ECLI:NL:RBGEL:2026:4153

ECLI:NL:RBGEL:2026:4153

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 22-05-2026
Datum publicatie 26-05-2026
Zaaknummer 05/345827-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Overtreding van de Opiumwet door een grote hoeveelheid lachgas te vervoeren. Voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een taakstraf van 200 uren. Vordering maatregel kostenverhaal ogv 13d Opiumwet afgewezen, omdat de kosten niet behoorlijk onderbouwd zijn.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/345827-25

Datum uitspraak : 22 mei 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfadres.

Raadsman mr. E.W.B. van Twist, advocaat in Dordrecht, namens mr. E.V. Appeldoorn.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 mei 2026.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 17 december 2025 te Lent, gemeente Nijmegen opzettelijk heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad 672 kilo distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte een vriendendienst heeft verricht door voor een vriend vuurwerk op te halen in Duitsland. Het was vlak voor oud en nieuw. Hij wist dat dat niet mocht, maar hij wist niet dat hij lachgas vervoerde. Hij is als onschuldige derde gebruikt voor deze praktijken en heeft dat niet met vol opzet gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

De bewijsmiddelen

Op 17 december 2025 zagen verbalisanten op het Keizer Traianusplein in Nijmegen een voertuig (met kenteken [kenteken] ) rijden dat even daarvoor door de ANPR was gesignaleerd en dat een aandachtmelding had wegens mogelijk vervoer van lachgas. De bestuurder kreeg een volgteken. Verdachte bleek de bestuurder van het voertuig en de agenten controleerden het voertuig in Lent.

Verdachte wilde in eerste instantie niet meewerken aan de ladingcontrole door de politie.

In de laadruimte van het voertuig stond een pallet met voorwerpen omhuld door zwart plastic. De verbalisant scheurde een stuk van het zwarte plastic open en zag een sticker met de tekst “Fastwhip” en zag tevens een sticker die vervoer van gevaarlijke stoffen aangeeft. De verbalisant herkende de dozen als dozen waarin lachgas wordt vervoerd.

De lading van het voertuig is onderzocht. Op de pallet stonden 336 dozen, die alle een fles bevatten die geseald was, inclusief opzettuit in folie. Het ging om zwarte cilinderflessen met de opdruk FASTWHIP, UN1070 E942 Nitrous Oxide. Dit betekent in het Nederlands lachgas. De netto inhoud volgens de opdruk was een gewicht van 2.000 gram. 25 lachgasflessen zijn gewogen. Gemiddeld zat er in de 25 lachgasflessen 2 kilogram lachgas. In totaal ging het om 672 (336x2kg) kilogram lachgas.

Verdachte heeft verklaard dat hij het busje heeft meegekregen van een kennis, maar hij wil niet zeggen van wie. Hij kent deze persoon van vroeger, maar gaat niet dagelijks met hem om. De kennis vroeg of verdachte hem ergens mee kon helpen, namelijk het ophalen van vuurwerk in Duitsland waarvoor hij € 150,- zou krijgen. Hij had toevallig twee weken vrij en hij kon hem dus wel helpen. Verdachte is met een lege bus naar Duitsland gereden en daar is de bus volgeladen. Hij heeft niet gecontroleerd wat er in het voertuig zat, maar hij voelde wel dat de bus eerst leeg was en daarna volgeladen. Hij had niet verwacht dat een bekende van hem dit hem aan zou doen. Hij geloofde en vertrouwde de kennis daarin maar is wel een beetje dom geweest.

Bewijsoverweging inhoud flessen

De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat verdachte op 17 december 2025 in een voertuig reed, met in de laadruimte daarvan een pallet omwikkeld met zwarte krimpfolie. Op de pallet stonden in totaal 336 dozen met daarop gevaarsetiketten en het opschrift ‘Nitrous Oxide´. In de dozen zaten cilindervormige drukhouders met vultuit van het merk Fastgas. Het is algemeen bekend dat Fastgas een leverancier van diverse soorten drukhouders met lachgas is. Dit wordt ook op de website van Fastgas vermeld.

Op basis hiervan staat voor de rechtbank voldoende vast dat de in het voertuig aangetroffen cilinders gevuld waren met distikstofmonoxide (lachgas) en dat iedere fles gemiddeld 2 kilogram lachgas bevatte.

Bewijsoverweging voorwaardelijk opzet

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het vervoer van lachgas – aanwezig is indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal onder meer afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

De rechtbank overweegt dat verdachte door een kennis van hem is gevraagd om (voor een geldbedrag) vuurwerk op te halen in Duitsland. Hij heeft de lading in Duitsland niet gecontroleerd. Hij heeft verder verklaard dat hij merkte dat hij een lege bus had meegekregen uit Nederland en dat de bus in Duitsland was volgeladen. De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze omstandigheden, de kans aanmerkelijk is dat het ging om een illegale lading. Dit had ook om (illegaal) vuurwerk kunnen gaan, zoals verdachte zelf heeft verklaard, en ook dat had hij niet mogen vervoeren. Verdachte heeft de kans dat hij een andere illegale lading dan vuurwerk vervoerde dan ook bewust aanvaard. Door onder deze omstandigheden te handelen heeft verdachte voorwaardelijk opzet gehad op het vervoeren van lachgas.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij, op of omstreeks 17 december 2025 te Lent, gemeente Nijmegen opzettelijk heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad 672 kilogram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

5. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van drie jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de maatregel kostenverhaal op grond van artikel 13d van de Opiumwet zal worden opgelegd. De kosten van € 10.080,- dienen verhaald te worden op verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en daarnaast een taakstraf, verwijzend naar de uitspraak ECLI:NL:RBGEL:2026:211.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van een grote hoeveelheid lachgas, namelijk 672 kilogram. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van lachgas een gevaar oplevert voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Daarnaast leidt het gebruik van lachgas tot milieuschade, doordat gebruikers van lachgas de lege cilinders vaak achterlaten op straat of in de natuur. Door het vervoeren van deze hoeveelheid lachgas heeft verdachte in ieder geval een faciliterende rol gehad in deze vorm van criminaliteit. Daarnaast is het vervoeren van lachgas – zonder de hiervoor vereiste certificaten, een geschikt vervoermiddel en het opvolgen van de daaraan bij wet- en regelgeving gestelde eisen – zeer gevaarlijk. Zeker bij dit soort grote hoeveelheden. Verdachte heeft daarmee niet alleen zichzelf in gevaar gebracht, maar ook medeweggebruikers. Verdachte heeft voor dit alles geen verantwoordelijkheid genomen. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.

Persoon van de verdachte

Uit het strafblad van verdachte van 7 april 2026 volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van het reclasseringsadvies van 23 april 2026, waarin het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld en waaruit blijkt dat betrokkene heeft aangegeven geen medewerking te zullen verlenen aan een reclasseringstoezicht.

De straf

De rechtbank heeft gekeken naar de straffen die zijn opgelegd in vergelijkbare gevallen. Gelet op de vervoerde hoeveelheid lachgas zou een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend zijn. Gelet op het feit dat verdachte voor de eerste keer voor zo’n feit in aanraking komt met politie en justitie zal de rechtbank nu geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, maar een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een forse onvoorwaardelijke taakstraf, te weten een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 200 uren, te vervangen door 100 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van de dagen inverzekeringstelling.

Maatregel kostenverhaal

Op 1 juli 2022 is artikel 13d van de Opiumwet in werking getreden en van toepassing op strafbare feiten die na de inwerkingtredingsdatum zijn gepleegd. Deze bepaling ziet op de ‘maatregel kostenverhaal’ en maakt het onder de daar vermelde voorwaarden mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen, die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.

De rechtbank hanteert het uitgangspunt dat de kosten van de vernietiging van de lachgascilinders in beginsel op de veroordeelde kunnen worden verhaald. Immers anders draait de politie en in bredere zin de samenleving op voor de hoge kosten van het vernietigen van een zeer groot aantal lachgasflessen. De omvang van de kosten van vernietiging en daarmee van de op te leggen maatregel dienen echter wel - in algemene zin - behoorlijk en transparant te worden onderbouwd (vgl. de memorie van toelichting, Kamerstukken II, 2019-2020, 35 564, nr.3, p. 19-20).

De officier van justitie onderbouwt de vordering maatregel kostenverhaal van € 10.080 op de algemene formulering, zoals in het aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 7 mei 2026 (PL0600-2025609332-34) is vermeld. De vernietiging van één lachgasfles van tussen de 2-10 kilogram ligt tussen de € 30,- en € 40,-. De politie heeft aangegeven dat, vanwege contractuele verplichtingen met de verwerker, de exacte kosten niet kunnen worden berekend. Mede omdat deze kosten terecht komen bij de beslaghuizen en in bulk lastig te herleiden zijn naar één enkele verdachte.

De rechtbank zal in dit geval niet overgaan tot oplegging van de maatregel, omdat de rechtbank vaststelt dat niet aan de vereisten is voldaan. De gemaakte kosten zijn niet behoorlijk onderbouwd. In het dossier is geen rapport maatregel kostenverhaal en een factuur voor het vernietigen van de lachgasflessen opgenomen. Een enkele verwijzing naar de gemiddelde kosten van het vernietigen van een gemiddelde lachgascilinder is daarvoor niet voldoende indien daarvoor geen onderliggende stukken met prijsindicatie worden overgelegd. Dit klemt temeer, omdat het gaat om een aanzienlijk bedrag, dat de veroordeelde zou moeten betalen.

De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook afwijzen.

8. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht; en

- 3 en 11 van de Opiumwet.

9. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

 legt op een taakstraf van 200 (tweehonderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. W. Bruins
  • mr. I. de Bruin

Griffier

  • mr. S.A. Teger

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand