RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.132165.25
Datum uitspraak : 1 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1966 in [geboorteplaats],
wonende aan het [adres 1], [postcode] in [woonplaats],
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfsplaats].
Raadsman: mr. B.P.J. van Riel, advocaat in Ede.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 24 maart 2025 te [plaats 1], gemeente Apeldoorn, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in/ aan een woning, gelegen aan de [adres 2], , door open vuur, te weten de vlam van een aansteker of een lucifer, in aanraking te brengen met een of meer in spiritus en/of (was)benzine gedrenkte lappen, die (gedeeltelijk) in een of meer flessen zaten, gevuld met spiritus en/of (was)benzine, (een) zogenaamde molotov-cocktail(s)/brandbom(men), althans een zeer brandbare (vloei)stof, en deze (vervolgens) (telkens) tegen/in de richting van de woning te gooien/werpen, ten gevolge waarvan voor die woning brand is ontstaan en/of in een voor die woning (in een houten bak staande) olijfboom brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of de in die woning aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woning aanwezige personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 maart 2025 te [plaats 1], gemeente Apeldoorn, in ieder geval in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan plantenbak en/of een olijfboom, welke stond(en op een perceel gelegen aan de [adres 2], door open vuur, te weten de vlam van een aansteker of een lucifer, in aanraking te brengen met een of meer in spiritus en/of (was)benzine gedrenkte lappen, die (gedeeltelijk) in een of meer flessen zaten, gevuld met spiritus, (een) zogenaamde molotov-cocktail(s)/brandbom(men), althans een zeer brandbare (vloei)stof, en deze (vervolgens) (telkens) tegen/in de richting van die plantenbak en/of olijfboom heeft gegooid/geworpen, ten gevolge waarvan in een houten plantenbak en/of in/aan olijfboom brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in de nabijheid van de
plantenbak en/of olijfboom staande/gelegen woning en/of de in die woning aanwezige goederen/inventaris, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;
2.
hij op of omstreeks 14 april 2025 te [plaats 2], in ieder geval in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht op/aan een bedrijfspand (gelegen aan de [adres 3]), door met een bijl, althans een daarop gelijkend voorwerp een ruit van dat bedrijfspand voornoemd te verbreken en/of (vervolgens) en vlam van een aansteker/lucifer (en/of brandende sterretjes) bij meerdere, althans een molotovcocktail(s)/brandbom(men) te houden en deze brandende molotovcocktail(s)/brandbom(men), door het ontstane gat in die ruit, in een ruimte gelegen in voornoemd bedrijfspand te gooien, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de in die ruimte aanwezige meubilair/inventaris en/of de naast voornoemde ruimte gelegen ruimtes en de zich daarin bevindende meubilair/inventaris en/of aan een buiten dat bedrijfspand, in de onmiddellijke nabijheid van dat bedrijfspand voornoemd, staande tuintafel, te duchten was;
3.
hij op of omstreeks 20 april 2025 te [plaats 2], in ieder geval in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht op/aan een witte (speed)boot, merk “Chaparral”, welke boot op een trailer (vlak) voor een bedrijfspand (gelegen aan de
[adres 4]) stond, door een (door verdachte meegebrachte) gasfles in voornoemde boot te zetten en/of de gaskraan open te draaien en (vervolgens) de vlam van een aansteker/lucifer bij het, uit die gasfles stromende, gas te houden, waardoor in/aan voornoemde witte boot, merk “Chapparal” (op trailer), een felle brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten het voornoemde bedrijfspand en/of een tweede (groene) boot (met huif), welke in de onmiddellijke nabijheid van de witte boot, merk
“Chapparal” (op trailer) stond, te duchten was;
4.
hij op of omstreeks 28 april 2025 te [plaats 1], gemeente Apeldoorn, in ieder geval in Nederland, in/aan een woning (gelegen aan de [adres 2]) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachte rade van het leven te beroven, immers heeft hij -verdachte- brand gesticht in/aan de woning (gelegen aan de [adres 2]) van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2](, in welke woning voornoemd die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] lagen te slapen), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 april 2025 te [plaats 1], gemeente Apeldoorn, in ieder geval in Nederland, in/aan een woning (gelegen aan de [adres 2]) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft hij -verdachte- brand gesticht in/aan de woning (gelegen aan de [adres 2]) van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (, in welke woning voornoemd die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] lagen te slapen), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
5.
hij op of omstreeks 28 april 2025 te [plaats 1], gemeente Apeldoorn, in ieder geval in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning, gelegen aan de [adres 2], immers heeft hij -verdachte- -op de deurmat bij de voordeur en/of tegen de voordeur van voornoemde woning (was)benzine, althans een (zeer) brandbare (vloei)stof gesprenkeld/gegooid en/of -een (9,6 liter gas bevattende) gasfles (op ongeveer 1,5 meter afstand), met de aansluitmond richting de voordeur van voornoemde woning, geplaatst en/of
-voornoemde gasfles opengedraaid (al dan niet in hierboven genoemde volgorde) en/of
-(vervolgens) de vlam van een aansteker of een lucifer en/of een (aan de lont brandende) Molotovcocktail(s)/brandbom(men), althans open vuur, in aanraking gebracht met de op de deurmat en/of tegen de voordeur gesprenkelde (was)benzine althans voornoemde (zeer)
brandbare (vloei)stof, en/of het uit voornoemde gasfles stromende gas, ten gevolge waarvan aan/in die woning (een grote) brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die woning aanwezige goederen/inventaris en/of een hond, in elk geval gemeen gevaar voor
goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woning aanwezige personen, zijnde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], te duchten was.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde feiten 1 en 4 en aan de feiten 2, 3 en 5.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van feit 1 primair en feit 4 integraal.
Verdachte heeft ten aanzien van feit 1 verklaard dat het niet zijn bedoeling was brand te stichten aan de woning.
Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Verdachte had geen (voorwaardelijk) opzet op de dood van de bewoners dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte heeft namelijk de aanmerkelijke kans dat het gevolg intreedt, de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel, niet bewust aanvaard. Verdachte wilde enkel een deel van de woning in brand zetten. Hij heeft er alles aan gedaan om zeker te zijn dat zijn handelen geen fysieke slachtoffers zou opleveren. Verdachte had gehoord dat de woning van een ander was en dat de woning werd verbouwd en er daarom niemand zou wonen. Ook had hij gehoord dat als er op de oprit een wit pick-up busje stond, zoals die nacht, de woning op dat moment niet werd bewoond. Ook zag verdachte dat de auto van de vermeende eigenaar van de woning die nacht niet op de oprit stond. Verder heeft verdachte online gezocht of [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] nog op de [adres 5] woonden en niet al waren verhuisd naar de woning aan de [adres 2].
De beoordeling door de rechtbank
Feit 1
Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij samen met haar man [slachtoffer 2] en hun dochter [slachtoffer 3] op 24 maart 2025 in hun woning aan de [adres 2] te [plaats 1] lagen te slapen. Omstreeks 03.00 uur werd zij wakker van glasgerinkel. Haar man ging buiten kijken en zag dat de bloempot met daarin de olijfboom in brand stond.
Op 24 maart 2025 omstreeks 03.08 uur zag een verbalisant een kleine brand bij een bloembak in de voortuin van de woning aan de [adres 2] in [plaats 1].
Aan de linkerzijde van de tuin stond een fles met daarin, volgens een verbalisant, vermoedelijk spiritus. Op een afstand van ongeveer anderhalve meter van de woning lag een glazen fles, gevuld met vloeistof en afgesloten met een blauwe doek. Aan de voorzijde van de woning, tegen de gevel, lag een uitgebrande molotovcocktail. Op het zandpad links naast de woning werd een aansteker aangetroffen.
Op camerabeelden aan de [adres 2] is te zien dat een persoon over het hek van de voortuin klimt. De persoon loopt op een gegeven moment richting de voorzijde van de woning en lijkt iets in zijn rechterhand vast te houden. Vervolgens is in zijn beide handen een steekvlam zichtbaar. Hij maakt een gooiende beweging in de richting van de voorzijde van de woning. Het vuur blijkt op de camerabeelden geen direct zichtbare gevolgen te hebben.
De persoon loopt vervolgens weer richting het hek en pakt daar iets van de grond, ontsteekt daar voor de tweede maal iets wat hij in zijn handen vasthoudt en loopt weer richting de woning. De persoon maakt met het brandende voorwerp een gooiende beweging richting de voorzijde van de woning. Het vuur verdwijnt buiten beeld ter hoogte van een struik.
De persoon loopt nogmaals richting het hek en loopt voor de derde maal richting de voorzijde van de woning met een brandend voorwerp in zijn rechterhand en maakt een gooiende beweging in de richting van de woning. Dit brandende voorwerp raakt de plantenbak van het boompje en vat vlam. De persoon rent vervolgens weg.
De rechtbank heeft op de stills van bovengenoemde camerabeelden (afbeelding 19) waargenomen dat er licht vanuit de kant van het huis op de oprit schijnt.
De forensisch onderzoeker concludeert dat indien de molotovcocktail die naar de woning werd gegooid tot ontbranding was gekomen dit levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel tot gevolg zou hebben gehad voor de bewoners die in de woning aanwezig waren.
Verdachte heeft verklaard dat hij bij de woning aan de [adres 2] een soort molotovcocktails heeft gegooid. Hij deed namelijk steeds een stukje doek in een fles met spiritus en stak daarna het doekje aan. De fles met het stukje doek gooide hij vervolgens.
De rechtbank stelt vast dat verdachte rond 03.00 uur ’s nachts drie keer een brandende molotovcocktail in de richting van de woning heeft gegooid, terwijl daar drie bewoners lagen te slapen. De molotovcocktails kwamen terecht bij de gevel van de woning, anderhalve meter van de woning en in/tegen een bloempot op de oprit van de woning. De rechtbank maakt uit het handelen van verdachte op dat het zijn bedoeling is geweest dat de woning vlam zou vatten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte vol opzet heeft gehad op het stichten van brand aan de woning.
De verklaringen van verdachte dat hij enkel de olijfboom in brand wilde zetten en dat hij maar lukraak wat gooide omdat het pikkedonker was, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Deze verklaringen staan namelijk haaks op elkaar. Daarbij is op de camerabeelden te zien dat er licht op het perceel scheen en dat verdachte drie keer vanaf een afstand richting de woning gooide.
Als één van de molotovcocktails bij de woning tot ontbranding was gekomen had de woning vlam gevat. Het is naar algemene ervaringsregels ook voorzienbaar dat er brand aan de woning zou zijn ontstaan en dat die een verwoestend effect gehad zou hebben op de woning en de inventaris en dat, gelet op het nachtelijke tijdstip, de kans zeer groot was dat de bewoners in de woning lagen te slapen en daarmee het handelen van verdachte gevaar voor goederen en levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel tot gevolg zou hebben gehad.
De rechtbank acht dan ook de primair ten laste gelegde poging tot brandstichting bewezen.
Feit 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 506;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 514;
- het proces-verbaal forensisch onderzoek bedrijf ([adres 3] [plaats 2]), p. 524 en 525;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 mei 2026.
De rechtbank acht op basis van voornoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht aan een bedrijfspand, waardoor er gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
Feit 3
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 583;
- het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ([adres 4] [plaats 2]), p. 593 en 594;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 mei 2026.
De rechtbank acht op basis van voornoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht aan een speedboot, waardoor er gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
Feit 4
Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij en zijn vrouw [slachtoffer 1] op 28 april 2025 in hun woning aan de [adres 2] in [plaats 1] aan het slapen waren toen zijn vrouw hem omstreeks 03.00 uur wakker maakte omdat zij iets hoorde. Aangever is toen direct naar de voordeur gelopen. Er hangt niets voor de voordeur en de deur is van glas. Hij zag vanuit de hal een persoon voor de voordeur staan. Deze persoon was bezig met een gasfles die op ongeveer 1,5 meter afstand van de voordeur stond. De persoon stak ook een molotovcocktail af en gooide dit richting de voordeur. Aangever zag dat er vervolgens een waaier van vuur ontstond. Ook hoorde hij het gieren van de gasfles. De hele voorkant van de woning stond in lichterlaaie. De brand was enorm. In de hal, de ruimte achter de voordeur en de ruimte waar aangever zich bevond, brandde licht. De rechtbank heeft op foto 5 op pagina 677 van het dossier waargenomen dat ten tijde van de brandstichting twee auto’s voor de woning geparkeerd stonden; een wit pick-up busje en een donkerkleurige SUV. Aangever heeft verklaard dat hij en de persoon elkaar recht aankeken. Terwijl de persoon hem aankeek haalde hij zijn hand naar achteren, keek naar zijn rechterhand en stak de molotovcocktail af. Hij gooide de molotovcocktail tegen het glas naast de voordeur. Daarna draaide hij de gasfles open.
Op 28 april 2025 om 03.14 uur reden verbalisanten de [adres 2] op. Aan het begin van deze straat zagen zij door de bomen, op ongeveer vierhonderd meter, een grote hoeveelheid vlammen. Toen zij de betreffende woning naderen zagen zij dat het volledige dak van de woning in de brand stond. Ook zagen zij voor de ingang van de woning een gasfles staan waaruit een stevige horizontale vlam in de richting van de voordeur blies.
Doordat de ontbrandbare vloeistof en een geopende gasfles met de spuitrichting naar de woning is ontstoken, is de voordeur verbrand en het vuur overgeslagen naar het volledige rieten dak, waardoor de woning vanaf de eerste verdieping volledig is verwoest.
Verdachte heeft verklaard dat hij de brand heeft gesticht om angst te zaaien en de bedreigingen te doen stoppen. Hij heeft het huis besprenkeld met benzine, de gasfles aan de voorkant van de woning gezet en deze vervolgens ontstoken met een aansteker. Hij zag dat de woning een rieten dak had. Hij heeft vooraf niet aangebeld om te controleren of er mensen in de woning aanwezig waren.
Verdachte heeft op 22 april 2025 meerdere keren in zijn telefoon opgezocht waar hij gasflessen kon kopen en een link van Youtube gedeeld met zijn partner met daarin de uitleg over de werking van gasflessen. Ook sloeg verdachte op 28 april 2025 om 02.00 uur in zijn telefoon een Facebookbericht op van aangever [slachtoffer 2].
In de telefoon van de partner van verdachte is meerdere malen gezocht naar maskers bij verschillende online webshops en naar ‘iemand die expres iets in brand maakt’, ‘[slachtoffer 1] adres’, ‘[slachtoffer 2] [adres 2] [plaats 1]’, ‘[slachtoffer 2] [adres 2] [plaats 1]’, ‘[slachtoffer 2] [adres 2] [plaats 2]’, ‘[slachtoffer 1]-[slachtoffer 1] adres’, ‘Adres [slachtoffer 1] [plaats 2]’, ‘[slachtoffer 1]-[slachtoffer 1]’, ‘Adres [slachtoffer 2] [plaats 2]’. Verdachte heeft verklaard dat hij heeft gezocht op de namen en het adres van aangevers.
Verdachte en zijn partner, woonachtig in Amsterdam, huurden van 19 maart 2025 tot en met 28 maart 2025 en van 31 maart 2025 tot en met 28 april 2025 een appartement in [plaats 2]. Ook heeft verdachte van 12 april 2025 tot en met 29 april 2025 een scooter (kenteken: [kenteken]) in [plaats 2] gehuurd. Deze scooter was op 28 april 2025 van 02.57 tot en met 03.11 uur bij de [adres 2] in [plaats 1].
Opzet
De eerste vraag die beantwoord dient te worden is of verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1].
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals in dit geval de dood van de aangevers – aanwezig is indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Hiervoor is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Verdachte heeft ’s nachts de voorkant van de woning met een rieten dak, waarin [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] lagen te slapen, besprenkeld met benzine, een brandende molotovcocktail naar de voordeur gegooid, vervolgens op 1,5 meter van de woning een gasfles opengedraaid in de richting van de voordeur en deze ontstoken met een aansteker. Verdachte heeft deze gasfles vervolgens voor de woning en in de richting van de voordeur open laten staan. De verbalisanten zagen ongeveer 14 minuten na het begin van de brandstichting nog een horizontale vlam uit de gasfles richting de voordeur gaan. Bij een dergelijke wijze van brandstichten bestaat naar algemene ervaringsregels een reële, niet onwaarschijnlijke kans dat de brandstichting leidt tot een woningbrand met een dodelijke afloop voor de personen die op dat moment in die woning aanwezig zijn. Het is immers algemeen bekend dat bij een brand vuur en rook zich razendsnel, onvoorspelbaar en vaak oncontroleerbaar kunnen uitbreiden. Zeker als het een huis met een rieten dak betreft. Door als brandhaard de voordeur te kiezen, wordt bovendien een potentiële vluchtroute afgesloten.
Nu dit van algemene bekendheid is, moet verdachte dit ook hebben geweten.
Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.
Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat er mensen in de woning aanwezig waren en er alles aan heeft gedaan zich ervan te vergewissen dat niemand in de woning was. De rechtbank constateert dat ten tijde van de brandstichting twee auto’s voor de woning geparkeerd stonden; een wit pick-up busje en een donkerkleurige SUV. Verder dat op het moment dat verdachte voor de woning stond en bezig was de brand te stichten, aangever [slachtoffer 2] in de verlichte hal stond en door het raam van de voordeur keek, waarna [slachtoffer 2] en verdachte elkaar aankeken. De rechtbank is daarmee van oordeel dat verdachte [slachtoffer 2] heeft gezien en dus wist dat er iemand thuis was. Verdachte kon daardoor vermoeden dat ook zijn partner [slachtoffer 1] in de woning aanwezig was. Nu verdachte na het zien van [slachtoffer 2] op voornoemde wijze de brand heeft gesticht is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zouden komen te overlijden als gevolg van de brand.
Concluderend is dus het oordeel van de rechtbank dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1].
Voorbedachte raad
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Voor bewezenverklaring van voorbedachte raad is vereist dat vast komt te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich gedurende een langere periode heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit. Verdachte heeft namelijk een ‘Scream’-masker en een gasfles gekocht, opgezocht hoe een glasfles werkt, hoe je brand maakt en gezocht naar het adres en de namen van de aangevers. Ook heeft verdachte in de periode van de brandstichting een appartement en een scooter in [plaats 2] gehuurd. Met voornoemde handelingen is enige tijd gemoeid geweest waarin verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Dat verdachte daarover heeft nagedacht en zich er rekenschap van heeft gegeven blijkt zowel uit het feit dat verdachte de woningbrand heeft gesticht om angst te zaaien en de bedreigingen te doen stoppen, als uit de wijze waarop hij de brand heeft voorbereid en gesticht. Verdachte ging namelijk zowel in de voorbereiding als in de uitvoering planmatig en doelbewust te werk. Daarbij heeft verdachte eerder geprobeerd diezelfde woning in de brand te steken (feit 1). Een maand later is hij met zwaarder geschut teruggegaan en is het wel gelukt.
Van enige contra-indicatie voor voorbedachte raad is in het geheel niet gebleken.
De rechtbank acht dan ook de primair ten laste gelegde de poging tot moord op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] bewezen.
Feit 5
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 652;
- het proces-verbaal forensisch brandonderzoek woning, p. 669, 671 en 672;
- het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1], p. 690;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 mei 2026.
De rechtbank acht op basis van voornoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht aan een woning, waardoor gemeen gevaar goederen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Feit 1, primair
hij op of omstreeks 24 maart 2025 te [plaats 1], gemeente Apeldoorn, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in/aan een woning, gelegen aan de [adres 2], , door open vuur, te weten de vlam van een aansteker of een lucifer, in aanraking te brengen met een of meer in spiritus en/of (was)benzine gedrenkte lappen, die (gedeeltelijk) in een of meer flessen zaten, gevuld met spiritus en/of (was)benzine, (een) zogenaamde molotov-cocktail(s)/brandbom(men), althans een zeer brandbare (vloei)stof, en deze (vervolgens) (telkens) tegen/in de richting van de woning te gooien/werpen, ten gevolge waarvan voor die woning brand is ontstaan en/of in een voor die woning (in een houten bak staande) olijfboom brand is ontstaan,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of de in die woning aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woning aanwezige personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2
hij op of omstreeks 14 april 2025 te [plaats 2], in ieder geval in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht op/aan een bedrijfspand (gelegen aan de [adres 3]), door met een bijl, althans een daarop gelijkend voorwerp een ruit van dat bedrijfspand voornoemd te verbreken en/of (vervolgens) een vlam van een aansteker/lucifer (en/of brandende sterretjes) bij meerdere, althans een molotovcocktail(s)/brandbom(men) te houden en deze brandende molotovcocktail(s)/brandbom(men), door het ontstane gat in die ruit, in een ruimte gelegen in voornoemd bedrijfspand te gooien, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de in die ruimte aanwezige meubilair/inventaris en/of de naast voornoemde ruimte gelegen ruimtes en de zich daarin bevindende meubilair/inventaris en/of aan een buiten dat bedrijfspand, in de onmiddellijke nabijheid van dat bedrijfspand voornoemd, staande tuintafel, te duchten was;
Feit 3
hij op of omstreeks 20 april 2025 te [plaats 2], in ieder geval in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht op/aan een witte (speed)boot, merk “Chaparral”, welke boot op een trailer (vlak) voor een bedrijfspand (gelegen aan de
[adres 4]) stond, door een (door verdachte meegebrachte) gasfles in voornoemde boot te zetten en/of de gaskraan open te draaien en (vervolgens) de vlam van een aansteker/lucifer bij het, uit die gasfles stromende, gas te houden, waardoor in/aan voornoemde witte boot, merk “Chapparal” (op trailer), een felle brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten het voornoemde bedrijfspand en/of een tweede (groene) boot (met huif), welke in de onmiddellijke nabijheid van de witte boot, merk
“Chapparal” (op trailer) stond, te duchten was;
Feit 4, primair
hij op of omstreeks 28 april 2025 te [plaats 1], gemeente Apeldoorn, in ieder geval in Nederland, in/aan een woning (gelegen aan de [adres 2]) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachte rade van het leven te beroven, immers heeft hij -verdachte- brand gesticht in/aan de woning (gelegen aan de [adres 2]) van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], (in welke woning voornoemd die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] lagen te slapen), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 5
hij op of omstreeks 28 april 2025 te [plaats 1], gemeente [plaats 2], in ieder geval in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning, gelegen aan de [adres 2], immers heeft hij -verdachte- -op de deurmat bij de voordeur en/of tegen de voordeur van voornoemde woning (was)benzine, althans een (zeer) brandbare (vloei)stof gesprenkeld/gegooid en/of -een (9,6 liter gas bevattende) gasfles (op ongeveer 1,5 meter afstand), met de aansluitmond richting de voordeur van voornoemde woning, geplaatst en/of
- voornoemde gasfles opengedraaid (al dan niet in hierboven genoemde volgorde) en/of
- ( vervolgens) de vlam van een aansteker of een lucifer en/of een (aan de lont brandende) molotovcocktail(s)/brandbom(men), althans open vuur, in aanraking gebracht met de op de deurmat en/of tegen de voordeur gesprenkelde (was)benzine althans voornoemde (zeer) brandbare (vloei)stof, en/of het uit voornoemde gasfles stromende gas, ten gevolge waarvan aan/in die woning (een grote) brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die woning aanwezige goederen/inventaris en/of een hond, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woning aanwezige personen, zijnde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], te duchten was.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1, primair:
poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
en
poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is
Feit 2:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
Feit 3:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
Eendaadse samenloop van:
Feit 4, primair:
poging tot moord, meermalen gepleegd
Feit 5:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
en
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
De verdediging heeft gesteld dat sprake is van psychische overmacht en dat verdachte daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is aangevoerd dat verdachte door of namens meerdere mensen die met elkaar samenspanden werd geïntimideerd, met de dood werd bedreigd en stelselmatig werd lastiggevallen. Dit heeft hem tot een toestand gebracht waarin hij geen enkele andere optie meer zag dan wild om zich heen te slaan, de aanval te kiezen en nagenoeg alles in het werk te stellen om de jarenlange doodsbedreigingen te laten stoppen.
Verdachte heeft eerder andere oplossingen geprobeerd, zoals geen telefoontjes meer opnemen,
boos worden, terugschreeuwen, het allemaal te laten voor wat het is. Er was niets anders mogelijk dan de branden te stichten, waartoe hij is gedwongen als gevolg van de drang en druk die hem ruim tien jaar lang is opgelegd.
De officier van justitie heeft betoogd dat dit beroep niet kan slagen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Een beroep op psychische overmacht komt toe aan degene die handelt op grond van een van buiten komende dwang waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon bieden en ook niet behoefde te bieden. Dit betekent dat het hier in zijn algemeenheid gaat om situaties waarin weliswaar bewust is gehandeld, maar dit handelen aan degene die de gedragingen heeft verricht niet kan worden tegengeworpen, omdat van hem redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij in die situatie anders zou handelen dan hij heeft gedaan.
De rechtbank acht, gelet op het dossier, aannemelijk dat er sprake was van een geldconflict tussen verdachte en een aantal andere personen, niet zijnde de slachtoffers in de feiten 1, 4 en 5. De rechtbank neemt van verdachte aan dat hij werd bedreigd, gelet op zijn verklaring, die van zijn zoon en omdat uit het dossier geen ander motief voor de brandstichtingen blijkt. Verdachte heeft verklaard dat hij door de druk van deze bedreigingen de brandstichtingen wel moést plegen. De enige andere optie was volgens hem het plegen van zelfmoord. Het mag waar zijn dat verdachte in een toestand is geraakt waarvan voor hem een sterke aandrang uitging om – desnoods exorbitante – acties te ondernemen, dat betekent niet dat redelijkerwijs niet van hem gevergd kon worden om zich te onthouden van de brandstichtingen. Verdachte had aan die drang weerstand moeten bieden. Zeker nu de brandstichtingen aan de woning zich niet rechtstreeks richten tot de personen die verdachte hebben bedreigd. Verdachte heeft voorts onder andere verklaard dat hij de uitvaart van zijn moeder door die bedreigingen niet durfde te bezoeken. Verdachte heeft echter ook verklaard dat hij, in plaats van naar de uitvaart te gaan, koffie is gaan drinken bij een van zijn bedreigers.
Concluderend verwerpt de rechtbank het beroep op psychische overmacht, omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een zódanig van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Verdachte is derhalve strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van de straf en maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 jaren, met aftrek van het voorarrest. Ook heeft de officier van justitie verzocht een art. 38z-maatregel op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit voor feit 1 subsidiair en feiten 2, 3 en 5 een gevangenisstraf van 6 jaren op te leggen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft in 2025 in een periode van ruim een maand zich schuldig gemaakt aan een poging tot brandstichting, twee brandstichtingen en een poging tot moord op twee personen. Verdachte probeerde al jaren zijn geld terug te krijgen van twee personen aan wie hij auto’s had geleverd en van een persoon aan wie hij een groot geldbedrag had uitgeleend. Verdachte werd bedreigd daarmee te stoppen. Verdachte heeft vervolgens de branden gesticht. Daarbij is verdachte uiterst planmatig te werk gegaan. Verdachte woonde in [plaats 3] en heeft een appartement en een scooter gehuurd in [plaats 2], zodat hij de verschillende branden kon stichten.
Zo heeft hij op 14 april 2025 een bedrijfspand en op 20 april 2025 een boot op een trailer naast het bedrijfspand in brand gestoken. Verdachte heeft hiermee veel materiële schade veroorzaakt. Bovendien heeft in de ene zaak de inventaris in het bedrijfspand en in de andere zaak een naastgelegen boot en bedrijfspand gevaar gelopen. Bovendien veroorzaken zulke branden voor veel onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Ook heeft verdachte op 28 maart 2025 geprobeerd een woning in [plaats 1] in brand te steken. De bewoners van deze woning hadden niks te maken met voornoemd geldconflict. Toen de eerste poging tot het in brand steken van de woning in [plaats 1] faalde, heeft verdachte meerdere keren in zijn telefoon opgezocht waar hij gasflessen kon kopen en een link van Youtube gedeeld met zijn partner met daarin de uitleg over de werking van gasflessen.
Verdachte is in de nacht van 28 april 2025 met zwaarder geschut teruggegaan naar de woning en heeft de hele woning in brand gezet. Verdachte heeft hierbij de woning met een rieten dak aan de voorkant besprenkeld met benzine, vervolgens een brandende molotovcocktail naar de voordeur gegooid, op 1,5 meter van de woning een gasfles opengedraaid in de richting van de voordeur en deze ontstoken met een aansteker. Vervolgens heeft hij deze gasfles laten staan, waardoor er een continue steekvlam richting de voordeur ging. Dit alles terwijl hij een van de bewoners in de hal van de woning zag staan. Die bewoner heeft nog geprobeerd de al brandende gasfles om te gooien, waarbij hij hevige brandwonden opliep aan zijn arm. De brand was niet meer te stoppen. De woning is volledig afgebrand. De twee bewoners en hun hond wisten gelukkig aan de brand te ontsnappen. Deze geraffineerde wijze van handelen rekent de rechtbank verdachte zeer aan.
Verdachte heeft met zijn handelen een levensbedreigende en zeer angstige en traumatische situatie gecreëerd voor de bewoners. Dat er geen dodelijke slachtoffers zijn gevallen, is slechts te danken aan het feit dat de bewoners wakker werden van het geluid en daardoor de woning door andere uitgangen dan de voordeur konden verlaten.
Verdachte heeft met zijn handelen de slachtoffers en hun twee kinderen enorm leed aangedaan, zoals blijkt uit de slachtofferverklaringen die ter terechtzitting zijn voorgedragen. Niet alleen hadden de slachtoffers kunnen overlijden, ook zijn zij en hun kinderen hun woning, hun thuisbasis, en vele dierbare spullen kwijtgeraakt. Verdachte heeft hiermee voor een deel hun levens uitgewist. Ook is het voor hen, en voor de rechtbank, nog altijd niet duidelijk waarom verdachte het op hen had gemunt.
De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.
Naar het oordeel van de rechtbank is voor deze ernstige feiten geen andere straf passend dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur.
Uit het NIFP-trajectconsult van 20 en 30 mei 2025 volgt dat er geen aanwijzingen zijn voor evidente psychopathologie bij verdachte. De indruk bestaat dat de intellectuele capaciteiten van verdachte lager liggen dan gemiddeld.
De reclassering schrijft in haar rapport van 29 april 2026 dat de leefgebieden ‘financiën’, ‘relatie partner, gezin en familie’ en ‘sociaal netwerk’ als direct delictgerelateerd en risicofactoren voor toekomstig delictgedrag aangemerkt kunnen worden. Ook zijn er zorgen over de leefgebieden ‘psychosociaal functioneren’ en ‘houding’. Ook rechtvaardigt verdachte zijn delictgedrag. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog.
Alles overziend, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden is.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
De rechtbank ziet aanleiding om aan verdachte de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, omdat sprake is van een hoog recidiverisico, het geldconflict nog steeds niet is opgelost, verdachte weinig inzicht in zijn handelen heeft gegeven en zijn handelen rechtvaardigt. De rechtbank constateert dat aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel is voldaan. Verdachte wordt immers veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van één of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijvingen een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.
8. De beoordeling van de civiele vorderingen
[slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 142.950,- aan materiële schade en € 30.000,- aan smartengeld. Verzocht is om € 364,89 aan materiële schade en € 22.500,- aan smartengeld toe te wijzen, allebei vermeerderd met de wettelijke rente, en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen voor het deel dat om toewijzing is gevraagd, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ten aanzien van het gevorderde smartengeld niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de schadeposten niet dan wel onvoldoende inhoudelijk zijn betwist.
De schadeposten zijn verder voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot een hoogte van € 364,89 kan worden toegewezen.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen meerdere van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Door de poging tot moord en de brandstichting heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel in de vorm van brandwonden op zijn arm opgelopen. Ook is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. Verdachte heeft door middel van het stichten van de brand aan de woning van de benadeelde geprobeerd hem van zijn leven te beroven. Daarbij is zijn woning volledig afgebrand. De aard en ernst van deze feiten brengt met zich mee dat de relevante nadelige gevolgen van deze feiten zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 15.000,- vaststellen. De rechtbank ziet in de door de raadsman aangedragen uitspraak van de rechtbank Gelderland ‘Arnhemse stadsbrand’ (ECLI:NL:RBGEL:2026:3250) onvoldoende aanleiding dit bedrag te verhogen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 28 april 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
[slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 117.950,- aan materiële schade en € 25.000,- aan smartengeld. Verzocht is om € 643,30 aan materiële schade en € 20.000,- aan smartengeld toe te wijzen, allebei vermeerderd met de wettelijke rente, en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen voor het deel dat om toewijzing is gevraagd, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ten aanzien van het gevorderde smartengeld niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de schadeposten niet dan wel onvoldoende inhoudelijk zijn betwist.
De schadeposten zijn verder voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor tot een hoogte van € 643,30 kan worden toegewezen.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen meerdere van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Door de poging tot moord en de brandstichting is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. Verdachte heeft door middel van het stichten van de brand aan de woning van de benadeelde geprobeerd haar van haar leven te beroven. Daarbij is haar woning volledig afgebrand. De aard en ernst van deze feiten brengt met zich mee dat de relevante nadelige gevolgen van deze feiten zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 10.000,- vaststellen. De rechtbank ziet in de door de raadsman aangedragen uitspraak van de rechtbank Gelderland ‘Arnhemse stadsbrand’ (ECLI:NL:RBGEL:2026:3250) onvoldoende aanleiding dit bedrag te verhogen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 28 april 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
[benadeelde]
De benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 25.450,- aan materiële schade en € 6.000,- aan smartengeld. Verzocht is om € 1.017,31 aan materiële schade en € 2.000,- aan smartengeld toe te wijzen, allebei vermeerderd met de wettelijke rente, en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen voor het deel dat om toewijzing is gevraagd, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat hij op het moment van de brandstichting niet in de woning was.
Overweging van de rechtbank
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Ondanks dat benadeelde op 24 maart 2025 en 28 april 2025 niet in de woning van zijn ouders aanwezig was, hebben beide gebeurtenissen een grote impact op zijn leven. Ten tijde van de gebeurtenissen sliep hij namelijk regelmatig bij zijn ouders, omdat hij destijds in [plaats 2] stage liep en hij niet telkens vanaf zijn adres in [plaats 3] naar zijn stageplek wilde afreizen. Het is puur toeval dat hij in de betreffende nachten niet in de woning sliep.
Als benadeelde op 28 april 2025 wel aanwezig was geweest, dan had hij de brand mogelijk niet overleefd. De slaapkamer van benadeelde bevindt zich namelijk direct onder de rieten kap van de woning, die direct in brand stond. De enige vluchtroute in de woning zou de trap naar beneden zijn geweest. De trap komt echter in de hal bij de voordeur uit en de hal stond op 28 april 205 ook direct in brand. Er zouden dus geen vluchtmogelijkheden voor benadeelde zijn geweest. Ook beseft benadeelde dat hij op 28 april 2025 zijn beide ouders door de brand had kunnen verliezen. Als gevolg van de gebeurtenissen heeft benadeelde last van boosheid, angstklachten, slaapproblemen en concentratieklachten. De sessies bij Master in Happiness hebben voor een tijdelijke verbetering van de klachten gezorgd.
De schadepost ‘Kosten Master in Happiness’ (€ 1.017,31) is voldoende onderbouwd en komt redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor tot een hoogte van € 1.017,31 kan worden toegewezen.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Door de brandstichting is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. De slaapkamer van benadeelde bevond zich onder het rieten dak. Ondanks dat benadeelde die nacht daar niet verbleef, kwam hij er wel vaak en sliep hij daar ook regelmatig. Zijn eigen slaapkamer, zijn veilige plek, en zijn spullen met grote emotionele waarde zijn afgebrand. Als gevolg van de gebeurtenissen heeft benadeelde last van boosheid, angstklachten, slaapproblemen en concentratieklachten.
Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 500,- vaststellen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 28 april 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
[slachtoffer 3]
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 23.450,- aan materiële schade en € 6.000,- aan smartengeld. Verzocht is om € 1.491,20 aan materiële schade en € 3.000,- aan smartengeld toe te wijzen, allebei vermeerderd met de wettelijke rente, en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen voor het deel dat om toewijzing is gevraagd, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat zij op het moment van de brandstichting niet in de woning was.
Overweging van de rechtbank
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Op 24 maart 2025 sliep zij in de woning en op 28 april 2025 verbleef zij bij toeval in het buitenland. Als zij in de nacht van 28 april 2025 wel in de woning had geslapen, dan had de brand voor benadeelde fataal kunnen zijn. De brand had namelijk direct alle vluchtroutes vanuit haar slaapkamer geblokkeerd. Voorts beseft benadeelde dat zij bij de brand van 28 april 2025 haar beide ouders had kunnen verliezen. Dit besef spookt nog dagelijks door haar hoofd. Benadeelde heeft onder andere sprake van angstklachten, prikkelbaarheid, slaapproblemen, concentratieklachten, gevoelens van somberheid en onveiligheid. De plek die voor benadeelde bij uitstek veilig voelde, was opeens onveilig. Voor de psychische klachten heeft benadeelde zich onder behandeling laten stellen.
De schadeposten ‘medische kosten’(€ 1.360,-), ‘reis- en parkeerkosten’ (€ 88,70) en ‘kosten verstrekken informatie’ (€ 42,50) zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor tot een hoogte van € 1.491,20 kan worden toegewezen.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Door de brandstichting is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. Op 24 maart 2025 sliep zij in de woning en op 28 april 2025 verbleef zij bij toeval in het buitenland. Als zij in de nacht van 28 april 2025 wel in de woning had geslapen, dan had de brand voor benadeelde fataal kunnen zijn. De brand had namelijk direct alle vluchtroutes vanuit haar slaapkamer geblokkeerd. Voorts beseft benadeelde dat zij bij de brand van 28 april 2025 haar beide ouders had kunnen verliezen. Dit besef spookt nog dagelijks door haar hoofd. Benadeelde heeft onder andere sprake van angstklachten, prikkelbaarheid, slaapproblemen, concentratieklachten, gevoelens van somberheid en onveiligheid. De plek die voor benadeelde bij uitstek veilig voelde, was opeens onveilig.
Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 1.500,- vaststellen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 28 april 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De beoordeling van het beslag
De rechtbank zal de teruggave van de € 6.750,- en de steen (goednummer PL0600-ON3R025021-854611) aan de rechthebbende gelasten omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet.
De rechtbank zal de zak met latex handschoenen (goednummer PL0600-ON3R025021-854610) met behulp waarvan de feiten zijn begaan of voorbereid verbeurd verklaren.
De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
10. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 38z, 45, 55, 57, 157 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
11. De beslissing
2. [slachtoffer 1] € 30.643,30 150 dagen;
3. [benadeelde] € 1.517,31 14 dagen;
4. [slachtoffer 3] € 2.991,20 28 dagen;
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
legt een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op;
Benadeelde partij Bedrag Wettelijke rente
1. [slachtoffer 2] € 37.864,89april 2025
2. [slachtoffer 1] € 30.643,30april 2025
3. [benadeelde] € 1.517,31 april 2025
4. [slachtoffer 3] € 2.991,20 april 2025
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de volgende benadeelde partijen de hier na te noemen bedragen aan materiële schade/smartengeld te betalen. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als het bedrag niet wordt betaald, kan gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
Benadeelde partij Bedrag Gijzeling
1. [slachtoffer 2] € 37.864,89 173 dagen;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 2], [slachtoffer 1], [benadeelde] en [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;
gelast de teruggave van de € 6.750,- en de steen (goednummer 854611) aan de rechthebbende;
verklaart verbeurd de zak met latex handschoenen (goednummer PL0600-ON3R025021-854610).