RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/175398-25
Datum uitspraak : 28 mei 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] [woonplaats] .
Raadsman: mr. E.H. Bokhorst, advocaat in Veenendaal.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode tussen 1 oktober 2017 en
28 november 2021 te [werkplaats] , in elk geval in Nederland,
ontucht heeft gepleegd met zijn pupil en/of de aan zijn zorg, opleiding en/of
waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag]
2003, te weten
het betasten en/of vastpakken van het geslachtsdeel van die [minderjarige 1] en/of
het aftrekken van het geslachtsdeel van die [minderjarige 1] en/of
het in de mond nemen van het geslachtsdeel van die [minderjarige 1] en/of
het laten betasten en/of aftrekken van zijn eigen geslachtsdeel door die [minderjarige 1]
en/of
het laten betasten en/of aftrekken van het geslachtsdeel van hem, verdachte, door
die [minderjarige 1] .
2
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode tussen 1 oktober 2017 en
28 november 2019 te [werkplaats] , in elk geval in Nederland,
een persoon, te weten [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2003, van wie hij
wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die de leeftijd van 16 jaren nog niet had
bereikt en/of die toen aan de zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid van
verdachte was toevertrouwd,
met ontuchtig oogmerk ertoe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele
handelingen,
immers heeft hij, verdachte, (telkens) zichzelf in het bijzijn van voornoemde
[minderjarige 1] afgetrokken.
3
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode tussen 1 augustus 2011 en
1 februari 2012 te [woonplaats] en/of te [werkplaats] , in elk geval in Nederland,
ontucht heeft gepleegd met zijn pupil en/of de aan zijn zorg, opleiding en/of
waakzaamheid toevertrouwde minderjarige
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag] 1994, te weten
het betasten en/of vastpakken van het geslachtsdeel van die [minderjarige 2] en/of
het aftrekken van het geslachtsdeel van die [minderjarige 2] en/of
het laten betasten en/of aftrekken van zijn eigen geslachtsdeel door die [minderjarige 2]
en/of
het laten betasten en/of aftrekken van het geslachtsdeel van hem, verdachte, door
die [minderjarige 2] en/of
waarbij hij, verdachte misbruik heeft gemaakt van een kwetsbare positie.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De rechtbank zal de feiten 1, 2 en 3 vanwege de onderlinge samenhang hierna gezamenlijk bespreken.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten 1, 2 en 3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is – samengevat – aangevoerd dat de verklaringen van de aangevers onbetrouwbaar zijn en dat het dossier daarnaast onvoldoende objectief steunbewijs bevat voor de aangiftes. Voor zover sprake is van steunbewijs, is dit volgens de raadsman afkomstig uit dezelfde bron, namelijk de aangevers zelf.
Beoordeling door de rechtbank
Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank het volgende voorop. Zedenzaken zijn bewijstechnisch lastige zaken en kenmerken zich doorgaans doordat meestal slechts twee personen aanwezig zijn geweest bij de gestelde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Veelal is het ook zo dat de belastende verklaring van het vermeende slachtoffer lijnrecht tegenover de (ontkennende) verklaring van de verdachte staat. Getuigen van de gebeurtenissen zijn er vaak niet. Ook in deze zaak is dit het geval.
Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige. Daar staat tegenover dat in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de betrouwbare verklaringen van het slachtoffer voldoende wettig bewijs kan opleveren. De rechtbank zal dan ook de betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer moeten beoordelen. Indien de rechtbank de verklaringen betrouwbaar acht, moet worden beoordeeld of deze verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen.
In dit geval zijn er twee slachtoffers die aangifte hebben gedaan van seksueel misbruik door dezelfde verdachte.
Op 14 november 2024 heeft [minderjarige 1] (verder ook: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedag] 2003, aangifte gedaan van seksueel misbruik door verdachte. [minderjarige 1] verklaarde vanaf zijn 12e of 13e bij het elektrobedrijf van verdachte in [werkplaats] te hebben gewerkt. Het seksueel misbruik begon vrij snel nadat hij daar was begonnen en eindigde toen hij 17 jaar oud was. Het begon met het, op verzoek van verdachte, laten zien van zijn piemel aan verdachte. Daarna ging het elke week een stapje verder. Zo moest hij zichzelf masturberen en aan verdachte laten weten als hij een erectie had. Verdachte wilde dat zien. Later ging het op dezelfde manier verder, alleen wilde verdachte het laatste stukje bij hem doen totdat hij klaarkwam. Ze hebben ook wel eens tegelijk naast elkaar gemasturbeerd. Dat is zeker meer dan tien keer gebeurd. Verdachte kwam dan ook klaar en dat vond [minderjarige 1] goor en super ranzig. Hij zei dat dan tegen verdachte en die lachte erom. Hij heeft ook zeker tien keer gezien dat verdachte zich naast hem aftrok en één keer moest hij aan de piemel van verdachte voelen hoe dik die van hem was. Ook heeft verdachte één keer de piemel van [minderjarige 1] in zijn mond gedaan, omdat verdachte benieuwd was naar het gevoel. Ze keken ook vaker porno samen. Het seksueel misbruik gebeurde vrijwel wekelijks. Verdachte gaf hem dan achteraf vaak contant geld. Verdachte was diegene die het initiatief nam als het aankwam op de seksuele handelingen. [minderjarige 1] heeft de seksuele handelingen nooit gewild, maar deed het voor het geld. Ook liet verdachte hem denken dat hij preuts was en dat deze handelingen onder vrienden normaal waren om te doen. Verdachte deed in die tijd nog aardig tegen hem. Hij vond het lastig om bij verdachte weg te gaan, want het werken bij hem was fijn en verdachte voelde als familie voor hem. Hij kwam bij het gezin over de vloer en was ook een paar keer mee gegaan op vakantie. Het misbruik stopte toen hij ouder werd en steeds meer weerstand hiertegen ging bieden. Nadat het misbruik stopte, stopte de rest ook: hij kwam niet meer bij verdachte thuis en ging niet meer met hen mee op vakantie. Ze hadden ook steeds meer mot samen. Het misbruik vond plaats in [werkplaats] in de kantine en op het kantoor op [adres] (oude werklocatie) en enkele keren op het kantoor aan [adres] (nieuwe werklocatie). Hij voelt zich laf dat hij al die jaren met verdachte heeft gewerkt en nu pas aangifte doet.
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag] 1994 (verder ook: [minderjarige 2] )heeft op 29 januari 2025 bij de politie het volgende gemeld. Hij werkte enige tijd bij het elektrobedrijf van verdachte. Verdachte was toen zijn leermeester en baas. [minderjarige 2] was 16 jaar oud toen het seksueel misbruik begon. Verdachte heeft hem gemasturbeerd en hij moest dit ook bij verdachte doen. Verdachte zei dingen als ‘als je vrienden bent, dan doe je dat’, ‘we zijn toch goed met elkaar’ en ‘toe nou, kom nou, haal hem nu uit je broek’. [minderjarige 2] was terughoudend, maar kreeg het gevoel dat het bijna raar was als hij dit niet wilde. Hij keek tegen verdachte op en verdachte was veel ouder dan hij. Ook was hij afhankelijk van verdachte, want verdachte betaalde zijn loon. Het misbruik vond plaats in het kantoor van verdachte bij diens ouders in de tuin in [woonplaats] . Ook is het gebeurd in de paardenstal van de oude buren van [minderjarige 2] in [werkplaats] , in het laatste hok links. Hij heeft er nooit over gesproken uit schaamte en omdat hij zichzelf hiervan de schuld gaf. Ongeveer drie weken geleden (de rechtbank begrijpt begin januari 2025) werd hij door [minderjarige 1] gebeld. Hij heeft maar één connectie met [minderjarige 1] en dat is verdachte. Hij dacht toen ‘als het maar niet waar is’. [minderjarige 1] vertelde dat hij vroeger door verdachte is misbruikt. [minderjarige 1] vertelde dat hij hem niks aan wilde praten, maar dat, als zoiets ook bij hem ( [minderjarige 2] ) is gebeurd, dat hij dan wist dat het ook bij [minderjarige 1] was gebeurd. Hij heeft toen tegen [minderjarige 1] gezegd dat verdachte het ook bij hem heeft gedaan. Ze hebben toen niet inhoudelijk aan elkaar verteld over wat er met hen was gebeurd.. In eerste instantie dacht [minderjarige 2] dat wat met hem is gebeurd een incident was, maar nu bleken er meerdere slachtoffers te zijn. Hij dacht toen ‘dit moet stoppen’ en heeft aan zijn vrouw verteld wat er is gebeurd. Ook heeft hij zijn broer, [getuige] , die tevens bevriend is met verdachte, in vertrouwen genomen. Op 14 januari 2025 heeft deze broer verdachte hiermee geconfronteerd en zou verdachte hebben bekend.
Vervolgens heeft [minderjarige 2] op 24 februari 2025 aangifte gedaan van seksueel misbruik door verdachte. Hij had het diep weggestopt, maar het achtervolgde hem wel al jaren. Toen [minderjarige 1] vertelde dat het ook bij hem was gebeurd besefte hij dat het geen incident was wat hem was overkomen, maar een patroon. Dat raakte hem enorm. Het seksueel misbruik vond plaats tussen 1 augustus 2011 en 1 februari 2012. De eerste keer was op kantoor bij verdachte thuis op [adres] in [woonplaats] . Dat was een of twee maanden nadat hij bij verdachte was begonnen. De laatste keer (2012) was in de paardenstal in [werkplaats] . Hij deed de BBL-opleiding en werkte bij verdachte tijdens zijn opleiding. Verdachte was zijn begeleider/ werkgever en betaalde zijn loon. Bij de eerste keer, op het kantoor, deed verdachte de deur op slot, zette porno aan, deed zijn broek naar beneden en trok zichzelf af. Op een gegeven moment zei verdachte tegen hem dat hij ook zichzelf moest bevredigen. Verdachte zei ‘Kom op, doe nou. Vrienden doen dat met elkaar’. Hij wilde dat niet maar verdachte wist hem te overtuigen. Op den duur, voordat hij het wist, moest hij ook verdachte masturberen totdat verdachte klaarkwam en masturbeerde verdachte hem. Verdachte zei dan 'Kom op, doe je broek ook open. We zijn allebei mannen. We kennen elkaar goed en we kunnen dit gewoon doen.' Dit was vrij snel na de eerste keer. [minderjarige 2] keek tegen verdachte op, want hij was echt de baas. Dat gaf voor hem de doorslag om zulke dingen te doen. Verdachte kon echt aandringen met zijn woorden, ondanks dat [minderjarige 2] aangaf dat het van hem niet hoefde. Verdachte normaliseerde het en hij durfde verdachte niet af te wijzen. Het voelde voor hem wel als een soort bedreiging vanwege de machtsverhouding. Het is ongeveer acht keer in het kantoor gebeurd. De laatste keer in de paardenstal was op een zaterdagmiddag. Hij was daar aan het schoonmaken toen verdachte een praatje kwam maken. Al vrij snel deed verdachte zijn broek open en vroeg aan hem of hij hem wilde aftrekken. Dat heeft hij toen gedaan. Achteraf vraagt hij zich af of verdachte hem bewust kwam opzoeken. Hij zag het misbruik als een geheim dat hij mee zou dragen tot in zijn graf. Naarmate hij ouder werd en zelf leerlingen in dienst kreeg, besefte hij dat het niet oké is wat er is gebeurd. [minderjarige 1] is de eerste aan wie hij dit heeft verteld. [minderjarige 1] vertelde dat hij seksueel is misbruikt door verdachte, maar noemde geen details. Hij heeft bewust verder niks afgesproken met [minderjarige 1] , omdat hij wil dat dit zijn eigen proces is. Het is zijn eigen keuze geweest om aangifte te doen.
Betrouwbaarheid aangiftes
De rechtbank stelt vast dat [minderjarige 1] gedetailleerd en specifiek heeft verklaard over de aard van de handelingen, de opbouw die daar in zat en ook over hoe het misbruik is gestopt. Er zit een duidelijke tijdlijn in de aangifte, de locaties waar het plaatsvond en hoe verdachte de handelingen probeerde te normaliseren. [minderjarige 1] lijkt het ook niet groter te willen maken. Zo geeft hij aan dat hij niet wil overdrijven als hem wordt gevraagd naar het aantal keer dat hij getuige is geweest van de seksuele handelingen door verdachte en geeft hij aan dat het pijpen bijvoorbeeld maar één keer was, en kort. Ook benoemt [minderjarige 1] dat verdachte aardig was en het hem moeite kostte om bij verdachte weg te gaan.
Ook [minderjarige 2] heeft gedetailleerd en specifiek verklaard over de handelingen, locaties en de gevoelens en beleving die deze bij hem hebben opgeroepen. [minderjarige 2] heeft daarbij ook beschreven op welke wijze de verhouding werkgever/werknemer een rol speelde bij het ontstaan en voortduren van de handelingen. [minderjarige 2] verklaarde dat verdachte ook wel weer aardig was, dat hij er niets voor kreeg en dat verdachte niet tegen hem zei dat het hun geheimpje was. Dat [minderjarige 2] de gang van zaken niet lijkt te willen overdrijven, draagt bij aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen.
Beide slachtoffers hebben ieder afzonderlijk verklaard over het seksueel misbruik door verdachte. De rechtbank stelt vast dat deze verklaringen op de kern van het ten laste gelegde in belangrijke mate overeenstemmen, met name ten aanzien van de handelingen, de context waarin het plaatsvond en de normaliserende rol van verdachte daarbij. Tegelijkertijd bevatten de verklaringen individuele verschillen in detail en beleving, hetgeen juist steun biedt voor de authenticiteit en zelfstandigheid ervan. De rechtbank ziet in het dossier geen concrete aanwijzingen dat de aangevers hun verklaringen onderling hebben afgestemd of anderszins zijn beïnvloed. Ook is niet gebleken van een motief bij de aangevers om verdachte valselijk te beschuldigen. De rechtbank acht de verklaringen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daarom betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het verweer van de verdediging dat sprake is geweest van onderlinge afstemming wordt verworpen.
Steunbewijs
De verklaringen van beide slachtoffers vinden steun in andere bewijsmiddelen. In dat verband acht de rechtbank de navolgende onderzoeksbevindingen van belang.
Verdachte erkent dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] destijds bij hem in dienst waren. Met [minderjarige 1] heeft hij porno gekeken en één of twee keer samen gemasturbeerd. Met [minderjarige 2] heeft hij één keer samen gemasturbeerd na het kijken van vrouwentennis. Het masturberen gebeurde volgens verdachte tegelijkertijd maar apart van elkaar in afzonderlijke ruimtes.
In het dossier zit een screenshot van een chatgesprek van 9 december 2017 tussen verdachte en [minderjarige 1] . In die berichten is onder meer het volgende te lezen:
09-12-2017 22:29:17 [minderjarige 1] : Tging veel beter
09-12-2017 22:29:24 [verdachte] : Ja
09-12-2017 22:29:35 [verdachte] : En hoe deed je het dan (…)
09-12-2017 22:30:53 [minderjarige 1] : Oké ik deed net als jij altijd doe en dus niet hoe ik het deed maar op jou manier en ongeveer half uur en kwam meer uit
09-12-2017 22:31:06 [verdachte] : En ook verder
09-12-2017 22:31:12 [minderjarige 1] : Jq
09-12-2017 22:31:12 [verdachte] : Dus niet druppelen
09-12-2017 22:31:16 [verdachte] : Tot hoever
09-12-2017 22:31:32 [minderjarige 1] : 5cm
09-12-2017 22:31:36 [verdachte] : Top man
09-12-2017 22:31:49 [verdachte] : Ons geheim
09-12-2017 22:31:57 [minderjarige 1] : Ja idd en nu verwijder ik her
09-12-2017 22:31:58 [verdachte] : Je wordt groot
09-12-2017 22:32:03 [verdachte] : Ik ook
Verdachte heeft verklaard dat dit gesprek ging over masturberen.
De broer van [minderjarige 2] , [getuige] , is op 26 februari 2025 als getuige gehoord. Hij verklaarde in een lastige positie te zitten, omdat hij zijn broertje wil helpen maar verdachte ook een vriend van hem is. [getuige] heeft verder het volgende verklaard. Hij kent verdachte al vanaf zijn zeventiende. [minderjarige 2] heeft bij verdachte gewerkt. Verdachte had altijd wel weer een koppel jongens die kwam helpen. Verdachte kan makkelijk jongens aan zich binden. Zijn broer [minderjarige 2] vertelde op 10 januari 2025 tegen hem dat hij door verdachte is misbruikt. Het was meerdere keren gebeurd. [minderjarige 2] vertelde niet te zijn verkracht, maar moest wel seksuele handelingen bij/met verdachte verrichten. [minderjarige 2] moest zichzelf aftrekken en dat bij verdachte doen. Het misbruik vond plaats in het kantoortje van verdachte en in de paardenstal. [minderjarige 2] vertelde hem dat het misschien tien keer is gebeurd. [minderjarige 2] wilde het niet en schaamde zich. Het werd volgens [minderjarige 2] door verdachte als iets gebracht wat je als jongens onder elkaar deed.
[getuige] heeft op 14 januari 2025 een gesprek gehad met verdachte. Verdachte vertelde hem zelf slachtoffer te zijn geweest van seksueel misbruik vanaf zijn twaalfde. Verdachte vertelde niet per se op jonge mannen te vallen, maar dat het voor hem een gewoonte was geworden om seksuele handelingen met jongens te verrichten. Verdachte vertelde zich van [minderjarige 2] niet veel te herinneren, van [minderjarige 1] weet hij meer. Hij vertelde dat ze samen aftrokken of de piemel uit de broek haalden. Verdachte kon zich één keer met [minderjarige 2] herinneren. Verdachte zei ook ‘Als [minderjarige 2] het zegt dan zou het wel zo gebeurd zijn.’ Dit zei verdachte ook over [minderjarige 1] . Verdachte heeft wel tegenover hem toegegeven dat er seksuele handelingen binnen een machtsverhouding zijn verricht.
Op 27 maart 2026 heeft [getuige] een e-mail aan het openbaar ministerie gestuurd. Bij deze e-mail zijn twee foto’s van een brief gevoegd. Deze foto’s zijn door [getuige] gemaakt tijdens het gesprek dat hij met verdachte heeft gehad op 14 februari 2025. Deze brief is door verdachte geschreven. In deze brief schetst verdachte hoe hij in zijn jeugd door meerdere mannen/jongens tussen zijn elfde en zestiende is misbruikt. Ook vraagt hij zich af waarom hij dit heeft gedaan; nu zijn de jongens kapot door zijn schuld.
“Voor mezelf begonnen, [minderjarige 2] kom bij me werken, en heel erg in het begin ik weet het nog, het was bij de schietclub er stond tennis aan en die meisjes met hun gekreun wonden mij/ons op, ik zei zullen we aftrekken, dat vond hij raar. Ik heb gezegd jij daar en ik hier, jongens doen dit wel vaker hoor? En dat hebben we gedaan, later is dit niet meer gebeurd, ik heb me dood gevochten hiervoor. Want ik wilde niet dat hij ook mijn ervaring had. (...)
[minderjarige 1] kwam werken, die jongen wist alles over porno, ik niet. Hij had zoveel vragen over seks die ik probeerde eerlijk te beantwoorden. Hij wist niet hoe die zich moest aftrekken, ik heb het uitgelegd, Op een gegeven moment zette hij porno aan op me pc ik had dat nog nooit gezien. We hebben toen samen afgetrokken. Waarom waarom heb ik dit gedaan, die jongens zijn kapot! Door mijn schuld. Ik ben bang dat ik ziek ben. Een afwijking heb ergens! (...)Altijd tegen [naam] gezegd dat doen jongens, [naam] heb altijd gezegd dat is niet normaal. (…) Nu weet ik dat het niet zo is, waarom nu pas.”
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de verklaringen van de aangevers betrekking hebben op seksuele gedragingen van dezelfde verdachte en dat deze verklaringen elkaar op essentiële onderdelen ondersteunen. Daarbij betrekt de rechtbank dat verdachte een deel van de feitelijke handelingen en de context waarbinnen deze met de aangevers hebben plaatsgevonden, zelf heeft bevestigd. Daarnaast vindt de rechtbank steun voor de aangiftes in het chatgesprek met [minderjarige 1] van 9 december 2017. In dit gesprek geeft verdachte advies en tips over masturbatie, hetgeen aansluit bij de door de aangevers beschreven seksuele interacties. Dat verdachte daarbij spreekt over ‘hun geheim’ past bovendien bij hetgeen door de aangevers is verklaard over het normaliseren van grensoverschrijdend seksueel gedrag en het creëren van vertrouwelijkheid. Voorts acht de rechtbank van belang dat verdachte tegenover [getuige] , de broer van [minderjarige 2] , tevens een goede vriend van verdachte, heeft bevestigd dat sprake is geweest van seksueel contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De inhoud van deze mededelingen sluit aan bij de inhoud van de door verdachte zelf opgestelde brief.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de aangevers op wezenlijke onderdelen steun vinden in andere bewijsmiddelen.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de handelingen heeft verricht zoals door de aangevers is verklaard en zoals ten laste gelegd, waarbij verdachte één van de aangevers ook getuige heeft laten zijn van seksuele handelingen, en hem aldus seksueel heeft gecorrumpeerd (feit 2).
De rechtbank moet voor de feiten 1 en 3 dan nog de vraag beantwoorden of de handelingen die door/met verdachte zijn verricht ook ontuchtige handelingen zijn. Voor ontuchtige handelingen moet het gaan om ‘handelingen van seksuele aard die in strijd met de sociaal-ethische norm zijn’. Het hangt af van de omstandigheden van het geval of dit aan de orde is. In dit geval kunnen de seksuele handelingen van verdachte niet los worden gezien van zijn rol als werkgever. Het seksueel contact vond telkens plaats onder werktijd tijdens werkzaamheden op locatie of op het kantoor. Vanwege zijn rol als werkgever was sprake van een feitelijke gezagsverhouding. Gelet hierop en gezien de minderjarigheid van de aangevers waren de seksuele handelingen in strijd met de sociaal-ethische norm. Het overwicht van verdachte werd bovendien versterkt door het grote leeftijdsverschil tussen hem en de aangevers.
Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat verdachte de noodzakelijke professionele grenzen niet heeft bewaakt, terwijl dit gelet op zijn positie wel van hem mocht worden verwacht. Door aldus te handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid van [minderjarige 2] . De rechtbank acht daarmee ook de strafverzwarende omstandigheid in feit 3 wettig en overtuigend bewezen.
Conclusie
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode tussen 1 oktober 2017 en 28 november 2021 te [werkplaats] , in elk geval in Nederland, ontucht heeft gepleegd met zijn pupil en/of de aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2003, te weten
het betasten en/of vastpakken van het geslachtsdeel van die [minderjarige 1] en/of
het aftrekken van het geslachtsdeel van die [minderjarige 1] en/of
het in de mond nemen van het geslachtsdeel van die [minderjarige 1] en/of
het laten betasten en/of aftrekken van zijn eigen geslachtsdeel door die [minderjarige 1] en/of
het laten betasten en/of aftrekken van het geslachtsdeel van hem, verdachte, door die [minderjarige 1] .
2
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode tussen 1 oktober 2017 en 28 november 2019 te [werkplaats] , in elk geval in Nederland, een persoon, te weten [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2003, van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die de leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt en/of die toen aan de zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid van
verdachte was toevertrouwd, met ontuchtig oogmerk ertoe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen, immers heeft hij, verdachte, (telkens) zichzelf in het bijzijn van voornoemde [minderjarige 1] afgetrokken.
3
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode tussen 1 augustus 2011 en 1 februari 2012 te [woonplaats] en/of te [werkplaats] , in elk geval in Nederland, ontucht heeft gepleegd met zijn pupil en/of de aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag] 1994, te weten
het betasten en/of vastpakken van het geslachtsdeel van die [minderjarige 2] en/of
het aftrekken van het geslachtsdeel van die [minderjarige 2] en/of
het laten betasten en/of aftrekken van zijn eigen geslachtsdeel door die [minderjarige 2] en/of
het laten betasten en/of aftrekken van het geslachtsdeel van hem, verdachte, door die [minderjarige 2] en/of waarbij hij, verdachte misbruik heeft gemaakt van een kwetsbare positie.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
ontucht plegen met een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd
feit 2:
met ontuchtig oogmerk iemand, van wie hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt ertoe bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;
feit 3:
ontucht plegen met een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige en terwijl de schuldige het feit begaat tegen een persoon bij wie misbruik van een kwetsbare positie wordt gemaakt, meermalen gepleegd
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden op te leggen, met als aanvullende voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer [minderjarige 1] . Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht, ingeval van een bewezenverklaring, geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de reeds ondergane inverzekeringstelling. Daartoe is gewezen op het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte stemt in met de oplegging van bijzondere voorwaarden, maar de raadsman heeft verzocht deze niet dadelijk uitvoerbaar te verklaren, omdat daarvoor onvoldoende aanleiding bestaat en dit mogelijk de reeds gestarte therapie van verdachte doorkruist.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van twee minderjarige jongens die bij hem werkzaam waren. Het misbruik bestond uit diverse seksuele handelingen, waaronder het betasten en in elkaars bijzijn aftrekken van (elkaars) geslachtsdelen. Daarnaast was eenmalig sprake van orale seks met één van de slachtoffers. De bewezenverklaarde feiten betreffen ernstige zedenmisdrijven die een diep ingrijpende inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de slachtoffers. Juist in de levensfase en hun seksuele en emotionele ontwikkeling waarin zij zich nog bevonden zijn zij geconfronteerd met herhaald seksueel grensoverschrijdend gedrag. Uit de ter zitting van 7 mei 2026 voorgedragen slachtofferverklaringen komt naar voren dat de gevolgen voor hen groot en langdurig zijn.
De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij misbruik heeft gemaakt van de afhankelijke positie van de slachtoffers. De slachtoffers waren jonge jongens die zich, gelet op hun leeftijd en de verhouding tot verdachte als werkgever, in een kwetsbare positie bevonden. Verdachte heeft het in hem gestelde vertrouwen ernstig beschaamd door zijn gezagspositie te gebruiken voor de bevrediging van zijn seksuele behoeften. Daarbij was sprake van een duidelijk ongelijkwaardige verhouding in leeftijd, ervaring en gezag. Ook heeft verdachte geprobeerd de slachtoffers deelgenoot te maken van zijn gedrag door de seksuele handelingen te normaliseren en de ernst daarvan te bagatelliseren. De rechtbank acht deze houding manipulatief en zorgelijk, mede omdat daaruit blijkt dat verdachte onvoldoende inzicht heeft in de schadelijkheid van zijn handelen en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers. Daarnaast rekent de rechtbank hem zijn proceshouding aan. Verdachte heeft ter terechtzitting geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en heeft de schuld in belangrijke mate bij de slachtoffers gelegd.
Uit het reclasseringsrapport van 24 april 2026 blijkt dat verdachte op de verschillende leefgebieden overwegend stabiel functioneert. Hij woont samen met zijn gezin, heeft een eigen onderneming en er zijn geen aanwijzingen voor financiële of verslavingsproblematiek. Verdachte beschikt over een steunend netwerk, al is een deel van het familiecontact verloren gegaan naar aanleiding van de beschuldigingen. Verder heeft verdachte verklaard in zijn jeugd zelf seksueel misbruikt te zijn geweest, waarvoor hij recent hulp heeft gezocht. De reclassering acht, mede gelet hierop, een ambulante behandeling bij Kairos geïndiceerd. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag tot gemiddeld. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht, ambulante behandeling en het vermijden van contact met minderjarigen. Verdachte heeft zich bereid verklaard hieraan mee te werken.
Gelet op de ernst van de feiten, de duur en frequentie daarvan, het misbruik van de gezags- en afhankelijkheidsrelatie en de houding van verdachte kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een langdurige gevangenisstraf. De rechtbank acht daarnaast begeleiding en behandeling noodzakelijk om het risico op herhaling te beperken. Daarom zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk worden opgelegd, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Alles afwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden opleggen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van de geadviseerde bijzondere voorwaarden. Gelet op de beschikbare informatie over verdachte en het ontbreken van concrete aanwijzingen voor een actueel recidiverisico acht de rechtbank onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bijzondere voorwaarden niet aangewezen. De rechtbank zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden dan ook niet bevelen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank zal wel ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten de maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Die maatregel zal inhouden een contactverbod met [minderjarige 1] . De maatregel geldt voor de duur van drie jaar. Daarbij wordt voor elke overtreding de vervangende hechtenis bepaald op één (1) week, met een maximum van zes maanden, en heft deze de verplichtingen op grond van de maatregel niet op. Omdat de rechtbank van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens aangever, zal de rechtbank bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Daarbij betrekt de rechtbank dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en evenmin blijk heeft gegeven van inzicht in het laakbare karakter daarvan. Verdachte heeft de ernst van de feiten onvoldoende onderkend en heeft geen reflectie getoond op de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer.
8. De beoordeling van de civiele vorderingen
De volgende benadeelde partijen, bijgestaan door mr. J. van Setten-van den Brink, hebben een vordering tot schadevergoeding ingediend:
€ 10.000,00 aan smartengeld en € 3.342,63 aan proceskosten.
Verder verzoeken de benadeelde partijen om de geleden schade te vermeerderen met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen en subsidiair de vorderingen af te wijzen wegens onvoldoende onderbouwing. Daartoe is – samengevat – aangevoerd dat geen sprake is van door een deskundige vastgesteld geestelijk letsel, zodat het gevorderde smartengeld onvoldoende is onderbouwd. De overgelegde verklaringen van hulpverleners zijn volgens de raadsman onvoldoende om een psychiatrisch ziektebeeld vast te stellen.
Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de raadsman aangevoerd dat de noodzaak van de (toekomstige) behandelingen en de daarmee samenhangende kosten onvoldoende zijn onderbouwd. Ook zijn de gevorderde gederfde inkomsten volgens de raadsman onvoldoende inzichtelijk gemaakt en ontbreken onderliggende stukken, zoals loonstroken, jaarcijfers en winst- en verliesrekeningen. Verder heeft de raadsman de omvang en noodzaak van diverse opgevoerde uren betwist.
Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat eventuele proceskosten dienen te worden begroot aan de hand van het liquidatietarief.
Overweging van de rechtbank
[minderjarige 1]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert € 2.270,73 bestaande uit medische kosten voor diverse hulpverleningstrajecten. De rechtbank is van oordeel dat de vordering voldoende is onderbouwd, met uitzondering van de gemaakte kosten voor het intakegesprek bij [hulpverlener] à
€ 648,23. Hoewel een factuur van [hulpverlener] is overgelegd, is niet gespecificeerd en onvoldoende gemotiveerd waarom deze kosten zijn gemaakt en met name waarom sprake is van twee afzonderlijke bedragen van telkens ruim € 300,00 voor intakegesprekken op dezelfde dag en op hetzelfde tijdstip. Een nader onderzoek van deze post zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank wijst aldus een bedrag van € 1.622,50 toe.
Daarnaast vordert de benadeelde partij € 12.964,60 aan toekomstige medische kosten (20 consulten). Deze vordering is enkel gebaseerd op een inschatting van mogelijke toekomstige kosten en is door de verdediging gemotiveerd betwist. Nu onvoldoende is onderbouwd dat deze schade daadwerkelijk zal ontstaan en wat de omvang daarvan zal zijn, is de rechtbank van oordeel dat dit deel van de vordering zich niet leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.
Tevens vordert de benadeelde partij een bedrag van € 8.447,64 wegens verloren verdienvermogen. De rechtbank is van oordeel dat deze post, gelet op de gemotiveerde betwisting door de verdediging van onder meer het gehanteerde uurtarief en het aantal opgevoerde uren, onvoldoende is onderbouwd. Een nader onderzoek van deze post zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.
Smartengeld
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 20.000,00 aan smartengeld. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding (onder andere) indien zij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in de persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. De rechtbank stelt voorop dat degene die aanspraak maakt op vergoeding van smartengeld wegens geestelijk letsel, voldoende concrete gegevens dient aan te voeren waaruit kan volgen dat als gevolg van de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarbij is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld.
De rechtbank constateert dat de benadeelde partij heeft aangevoerd dat het bewezenverklaarde feit aanzienlijke psychische gevolgen heeft gehad. Het bestaan van geestelijk letsel is echter onvoldoende onderbouwd met medische informatie of een vaststelling door een (gekwalificeerde en BIG-geregistreerde) deskundige in de geestelijke gezondheidszorg, zodat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van geestelijk letsel in vorenbedoelde zin. Dat neemt echter niet weg dat onder omstandigheden ook zonder objectief vastgesteld geestelijk letsel sprake kan zijn van een aantasting in de persoon op andere wijze. Daarvan kan sprake zijn indien de aard en ernst van de normschending en de concrete gevolgen daarvan voor de benadeelde partij dit rechtvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat daarvan in deze zaak sprake is. Het bewezenverklaarde betreft een ernstige normschending, die een ingrijpende aantasting van de persoonlijke integriteit van de benadeelde partij heeft meegebracht. Daarnaast zijn de gevolgen voor de benadeelde partij voldoende concreet en aannemelijk onderbouwd. Dit is aan verdachte toe te rekenen.
Voor de begroting van het smartengeld zoekt de rechtbank aansluiting bij de Rotterdamse Schaal. Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde ontucht (met binnendringen) acht de rechtbank de in die schaal genoemde categorie ‘(b) ernstig’ passend. Daarin wordt een bandbreedte genoemd van ongeveer € 6.000,00 tot € 12.000,00. De rechtbank acht in dit geval een basisbedrag van € 9.000,00 passend. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de ernst van de normschending en de jonge leeftijd van het slachtoffer, welke omstandigheden ieder een verhoging van 15% rechtvaardigen. De vordering zal daarom naar billijkheid tot een bedrag van € 11.700,00 worden toegewezen. De benadeelde partij zal in het meerdere van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu het daarvoor benodigde verder onderbouwen en zo nodig bewijzen van het gestelde geestelijk letsel een onevenredige belasting van het strafproces zou betekenen.
Proceskosten
De benadeelde partij vordert € 3.394,01 aan proceskosten. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het gebruikelijke liquidatietarief dat geldt voor kantonzaken. Voor vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten is slechts plaats in uitzonderlijke gevallen. Van zodanige bijzondere omstandigheden is in deze zaak niet gebleken. Daarom zal de rechtbank de proceskosten begroten overeenkomstig het toepasselijke liquidatietarief, waarbij het bedrag van de te liquideren kosten afhankelijk is van de verrichte (genormeerde) werkzaamheden en van het belang van de zaak. In dit geval wijst de rechtbank een bedrag toe dat hoger dan € 10.000,00 is, maar lager dan € 20.000,00 en dat betekent dat het tarief komt te gelden dat is vastgesteld op € 432,00 per punt. De benadeelde partij heeft recht op 2 punten. Dit betekent dat de rechtbank € 864,00 aan kosten rechtsbijstand zal toewijzen.
[minderjarige 2]
Materiële schade
De benadeelde partij vordert € 332,88 bestaande uit medische kosten ten behoeve van een hulpverleningstraject. De facturen staan op naam van de partner van de benadeelde partij en zijn gemaakt ten behoeve van de partner van de benadeelde partij. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de verdediging en bij gebreke van een nadere toelichting of onderliggende stukken is onvoldoende onderbouwd dat deze kosten daadwerkelijk voor rekening van de benadeelde partij zijn gekomen. Een nader onderzoek van deze post zou een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering
Daarnaast vordert de benadeelde partij € 1.000,00 aan toekomstige medische kosten (begrote kosten betreffende gesprekken met de hulpverlener die mogelijk nog volgen). De vordering is enkel gebaseerd op een inschatting van mogelijke toekomstige kosten en is door de verdediging gemotiveerd betwist. Nu onvoldoende is onderbouwd dat deze schade daadwerkelijk zal ontstaan en wat de omvang daarvan zal zijn, is de rechtbank van oordeel dat dit deel van de vordering zich niet leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.
Tevens vordert de benadeelde partij een bedrag van € 2.663,22 wegens verloren verdienvermogen. De rechtbank is van oordeel dat deze post, gelet op de gemotiveerde betwisting door de verdediging van onder meer het gehanteerde uurtarief en het aantal opgevoerde uren, onvoldoende is onderbouwd. Een nader onderzoek van deze post zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.
Smartengeld
De benadeelde partij vordert € 10.000,00 aan smartengeld. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding (onder andere) indien zij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in de persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. De rechtbank stelt voorop dat degene die aanspraak maakt op vergoeding van smartengeld wegens geestelijk letsel voldoende concrete gegevens dient aan te voeren waaruit kan volgen dat als gevolg van de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarbij is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld.
De rechtbank constateert dat de benadeelde partij heeft aangevoerd dat het bewezenverklaarde feit aanzienlijke psychische gevolgen heeft gehad. Het bestaan van geestelijk letsel is echter onvoldoende onderbouwd met medische informatie of een vaststelling door een (gekwalificeerde en BIG-geregistreerde) deskundige in de geestelijke gezondheidszorg, zodat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van geestelijk letsel in vorenbedoelde zin. Dat neemt echter niet weg dat onder omstandigheden ook zonder objectief vastgesteld geestelijk letsel sprake kan zijn van een aantasting in de persoon op andere wijze. Daarvan kan sprake zijn indien de aard en ernst van de normschending en de concrete gevolgen daarvan voor de benadeelde partij dit rechtvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat daarvan in deze zaak sprake is. Het bewezenverklaarde betreft een ernstige normschending, die een ingrijpende aantasting van de persoonlijke integriteit van de benadeelde partij heeft meegebracht. Daarnaast zijn de gevolgen voor de benadeelde partij voldoende concreet en aannemelijk onderbouwd. Dit is aan verdachte toe te rekenen.
Voor de begroting van het smartengeld zoekt de rechtbank aansluiting bij de Rotterdamse Schaal. Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde aanranding acht de rechtbank de in die schaal genoemde categorie ‘(a) meest ernstig’ passend. Daarin wordt een bandbreedte genoemd van ongeveer € 5.000,00 tot € 6.500,00. De rechtbank acht in dit geval een basisbedrag van € 5.000,00 passend. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de jonge leeftijd van het slachtoffer, welke omstandigheid een verhoging van 15% rechtvaardigt. De vordering zal daarom naar billijkheid tot een bedrag van € 5.570,00 worden toegewezen. De benadeelde partij zal in het meerdere van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Proceskosten
De benadeelde partij vordert € 3.342,63 aan proceskosten. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het gebruikelijke liquidatietarief dat geldt voor kantonzaken. Voor vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten is slechts plaats in uitzonderlijke gevallen. Van zodanige bijzondere omstandigheden is in deze zaak niet gebleken. Daarom zal de rechtbank de proceskosten begroten overeenkomstig het toepasselijke liquidatietarief, waarbij het bedrag van de te liquideren kosten afhankelijk is van de verrichte (genormeerde) werkzaamheden en van het belang van de zaak. In dit geval wijst de rechtbank een bedrag hoger dan € 5.000,00 maar lager dan € 10.000,00 toe en dat betekent dat het tarief komt te gelden dat is vastgesteld op € 360,00 per punt. De benadeelde partij heeft recht op 2 punten. Dit betekent dat de rechtbank € 720,00 aan kosten rechtsbijstand zal toewijzen.
Conclusie
In totaal zal de rechtbank de volgende schadevergoedingen toewijzen:
[minderjarige 1] € 1.622,50 aan geleden materiële schade, € 11.700 aan smartengeld en € 864,00 aan proceskosten; en
[minderjarige 2] € 5.750,00 aan smartengeld en € 720,00 aan proceskosten.
Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, nu de behandeling van dat deel van de vordering naar haar oordeel meer onderzoek vergt en daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partijen kunnen in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Wettelijke rente
Verdachte is wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd. Daarvoor gelden de volgende ingangsdatums:
- [minderjarige 1] : 1 januari 2025, zijnde het midden van de periode waarop de gevorderde medische kosten betrekking hebben, voor het bedrag van € 1.662,50 en 1 november 2019, zijnde het midden van de pleegperiode van de zedenfeiten, voor een bedrag van € 11.700,00.
- [minderjarige 2] : 1 november 2018, zijnde het midden van de pleegperiode van het zedenfeit, voor een bedrag van € 5.750,00.
Schadevergoedingsmaatregel
Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van de toe te wijzen bedragen (met uitzondering van de proceskosten) ten behoeve van genoemde benadeelde partijen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57, 248 (oud), 248d (oud), 249 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;
stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
o zich binnen 3 dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis telefonisch zal melden bij Reclassering Nederland op het telefoonnummer 088 8041405 om een afspraak te maken voor een eerste gesprek. Hierna zal verdachte zich blijven melden, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Daarbij zal hij zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft;
o zijn medewerking zal verlenen aan nadere diagnostiek en behandeling bij Kairos of soortgelijke ambulante (forensische) zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij betrokkene zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in dat kader van de behandeling door of namens de instelling/behandelaar worden gegeven;
o op geen enkele wijze contact met minderjarigen zal zoeken. Hij zal deze contacten zoveel mogelijk vermijden. Als contacten onvermijdelijk zijn, zal verdachte ervoor zorgen dat hierbij tevens volwassen personen aanwezig zijn.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte gedurende 3 jaren zich onthoudt van – direct en indirect – contact met: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2003;
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op; en
beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen
veroordeelt verdachte in verband met het
onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [minderjarige 1] ;
onder feit 3 bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [minderjarige 2] ,
van de volgende bedragen aan materiële schade en/of smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
Benadeelde partij Bedrag Wettelijke rente
1. [minderjarige 1] € 1.622,50 1 januari 2025
€ 11.700,00 1 november 2019
2. [minderjarige 2] € 5.750,00 1 november 2018
verklaart de benadeelde partij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade en smartengeld;
Benadeelde partij Bedrag Gijzeling
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.S.M. van Bergen (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. H.M. Stratenus, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.H.M. van Keulen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 mei 2026.