ECLI:NL:RBGEL:2026:4300

ECLI:NL:RBGEL:2026:4300

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 19-05-2026
Datum publicatie 01-06-2026
Zaaknummer 182688-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zutphen

Samenvatting

Vrijspraak poging invoer cocaïne. De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat verdachte wist of had moeten weten dat het beoogde misdrijf het invoeren en verhandelen van cocaïne betrof.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05.182688.25

Datum uitspraak : 19 mei 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats], wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats].

Raadsman: mr. H.M. Dunsbergen, advocaat in Breda.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 23 september 2025, 25 november 2025, 3 februari 2026, 14 april 2026 en 19 mei 2026.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Hij en/of zijn mededader(s) op/in of omstreeks de periode van de maand februari 2025 in Geldermalsen, althans in Nederland en/of te Antwerpen en/of Beerse (België), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn medeverdachte(n) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een partij van 366 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, binnen het grondgebied van Nederland te brengen en/of het verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van die partij cocaïne, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet,- vanuit Nederland naar Antwerpen en/of Beerse, in elk geval naar België is/zijn gereden en/of een of meer anderen daar naar toe heeft/hebben laten rijden en/of instructies gegeven over het afreizen en/of het vervoernaar België en/of aldaar een container heeft/hebben gespot en/of gevolgd en/of een of meer anderen daarover informatie en/of instructies gegeven en/of- met een of meer anderen (telefonisch en/of via chatberichten) contacten heeft/hebben onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of instructies gegeven over het volgen van die container en/of het uithalen van een hoeveelheid cocaïne uit die container en/of het invoeren en/of vervoeren van een hoeveelheid cocaïne en/of over de verdeling van die partij cocaïne en/of de opbrengst daarvan en/of- een medeverdachte (een uithaler) €100 heeft betaald voor benzine (om de reis naar België te kunnen maken)- op de uitkijk heeft gestaan/heeft gepost teneinde die container met die drugs te kunnen onderscheppen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of één of meer mededaders op/in of omstreeks de periode van de maand februari 2025 in Geldermalsen en/of Gorinchem, althans in Nederland en/of te Antwerpen en/of Beerse(België), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn medeverdachte(n) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een partij van 366 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, binnen het grondgebied van Nederland te brengen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van die partij cocaïne, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet,- vanuit Nederland naar Antwerpen en/of Beerse, in elk geval naar België is/zijn gereden en/of een of meer anderen daar naar toe heeft/hebben laten rijden en/of instructies gegeven over het afreizen en/of het vervoer naar België en/of aldaar een container heeft/hebben gespot en/of gevolgd en/of een of meer anderen daarover informatie en/of instructies gegeven en/of- met een of meer anderen (telefonisch en/of via chatberichten) contacten heeft/hebben onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of instructies gegeven over het volgen van die container en/of het uithalen van een hoeveelheid cocaïne uit die container en/of het invoeren en/of vervoeren van een hoeveelheid cocaïne en/of over de verdeling van die partij cocaïne en/of de opbrengst daarvan en/of- een medeverdachte (een uithaler) €100 te betalen voor benzine (om de reis naar België te kunnen maken)terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 21 februari 2025 te Nederland en/of te Beerse en/of Antwerpen althans te België opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers is hij, verdachte vanuit Nederland naar België gereden en/of heeft hij, verdachte op de uitkijk gestaan/gepost teneinde die container met die drugs te kunnen onderscheppen;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij in de periode van de maand februari 2025 in Geldermalsen, althans te Nederland en/of te Antwerpen en/of te Beerse, in elk geval in België, tezamen en in vereniging met anderen om een feit, bedoeld in het vierdeof vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of het verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van 366 kilogram, in elk geval een grote hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door- met een of meer anderen (telefonisch en/of via chatberichten) contacten te onderhouden en/of informatie uit te wisselen en/of afspraken te maken en/of instructies te geven over het invoeren en/of uithalen en/of vervoeren van een hoeveelheid cocaïne (die verstopt/geladen was in een container) en/of over de verdeling van die partij cocaïne en/of de opbrengst daarvan en/of- met een of meer uithalers (telefonisch en/of via chatberichten) contacten te onderhouden en/of informatie uit te wisselen en/of afspraken te maken en/of instructies te geven over het afreizen en/of het vervoer naar België en/of die uithaler(s) aan te sturen en/of opdrachten te geven teneinde die cocaïne uit een container en/of uit een loods bij een bedrijf te halen en/of- een medeverdachte (een uithaler) €100 te betalen voor benzine (om de reis naar België te kunnen maken)- op de uitkijk te staan/te posten teneinde die container met die drugs te kunnen onderscheppen.

2. De standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, met aftrek van het voorarrest.

De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit.

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde, in welke variant dan ook, te komen moet er bewijs zijn dat verdachte wist of had moeten weten dat hij meewerkte aan handelingen strekkende tot het uithalen van cocaïne uit een container. Met andere woorden: de rechtbank moet de vraag beantwoorden of (voorwaardelijke) opzet op het gepoogde, dan wel voorbereide misdrijf kan worden bewezen.

Verdachte heeft op de zitting van 14 april 2026 verklaard dat hij door een vriend en een bekende van die vriend is gevraagd om op de uitkijk te gaan staan. Iemand kwam hem ophalen met een busje. Er is hem verteld dat hij moest letten op een vrachtwagen; degene met wie hij in het busje zat heeft hem een foto van de zijkant van de vrachtwagen laten zien. Die ander moest een bericht sturen als zij de vrachtwagen zagen.

Ze stonden langs een weg. Het was donker en in de nachtelijke uren. Op een gegeven moment vroeg verdachte zich af wat hij aan het doen was en heeft hij aan de bestuurder van het busje gevraagd of hij hem naar zijn auto kon terugbrengen.

Verdachte heeft verder verklaard dat hem niets is verteld over wat er in de vrachtwagen zou zitten.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van verdachte dat hij niet wist wat de vrachtwagen vervoerde ongeloofwaardig is. Verdachte heeft op weg naar België bij medeverdachte [medeverdachte 1] in de auto gezeten en in opdracht van hem gepost in afwachting van de vrachtwagen. Het is niet-voorstelbaar dat daarbij niet gesproken is over het doel van het onderscheppen van de vrachtwagen. De officier van justitie wijst daarbij ook naar het proces-verbaal waarin wordt beschreven dat verdachte al vaker met harddrugs in aanraking is gekomen en vaker in contact is met medeverdachte [medeverdachte 1]. Hieruit volgt volgens de officier van justitie dat sprake is geweest van opzet.

Dat in ieder geval sprake zou zijn van voorwaardelijke opzet kan volgens de officier van justitie worden afgeleid uit de omstandigheden dat verdachte in de avond naar België is gegaan voor een betaalde klus en in een geblindeerd busje heeft zitten wachten op een vrachtwagen nabij het havengebied van Antwerpen in opdracht van iemand met de naam [medeverdachte 1].

Ook heeft verdachte op de zitting volgens de officier van justitie een leugenachtige verklaring afgelegd over waarom en wanneer hij naar België ging die dag.

De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat verdachte wist of had moeten weten dat het beoogde misdrijf het invoeren en verhandelen van cocaïne betrof.

De door de officier van justitie aangehaalde omstandigheden zijn bewijs voor (voorwaardelijke) opzet op het plegen van enig strafbaar feit, maar dat het hier om het uithalen van cocaïne uit een container ging valt daar niet uit op te maken.

Omdat de rechtbank tot het oordeel komt dat (voorwaardelijke) opzet op het in de tenlastelegging genoemde Opiumwetdelict niet kan worden bewezen, zal zij verdachte integraal vrijspreken.

De voorlopige hechtenis van verdachte is reeds op 15 april 2026 in een apart bevel opgeheven.

4. De beoordeling van het beslag

De rechtbank zal de teruggave van het horloge aan verdachte gelasten omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet.

5. De beslissing

mr. J. Wiersma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

De rechtbank:

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. W.H.S. Duinkerke
  • mr. J. Wiersma

Griffier

  • mr. M.I. Tuk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand