RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Tegenspraak
Parketnummer : 05.350843.24
Datum uitspraak : 19 mei 2026
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres], [postcode] [woonplaats],
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfsplaats].
Raadsman: mr. W.B.O. van Soest, advocaat in Rotterdam.
1. De inhoud van de vordering
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 76.623,-.
2. De procedure
De zaak is op een openbare terechtzitting onderzocht.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd om een bedrag van € 76.623,62 aan wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat € 10.500,- in mindering moet worden gebracht op het gevorderde bedrag.
3. De beoordeling van de vordering
De rechtbank heeft kennisgenomen van het op 19 mei 2025 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij veroordeelde ter zake van onder meer medeplegen van handelen in strijd met een in art. 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij art. 10 lid 1 van de Opiumwet is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.
De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten en baseert zich op de volgende bewijsmiddelen.
Op de zitting van 14 april 2026 heeft veroordeelde verklaard dat hij in de tenlastegelegde periode van november 2022 tot en met 17 juni 2025 heeft gehandeld in cocaïne en 3MMC, en eigenlijk alles wat er langs kwam. Ook heeft verdachte verklaard dat hij denkt dat het wel klopt wat er in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel staat.
In het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat dat het wederrechtelijk verkregen voordeel in de periode 29 november 2022 tot en met 18 mei 2024 minimaal € 23.373,62 bedroeg. Dit is berekend aan de hand van:
Saldo bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] op 29 november 2022 € 91,46
Saldo bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] op 29 november 2022 € 1.000,-
Beginsaldi € 1.091,46
Legale ontvangsten (+/+) € 95.590,21
Saldo bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] op 18 mei 2024 € 3.011,65
Saldo bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] op 18 mei 2024 € 0-
Eindsaldi (-/-) € 3.011,65
Werkelijke uitgaven (-/-) € 106.551,50
Verschil/ wederrechtelijk verkregen voordeel €-12.881,48
Op dit bedrag is vervolgens € 1.194,67 in mindering gebracht ter correctie in verband met een mogelijke dubbeltelling (het verschil tussen contante geldopnamen en het inbeslaggenomen geldbedrag).
Het bedrag van € 11.686,81 is vervolgens vermenigvuldigd maal 2 (in totaal dus € 23.373,62), gelet op de verklaring van [medeverdachte] dat de verhouding van geldoverschrijvingen en contante betalingen ongeveer 50/50 was.
Vervolgens is verdachte een periode gedetineerd geweest.
Voor wat betreft de periode na zijn detentie, van 2 september 2024 tot de datum van aanhouding op 17 juni 2025, wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend aan de hand van de verklaring van verdachte in opgenomen vertrouwelijke communicatie (OVC-gesprek) waarin hij zegt dat hij € 5.000,- per maand verdient als het druk is en dat daar de opbrengst van cocaïne nog niet bij zit. Daarnaast heeft verdachte tijdens zijn verhoor verklaard dat hij € 4.000,- à € 5.000,- per maand overhield. De berekening gaat uit van een maandelijkse winst van € 4.500,-. Over een periode van negenenhalve maand komt dit neer op € 42.750,-.
Aan de hand van wat verdachte hierover zegt in OVC-gesprekken wordt voor wat betreft de grotere hoeveelheden cocaïne uitgegaan van een periode vanaf 24 april 2025 en een winst van € 10,- per verkochte gram cocaïne en komt uit op een bedrag van € 10.500,-.
In totaal is dit (€ 23.373,62 + € 42.750,- + € 10.500,- is) € 76.623,62.
Het OVC-gesprek waar in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel naar wordt verwezen betreft een gesprek tussen [veroordeelde] (wiens stem wordt herkend als die van veroordeelde) en [naam]:
“[veroordeelde] zegt dat hij in het weekend best wel druk is, verdient hij gewoon goed. [veroordeelde] heeft
ook wel sanny (fon), nou puur. Volgens [naam] is packies (fon) door de week minder. [veroordeelde] heeft op maandbasis minimaal 5K als het druk is en dan heeft hij het niet over die mos (fon) erbij enzo, die sanny enzo”
De rechtbank ziet gelet op dit gesprek geen aanleiding om € 10.500,- van het berekende voordeel af te halen, zoals door de raadsman verzocht. Uit dit gesprek leidt de rechtbank namelijk af dat de opbrengsten van de grotere hoeveelheden cocaïne (sanny) nog bovenop de verkoop van de kleinere hoeveelheden komt (de packies met een opbrengst van 5K per maand).
Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van € 76.623,62 en zal hem veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de Staat.
4. De toegepaste wettelijke bepalingen
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
5. De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 76.623,62;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag;
- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 180 dagen.
Aldus gegeven door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin (voorzitter), mr. W.H.S. Duinkerke en mr. J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.I. Tuk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 mei 2026.
mr. J. Wiersma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.