uitspraak van de voorzieningenrechter van
[verzoeker], uit [plaats], verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berg en Dal.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de opvang van asielzoekers in [naam hotel].
Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is, doet zij uitspraak zonder zitting. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom zij niet bevoegd is om uitspraak te doen op het verzoek om een voorlopige voorziening.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Verzoeker heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarin hij de voorzieningenrechter – kort samengevat – verzoekt om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat er geen asielzoekers worden opgevangen totdat er op zijn bezwaar is beslist.
Uit artikel 8:81, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:1 en artikel 7:1 van de Awb, vloeit voort dat de voorzieningenrechter (behoudens hier niet van belang zijnde uitzonderingen) alleen bevoegd is om een voorlopige voorziening te treffen als sprake is van een besluit. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is bepaald wat een besluit is, namelijk een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het [naam hotel] reeds in gebruik is genomen door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (het COA) voor de opvang van 64 asielzoekers. De noodopvang is in strijd met tijdelijk deel van het omgevingsplan en daarom is er een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit nodig. Het COA heeft die omgevingsvergunning aangevraagd, maar het college heeft er op gewezen nog niet beslist te hebben op die aanvraag. Er ligt op dit moment dus (nog) geen besluit waar tegen opkomen kan worden bij de bestuursrechter.
Verzoeker voert nog aan dat de kennisgeving in het Gemeenteblad van de ingekomen aanvraag een appellabel besluit is of daarmee gelijkgesteld kan worden op grond van artikel 6:2 van de Awb, maar dat volgt de voorzieningenrechter niet. Deze kennisgeving vermeldt enkel dat er een aanvraag is gedaan en is niet op rechtsgevolg gericht en dus geen besluit. Pas als het college een daadwerkelijke beslissing neemt op de binnengekomen aanvraag voor een omgevingsvergunning, is sprake van een besluit waartegen kan worden opgekomen bij de bestuursrechter. Ook wordt deze kennisgeving niet met een besluit gelijkgesteld in artikel 6:2 van de Awb. In de kennisgeving staat enkel vermeld dat het college een aanvraag voor een omgevingsvergunning heeft ontvangen. Het betreft dus geen weigering om een besluit te nemen (sub a), maar juist een aankondiging dat er een besluit gaat volgen. Ook is geen sprake van een ‘niet tijdig genomen besluit’ (sub b), nu op de aanvraag van een omgevingsvergunning een wettelijke beslistermijn van toepassing is die nog niet is verstreken.
De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om een voorlopige voorziening. Dit betekent niet dat er helemaal geen rechtsbescherming openstaat voor verzoeker. Verzoeker kan zich als hij dat wil met deze zaak tot de burgerlijke rechter wenden.
Conclusie en gevolgen
3. De voorzieningenrechter is kennelijk onbevoegd om te beslissen op het verzoek om voorlopige voorziening. Om die reden hoeft verzoeker voor de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening geen griffierecht te betalen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart zich onbevoegd;
- bepaalt dat de griffier van de rechtbank aan verzoeker het griffierecht terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: