RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: 11942569 \ AZ VERZ 25-51
Beschikking van 12 mei 2026
in de zaak van
[naam verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: werkneemster,
gemachtigde: mr. S.A. van Snippenburg,
tegen
1. STICHTING CHRISTELIJK PRIMAIR ONDERWIJS BETUWE,
gevestigd te Tiel,
hierna te noemen: werkgeefster,2. NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te 's-Gravenhage,
hierna te noemen: NN,
verwerende partijen,
gemachtigde: mr. L.J. Bergshoeff-Sonneveld.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties;
- het verweerschrift met producties;
- de aanvullende producties 18 en 19, ingediend op 3 maart 2026 namens werkneemster;
- de aanvullende productie 20, ingediend op 4 maart 2026 namens werkneemster;
- de aanvullende producties Q en R, ingediend op 5 maart 2026 namens de verwerende partijen.
De zaak is mondeling behandeld op 9 maart 2026. Verschenen is werkneemster, bijgestaan door mr. Van Snippenburg. Namens werkgeefster is verschenen [naam vertegenwoordiger] en namens NN [naam vertegenwoordiger 2] , beiden bijgestaan door mr. Bershoeff-Sonneveld. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken.
In overleg met partijen heeft de kantonrechter de zaak aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen nader overleg te voeren over een eventuele minnelijke regeling.
Op 30 maart 2026 heeft mr. Van Snippenburg de kantonrechter namens werkneemster verzocht uitspraak te doen. De kantonrechter heeft de beschikking vervolgens bepaald op vandaag.
2. De feiten
Vanaf 4 januari 2021 is werkneemster, geboren op [geb. datum] , werkzaam als leerkracht op de Prins Clausschool (een van de scholen van werkgeefster, hierna: de school), in eerste instantie als leerkracht groep 5 en vervolgens als remedial teacher.
Werkneemster is gedeeltelijk gehandicapt. Als gevolg van kinderpolio zijn haar linkerbeen en rechterbovenbeen verlamd en loopt zij sinds haar jeugd met krukken.
Na de zomervakantie van 2021 is de school op maandag 30 augustus weer van start gegaan. Op 2 september 2021, de eerste werkdag van werkneemster na de zomervakantie, is werkneemster ten val gekomen in de aula (ook wel als hal aangeduid) van de school. Werkneemster heeft haar werkzaamheden voortgezet maar, vanwege schouderklachten als gevolg van de val, met gebruikmaking van een rolstoel in plaats van krukken.
Op 26 oktober 2021 heeft werkneemster zich ziekgemeld.
Op 8 november 2021 heeft de orthopedisch chirurg van werkneemster op basis van de op 3 november 2021 gemaakte echo de diagnose gesteld dat een pees in de rechterarm van werkneemster gescheurd was en werkneemster binnen twee maanden geopereerd moest worden. Op basis van deze diagnose heeft de directeur van de school besloten dat werkneemster alleen nog 8 uur vanuit huis zou werken.
Werkneemster heeft werkgeefster op 7 december 2021 op grond van artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aansprakelijk gesteld voor (de schade ten gevolge van) haar val. Werkgeefster heeft de aansprakelijkstelling doorgestuurd aan haar aansprakelijkheidsverzekeraar NN. Zij heeft de aansprakelijkheid betwist.
Op 10 december 2021 heeft werkneemster de val aan de hand van een voorgeschreven, gestandaardiseerd formulier schadeaangifte ‘Schoolongeval’ gemeld.
Werkneemster is op 7 januari 2022 geopereerd aan haar arm. De schouder is tot op heden niet volledig hersteld. Werkneemster is afhankelijk gebleven van een rolstoel en kan vanwege haar schouder- en armklachten zich niet langer met krukken voortbewegen.
[naam leerkracht] (hierna: [leerkracht] ), werkzaam als leerkracht op de school en oud-collega van werkneemster, heeft op 24 januari 2022 een schriftelijke verklaring afgelegd. Hierin heeft hij onder meer verklaard:
Ik heb gezien dat [verzoekster] met haar rechterkruk uitgleed tijdens het voortbewegen in de hal. Ze gleed net voor het lokaal van groep 8 uit. Haar kruk kwam op dat moment op een stuk vloer waar niet vaak gelopen wordt. Ik kan niet spreken van fouten omdat het lastig te bepalen is waardoor [verzoekster] uitgleed. [betrokkene] en ikzelf hebben [verzoekster] zo voorzicht mogelijk opgetild. Het lijkt erop dat het door een stuk vloer komt dat weinig slijtage ondervindt. Er wordt vrij weinig gelopen op dat specifieke punt.
[betrokkene] (hierna: [betrokkene] ), voorheen werkzaam als leerkracht op de school en oud-collega van werkneemster, heeft op 27 januari 2022 een schriftelijke verklaring afgelegd, waarin hij onder meer heeft verklaard:
Ik hoorde dat er iemand viel. Ben toen gaan kijken en [naam verzoekster] aangesproken en overeind geholpen. De vloer was glad. Geen idee hoe dat kwam. Vloer was niet nat. Gladde vloer bij het toilet, waardoor [naam verzoekster] is uitgegleden.
Vanaf 26 juni 2022 is werkneemster weer gaan werken bij een andere school van werkgeefster.
NN heeft op 8 juli 2022 het bedrijf TechnoConsult B.V. (hierna: TechnoConsult) opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de stroefheid van de vloer. De conclusie in het rapport van TechnoConsult van 25 augustus 2022, op basis van haar onderzoek op 24 augustus 2022, is dat de vloer in droge condities voldoet aan de norm NEN 7909.
Bij beschikking van 17 oktober 2024 heeft de kantonrechter van deze rechtbank op verzoek van werkneemster een bevel tot een voorlopig getuigenverhoor gegeven. Het voorlopig getuigenverhoor heeft plaatsgevonden op 19 februari 2025. Op 27 augustus 2025 heeft een contra-enquête plaatsgevonden.
Op 10 maart 2025 heeft werkneemster melding gedaan van haar val bij de Nederlandse Arbeidsinspectie. De arbeidsinspecteur is op 1 april 2025 een onderzoek gestart. In de brief van 20 mei 2025 heeft hij geconcludeerd dat sprake is van een causaal verband tussen het arbeidsongeval en het letsel, maar dat het ongeval niet voldoet aan de definitie van een arbeidsongeval als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet, omdat geen sprake is geweest van verzuim kort volgend op het ongeval. De inspectie heeft op basis daarvan afgezien af van nader onderzoek.
In het arbeidsdeskundig rapport d.d. 17 juli 2025 in verband met de WIA-aanvraag van werkneemster is geconcludeerd dat werkneemster 100% arbeidsongeschikt is.
De arbeidsinspecteur heeft per brief van 4 maart 2026 de eerdere conclusie dat het ongeval niet voldeed aan de definitie van een arbeidsongeval in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet gerectificeerd.
3. Het verzoek en het verweer
Werkneemster verzoekt de kantonrechter bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) om bij beschikking:
I. Te verklaren voor recht dat werkgeefster aansprakelijk is voor de schade die werkneemster heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het arbeidsongeval dat werkneemster op 2 september 2025 (de kantonrechter begrijpt: 2021) is overkomen, bestaande uit het uitglijden direct voor het invalidetoilet, met ernstig blijvend letsel tot gevolg;
II. NN te veroordelen tot betaling aan werkneemster van hetgeen zij uit hoofde van de aansprakelijkheidsverzekering aan werkgeefster verschuldigd is ter zake van voornoemd ongeval, voor zover dekking bestaat;
III. De kosten van dit deelgeschil te begroten op € 5.082,00 inclusief btw, te vermeerderen met het door werkneemster betaalde griffierecht;
IV. Werkgeefster en NN te veroordelen tot betaling van deze kosten aan werkneemster binnen veertien dagen na dagtekening van de te geven beschikking, bij gebreke waarvan de wettelijke rente verschuldigd is tot aan de dag van algehele voldoening;
V. Te bepalen dat de beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad is.
Aan het verzoek heeft werkneemster het volgende ten grondslag gelegd. Tijdens haar werkzaamheden op school is zij uitgegleden en ten val gekomen. Hierdoor heeft zij letsel opgelopen en inmiddels is zij volledig arbeidsongeschikt verklaard. Werkneemster stelt dat werkgeefster op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de door haar geleden en nog te lijden schade. Op werkgeefster rust volgens haar een verzwaarde zorgplicht gezien de aard van de rechtsbetrekking (‘kinderen op een school spelen, stoeien en knoeien’), de al bestaande kwetsbaarheid van werkneemster in verband met haar fysieke beperkingen en de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. Werkneemster stelt zich op het standpunt dat werkgeefster niet aan haar verzwaarde zorgplicht heeft voldaan, omdat zij nalatig is gebleven in de te nemen voorzorgsmaatregelen. Bovendien heeft werkgeefster haar wettelijke meldplicht geschonden door het arbeidsongeval niet te melden bij de Arbeidsinspectie. Hierdoor geldt voor haar een verzwaarde bewijslast om aan te tonen dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan.
Werkgeefster en NN verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek. Zij voeren daartoe aan dat werkgeefster niet aansprakelijk is voor het letsel van werkneemster. Er is volgens hen geen aanwijsbare oorzaak van de val. Het zich verplaatsen door (de aula van) de school is een alledaagse activiteit waarvoor geen extra maatregelen hoeven te worden getroffen. Het enkele vallen en/of uitglijden op de werkvloer is een onvoldoende bijzondere omstandigheid om tot aansprakelijkheid te komen. Werkgeefster en NN betwisten dat op werkgeefster ter zake de condities van de vloer een verzwaarde zorgplicht rust. De vloer voldeed aan de daaraan stellen eisen, het betrof namelijk een linoleumvloer, zoals die gebruikelijk op scholen wordt gebruikt vanwege de mate van stroefheid. Dat is ook gebleken uit het onderzoek dat door Techno Consult in 2022, in dezelfde periode van het jaar, net nadat de vloer was gereinigd en behandeld in de zomervakantie, is uitgevoerd. Zij heeft dan ook voldoende voorzorgsmaatregelen getroffen om aan haar zorgplicht te voldoen. Voor zover zou worden aangenomen dat werkgeefster wel extra voorzorgsmaatregelen had moeten treffen, dan geldt dat die extra maatregelen de val van werkneemster niet hadden kunnen voorkomen. Daarom ontbreekt ook in dat geval iedere aansprakelijkheid. Tot slot stellen werkgeefster en NN zich op het standpunt dat werkgeefster niet verplicht was de val aan de Arbeidsinspectie te melden, omdat geen sprake leek te zijn van blijvend letsel en werkneemster niet direct is uitgevallen. Bovendien leidt het enkele verzuim van een onmiddellijk onderzoek en melding van het ongeval bij de Arbeidsinspectie volgens hen niet tot aansprakelijkheid van werkgeefster op de voet van artikel 7:658 BW.
Op de stellingen van partijen, voor zover van belang voor de beoordeling van het deelgeschil, zal hierna worden ingegaan.
4. De beoordeling
Deelgeschilprocedure
Werkneemster heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De kantonrechter moet beoordelen of er sprake is van schade die, in dit geval, wordt geleden als gevolg van oplopen letsel. Ook moet de kantonrechter beoordelen of er sprake is van een geschil over een deel van dat partijen verdeeld houdt.
De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de kantonrechter eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).
In dit geval verschillen partijen - kort gezegd - van mening over de vraag of werkgeefster aansprakelijk is voor de schade die werkneemster heeft opgelopen door haar val op school. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de kantonrechter het verzoek inhoudelijk zal beoordelen.
Werkneemster heeft NN, als verzekeraar van werkgeefster, op grond van artikel 7:954 BW in deze procedure betrokken.
Inhoudelijke beoordeling
Werkneemster houdt werkgeefster op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk voor de schade ten gevolge van haar val op school.
In artikel 7:658 lid 1 BW is de op een werkgever rustende zorgplicht opgenomen. Daarin wordt de werkgever verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid laat verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden voor het verrichten van arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven als redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Voormeld wetsartikel houdt een ruime zorgplicht in. Er wordt niet snel aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en dus niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Artikel 7:658 BW beoogt daarentegen ook geen absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar. Welke veiligheidsmaatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Op grond van artikel 7:658 lid 2 BW geldt voor wat betreft de stelplicht en bewijslastverdeling het volgende:
(i) De werknemer dient te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij in de uitoefening van zijn functie schade heeft geleden. In het algemeen zal daartoe voldoende zijn dat komt vast te staan dat het ongeval hem is overkomen op de werkplek, waarbij het begrip werkplek ruim mag worden genomen. De juiste, exacte toedracht van het ongeval hoeft hij daarbij niet te stellen.(ii) Indien komt vast te staan dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden, is de werkgever in beginsel aansprakelijk, tenzij hij aantoont dat hij niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht als bedoeld in lid 1. Hiervoor behoeft niet vast te staan aan welke oorzaak het ongeval van de werknemer is te wijten. Staat die toedracht vast, dan kan de werkgever volstaan met aan te tonen dat hij heeft voldaan aan alle op hem rustende verplichtingen om dit specifieke ongeval te voorkomen. Onduidelijkheid over de toedracht van het ongeval betekent daarom een ruimere bewijslast voor de werkgever.(iii) Slaagt de werkgever niet erin het bewijs te leveren dat hij aan zijn zorgverplichting heeft voldaan, dan is het causaal verband tussen zijn tekortkoming en het ongeval gegeven. Hij kan dan evenwel nog aan aansprakelijkheid ontkomen, als hij stelt en bewijst dat nakoming van zijn zorgplicht het ongeval niet zou hebben voorkomen. Ook op dit punt is de toedracht van het ongeval van belang, omdat ook hier geldt dat de omstandigheid dat hieromtrent onduidelijkheid bestaat, een groter bewijsrisico voor de werkgever meebrengt.
Deze verdeling van stelplicht en bewijslast kent als achtergrond dat van een werknemer mag worden verlangd dat hij stelt en zo nodig bewijst dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft opgelopen, maar dat niet van hem mag worden verlangd dat hij aantoont wat nu precies de toedracht of oorzaak is geweest.
Vast staat dat werkneemster op 2 september 2021 tijdens het werken op school ten val is gekomen en daardoor schade heeft geleden. Nu er schade is ontstaan tijdens de uitoefening van de werkzaamheden, is werkgeefster op grond van artikel 7:658 lid 2 BW daarvoor in beginsel aansprakelijk, tenzij zij aantoont dat zij heeft voldaan aan de zorgplicht genoemd in lid 1 van artikel 7:658 BW of de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van werkneemster.
Omdat werkgeefster niet heeft aangevoerd dat sprake is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid van werkneemster, staat nu (alleen) ter beoordeling of werkgeefster aan haar zorgplicht heeft voldaan.
Bij de beantwoording van de vraag of werkgeefster haar zorgplicht is nagekomen, is van belang of sprake was van een risico en wat in dat kader van werkgeefster verwacht mocht worden. Als richtsnoer kan worden aangenomen dat geen waarschuwing nodig is voor algemeen bekende gevaren en voor niet als gevaarlijk te kwalificeren situaties die zich buiten de werkplek op dezelfde manier kunnen voordoen.
Werkneemster stelt dat op werkgeefster een verzwaarde zorgplicht geldt omdat zij heeft nagelaten het arbeidsongeval te melden bij de Arbeidsinspectie. De kantonrechter overweegt hierover het volgende. Onder de zorgplicht wordt mede verstaan de verplichtingen die de werkgever heeft op basis van de Arbowet en andere publiekrechtelijke regelingen ter zake van arbeidsomstandigheden. Een werkgever is op grond van artikel 9 lid 1 van de Arbowet verplicht een arbeidsongeval te melden bij de Arbeidsinspectie. Werkgeefster en NN hebben aangevoerd dat de klachten van werkneemster in eerste instantie mee leken te vallen en werkneemster zich niet meteen ziek heeft gemeld. Gelet hierop was volgens hen geen sprake van een arbeidsongeval als bedoeld in artikel 1 van de Arbowet en was werkgeefster niet verplicht een melding te doen. Werkneemster heeft echter tijdens de mondelinge behandeling onbetwist verklaard dat zij na haar val in eerste instantie weliswaar is blijven werken, maar alleen nog met een rolstoel in plaats van krukken naar het werk is gekomen. Die omstandigheid, in combinatie met de al bestaande kwetsbaarheid van werkneemster, had voor werkgeefster een aanwijzing moeten zijn dat er wellicht toch sprake zou kunnen zijn van ernstig letsel door de val en werkgeefster alsnog tot melding van het ongeval had moeten overgaan. Vervolgens is begin november 2021 de diagnose gesteld dat een pees in de bovenarm was afgescheurd en heeft de directeur van de school op basis daarvan besloten dat werkneemster nog slechts 8 uur online vanuit huis mocht werken. Dit was een volgend moment dat werkgeefster het ongeval had moeten melden. Ook toen werkneemster werkgeefster aansprakelijk heeft gesteld (in december 2021), heeft werkgeefster nagelaten alsnog een melding te doen. Naar het oordeel van de kantonrechter kan werkgeefster in deze omstandigheden wel degelijk een verwijt gemaakt worden vanwege het niet (tijdig) melden van het arbeidsongeval. Anders dan werkneemster stelt, leidt het enkele verzuim van een onmiddellijk onderzoek en melding van het ongeval echter niet zonder meer tot aansprakelijkheid van werkgeefster op grond van artikel 7:658 BW.
Wel rust er vanwege het niet tijdig melden een verzwaarde bewijslast op werkgeefster ter zake de vraag of zij haar zorgplicht is nagekomen. Nu met de stelplicht ter zake van de nakoming van de zorgplicht ook het bewijsrisico ter zake van de nakoming op de werkgeefster rust, komt - gesteld dat wel aannemelijk is dat de werkneemster schade heeft opgelopen in de uitoefening van haar werkzaamheden - onzekerheid ten aanzien van de toedracht van het ongeval voor risico van de werkgever. Slaagt werkgeefster niet erin het bewijs te leveren dat zij aan haar zorgverplichting heeft voldaan, dan is het causaal verband tussen de tekortkoming en het ongeval gegeven. Hierbij geldt, zoals hiervoor in rov. 4.7. reeds is overwogen, dat de werkgeefster dan evenwel nog aan aansprakelijkheid kan ontkomen, als zij stelt en bewijst dat nakoming van de zorgplicht het ongeval niet zou hebben voorkomen.
Over de precieze toedracht van het ongeval verschillen partijen van mening. Werkneemster stelt dat zij is uitgegleden over een (te) gladde vloer. Zij verwijst hierbij naar de schriftelijke verklaringen van [betrokkene] en [leerkracht] en de verklaringen die zijn afgelegd in het voorlopige getuigenverhoor. Daarnaast heeft werkneemster een aantal producties overgelegd waaruit volgens haar blijkt dat de vloer in de aula niet voldoet aan de technische eisen die daaraan moeten worden gesteld.
Werkgeefster en NN betwisten dat gladheid van de vloer de oorzaak is van de val. Zij stellen zich op het standpunt dat er geen aanwijsbare oorzaak van de val is en dat sprake is geweest van een ongelukkig, maar alledaags huis-, tuin- en keukenongeval. Volgens hen blijkt uit het onderzoek dat Techno Consult in opdracht van NN heeft uitgevoerd en uit de door hen ingediende producties over loopveiligheid en normen voor antislipbestendigheid dat de vloer in de aula voldoet aan de daarvoor geldende stroefheidsnormen.
Tijdens het voorlopig getuigenverhoor zijn werkneemster, [betrokkene] , [leerkracht] en [naam fysiotherapeut] (fysiotherapeut, hierna: [fysiotherapeut] ) gehoord. Werkneemster heeft over haar val verklaard dat de vloer glad was en dat ze maar bleef wegglijden toen haar collega’s haar overeind probeerden te helpen. Zij heeft [leerkracht] toen horen zeggen: “dat is de boenwas, want die is niet goed uitgewreven”. Verder heeft werkneemster verklaard dat haar broek en schoenen na de val ook vies waren geworden aan de rechterkant. [betrokkene] heeft verklaard dat hij blijft bij zijn eerdere schriftelijke verklaring. Hij heeft op 2 september 2021 zelf niet gemerkt dat de vloer glad was. [leerkracht] heeft ook verklaard dat hij blijft bij zijn eerdere schriftelijke verklaring. Het zou goed kunnen dat op de plek waar werkneemster is gevallen de vloer gladder was, maar hij kon niet zeggen of hij op dat moment zelf heeft ervaren dat de vloer glad was. [fysiotherapeut] heeft verklaard dat zij op 2 september 2021 werkneemster is tegengekomen toen ze met de auto naar huis was gekomen en dat werkneemster haar toen heeft verteld dat zij uitgegleden was. [fysiotherapeut] heeft een screening uitgevoerd, de arm van werkneemster ingetaped en haar geadviseerd naar de huisarts te gaan.
Tijdens de contra-enquête is gehoord [naam klantmanager] (hierna: [klantmanager] ), werkzaam als klantmanager bij Asito, het schoonmaakbedrijf waarmee werkgeefster een onderhoudscontract heeft afgesloten. [klantmanager] heeft verklaard dat hij zelf niet aanwezig was bij het onderhoud van de vloer op 2 augustus 2021. Zijn collega’s hebben de vloer geschrobd. Dat houdt in dat zij de oude waslagen van de vloer hebben verwijderd en de vloer daarna in de was hebben gezet. Vervolgens hebben ze de nieuwe waslagen ongeveer één nacht laten uitharden en daarna hebben ze de lokalen van de school weer ingeruimd. Na het uitharden is de vloer direct te gebruiken en is deze niet glad, aldus [klantmanager] . De vloer wordt niet uitgewreven. Lopen op de vloer heeft volgens hem geen invloed op de stroefheid. [klantmanager] heeft verder verklaard dat een leek eventuele glansverschillen niet zo snel zal zien en dat de glansverschillen geen invloed hebben op de stroefheid van de vloer. De waslaag geeft volgens hem niet af.
De kantonrechter concludeert op basis van de op dit moment voorhanden zijnde (schriftelijke en mondelinge) verklaringen en de overige stukken dat de precieze toedracht van het ongeval niet vaststaat. De getuigenverklaringen kunnen niet zonder meer tot de conclusie leiden dat de vloer (te) glad was en al daarom niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen. De vloer was in ieder geval niet nat en niet vuil. Niet duidelijk is of werkneemster gevallen is doordat haar kruk als gevolg van beweerdelijke gladheid is weggegleden of dat sprake is geweest van een andere ongelukkige oorzaak. Dit betekent dat zich in dit geval de situatie voordoet dat er onduidelijkheid bestaat over de toedracht van het ongeval als hiervoor bedoeld in rov. 4.7. onder (ii) en, mede gelet op de omstandigheid dat werkgeefster heeft nagelaten het arbeidsongeval te melden bij de Arbeidsinspectie, voor werkgeefster een ruimere bewijslast geldt dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft werkneemster terecht gesteld dat op werkgeefster ten opzichte van werkneemster ook vanwege haar handicap een verzwaarde zorgplicht geldt. Van belang hierbij zijn de concrete omstandigheden van het (arbeidson)geval, waarbij sprake is van een werkneemster met fysieke beperkingen die gevallen is terwijl zij zich met krukken door de school verplaatste. In dat kader hebben werkgeefster en NN er weliswaar op gewezen dat werkneemster al sinds haar jeugd met krukken loopt en daar heel behendig in is, maar dat ontslaat werkgeefster niet van het nemen van de noodzakelijke voorzorgsmaatregelen.
Werkgeefster en NN hebben toegelicht dat werkgeefster, in het kader van haar zorgplicht, meerdere voorzorgsmaatregelen heeft getroffen. Zij laat iedere vier jaar een volledige RI&E uitvoeren op de scholen die onder haar organisatie vallen. Per school wordt dat omgezet in een Plan van Aanpak. Uit het voor 2021 geldende Plan van Aanpak volgt dat er naar aanleiding van de RI&E (2018) géén knelpunten zijn gesignaleerd wat betreft de vloeren en/of het onderhoud daarvan in de school. Daarnaast stellen werkgeefster en NN dat leerkrachten gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het waarborgen van een schone en veilige werkomgeving en dat de school dagelijks professioneel wordt schoongemaakt door Asito. De onderlinge afspraken tussen de school en Asito, waaronder afspraken over het onderhoud aan de vloer, zijn schriftelijk vastgelegd. Verder voldoet de vloer aan de technische eisen van artikel 3.11 van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet). Dit blijkt ook uit de stroefheidsmetingen van Techno Consult. De vloer voldoet aan de normen van NEN-7909 en uit de productkenmerken van de aangebrachte waslagen blijkt dat de was voldoet aan de internationale antislip-normen (ASTM D-2047). Deze kenmerken van de vloer maken ook dat de vloer geschikt is voor het belopen met behulp van krukken, omdat de vloer egaal, vlak en vrij van oneffenheden is, aldus werkgeefster en NN.
Werkneemster heeft in het verzoekschrift een aantal maatregelen opgesomd die werkgeefster volgens haar had kunnen nemen in het kader van haar (verzwaarde) zorgplicht. Werkgeefster en NN hebben terecht aangevoerd dat het merendeel van deze maatregelen en voorzieningen niet ziet op het voorkomen van een val in de aula van de school. Wat betreft de suggestie van werkneemster om antislipvloeren te gebruiken voor natte vloeren overweegt de kantonrechter dat werkneemster niet heeft gesteld dat de vloer nat was toen zij viel en evenmin dat de plek van de val een specifiek risico kent voor de aanwezigheid van vocht. Ook deze voorzorgsmaatregel had de val daarom niet kunnen voorkomen. De enige door werkneemster gesuggereerde voorziening die wellicht een val in de aula kan voorkomen is het gebruik van een trippelstoel of verrijdbare kruk. Werkneemster heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat er één verrijdbare kruk beschikbaar was op de locatie van de school waar zij werkte, maar dat een dergelijke kruk is bedoeld om in de klas op de hoogte van de kinderen te komen en niet om je te verplaatsen op langere afstanden. De kantonrechter leidt hieruit af dat een verrijdbare kruk geen redelijkerwijs te nemen voorzorgsmaatregel is in het kader van de zorgplicht om een val in de aula te voorkomen. Dat betekent dat overblijft de suggestie van een trippelstoel. De vraag is vervolgens of het nalaten door werkgeefster om een dergelijke stoel ter beschikking te stellen aan werkneemster tot de conclusie zou moeten leiden dat zij aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW. Onduidelijk is of partijen hier ooit over hebben gesproken. Werkgeefster heeft wel in algemene zin te kennen gegeven dat werkneemster zich vaak defensief opstelde als zij aan haar mogelijke extra maatregelen en/of aanpassingen vanwege haar handicap voorstelde, omdat zij zoveel mogelijk hetzelfde behandeld wilde worden als haar collega’s en geen speciale behandeling en/of aanpassing wenste.
Op basis van voorgaande overwegingen concludeert de kantonrechter dat partijen elkaar tegenspreken over zowel de feitelijke toedracht als de naleving van de zorgplicht door werkgeefster. Werkgeefster heeft weliswaar de bewijslast ten aanzien van de naleving van de zorgplicht, maar zij stelt gemotiveerd en onderbouwd dat die zorgplicht is nageleefd. Wel geldt dat op haar een verzwaarde bewijsplicht rust in verband met de onduidelijkheid over de toedracht van het ongeval en het niet melden van het arbeidsongeval aan de Arbeidsinspectie. Op basis van de op dit moment voorhanden zijnde verklaringen en stukken kan de kantonrechter in het kader van dit deelgeschil niet beoordelen of de zorgplicht is geschonden en daardoor niet vaststellen of werkgeefster aansprakelijk is. Daarvoor zal nader bewijs of tegenbewijs moeten worden geleverd door werkgeefster dan wel werkneemster. Voor zover werkneemster stelt dat de vloer in de school überhaupt om technische reden niet voldoet, wat werkgeefster en NN betwisten, is wellicht deskundigenonderzoek nodig. Nadere bewijslevering en nader (deskundigen-)onderzoek zullen veel tijd, kosten en moeite met zich brengen. Hiervoor leent een deelgeschil zich niet. Voor de beoordeling en beantwoording van de verschillende vragen in deze zaak is het voeren van een gewone (bodem)procedure de aangewezen weg.
De conclusie is dat deze zaak niet geschikt is voor een beoordeling in een deelgeschil. De kantonrechter zal het verzoek van werkneemster daarom afwijzen.
Kosten deelgeschil
Werkneemster verzoekt werkgeefster te veroordelen in de kosten van dit deelgeschil en maakt in dat kader aanspraak op een bedrag van € 5.082,00 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. In haar verzoek is werkneemster met betrekking tot het uurtarief van haar advocaat uitgegaan van een honorarium van € 200,00 per uur, exclusief 21% btw. Verder heeft zij onderbouwd dat door haar advocaat veertien uur is besteed aan de behandeling van het dossier en dat zij (ten tijde van het indienen van het verzoekschrift) verwachtte nog zeven uren daaraan te zullen besteden.
Werkgeefster en NN hebben geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief. Met betrekking tot het aantal uren hebben zij zich op het standpunt gesteld dat, hoewel een urenspecificatie ontbreekt, veertien uur redelijk overkomt. Voor de nog te maken uren hebben zij aangevoerd dat zeven uur bovenmatig is. Voor de post ‘reistijd in verband met zitting’ moet volgens hen de helft van het uurtarief worden gerekend en voor ‘overleg met cliënte’ en ‘correspondentie telefoon etc.’ samen maximaal één uur.
De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.
Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
Het door werkneemster begrote aantal uren komt de kantonrechter redelijk voor. Voor matiging van het uurtarief voor de bestede reistijd en de posten ‘overleg met cliënte’ en ‘correspondentie telefoon etc.’, zoals door werkgeefster en NN betoogd, ziet de kantonrechter geen reden. Daarom zal de kantonrechter de kosten van dit deelgeschil begroten op het door werkneemster berekende bedrag van € 5.082,00 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht.
Omdat de aansprakelijkheid van werkgeefster in deze procedure niet is komen vast te staan, is de verzochte veroordeling van werkgeefster en NN tot betaling van eerdergenoemde kosten aan werkneemster niet toewijsbaar.
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst het verzoek af,
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 5.082,00 inclusief btw, te vermeerderen met het door werkneemster betaalde griffierecht van € 90,00.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.W. de Groot en in het openbaar uitgesproken op
12 mei 2026.
41245 \ 498