ECLI:NL:RBGEL:2026:4391

ECLI:NL:RBGEL:2026:4391

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 08-05-2026
Datum publicatie 02-06-2026
Zaaknummer K/5004/11517238
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Nijmegen

Samenvatting

Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2025:2632. Eiser slaagt niet in leveren bewijs van overeenkomst tot stallen van voertuigen. Vordering afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Nijmegen

Zaaknummer: 11517238 \ CV EXPL 25-391

Vonnis van 8 mei 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats ] ,

eisende partij in verzet,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. A.F.Th.M. Heutink,

toevoegingsnummer: 1KP1862

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats ] , [land] ,

gedaagde partij in verzet,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: E.F.M. Baert.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 april 2025- de akte van [gedaagde] met productie 10- het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 21 oktober 2025

- de email van 16 december 2025 van de zijde van getuige [getuige] met bijlagen

- het proces-verbaal van contra-enquête van 27 januari 2026

- de conclusie na enquête van [gedaagde] en [eiser] .

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 4 april 2025.

In dat vonnis is [gedaagde] opgedragen te bewijzen dat partijen met elkaar hebben afgesproken dat [eiser] de voertuigen per 1 november 2017 aan [gedaagde] in opslag heeft gegeven tegen een te betalen bedrag van € 150,- per maand. [gedaagde] heeft daartoe zichzelf als getuige laten horen en schriftelijke verklaringen van [getuige] , hierna te noemen [getuige] , overgelegd. Van de kant van [eiser] is bij contra-enquête [eiser] zelf gehoord.

[gedaagde] is bewijs opgedragen, omdat zijn verhaal (vooralsnog) niet sluitend was. De verwijzing van [gedaagde] naar zijn (herhaalde) mededeling van 1 oktober 2017 aan [eiser] dat er per 1 november 2017 opslagkosten voor de drie objecten in rekening worden gebracht, wil nog niet zeggen dat daar een onderlinge afspraak aan ten grondslag lag. [gedaagde] is daarom nog in de gelegenheid die afspraak te bewijzen.

[gedaagde] is niet geslaagd in het leveren van het bewijs. [eiser] , aan wiens verklaring volledige bewijskracht toekomt, omdat hij niet met het bewijs is belast, heeft verklaard dat van de drie voertuigen de autoambulance van hem is en de Saab en vouwwagen van [getuige] , dat deze voertuigen buiten op het terrein stonden waar hij met [getuige] woonde, dat hij vanaf 27 april 2017 geen toegang meer had tot de woning en dat hij sindsdien met niemand meer, ook niet met [gedaagde] , contact heeft gehad over de verblijfplaats van de voertuigen. Als tegenwicht van de zijde van [gedaagde] is meer nodig dan de enkele verklaring van hemzelf, die weliswaar is aangevuld met een schriftelijke verklaring van [getuige] maar ook dan nog onvoldoende gewicht in de schaal legt. Dat komt omdat de verklaringen van [gedaagde] en [getuige] onvoldoende specifiek zijn. Niet blijkt daaruit namelijk wanneer precies en op welke wijze met [eiser] is gesproken over de opslag van de voertuigen, laat staan dat daarover tussen [gedaagde] en [eiser] klinkende afspraken zijn gemaakt. Op basis van wat naar voren is gebracht moet het ervoor gehouden worden dat [gedaagde] bereid is geweest [getuige] , dan wel [eiser] tijdelijk uit de brand te helpen, daarbij niet voorzien heeft dat de voertuigen niet meer opgehaald zouden worden en daar dus naar het zich laat aanzien ook geen afspraken over heeft gemaakt. Nu niet is komen vast te staan dat partijen afspraken hebben gemaakt met betrekking tot opslagkosten, moet de vordering nu geen andere grondslag is gesteld worden afgewezen.

De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] belang heeft bij verwijdering van de voertuigen, waarvan de kentekens – naar moet worden aangenomen, nu dat niet dan wel onvoldoende is weersproken – op naam van [eiser] staan. Een dergelijke vordering is evenwel niet ingesteld en daarop kan dan ook niet worden beslist.

[eiser] verzoekt bij conclusie na enquête te verklaren voor recht dat [gedaagde] niet heeft bewezen dat per 1 november 2017 met hem een opslagovereenkomst van € 150,- per maand is gesloten alsmede verzoekt hij het verzet gegrond te verklaren. Niet ingezien kan worden welk belang [eiser] daar nog specifiek bij heeft. Een en ander is al onderdeel van de procedure. De kantonrechter gaat daar dus aan voorbij, waarbij tevens in aanmerking dient te worden genomen dat deze verzoeken te laat zijn ingediend.

Bij verzetdagvaarding vordert [eiser] in reconventie, aangezien deze vordering geen onderdeel uitmaakte van de verstekprocedure, onmiddellijke opheffing van alle beslagen met veroordeling van [gedaagde] in de kosten daarvan alsmede terugbetaling van al hetgeen middels deze beslagen aan hem is afgedragen c.q. ten laste van [eiser] is ingehouden. Bij vonnis van 4 april 2025 is daaromtrent in het incident, bij wijze van voorlopige voorziening, beslist. Wat nog resteert te dien aanzien is een (bodem)beslissing, onder meer betreffende terugbetaling en veroordeling in de kosten. De consequentie van de vernietiging van het verstekvonnis en afwijzing van de vordering van [gedaagde] is dat hetgeen geïnd is ten onrechte is geïnd en dus terugbetaald dient te worden met inbegrip van daarover gevorderde wettelijke rente (en niet de handelsrente aangezien het geen handelsovereenkomst betreft). De beslagen moeten worden opgeheven. In zoverre wordt deze vordering toegewezen. Uitvoerbaar bij voorraadverklaring is niet gevorderd.

De kantonrechter ziet in de omstandigheden van deze zaak aanleiding de proceskosten ten aanzien van de verstek- en de verzetprocedure, inclusief het incident te compenseren, zoals hierna bepaald.

3. De beslissing

De kantonrechter

in conventie

vernietigt het op 3 april 2020 tussen partijen onder nummer 8342105 CV EXPL 20-491 gewezen verstekvonnis met inbegrip van de daarbij gegeven kostenveroordeling,

en opnieuw rechtdoende,

wijst de vordering af,

compenseert de proceskosten, in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen,

in reconventie

draagt [gedaagde] op alle beslagen die hij ten laste van [eiser] heeft gelegd op te heffen waarbij hij de kosten van die opheffing/doorhaling dient te dragen en veroordeelt [gedaagde] om al hetgeen op grond van de beslagen aan hem is afgedragen c.q. ten laste van [eiser] is ingehouden aan hem terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van inhouding tot aan de dag van de volledige voldoening,

wijst het meer of anders gevorderde af,

compenseert de proceskosten in de hoofdzaak en het incident, in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.

548

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand