ECLI:NL:RBGEL:2026:3927

ECLI:NL:RBGEL:2026:3927

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 18-05-2026
Datum publicatie 20-05-2026
Zaaknummer 05/139522-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zutphen

Samenvatting

De rechtbank oordeelt dat een 31-jarige man uit Elspeet schuldig is aan aanranding met een kind beneden de 12 jaar en een poging daartoe in het zwembad in Wezep. Hij krijgt daarvoor geen straf. De man is verstandelijk beperkt en woont begeleid in een instelling. Daar wordt een strikt plan uitgevoerd dat erop is gericht herhaling te voorkomen en verdachte beperkt in zijn vrijheid.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05/139522-25

Datum uitspraak : 18 mei 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] [woonplaats] .

Raadsman: mr. R.S.F. ten Kortenaar, advocaat in Baarn.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 29 januari 2025 te Wezep, althans in Nederland,

met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [minderjarige 1] ,

een of meer seksuele handelingen heeft verricht,

te weten het bekijken en/of betasten/aanraken van en/of knijpen in de piemel van

die [minderjarige 1] ,

en welke aanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door

dwang, geweld en/of bedreiging, door

meermalen, althans eenmaal (telkens)

- naar/achter die [minderjarige 1] en/of een of meer anderen (aan) te zwemmen/gaan en/of

- met een of beide handen de zwembroek en/of onderbroek van die [minderjarige 1] vast te

pakken en/of (vervolgens) naar beneden en/of voren te trekken en/of

- met een of beide handen in de zwembroek en/of onderbroek van die [minderjarige 1] te

gaan en/of

- misbruik te maken van het uit verdachtes leeftijd voortvloeiende fysieke en/of

geestelijke overwicht t.o.v. die [minderjarige 1] en/of

- ( meermalen) voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van

verzet/weerstand van die [minderjarige 1] ;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 januari 2025 te Wezep, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [minderjarige 1] ,

een of meer seksuele handelingen te verrichten,

te weten het bekijken en/of betasten/aanraken van en/of knijpen in de piemel van

die [minderjarige 1] ,

en welke poging tot aanranding te doen voorafgaan door, vergezellen van en/of

volgen door dwang, geweld en/of bedreiging, eruit bestaande dat verdachte

meermalen, althans eenmaal (telkens)

- naar/achter die [minderjarige 1] en/of een of meer anderen (aan) is gezwommen/gegaan

en/of

- met een of beide handen de zwembroek en/of onderbroek van die [minderjarige 1] heeft

vastgepakt en/of (vervolgens) naar beneden en/of voren heeft getrokken en/of

- met een of beide handen in de zwembroek en/of onderbroek van die [minderjarige 1] is

gegaan en/of

- misbruik heeft gemaakt van het uit verdachtes leeftijd voortvloeiende fysieke en/of

geestelijke overwicht t.o.v. die [minderjarige 1] en/of

- ( meermalen) voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van

verzet/weerstand van die [minderjarige 1] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

hij op of omstreeks 29 januari 2025 te Wezep, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [minderjarige 2] ,

een of meer seksuele handelingen te verrichten,

te weten het bekijken en/of betasten/aanraken van de piemel van die [minderjarige 2] ,

en welke poging tot aanranding te doen voorafgaan door, vergezellen van en/of

volgen door dwang, geweld en/of bedreiging, eruit bestaande dat verdachte

meermalen, althans eenmaal (telkens)

- naar/achter die [minderjarige 2] en/of een of meer anderen (aan) is gezwommen/gegaan

en/of

- met een of beide handen de zwembroek en/of onderbroek van die [minderjarige 2] heeft

vastgepakt en/of (vervolgens) naar beneden en/of voren heeft getrokken en/of

- misbruik heeft gemaakt van het uit verdachtes leeftijd voortvloeiende fysieke en/of

geestelijke overwicht t.o.v. die [minderjarige 2] en/of

- ( meermalen) voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van

verzet/weerstand van die [minderjarige 2] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard gelet op artikel 486 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). In dat artikel staat dat niemand strafrechtelijk kan worden vervolgd wegens een feit, begaan voordat hij de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt. Voor toepassing van artikel 486 Sv moet worden gekeken naar de ratio van deze bepaling. De bepaling is ter bescherming van verdachte. Verdachte heeft weliswaar een kalenderleeftijd van boven de twaalf, maar sociaal emotioneel is hij niet ouder dan twaalf. Dat volgt uit het NIFP rapport. In het reclasseringsrapport staat dat zijn emotionele ontwikkeling in de peuterfase ligt. Dit breng met zich dat verdachte in dit geval niet kan worden vervolgd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat zij ontvankelijk is, omdat verdachte feitelijk ouder is dan twaalf jaar. Dat betekent dat de situatie van artikel 486 Sv zich niet voordoet.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is de officier van justitie ontvankelijk. Uit de wet volgt dat artikel 486 Sv ziet op de kalenderleeftijd van verdachte. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie rekening te houden met de ontwikkelingsleeftijd van verdachte. Het strafrecht houdt rekening met de persoon van een verdachte, waaronder de ontwikkelingsleeftijd van verdachte, echter bij de vraag of een verdachte strafbaar is, en bij de vraag welke straf of maatregel moet worden opgelegd. Nu de kalenderleeftijd van verdachte boven de twaalf ligt, mist artikel 486 Sv toepassing.

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 29 januari 2025 is verdachte naar het zwembad in Wezep gegaan. Verdachte is daar twee voor hem onbekende jongens, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , tegengekomen. De jongens waren ongeveer 8 of 9 jaar oud.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair tenlastegelegde en aan feit 2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de feiten 1 en 2 tegelijk beoordelen gelet op hun nauwe onderlinge samenhang. Daarbij is ieder bewijsmiddel gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud ziet.

[aangever] , moeder van [minderjarige 1] , verklaarde dat [minderjarige 1] bij thuiskomst van het zwembad tegen haar had gezegd dat [verdachte] , de rechtbank begrijpt: verdachte, de broek van [minderjarige 1] naar voren trok, met zijn hand aan de piemel van [minderjarige 1] zat en dat [minderjarige 1] zichzelf toen heeft weggetrokken en is weggezwommen.

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2016, verklaarde dat een man, [verdachte] , steeds achter hem en zijn vriendje aan ging in het zwembad. [verdachte] ging onder water en trok de broek van [minderjarige 1] naar beneden. [minderjarige 1] had nog een onderbroek daaronder aan. Met de ene hand ging [verdachte] in zijn broek met de andere hand hield hij de broek open. [verdachte] ging met zijn hand onder zijn onderbroek en zat aan zijn piemel. Hij kneep in zijn piemel, bij het velletje, maar niet hard. Dit gebeurde drie keer ofzo, heel vaak. [verdachte] had een bril op en ging onder water. Hij keek achter de zwembroek van [minderjarige 1] . Daarna deed hij dit bij [minderjarige 2] , maar [minderjarige 2] duwde hem weg.

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag] 2015 verklaarde dat een grote jongen, [verdachte] , hem en zijn vriendje [minderjarige 1] de hele tijd achtervolgden in het zwembad. [verdachte] had een duikbrilletje op en zwom onder water naar hen toe en trok aan hun zwembroek. Hij heeft vijf of zes keer geprobeerd met beide handen de zwembroek van [minderjarige 2] naar beneden te trekken. Dat lukte tot hier zo (net onder de heup) [de rechtbank begrijpt dat [minderjarige 2] aan de zedenrechercheur heeft aangewezen tot waar de zwembroek naar beneden was getrokken]. [minderjarige 2] zwom de hele tijd weg en [verdachte] zwom achter hem aan. [minderjarige 2] heeft tegen [verdachte] gezegd dat hij moest stoppen, maar dat deed hij niet. [minderjarige 2] heeft gezien dat [verdachte] het spleetje van de broek van [minderjarige 1] vast had. [verdachte] zat met beide handen aan [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft [minderjarige 2] verteld dat [verdachte] diens piemel heeft gezien en één keer gevoeld.

Verdachte verklaarde dat hij aan de zwembroek van twee jongens, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , heeft gezeten in een poging om die uit te doen, om hun geslacht te zien. Hij deed verschillende pogingen. De jongens wilden dat niet en duwden zijn hand weg. Verdachte ontkent dat hij het geslacht van de jongens heeft aangeraakt.

De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de verklaring van verdachte het volgende is gebleken. Verdachte wilde de piemels van de jongens zien. Daartoe zwom hij steeds achter de jongens aan. Hij heeft meerdere keren geprobeerd hun broek naar beneden te trekken. Bij [minderjarige 1] (feit 1) heeft verdachte met zijn ene hand de broek open gehouden en is hij met zijn andere hand in de broek, achter de onderbroek, gegaan. Hij heeft in de piemel van [minderjarige 1] geknepen. Hoewel verdachte dat laatste heeft ontkend, zowel bij de politie als tijdens de zitting, vindt de rechtbank de verklaring van [minderjarige 1] op dit punt geloofwaardig. Hij verklaart dat [verdachte] in zijn piemel heeft geknepen bij het velletje, maar niet hard. Deze details maken de verklaring geloofwaardig. De rechtbank betrekt bij de geloofwaardigheid van zijn verklaring ook dat hij al bij thuiskomst aan zijn moeder heeft verteld dat [verdachte] aan zijn piemel had gezeten en dit ook aan [minderjarige 2] heeft verteld. [minderjarige 1] wilde er daarna verder niet meer met haar over praten en wilde huilen toen zij benoemde dat hij er met de politie over kon praten. De rechtbank maakt daaruit op dat [minderjarige 1] het lastig vond om erover te praten en hetgeen is voorgevallen dus niet groter heeft gemaakt dan het was.

Bij [minderjarige 2] (feit 2) heeft verdachte meerdere keren geprobeerd zijn zwembroek naar beneden te trekken. Dat volgt uit de verklaring van [minderjarige 2] en verdachte. De rechtbank vindt ook de verklaring van [minderjarige 2] geloofwaardig. Ook hij heeft hetgeen is voorgevallen niet groter gemaakt dat het was. De rechtbank acht niet alleen bewezen dat verdachte de piemel van [minderjarige 2] wilde zien, maar ook dat hij de piemel wilde aanraken, aangezien verdachte dit ook bij [minderjarige 1] heeft gedaan.

De rechtbank overweegt verder dat de verklaringen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] elkaar ondersteunen en dat de verklaring van verdachte, met uitzondering van het betasten van de piemel van [minderjarige 1] , overeenkomt met de verklaringen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook daarom acht de rechtbank de verklaringen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] betrouwbaar.

Het handelen van verdachte werd naar het oordeel van de rechtbank voorafgegaan en vergezeld van dwang door verdachte. Verdachte was volgens [minderjarige 2] best een grote jongen, en [minderjarige 1] spreekt over een man. Verdachte is steeds achter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan gegaan in het zwembad. Verdachte zwom steeds naar de jongens toe voordat hij aan hun zwembroek zat. De jongens zwommen weg van verdachte, zo blijkt uit de aangifte van de moeder van [minderjarige 1] en uit de verklaring van [minderjarige 2] . [minderjarige 1] heeft verklaard dat [minderjarige 2] verdachte wegduwde. Daarnaast heeft [minderjarige 2] gezegd dat verdachte moest stoppen, maar dat deed hij niet, zo blijkt uit de verklaring van [minderjarige 2] . Verdachte heeft ook verklaard dat hij wist dat de jongens het niet wilden en dat ze zijn hand wegduwden. Desondanks lukte het verdachte wel om de zwembroek van [minderjarige 1] naar beneden en naar voren te trekken. Daaruit volgt dat verdachte fysiek en geestelijk overwicht had ten opzichte van de jongens en dat hij voorbij is gegaan aan hun weerstand.

De rechtbank acht de feiten 1 primair en 2 gelet op het voorgaande bewezen.

4. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde en het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1

hij op of omstreeks 29 januari 2025 te Wezep, althans in Nederland,

met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [minderjarige 1] ,

een of meer seksuele handelingen heeft verricht,

te weten het bekijken en/of betasten/aanraken van en/of knijpen in de piemel van

die [minderjarige 1] ,

en welke aanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door

dwang, geweld en/of bedreiging, door

meermalen, althans eenmaal (telkens)

- naar/achter die [minderjarige 1] en/of een of meer anderen (aan) te zwemmen/gaan en/of

- met een of beide handen de zwembroek en/of onderbroek van die [minderjarige 1] vast te

pakken en/of (vervolgens) naar beneden en/of voren te trekken en/of

- met een of beide handen in de zwembroek en/of onderbroek van die [minderjarige 1] te

gaan en/of

- misbruik te maken van het uit verdachtes leeftijd voortvloeiende fysieke en/of

geestelijke overwicht t.o.v. die [minderjarige 1] en/of

- (meermalen) voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van

verzet/weerstand van die [minderjarige 1] ;

2

hij op of omstreeks 29 januari 2025 te Wezep, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [minderjarige 2] ,

een of meer seksuele handelingen te verrichten,

te weten het bekijken en/of betasten/aanraken van de piemel van die [minderjarige 2] ,

en welke poging tot aanranding te doen voorafgaan door, vergezellen van en/of

volgen door dwang, geweld en/of bedreiging, eruit bestaande dat verdachte

meermalen, althans eenmaal (telkens)

- naar/achter die [minderjarige 2] en/of een of meer anderen (aan) is gezwommen/gegaan

en/of

- met een of beide handen de zwembroek en/of onderbroek van die [minderjarige 2] heeft

vastgepakt en/of (vervolgens) naar beneden en/of voren heeft getrokken en/of

- misbruik heeft gemaakt van het uit verdachtes leeftijd voortvloeiende fysieke en/of

geestelijke overwicht t.o.v. die [minderjarige 2] en/of

- (meermalen) voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van

verzet/weerstand van die [minderjarige 2] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren voorafgegaan door en vergezeld van dwang

feit 2:

poging tot aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren voorafgegaan door en vergezeld van dwang

6. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Dat kan worden opgemaakt uit het NIFP rapport en het reclasseringsrapport. Gelet op de ontwikkelingsachterstand van verdachte die daarin wordt beschreven, kan zijn handelen niet aan hem worden toegerekend. De politie heeft aan verdachte uitgelegd dat wat er is gebeurd niet mag. Verdachte is uit zichzelf niet in staat om dat te begrijpen. Dat betekent dat verdachte niet strafbaar is en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht verdachte niet volledig ontoerekeningsvatbaar. Verdachte kan goed vertellen over wat er is gebeurd.

De beoordeling door de rechtbank

Uit het NIFP rapport en het reclasseringsrapport volgt dat verdachte een verstandelijke beperking heeft. Daardoor zijn bijvoorbeeld zijn probleemoplossende vaardigheden ontoereikend (zo volgt uit het reclasseringsrapport) en moet in eenvoudig taalgebruik met hem worden gecommuniceerd (zo volgt uit het NIFP rapport). Uit de rapporten volgt niet dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten in het geheel niet heeft begrepen dat wat hij deed, niet mocht. Tijdens de zitting is een gesprek met verdachte tot stand gekomen, in eenvoudige bewoordingen. Hij heeft gezegd dat hij begrijpt dat wat hij heeft gedaan niet mag. Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte daarom niet volledig ontoerekeningsvatbaar te achten. Dat betekent dat verdachte strafbaar is.

8. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie wil het houden bij een flinke waarschuwing en heeft daarom gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uur, met een proeftijd van 3 jaar. De officier van justitie acht het van belang dat verdachte geen nieuwe strafbare feiten meer pleegt. Zij vordert in verband met het taakstrafverbod 1 dag gevangenisstraf, met de hoop dat dit niet daadwerkelijk wordt uitgevoerd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om geen straf of maatregel op te leggen op grond van artikel 9a Sr, vanwege de persoonlijkheid van verdachte. De raadsman heeft verder aangevoerd dat een voorwaardelijke taakstraf niet het juiste middel is, omdat dit spanning verhogend kan werken voor verdachte. Als toepassing van artikel 9a Sr een stap te ver is, dan is oplegging van een geldboete een betere straf dan een taakstraf.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een aanranding van een kind jonger dan twaalf jaar, en aan een poging daartoe. Verdachte heeft met het plegen van deze feiten inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de kinderen. Verdachte heeft zijn eigen seksuele behoeftes boven de belangen van de kinderen gesteld. Uit de verklaringen van de kinderen volgt dat zij hetgeen er is gebeurd, niet leuk vonden. Uit de aangiftes die hun moeders namens hen hebben gedaan, volgt ook dat de jongens er liever niet te veel over wilden praten. De rechtbank maakt daaruit op dat de gebeurtenissen hen een onprettig gevoel hebben gegeven.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder strafbare feiten heeft gepleegd.

De rechtbank heeft kennis genomen van het trajectconsult van de deskundige M.M.M. Verberk, GZ-psycholoog van 1 augustus 2025 en van het reclasseringsrapport van 14 april 2026.

Uit het verslag van het trajectconsult bij de psycholoog blijkt dat verdachte in sociaal-emotioneel opzicht functioneert tussen de 3 en 12 jaar. Hij heeft veel behoefte aan duidelijkheid en structuur en vindt het moeilijk om grenzen te accepteren. Het intelligentieniveau wordt ingeschat op het niveau van een verstandelijke beperking. Er worden aanwijzingen gezien voor ontwikkelingspathologie en er zijn mogelijk aanwijzingen voor autisme spectrum problematiek. Er worden daarnaast aanwijzingen gezien voor parafiele pathologie, omdat verdachte aangeeft een seksuele voorkeur te hebben voor jonge jongens.

Uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte een verstandelijke beperking heeft. Hij heeft beperkte sociale vaardigheden en ervaart spanningen in het contact met anderen. Daarnaast is er sprake van een seksuele voorkeur voor minderjarige jongens, waarbij hij seksualiteit

gebruikt als middel om te ontspannen. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld.

Uit beide rapportages volgt dat verdachte in een instelling woont, waar zij op de hoogte zijn van de gebeurtenissen in het zwembad. De begeleiding van verdachte is daarna intensiever geworden. Er is een plan van aanpak opgesteld dat er op is gericht herhaling te voorkomen en zijn gedrag te veranderen. Verdachte werkt daar aan mee. Verdachte mag alleen onder toezicht zwemmen en maakt voor zijn vrije dagen een planning, die hij per e-mail deelt met zijn begeleiders. Zo is inzichtelijk waar hij zich bevindt en wat hij onderneemt. Het contact met minderjarige kinderen wordt op deze manier zoveel mogelijk voorkomen.

De reclassering concludeert dat interventie door de reclassering geen meerwaarde heeft naast dit plan van aanpak. Het contact met de reclassering kan daarnaast spanning verhogend werken en daarmee een averechts effect hebben. De reclassering weet niet of een straf een corrigerende werking zal hebben, omdat sprake is van een egocentrische houding en impulsief gedrag.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank een voorwaardelijke (taak)straf niet aangewezen. Het is de vraag of verdachte het concept van een voorwaardelijke straf begrijpt en dit dus als stok achter de deur zal helpen om herhaling te voorkomen. Daarnaast is er een strak plan rondom verdachte opgezet dat er op is gericht herhaling te voorkomen. Met de reclassering is de rechtbank van oordeel dat deze aanpak voldoende lijkt te zijn om recidive te vorkomen.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of aan verdachte een onvoorwaardelijke straf moet worden opgelegd. Gelet op het advies van de reclassering zou daarvoor alleen een geldboete in aanmerking komen, omdat een taakstraf spanning verhogend werkt voor verdachte.

De rechtbank acht het van het grootste belang dat verdachte begrijpt dat wat hij heeft gedaan, niet kan, en dat de kans op herhaling zoveel als mogelijk wordt beperkt. De rechtbank concludeert dat dat besef er bij verdachte is. Zijn advocaat heeft toegelicht dat de verbalisanten van de politie heel duidelijk aan hem hebben weten uit te leggen, in bewoordingen die hij begrijpt, dat zijn gedrag niet mag en dat dat strafbaar is. Verdachte heeft bij de psycholoog en op de zitting verklaard dat hij spijt heeft en dat hij niet wil dat dit nog een keer gebeurt.

Bij het antwoord op de vraag of verdachte een onvoorwaardelijke straf moet worden overgelegd, betrekt de rechtbank verder dat het dagelijkse leven van verdachte na de gebeurtenissen is veranderd. Hij heeft veel minder vrijheden, omdat hij van te voren een plan moet maken wat hij in zijn vrije tijd gaat doen en dit moet opsturen aan zijn begeleiders. Hij gaat niet meer naar gezinnen met jonge kinderen en mag alleen nog onder begeleiding zwemmen. Verdachte werkt hier goed aan mee.

Ten slotte hecht de rechtbank belang aan het reclasseringsrapport, waarin staat dat het onduidelijk is of een straf een corrigerende uitwerking heeft bij verdachte, gelet op zijn beperkingen.

Alles afwegende komt de rechtbank tot de slotsom dat een straf geen toegevoegde waarde heeft. De rechtbank zal daarom geen straf of maatregel opleggen.

9. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.M.J.M. Doon
  • mr. J.S.W. Lucassen

Griffier

  • mr. C.C.M. Althoff

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand