ECLI:NL:RBGEL:2026:3979

ECLI:NL:RBGEL:2026:3979

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 19-05-2026
Datum publicatie 20-05-2026
Zaaknummer 05-119612-25 (ontneming)
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zutphen

Samenvatting

ontnemingsbeslissing; veroordeling wegens handel in verdovende middelen

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Tegenspraak

Parketnummer: 05-119612-25 (ontneming)

Datum uitspraak : 19 mei 2026

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 2007 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] [woonplaats] ,

op dit moment gedetineerd in de JJI [verblijfplaats] .

Raadsvrouw: mr. C.H. van Keulen, advocaat in Amsterdam.

1. De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 39.650,61.

2. De procedure

De zaak is op een openbare terechtzitting onderzocht.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat het geschatte voordeel kan worden verminderd met een bedrag van € 720,- in plaats van de door de politie aangenomen € 240,- aan telefoonkosten en dat het wederrechtelijk voordeel aldus moet worden geschat op € 39.170,61

De verdediging heeft gesteld dat in de begroting van het wederrechtelijk verkregen voordeel de kosten te laag zijn ingeschat en dat het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom op € 3.063,85 kan worden geschat.

3. De beoordeling van de vordering

De rechtbank heeft kennisgenomen van het op 19 mei 2026 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij veroordeelde is veroordeeld tot een jeugddetentie van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk ter zake van:

feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2:

medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen,

Algemene overwegingen

De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die door dat feit of uit de baten daarvan voordeel heeft verkregen. De rechtbank zal het geschatte voordeel van veroordeelde berekenen op basis van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Het voordeel zal worden berekend over de bewezenverklaarde strafbare feiten.

Ter berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten behoeve van de ontnemingsvordering is door de politie op 24 oktober 2025 een ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e tweede lid Wetboek van Strafrecht’ (hierna: het rapport) opgesteld. Het rapport wordt in het kader van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel als uitgangspunt genomen.

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten en baseert zich op de volgende bewijsmiddelen.

Omzet per dealdag

De dagomzet is in het rapport als volgt vastgesteld. In de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] werd een notie aangetroffen met daarin bijgehouden een berekening omtrent de opbrengsten van de handel in verdovende middelen. Eenzelfde soort afbeeldingen en notities werden tevens in haar onderzochte telefoon aangetroffen. Hieruit was op te maken dat op onderstaande data de volgende bedragen werden verdiend en brandstofkosten werden gemaakt met de handel van verdovende middelen:

16 juni: omzet van € 305,-;

17 juni: omzet van € 589,-;

18 juni: omzet van € 373,-;

19 juni: omzet van € 270,-;

20 juni: omzet van € 730,-;

21 juni: omzet van € 775,- en brandstofkosten van € 30,-;

22 juni: omzet van € 390,- en brandstofkosten van € 20,-;

23 juni: omzet van € 295,-;

24 juni: omzet van € 235,-;

25 juni: omzet van € 775,- en brandstofkosten van € 30,-;

26 juni: omzet van € 490,- en brandstofkosten van € 25,-;

27 juni: omzet van € 535,-;

30 juni: omzet van € 485,- en brandstofkosten van € 30,-;

1. juli: omzet van € 657,- en brandstofkosten van € 30-.

Hieruit is op te maken dat er op de 14 verschillende dagen in totaal een bedrag van (de rechtbank begrijpt:) € 6.904,- werd omgezet met de handel in verdovende middelen en er in totaal een bedrag van € 165,- aan brandstofkosten werden gemaakt. Het bedrag van € 6.907,- gedeeld door 14 dagen komt uit op een gemiddeld bedrag van € 493,14 aan omzet per dag. Het bedrag aan brandstofkosten wordt naar boven afgerond en komt dan uit op € 15,- per dag.

In het rapport is vermeld dat in het eerdere onderzoek Starlet met de deallijn [naam 1] een

gemiddeld bedrag van € 833,- werd verdiend met de handel in verdovende middelen. Het is daarbij aannemelijk dat medeverdachte [medeverdachte 1] in de notities enkel bijhield wat zij zelf aan verdovende middelen bezorgde.

Het is bekend dat veroordeelde en medeverdachte [medeverdachte 2] zelf ook verdovende middelen bezorgden. Het vermoeden is daarom dat het gemiddelde bedrag aan omzet nog hoger lag dan bovengenoemd bedrag van € 493,14, maar in het rapport worden hier verder geen conclusies aan verbonden ten nadele van veroordeelde, zodat de rechtbank dat ook niet zal doen. In het rapport wordt voorts uitgegaan van 2% heroïne en 8% 2MMC. Dit is in totaal 10%. Deze productgroepen zijn niet meegenomen in deze berekening. Van de dagomzet wordt daarom een percentage van 10% afgehaald. Hierdoor blijft er een bedrag over van € 443,83 aan dagomzet.

Totale omzet

De politie gaat bij de berekening van de totale omzet uit van de dealperiode van veroordeelde van 359 dagen (8 juli 2024 tot 2 juli 2025). De totale omzet van de handel in cocaïne in die periode bedroeg (359 dealdagen x € 443,83) € 159.334,97.

Inkoopprijs cocaïne

In het rapport is vermeld dat uit het onderzoek naar voren komt dat er zowel snuif- als rookcocaïne werd verkocht en dat, aangezien de verdachten geen openheid hebben gegeven, ervan is uitgegaan dat 50% van de verkopen een gram pure cocaïne en 50% van de verkopen een klein bolletje cocaïne betrof.

De verdediging heeft gesteld dat de dagomzet bestond uit 25% pure cocaïne en 75% rookcocaïne, hetgeen uiteindelijk resulteert in een hogere inkoopprijs van cocaïne, te weten € 84.322,18.

De rechtbank sluit aan bij het rapport dat de omzet voor 50% uit snuifcocaïne en voor 50% uit rookcocaïne bestond, omdat de stelling van veroordeelde buiten zijn eigen verklaring op dit punt geen steun vindt in het strafdossier en ook overigens onvoldoende is onderbouwd.

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat normaal één bolletje met 0,25 gram cocaïne € 20 kostte en dat één hele pure ponypack met 0,65 gram cocaïne € 50 kostte. Afnemer [afnemer 1] verklaarde dat hij altijd een bolletje voor € 20,- bestelde. Hij verklaarde ook dat hij aan het begin er vaak twee voor € 30,- kocht en de laatste tijd één voor € 20,-. Afnemer [afnemer 2] verklaarde dat hij altijd één bolletje kocht voor € 20,-. Afnemer [afnemer 3] verklaarde dat hij veroordeelde herkende als dealer [veroordeelde] en dat de prijs bij hem € 20,- voor één bolletje was en als hij er twee haalde, dan betaalde hij € 30,-. Afnemer [afnemer 4] verklaarde dat hij snuifcocaïne kocht en dat één gram € 50,- kostte.

De rechtbank gaat daarom uit van de in het rapport opgenomen prijs per verpakking van € 50,- voor een gram pure cocaïne en (gemiddeld) € 17,50 voor een klein bolletje cocaïne.

De gemiddelde dagomzet van € 443,83 was als volgt opgebouwd :

50% van de verkopen betrof een gram pure cocaïne;

50% van de verkopen betrof een klein bolletje cocaïne.

Dit houdt in dat met beide bovenstaande verpakkingssoorten cocaïne per dag een bedrag van afgerond € 221,92 werd verdiend. Uit het rapport blijkt dat per dag onderstaande aantallen verpakkingen cocaïne werd verhandeld:

€ 221,92 : € 50,- (1 gram snuifcocaïne) = 4,44 (gemiddeld aantal verpakkingen 1 gram snuifcocaïne per dag)

€ 221,92 : € 17,50 (1 klein bolletje rookcocaïne) = 12,68 (gemiddeld aantal verpakkingen klein bolletje rookcocaïne per dag).

Uitgaande van een dealperiode van 359 dagen levert dit onderstaande berekeningen op:

4,44 (gemiddeld aantal verpakkingen één gram snuifcocaïne per dag) x 359 (aantal dagen dealperiode) = 1.594 (totale hoeveelheid verkochte verpakking van één gram snuifcocaïne)

12,68 (gemiddeld aantal verpakkingen één klein bolletje rookcocaïne) x 359 (aantal dagen dealperiode) = 4.552,12 (totale hoeveelheid verkochte verpakking van één klein bolletje rookcocaïne.

In het rapport is beschreven dat in de berekening wordt uitgegaan van een gewicht van 0,65 gram in een verpakking met daarin snuifcocaïne en van een gewicht van 0,25 gram in een verpakking met daarin een klein bolletje met rookcocaïne.

Dit levert onderstaande berekeningen en totaal gewichten op:

1.594 (stuks rookcocaïne) x 0,65 gram (inhoud verpakkingen snuifcocaïne) = 1.036,1 gram (totaal gewicht verpakkingen rookcocaïne)

4.552,12 (stuks rookcocaïne) x 0,25 gram (inhoud verpakking rookcocaïne) = 1.138,03 gram (totaal gewicht verpakkingen rookcocaïne)

In totaal hadden de verpakkingen dus een totaal gewicht van 2.174,13 gram.

De rechtbank acht aannemelijk dat de cocaïne versneden was. Getuige [afnemer 4] verklaarde op 3 april 2025 dat ze twee soorten hadden, mix en brok. Als er één kruisje op het papiertje stond, betekende dat dat de drugs versneden was. Getuige [afnemer 4] heeft op 2 juli 2025 verklaard dat de drugs versneden was. Ook getuige [getuige] dacht dat de drugs versneden was. In de woning van medeverdachte [medeverdachte 3] , die door onder anderen veroordeelde werd gebruikt voor het bereiden en verpakken van cocaïne, werd een plasticzak met vermoedelijk versnijdingsmiddel aangetroffen. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat de witte substantie die in een schaal in zijn woning is aangetroffen versnijdingsmiddel was.

In het rapport is vermeld dat Stichting Jellinek op haar website berichtte dat in 2019 de gemiddelde zuiverheid van cocaïne 69% betrof en dat daarom in de berekening wordt uitgegaan van dit percentage. De in het rapport gegeven berekening is als volgt:

2.174,13 (totaal gewicht van de verkochte verpakkingen) x 0,69 (69% cocaïne) = 1.500 gram (totaal gewicht cocaïne) respectievelijk (de rechtbank begrijpt:) 2.174,13 (totaal gewicht van de verkochte verpakkingen) x 0,31 (31% versnijdingsmiddel) = 673,98 gram (totaal gewicht versnijdingsmiddel).

In het rapport wordt voor de inkoopprijs van de cocaïne uitgegaan van de meest recente 'Nationale drugsprijzenoverzicht' uit 2023. Daaruit is blijkens het rapport op te maken dat cocaïne bij een afname vanaf 1 kilogram wordt ingekocht voor een prijs van € 20.291,67 en dat bij een afname van tussen de 11 tot 999 gram cocaïne wordt ingekocht voor € 28,21 per gram.

Gezien de verkoophoeveelheid per dag is het volgens het rapport aannemelijk dat de verdachte de cocaïne inkocht bij een afname van tussen de 11 tot 999 gram per keer of per kilogram. Het is bekend dat in 2024 en 2025 de inkoopprijs van cocaïne hard is gedaald, tot onder de € 15.000,- per kilogram cocaïne. De verkoopprijs op straat is daarentegen niet gedaald. Hierdoor wordt, door een lage inkoopprijs van cocaïne, met de straathandel meer omzet gemaakt. In het voordeel van de verdachten wordt in deze berekening nog uitgegaan van een inkoopprijs van € 28,21 per gram cocaïne.

Veroordeelde heeft verklaard dat hij de drugs kon inkopen voor € 32,- tot € 35,- per gram. De rechtbank acht echter niet aannemelijk dat hij zelf de drugs inkocht, maar gaat ervan uit dat de drugs door een ander ter beschikking werd gesteld. Gelet hierop zal de rechtbank uitgaan van de in het rapport opgenomen inkoopprijs van € 28,21 per gram cocaïne. Bovendien is het ook gelet op bovengenoemde prijsdaling in de dealperiode niet aannemelijk dat ten behoeve van verdachte zou worden ingekocht met een prijs van € 32,- tot € 35,- per gram.

De inkoopkosten van de cocaïne worden daarom geschat op (1.500 gram x € 28,21 =) € 42.315,-

Kosten versnijdingsmiddel

In het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel wordt rekening gehouden met de inkoopkosten van Inositol, dat als versnijdingsmiddel is gebruikt. In het rapport is vermeld dat in totaal 673,98 gram versnijdingsmiddel nodig was en dat bekend is dat Inositol veelal wordt gebruikt voor het versnijden van cocaïne. In het rapport is voorts vermeld dat uit onderzoek op het openbare internet bleek dat 500 gram Super Vita lnositol een inkoopprijs had van € 120,-.

Dit levert de volgende berekening op:

€ 120 (inkoopprijs Super Vita lnositol): 500 (gewicht Super Vita lnositol) = € 0,24 (inkoopprijs 1 gram Super Vita lnositol)

673,98 (totale hoeveelheid gram versnijdingsmiddel) x 0,24 (inkoopprijs 1 gram Super Vita lnositol) = € 161,76 (totale inkoopkosten versnijdingsmiddel).

De rechtbank zal de kosten van het ingekochte versnijdingsmiddel conform het rapport derhalve schatten op € 161,76.

Kosten auto

De verdediging heeft aangevoerd dat ten aanzien van de kosten voor de auto alleen de kosten voor brandstof zijn berekend, maar dat ook kosten voor de aanschaf en huur van auto’s zijn gemaakt, waardoor de totale autokosten op € 11.530,33 uitkomen.

Medeverdachte [medeverdachte 2] maakte gebruik van een Revolut bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] . In de periode van 25 december 2024 tot en met 14 mei 2025 werd er verdeeld over 9 transacties een bedrag van € 3.840,33 afgeschreven naar bankrekeningen op naam van verhuurbedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Op donderdag 22 mei 2025, zagen de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een zwarte BMW 218i voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken] rijden op de Elsweg in de richting van de Prins Willem-

Alexanderlaan. Zij zagen dat aan het einde van de Elsweg het genoemde voertuig langs het trottoir geparkeerd werd en dat er twee ambtshalve bekende dealers van verdovende middelen uitstapten. Zij zagen dat het voertuig bestuurd werd door [naam 2] en dat [naam 3] de bijrijder was. Beide mannen kwamen veelvuldig voor inzake handel in verdovende middelen. Uit bevraging in de beschikbare politiesystemen bleek dat het genoemde voertuig op naam staat van verhuurbedrijf [bedrijf 2] . De rechtbank acht aannemelijk dat de door medeverdachte [medeverdachte 2] betaalde bedragen aan de verhuurbedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ad € 3.840,33 verband hielden met de handel in verdovende middelen. De rechtbank zal bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel dit bedrag als kosten in mindering brengen.

Ten aanzien van de brandstofkosten gaat de rechtbank uit van de berekening die in het rapport is opgenomen. Hiervoor is onder ‘omzet per dealdag’ vermeld op 14 verschillende dagen er in totaal een bedrag van € 165, - aan brandstofkosten werd gemaakt. Het bedrag aan brandstofkosten wordt naar boven afgerond en komt dan uit op €15, - per dag. De totale brandstofkosten bedragen derhalve (359 x € 15,-) € 5.385,-.

De kosten voor de aanschaf van de Citroën C1 dienen naar het oordeel van de rechtbank niet in aanmerking te worden genomen. Niet aannemelijk is gemaakt dat dit voertuig uitsluitend of voornamelijk met het oog op de handel in verdovende middelen is aangeschaft.

De rechtbank schat de totale autokosten aldus op (€ 3.840,33 + € 5.385,-) € 9.225,33.

Kosten telefoon

In het rapport is een berekening van de telefoonkosten opgenomen. In deze berekening wordt uitgegaan van twee dealtelefoons. Veroordeelde maakte gebruik van de provider Lebara. De politie heeft onderzoek op internet gedaan, omdat veroordeelde over de kosten geen openheid heeft gegeven. Uit dit onderzoek op het openbare internet bleek dat 6 GB data + onbeperkte belminuten/sms per 30 dagen een bedrag kostte van € 10,- (bron: www lebara.nl).

Dit levert de volgende berekening op:

359 (totaal aantal dagen dealperiode) : 30 (dagen per termijn opwaarderen) = 11,97 (afgerond in totaal 12 keer opwaarderen)

12 (12 keer opwaarderen per dealtelefoon) x € 10,- (opwaardeer bedrag per 30 dagen) x 2 (aantal dealtelefoons) = € 240,- (totale telefoonkosten).

De verdediging heeft opgemerkt dat in het rapport het bedrag aan telefoonkosten niet in mindering is gebracht op het verkregen voordeel. Ook heeft de verdediging erop gewezen dat bij medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ook dealtelefoons in beslag zijn genomen en dat het totaalbedrag aan telefoonkosten daarom op € 720,- (3 x € 240,-) moet worden gesteld. De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat die berekening kan worden gevolgd.

De rechtbank zal de verdediging en de officier van justitie hierin volgen en de telefoonkosten schatten op een bedrag van € 720,-.

Bezorgkosten

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij 20% van de opbrengst kreeg. In het rapport worden de totale kosten van de bezorging van verdovende middelen als volgt berekend:

€ 159.334,97 (totale opbrengst verkoop verdovende middelen) x 0,20 (20% is de vergoeding van de bezorger(s) = € 31.866,99 (totale kosten bezorging verdovende middelen).

De rechtbank zal de in aanmerking te nemen bezorgkosten dan ook schatten op € 31.866,99.

Aandeel veroordeelde

Ten aanzien van het aandeel van veroordeelde ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen voordeel overweegt de rechtbank als volgt.

Op grond van het strafdossier is aannemelijk dat veroordeelde een aansturende rol had.

Veroordeelde gebruikte voor de handel in verdovende middelen (onder meer) IMEI-nummer [nummer] . Sinds 11 juni 2025 werd van dit IMEI-nummer de telecommunicatie opgenomen. Op maandag 16 juni 2025 om 15.17 uur, vond er met het genoemde IMEI-nummer een uitgaande oproep plaats met het tegentelefoonnummer + [telefoonnummer 1] . Dit tegentelefoonnummer stond op naam van [naam 4] . Uit het gesprek was op te maken dat de gebruiker van het telefoonnummer er eentje wilde hebben en dat de gebruiker van het IMEI-nummer voor de afspraak een vrouwelijke collega zou sturen.Op dinsdag 24 juni 2025 kwamen om 11:54 uur en tweemaal om 11:58 uur op IMEI-nummer [nummer] oproepen binnen van telefoonnummer + [telefoonnummer 2] . Er ontstond geen gesprek want de telefoon ging direct over op voicemail. Door het opvragen van de gebruikersgegevens was bekend dat de gebruiker van het genoemde telefoonnummer [afnemer 5] betrof, die aan [adres] woonde. Het was bij de politie bekend dat [afnemer 5] een afnemer is van verdovende middelen. Bij observatie werd waargenomen dat [medeverdachte 1] om 12.38 uur haar woning verliet en aan de passagierszijde van haar voertuig rommelde. Hierna werd waargenomen dat zij kort bij het adres van afnemer [afnemer 5] naar binnen ging.

Afnemer [afnemer 3] verklaarde dat hij veroordeelde herkende als dealer [veroordeelde] en dat hij een aansturende rol had. Deze [veroordeelde] stuurde ook een vrouw aan.

De politie heeft een iPhone 16 Pro die in gebruik was bij medeverdachte [medeverdachte 2] onderzocht. Op deze telefoon werd een whatsappgesprek met telefoonnummer + [telefoonnummer 3] aangetroffen. Het contact van dit gesprek was opgeslagen als [naam 5] . Het gesprek werd gevoerd vanaf 22 maart 2025 tot en met 2 april 2025. Uit het gesprek tussen [medeverdachte 2] en [naam 5] was gebleken dat veroordeelde de gebruiker was van het telefoonnummer: + [telefoonnummer 3] . In dit gesprek gaf veroordeelde adressen door aan [medeverdachte 2] waar hij heen moet gaan en wat er dan gebracht moet worden. Te zien was dat er vrijwel dagelijks contact was en er dan meerdere afspraken per dag werden gemaakt.

Op basis van het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat veroordeelde (in ieder geval) medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aanstuurde. Veroordeelde had daarmee naar het oordeel van de rechtbank een groter aandeel dan de medeverdachten. Waarschijnlijk is echter dat veroordeelde zelf ook door anderen werd aangestuurd. De rechtbank stelt het aandeel van veroordeelde gelet hierop vast op 40%.

Aantal daadwerkelijke dagen

De verdediging heeft gesteld dat veroordeelde zich gedurende ongeveer 4 maanden (122 dagen) niet heeft beziggehouden met de handel in verdovende middelen. De rechtbank overweegt dat in het dossier geen aanwijzingen zijn te vinden dat veroordeelde zich gedurende een of meer periode(s) minder heeft beziggehouden met de handel in verdovende middelen. Veroordeelde heeft ter terechtzitting onvoldoende (concrete) aanknopingspunten verschaft op basis waarvan de rechtbank kan vaststellen hoeveel dagen binnen deze periode veroordeelde zich heeft beziggehouden met de handel in verdovende middelen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat veroordeelde zeven dagen per week betrokken was bij drugshandel. Wel zal de rechtbank de periode dat veroordeelde met vakantie was (27 juli 2024 tot en met 18 augustus 2024) in mindering brengen. Dit betreffen 23 dagen.

Conclusie

Het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt als volgt berekend:

Omzet € 159.334,97

Inkoopkosten cocaïne -€ 42.315,-

Kosten versnijdingsmiddel -€ 161,76

Autokosten -€ 9.225,33

Telefoonkosten -€ 720,-

Bezorgkosten -€ 31.866,99

Netto omzet € 75.045,89

Aandeel veroordeelde (40%) € 30.018,36

Omgerekend naar 336 dealdagen komt dit neer op een bedrag van (€ 30.018,36/359 x (359 – 23) =) € 28.095,18.

Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van € 28.095,18 en zal hem veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

4. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5. De beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 28.095,18;

- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag;

- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 30 dagen.

Aldus gegeven door mr. M. Rietveld (voorzitter en kinderrechter), mr. J.S.W. Lucassen en mr. O. El Kadi, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J . van ‘t Spijker, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 mei 2026.

mr. Rietveld is buiten staat deze beslissing te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand