lid mede verstaan de situatie dat de verzekerde zonder deugdelijke grond heeft nagelaten verweer te voeren tegen of heeft ingestemd met een beëindiging van de dienstbetrekking in de periode, bedoeld in artikel 29, eerste lid. Op grond van het tweede lid wordt een maatregel afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), is sprake van een benadelingshandeling in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW in situaties waarin een werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment dat het arbeidsongeschiktheidsrisico al is ingetreden. Daarmee is immers een einde gekomen aan de loondoorbetalingsverplichting van een werkgever, ter vervanging waarvan dan ziekengeld wordt gevraagd. Zodoende doet een werknemer in die situatie onnodig een beroep op ziekengeld.
Zoals hierboven overwogen, dient eerst vastgesteld te worden óf er sprake is van een benadelingshandeling. Daarna moet worden beoordeeld of, en zo ja, in hoeverre de benadelingshandeling aan ex-werknemer kan worden verweten. Als de benadelingshandeling hem in een bepaalde mate kan worden verweten, is tot slot de vraag of dit het opleggen van een maatregel rechtvaardigt (en zo ja welke).
Is er sprake van een benadelingshandeling?
7. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat ex-werknemer een benadelingshandeling heeft gepleegd. Ex-werknemer heeft immers geen verweer gevoerd tegen zijn ontslag. Op grond van het zevende lid van artikel 45 van de ZW wordt onder benadeling mede verstaan de situatie dat de verzekerde zonder deugdelijke grond heeft nagelaten verweer te voeren tegen een beëindiging van de dienstbetrekking tijdens ziekte.
Kan de benadelingshandeling ex-werknemer in overwegende mate worden verweten?
8. Het UWV heeft tijdens de zitting erkend dat in het bestreden besluit ten onrechte is opgenomen dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid en verwezen naar het verweerschrift van 23 juli 2025. Hierin staat opgenomen dat een ontslag in de proeftijd geen reden is om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen. Het UWV is hier in eerste instantie ten onrechte wel van uitgegaan. Er is sprake van een benadelingshandeling en deze kan ex-werknemer volledig worden verweten, aldus het UWV.
Wat is overwogen onder 8, brengt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit niet op deugdelijke wijze is gemotiveerd. Het bestreden besluit is daarmee in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is gegrond.
9. Omdat het bestreden besluit geen stand kan houden, behoeft de overige gronden van eiseres geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 7:12 van de Awb en kan niet in stand blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing op het bezwaar van eiseres te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan het UWV op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het UWV hiervoor zes weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 1 augustus 2024;
- draagt het UWV op binnen zes weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 371 aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 934 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.