RECHTBANK GELDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
parketnummer hof : 21-004980-23
v.i. nummer : 89-000194-43
raadkamernummer : 26-010547
datum : 21 mei 2026
Beslissing van de enkelvoudige kamer ingevolge artikel 6:2:13 van het Wetboek van Strafvordering inzake voorwaardelijke invrijheidstelling van:
[veroordeelde] (veroordeelde),
geboren op [geboortedatum] 1981 te Bonaire,
thans gedetineerd in P.I. [verblijfsplaats].
Raadsman: mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht.
Feiten
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft veroordeelde bij arrest van 7 mei 2024 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar. Deze veroordeling is op 22 mei 2024 onherroepelijk geworden.
Het Openbaar Ministerie heeft veroordeelde voorwaardelijke invrijheidstelling
(v.i.) verleend bij beslissing van 17 april 2025. Deze beslissing is op 19 april 2025 aan veroordeelde betekend. Op 20 juni 2025 is veroordeelde feitelijk in vrijheid gesteld. De proeftijd in het kader van de v.i. is op 27 juni 2025 gestart.
Bij beslissing van 8 april 2026 heeft het Openbaar Ministerie besloten de v.i. van veroordeelde te herroepen voor de duur van 600 dagen en is de verdere tenuitvoerlegging van de straf gelast. Aan de herroeping ligt een nieuwe veroordeling op 31 maart 2026 ten grondslag. De kennisgeving van deze beslissing is aan veroordeelde betekend op 9 april 2026.
Tegen deze beslissing heeft veroordeelde een bezwaarschrift ingediend, dat op 13 april 2026 bij de griffie van de rechtbank Gelderland is ontvangen.
Procedure
De rechtbank heeft op 7 mei 2026 het bezwaar in openbare raadkamer behandeld. Daarbij zijn de veroordeelde, zijn raadsman en de officier van justitie gehoord.
Bezwaar
Namens veroordeelde is allereerst aangevoerd dat het bezwaarschrift meervoudig zou moeten worden behandeld omdat het gaat om een fors aantal dagen. Verzocht is daarom om de zaak te verwijzen naar de meervoudige raadkamer.
Verder is volledige herroeping disproportioneel. Het Openbaar Ministerie legt een verband tussen het indexdelict van de v.i.-zaak en de veroordeling op 31 maart 2026 maar de context is een heel andere. In de v.i zaak ging het om voorbereidingshandelingen ter zake de Opiumwet en hield de gijzeling verband met het verdovende middelen circuit. Recent ging het om een woningoverval waarbij de bewoner zich niet aan de overval kon onttrekken. Dat is een ander soort gijzeling. De bij de aanhouding aangetroffen hoeveelheid MDMA betreft een hoeveelheid waar normaal gesproken een taakstraf voor zou worden opgelegd. Bovendien heeft de rechtbank Midden-Nederland veroordeelde fors gestraft vanwege de eerdere veroordeling in de v.i.-zaak. Deze misstap wordt veroordeelde nu dubbel aangerekend; enerzijds in de strafmaat, anderzijds door de volledige herroeping van de v.i.
Tot slot heeft het Openbaar Ministerie ten onrechte bepaalde factoren niet meegewogen in het besluit zoals de aard van de laatste veroordeling, de recidive, de persoonlijke belangen en de lengte van de resterende v.i.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de wet toestaat dat de zaak enkelvoudig kan worden behandeld en zich daarom verzet tegen verwijzing.
Veroordeelde heeft de algemene voorwaarden van de voorwaardelijke v.i. overtreden door zich schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten en dus is een herroeping van de v.i. aan de orde. De recente veroordeling past in het delict patroon van veroordeelde van gewelds- en drugsdelicten. De nieuwe feiten zijn gepleegd binnen een maand nadat veroordeelde uit detentie kwam. Dat de context daarbij mogelijk anders is, doet daaraan niet af. Van een dubbele bestraffing of verkeerde weging is geen sprake. In het besluit staat ook dat het Openbaar Ministerie in deze situatie een waarschuwing of het wijzigen van de voorwaarden niet voldoende vindt.
Beoordeling
Het Openbaar Ministerie heeft veroordeelde v.i. verleend, (enkel) onder de algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan het plegen van een strafbaar feit.
Op grond van artikel 6:2:13a, eerste lid, aanhef en onder a Sv kan de voorwaardelijke invrijheidsstelling geheel of gedeeltelijk worden herroepen indien er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat de veroordeelde dat veroordeelde de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.
Het Openbaar Ministerie heeft de beslissing tot v.i. herroepen en daaraan ten grondslag gelegd dat veroordeelde zich schuldig zou hebben gemaakt aan een nieuw strafbaar feit. In de bezwaarschriftprocedure dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot die beslissing heeft kunnen komen.
De rechtbank stelt vast dat veroordeelde op 31 maart 2026 door de rechtbank Midden-Nederland is veroordeeld voor diefstal met geweld, afpersing, wederrechtelijke vrijheidsberoving en het bezit van MDMA, gepleegd op 25 juli 2025 en 13 augustus 2025, tot een gevangenisstraf van 72 maanden. De raadsman heeft in raadkamer toegelicht dat hoger beroep is ingesteld maar enkel vanwege de kwalificatie en de strafmaat. Hoewel de beslissing van de rechtbank niet onherroepelijk is, kan aldus worden uitgegaan van de betrokkenheid van veroordeelde bij deze feiten.
De eerste vraag is of het bezwaarschrift niet door de enkelvoudige kamer maar door de meervoudige kamer zou moeten worden behandeld omdat het gaat om een onderliggende v.i. van meer dan een jaar.
Artikel 6:6:8 lid 4 Sv verklaart artikel 21 Sv van toepassing, hetgeen betekent dat het bezwaarschrift door een enkelvoudige kamer kan worden behandeld indien de zaak van eenvoudige aard is. Bij het bepalen of een zaak eenvoudig van aard is, kan vanzelfsprekend betekenis toekomen aan de duur van de v.i. maar op grond van de wettekst lijkt de enkele duur niet bepalend of doorslaggevend. Daar waar in artikel 6:6:1 lid 7 Sv immers expliciet is bepaald dat een zaak wordt behandeld en beslist door de meervoudige kamer indien de vordering van het Openbaar Ministerie strekt tot vrijheidsbeneming van meer dan een jaar, heeft de wetgever voor de behandeling van een bezwaarschrift met betrekking tot de v.i. gekozen voor een ander criterium, te weten of de zaak eenvoudig van aard is. De vraag is dus of deze zaak kan worden gekwalificeerd als eenvoudig van aard, meegewogen dat het gaan om een herroeping van een v.i. van lange duur, te weten 600 dagen.
De grondslag van de herroeping is gelegen in nieuwe strafbare feiten waarvoor veroordeelde inmiddels is veroordeeld. De aan de herroeping ten grondslag gelegen feiten zijn overzichtelijk en niet in geschil. Het gaat ook niet om ernstige redenen voor het vermoeden van nieuwe strafbare feiten maar daadwerkelijk om een veroordeling waarbij de schuld van veroordeelde aan nieuwe strafbare feiten door de rechter is vastgesteld en door veroordeelde ook in raadkamer is bevestigd. Het juridisch kader dat zegt dat herroeping mogelijk is indien er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de veroordeelde de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, is evenmin ingewikkeld. Tot zover ziet de raadkamer geen reden om de zaak niet als eenvoudig te kwalificeren.
Blijft staan dat het gaat om een herroeping van de v.i. met 600 dagen. Dat maakt dat bij afwijzing de gevolgen voor veroordeelde groot zijn, maar op zichzelf nog niet dat de zaak enkel daarom niet eenvoudig van aard zou zijn. Andere redenen waarom de zaak niet als eenvoudig zou kunnen worden aangemerkt, ziet de raadkamer niet. Alles afwegende is naar het oordeel van de raadkamer sprake van een zaak die eenvoudig is van aard, zodat behandeling door de enkelvoudige kamer kan geschieden. Het verzoek om de zaak alsnog te verwijzen naar de meervoudige kamer wordt daarom afgewezen.
Vervolgens is de vraag of het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot gehele herroeping van de v.i. heeft kunnen komen.
Als gezegd heeft veroordeelde zich binnen een maand na zijn invrijheidsstelling opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten, waaronder een woningoverval waarbij de bewoner gegijzeld is geweest. Veroordeelde wist ook dat zijn v.i. op het spel zou komen te staan indien hij tijdens de proeftijd opnieuw met justitie in aanraking zou komen. Desondanks is sprake van een forse veroordeling van 72 maanden voor meerdere feiten. Dat de context van deze feiten wellicht anders is, staat aan herroeping niet in de weg. Het bestaan van eenzelfde context is een eis die de wet niet stelt.
Van een dubbele bestraffing is evenmin sprake. De rechtbank Midden-Nederland heeft volgens de raadsman een zwaardere straf opgelegd omdat veroordeelde in de proeftijd van de v.i. liep. Dat is een omstandigheid waar in strafverzwarende zin rekening mee kan worden gehouden bij de beoordeling van het nieuwe feit. De herroeping ziet op een eerder voor het oude feit opgelegde straf die nu volledig tenuitvoergelegd gaat worden gelegd omdat het veroordeelde niet gelukt is zich aan de algemene voorwaarde te houden. Dat veroordeelde in twee procedures de gevolgen van zijn handelen ondervindt, is op zich juist maar dat maakt nog niet dat daarmee sprake is van dubbele bestraffing. Het gaat immers om de bestraffing van verschillende feiten. Ook dat argument gaat dus niet op. Gelet op de ernst van de strafbare feiten is van een disproportionele reactie door volledige herroeping evenmin sprake.
Tot slot stelt de raadsman dat de belangen van veroordeelde onvoldoende zijn meegewogen. Op grond van artikel 7.2 van de Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt in het geval van een misdrijf altijd overgegaan tot herroeping. Er kan slechts worden afgezien van herroeping van de v.i. als met een waarschuwing kan worden volstaan. Dat hier niet met een waarschuwing kan worden volstaan, is volgens het besluit gelegen in het feit dat veroordeelde vrijwel direct is gerecidiveerd en dat het gaat om heftige feiten die passen in een delictpatroon van gewelds- en drugsdelicten. Naar het oordeel van de raadkamer is daarmee voldoende gemotiveerd waarom een waarschuwing niet aan de orde is.
Alles afwegende is de raadkamer van oordeel dat het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Het bezwaarschrift zal daarom ongegrond worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank
verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. S.C.A.M. Janssen, rechter, in tegenwoordigheid van
E.T. Vriezekolk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 mei 2026.