ECLI:NL:RBGEL:2026:4001

ECLI:NL:RBGEL:2026:4001

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 21-05-2026
Zaaknummer 12204045 \ CV EXPL 26-3752
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Zaak tussen werknemer en werkgeefster. Kantonrechter repareert verkeerd gekozen rechtsingang met toepassing van art. 69 Rv. Werkgeefster heeft werknemer inmiddels met terugwerkende kracht weer in dienst genomen. Loonvordering wordt deels toegewezen. Ook moet werkgeefster de wettelijke rente en wettelijke verhoging betalen, omdat haar hoe dan ook toe te rekenen is dat zij te laat heeft betaald.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer: 12204045 \ CV EXPL 26-3752

Vonnis van 29 april 2026

in de zaak van

[naam verzoekende werknemer] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: werknemer,

gemachtigde: mr. P.D. Zalucha,

tegen

COVEBO TECHNIEK B.V.,

gevestigd te Nijkerk,

verwerende partij,

hierna te noemen: werkgeefster,

gemachtigde: mr. N.M. van der Slot.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, ingekomen op 16 december 2025

- het verweerschrift met producties, ingekomen op 23 maart 2025.

De zaak is mondeling behandeld op 31 maart 2026. Werknemer is verschenen, bijgestaan door mr. Zalucha en [tolk] (tolk Pools, tolkennummer [nummer] ). Namens werkgeefster is verschenen [vertegenwoordiger werkgeefster] , bijgestaan door mr. Van der Slot. Mr. Zalucha heeft een pleitnota voorgedragen en twee aanvullende producties in het geding gebracht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder is besproken.

2. De feiten

Werkgeefster is een uitzendbureau.

Werknemer is op 10 oktober 2022 bij haar in dienst getreden. Vanaf 30 december 2024 geldt een fase C arbeidsovereenkomst. Daarop is van toepassing de ABU-cao (hierna: de cao). Het salaris van werknemer bedroeg laatstelijk € 15,40 bruto per uur, exclusief emolumenten.

Vanaf 22 augustus 2025 heeft werkgeefster de loonbetaling aan werknemer gestaakt.

Werknemer is van 15 september 2025 tot 21 oktober 2025 opgenomen geweest in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg.

De voormalig gemachtigde van werknemer heeft werkgeefster per brief van 10 november 2025 te kennen gegeven dat geen sprake is geweest van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst, dat de overeenkomst onverminderd door is blijven lopen en dat werkgeefster daarom het loon aan werknemer moet doorbetalen.

Werkgeefster heeft op 15 november 2025 in reactie per e-mail laten weten dat werknemer zelf zijn arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang heeft opgezegd op 22 augustus 2025 en daartoe een opzeggingsverklaring heeft ondertekend. Werknemer heeft per e-mail van 21 november 2025 betwist dat hij zelf heeft opgezegd en een opzeggingsverklaring heeft ondertekend. Vervolgens heeft nog verdere correspondentie tussen partijen over en weer plaatsgevonden, waarbij beide partijen bij hun standpunten zijn gebleven.

Na indiening van het verzoekschrift heeft werkgeefster werknemer terug in dienst genomen en met terugwerkende kracht ziekgemeld per 23 augustus 2025. Op 19 maart 2025 heeft zij een bedrag van € 14.194,16 netto aan achterstallig salaris aan werknemer voldaan.

3. Het geschil

Werknemer heeft aanvankelijk verzocht - samengevat - dat de kantonrechter (voor zover vereist) de opzegging van de arbeidsovereenkomst gedaan per verklaring van 22 augustus 2025 vernietigt, verklaart voor recht dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd en op en na 22 augustus 2025 voortduurt en werkgeefster veroordeelt tot betaling van achterstallig loon, te vermeerderen met wettelijke verhoging en wettelijke rente.

Na wijziging van zijn verzoek tijdens de mondelinge behandeling begrijpt de kantonrechter dat werknemer thans alleen nog verzoekt om werkgeefster te veroordelen tot betaling aan werknemer van:

een bedrag van € 3.558,75 netto aan achterstallig salaris tot en met week 11 van 2026 en het rechtens geldende salaris tot aan de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;

€ 9.106,96 bruto aan wettelijke verhoging over het achterstallige loon;

de wettelijke rente over het achterstallig salaris en de wettelijke verhoging;

de proceskosten.

Ter onderbouwing van zijn (gewijzigde) verzoeken stelt werknemer dat werkgeefster inmiddels heeft bevestigd dat zij het dienstverband van werknemer met terugwerkende kracht heeft hersteld, zodat ervan moet worden uitgegaan dat hij nog altijd bij haar in dienst is. Werkgeefster heeft inmiddels weliswaar op 19 maart 2026 een bedrag aan achterstallig salaris aan hem voldaan, maar heeft volgens werknemer

€ 3.558,75 netto te weinig betaald. Omdat het loon te laat is betaald, maakt werknemer aanspraak op de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Hij is in de financiële problemen gekomen doordat hij zeven maanden geen inkomen heeft gehad.

Werkgeefster voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van werknemer, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van werknemer in de kosten van deze procedure.

Werkgeefster voert aan dat werknemer de arbeidsovereenkomst zelf heeft opgezegd en daarvoor een opzeggingsverklaring heeft ondertekend. Zij is er lange tijd van uitgegaan dat werknemer na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst was teruggekeerd naar Polen. Pas in november 2025, toen de toenmalige gemachtigde van werknemer haar had aangeschreven, is zij erachter gekomen dat dat niet het geval was. Naar aanleiding van de informatie in het verzoekschrift over de persoonlijke en medische situatie van werknemer heeft werkgeefster werknemer terug in dienst genomen en met terugwerkende kracht vanaf 23 augustus 2025 ziekgemeld. Daarnaast heeft zij op 19 maart 2026 het achterstallige loon aan werknemer betaald. Zij is op dit moment niets meer aan hem verschuldigd. In de gegeven omstandigheden, waarin zij er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat werknemer de wil had om de arbeidsovereenkomst op te zeggen en werknemer zelf voor vertraging heeft gezorgd door niet met eerdere voorstellen in te stemmen en te wisselen van gemachtigde, stelt werkgeefster zich op het standpunt dat zij geen wettelijke verhoging en wettelijke rente hoeft te betalen.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Rechtsingang

Het verzoek van werknemer in deze procedure strekte aanvankelijk tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst, dan wel een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst ook op en na 22 augustus 2025 doorloopt, en betaling door werkgeefster van achterstallig loon. Ter onderbouwing stelde werknemer primair dat de opzeggingsverklaring niet geldig is (hij betwist de echtheid van zijn handtekening) en subsidiair dat sprake is van een wilsgebrek dan wel misbruik van omstandigheden. Deze vorderingen vallen niet onder het toepassingsbereik van de verzoekschriftenprocedure van afdeling 9, titel 10 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De onderhavige procedure had dan ook niet met een verzoekschrift, maar met een dagvaarding moeten worden ingeleid. Mede gelet op de omstandigheid dat werkgeefster de kantonrechter heeft verzocht om proceseconomische redenen hieraan geen gevolgen te verbinden zal de kantonrechter, met toepassing van artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), bij vonnis uitspraak doen.

Bezwaar aanvullende producties

De gemachtigde van werkgeefster heeft tijdens de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen de op dat moment namens werknemer ingediende extra producties.

De kantonrechter overweegt als volgt. Aanvullende stukken in de procedure moeten binnen tien dagen vóór de mondelinge behandeling zijn ingediend. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de termijn van tien kalenderdagen voor de dag van de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen door de rechter ambtshalve als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten. In dit geval heeft de gemachtigde van werknemer tijdens de zitting twee extra producties in het geding gebracht: een salarisspecificatie en een bruto netto berekening. Zij heeft niet toegelicht waarom zij deze stukken niet al eerder in het geding had kunnen brengen. Bovendien is de salarisspecificatie (zo goed als volledig) in de Poolse taal opgesteld en betreft de bruto netto berekening alleen de uitkomst en is niet inzichtelijk op basis van welke gegevens de berekening is gemaakt. Gelet hierop wordt werkgeefster door het late moment van indiening van deze stukken in haar procespositie geschaad. De kantonrechter zal deze stukken daarom buiten beschouwing laten bij de beoordeling.

Het achterstallige salaris

Werknemer vordert uitbetaling van een bedrag aan achterstallig loon van € 3.558,75 netto. De kantonrechter stelt voorop dat op werknemer, die zich beroept op het rechtsgevolg van zijn stelling dat werkgeefster te weinig salaris aan hem heeft betaald, op grond van artikel 150 Rv de stelplicht en de bewijslast rust van die stelling.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft werknemer ter onderbouwing van deze vordering onder andere verwezen naar de op dat moment door hem overgelegde salarisstrook en bruto netto berekening. De kantonrechter heeft in rov. 4.3. echter beslist om deze stukken buiten beschouwing te laten. Op basis van deze stukken kan de loonvordering dan ook niet worden toegewezen.

Werknemer heeft verder nog gesteld dat werkgeefster in plaats van 8,33 slechts 8% vakantietoeslag aan hem heeft uitbetaald en heeft nagelaten zijn vakantiedagen uit te betalen. Hierbij heeft hij verwezen naar de door werkgeefster (als productie 9) overgelegde salarisspecificaties. De kantonrechter overweegt het volgende.

Op basis van artikel 4.4. van de arbeidsovereenkomst heeft werknemer - in overeenstemming met de cao - recht op 8,33% vakantietoeslag. Voor zover werkgeefster bij het uitbetalen van het achterstallig salaris heeft gerekend met 8% vakantietoeslag, hetgeen uit de door werkgeefster overgelegde salarisspecificaties valt af te leiden, klopt dat dus niet. De gemachtigde van werkgeefster heeft aangevoerd dat de vakantietoeslag en vakantiedagen op basis van de cao worden gereserveerd en niet periodiek worden uitbetaald. Artikel 4.6. van de arbeidsovereenkomst bepaalt echter dat de reserveringen voor vakantiebijslag en bovenwettelijke vakantiedagen periodiek (wekelijks) worden uitgekeerd. De cao maakt dit ook mogelijk. Dit betekent dat werkgeefster wel degelijk de vakantietoeslag (van 8,33%) had moeten uitbetalen. De kantonrechter zal haar daarom veroordelen dit alsnog te doen.

Wat betreft de vakantiedagen overweegt de kantonrechter dat op basis van voormeld artikel uit de arbeidsovereenkomst de bovenwettelijke vakantiedagen ook wekelijks moeten worden uitbetaald. Op basis van de nu voorhanden zijnde stukken kan de kantonrechter echter niet vaststellen of dat is gebeurd. Werknemer heeft ook niet duidelijk gemaakt om hoeveel vakantiedagen het zou gaan. In de pleitnota heeft zijn gemachtigde weliswaar gesteld dat uitgegaan moet worden van 10,93% aan uit te betalen vakantiedagen, maar zij lijkt hierbij uit het oog te hebben verloren dat in dat percentage zowel de wettelijke als de bovenwettelijke vakantiedagen zijn begrepen en alleen voor de bovenwettelijke vakantiedagen de periodieke uitbetaling geldt. Voor zover dit anders zou zijn, heeft werknemer dat niet nader onderbouwd. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.

Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter het deel van de loonvordering van werknemer dat ziet op achterstallige vakantietoeslag toewijzen. Het overige deel van de loonvordering zal als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

Uiteraard vloeit uit de arbeidsovereenkomst voort dat werkgeefster het rechtens geldende salaris (met inachtneming van hetgeen hiervoor in rov. 4.7. is overwogen) aan werknemer moet blijven betalen tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.

Werkgeefster moet de wettelijke rente en de wettelijke verhoging betalen

Nu werknemer (met terugwerkende kracht) ook na 22 augustus 2025 in dienst is gebleven, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat werkgeefster het salaris te laat (namelijk pas op 19 maart 2025) heeft betaald. Zij is daarom de wettelijke rente hierover verschuldigd. Ook moet werkgeefster de wettelijke verhoging betalen, tenzij de niet tijdige voldoening niet aan haar kan worden toegerekend. In dat kader overweegt de kantonrechter als volgt.

De rechter kan de wettelijke verhoging beperken tot ieder bedrag dat hij billijk vindt en deze zelfs op nihil stellen. Hij heeft daartoe een discretionaire bevoegdheid en dient rekening te houden met de omstandigheden van het geval. Tot deze omstandigheden kunnen behoren het motief van de werkgever voor de niet tijdige voldoening en zijn financiële omstandigheden.

Werkgeefster heeft aangevoerd dat er redenen zijn om zowel de wettelijke rente als de wettelijke verhoging te matigen tot nihil. Werknemer heeft volgens haar zelf de arbeidsovereenkomst opgezegd en zij had geen reden om te twijfelen aan zijn wil. Werkgeefster heeft in juni 2025 een gesprek met werknemer gevoerd, omdat werknemer instructies van de opdrachtgever niet meer goed nakwam en het duidelijk niet meer naar zijn zin had op het werk. Werkgeefster heeft werknemer een waarschuwing gegeven en werknemer heeft beterschap beloofd. Werknemer kwam zijn beloftes echter niet na en verviel weer in zijn oude gedrag, aldus werkgeefster. Ook zou hij hebben gezegd terug te willen naar Polen. Werkgeefster is vervolgens nogmaals een gesprek met werknemer aangegaan. Zij heeft werknemer toen een vaststellingsovereenkomst aangeboden, maar daar ging hij niet mee akkoord. Werknemer wilde zelf ontslag nemen en heeft vervolgens, in het bijzijn van twee collega’s, zelf een opzeggingsverklaring ondertekend, aldus werkgeefster.

Werknemer betwist dat hij de arbeidsovereenkomst zelf heeft opgezegd. Hij heeft niet zelf een handtekening onder de opzeggingsverklaring gezet. Hij stelt dat werkgeefster hem omstreeks 22 augustus 2025 te kennen heeft gegeven dat hij zijn werkzaamheden wegens ziekte moest staken en de aan hem ter beschikking gestelde huisvesting binnen twee dagen moest verlaten. Hij heeft vervolgens een epileptische aanval gekregen en is in een psychose geraakt. Ten gevolge daarvan is hij van 15 september tot 21 oktober 2025 opgenomen geweest in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg. Na zijn ontslag uit de instelling heeft werknemer een gemachtigde gezocht die namens hem werkgeefster heeft aangeschreven en gesommeerd zijn achterstallig loon te betalen.

De kantonrechter overweegt het volgende. Als een werknemer zelf te kennen geeft aan zijn werkgever dat hij zijn arbeidsovereenkomst wil opzeggen, mag een werkgever er niet zomaar op vertrouwen dat de wil van de werknemer er ook echt op gericht is om de arbeidsrelatie te beëindigen. Dit is alleen gerechtvaardigd als sprake is van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werknemer. Dit om een werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor de werknemer kan hebben. Onder omstandigheden rust op de werkgever een onderzoeksplicht om na te gaan of de werknemer wel echt wilde opzeggen en om de werknemer voor te lichten over de gevolgen van een opzegging.

Voor zover werkgeefster de verklaring van werknemer op 22 augustus 2025 heeft mogen opvatten als een opzegging - werknemer betwist dit, primair stellende dat hij zijn handtekening niet onder die verklaring heeft gezet en subsidiair dat hij zijn wil op dat moment niet goed kon bepalen, dan wel dat werkgeefster misbruik van omstandigheden heeft gemaakt - is de kantonrechter van oordeel dat werknemer daaraan niet kan worden gehouden. Werkgeefster is namelijk niet met redelijke zorgvuldigheid nagegaan of werknemer inderdaad beëindiging van de arbeidsovereenkomst wilde. Als werknemer daadwerkelijk aan werkgeefster te kunnen heeft gegeven dat hij de arbeidsovereenkomst wilde opzeggen (en naar Polen wilde teruggaan) - hetgeen werknemer betwist - had werkgeefster hem op de consequenties van een eigen opzegging moeten wijzen en moeten onderzoeken of zijn wil daadwerkelijk daarop was gericht. Het blijkt echter niet dat zij dat heeft gedaan. Van de gesprekken die werkgeefster stelt met werknemer te hebben gehad zijn geen gespreksverslagen gemaakt en ook is de vermeende gegeven waarschuwing blijkbaar niet schriftelijk gedaan. Gelet op de betwisting hiervan door werknemer kan de juistheid van de stellingen van werkgeefster op dit punt niet worden geverifieerd en kan niet worden vastgesteld dat werkgeefster aan haar onderzoeksplicht heeft voldaan.

Het antwoord op de vraag of de handtekening die onder de opzeggingsverklaring staat daadwerkelijk van werknemer is of niet is gezien de huidige stand van zaken, waarin werkgeefster werknemer met terugwerkende kracht terug in dienst heeft genomen, niet meer relevant voor de vraag of werkgeefster de wettelijke verhoging moet betalen. Het valt haar immers hoe dan ook toe te rekenen dat zij het loon van werknemer niet tijdig heeft betaald. Indien werknemer de opzeggingsverklaring wel zelf heeft ondertekend, heeft werkgeefster - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - immers te gemakkelijk aangenomen dat de wil van werknemer daadwerkelijk was gericht op het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. En indien sprake is van een valse verklaring heeft zij werknemer in feite zonder dringende reden op staande voet ontslagen. In beide gevallen valt werkgeefster een verwijt te maken wat betreft het te laat betalen van het loon. Dit betekent dat werkgeefster zal worden veroordeeld tot betaling van zowel de wettelijke rente als de maximale wettelijke verhoging van 50% over het achterstallig loon.

Werkgeefster moet de proceskosten betalen

Werkgeefster wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van werknemer worden begroot op:

- griffierecht

90,00

- salaris gemachtigde

720,00

- nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

954,00

5. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt werkgeefster om aan werknemer te betalen:

0,33% aan achterstallige vakantietoeslag over het achterstallige salaris over de periode van 22 augustus 2025 tot en met week 11 van 2026;

de wettelijke verhoging over het achterstallige salaris over de periode van 22 augustus 2025 tot en met week 11 van 2026;

de wettelijke rente over het achterstallige salaris over de periode van 22 augustus 2025 tot en met week 11 van 2026,

veroordeelt werkgeefster in de proceskosten van € 954,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als werkgeefster niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Weerkamp - Beens en in het openbaar uitgesproken op

29 april 2026.

41245 \ 693

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand