RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
[eiser] , uit [plaats] , eiser
Samenvatting
Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/3494
in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. H.H. Jansen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. C. Lubberts).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats] (de ex-werkgever).
1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van eisers uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 4 juni 2024. Eiser is het niet eens met de beëindiging van zijn WIA-uitkering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt daarom geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering per 3 augustus 2022. Het UWV heeft met de besluiten van 14 maart 2023 per 3 augustus 2022 een WGA-uitkering toegekend en per 3 februari 2023 een loonaanvullingsuitkering. De ex-werkgever heeft tegen de besluiten bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 22 april 2024 is het bezwaar van de ex-werkgever gegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het UWV.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
3. Eiser heeft gedurende gemiddeld 29,64 uur per week gewerkt als ‘verzorgende IG’ (bij de ex-werkgever) en als horecamedewerker. Hij is op 5 augustus 2020 uitgevallen wegens gezondheidsklachten. Na 104 weken van arbeidsongeschikt heeft eiser een WIA-uitkering aangevraagd.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Met het besluit van 14 maart 2023 is aan eiser per 3 augustus 2022 een WIA-uitkering toegekend, omdat eiser volledig arbeidsongeschikt in de zin van de Wet WIA wordt geacht. Aan het besluit ligt een theoretische schatting ten grondslag, gebaseerd op een medisch onderzoek van de verzekeringsarts en een arbeidsdeskundig onderzoek van de arbeidsdeskundige. De bevindingen van de verzekeringsarts zijn weergeven in de rapportage van 20 februari 2023. De door de verzekeringsarts aangenomen functionele beperkingen zijn vastgesteld in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van dezelfde datum. Aan de hand van de bevindingen van de verzekeringsarts en de FML heeft de arbeidsdeskundige onvoldoende functies kunnen duiden voor eiser.
Met het besluit van 14 maart 2023 is aan eiser per 3 februari 2023 een loonaanvullingsuitkering toegekend.
De ex-werkgever heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 14 maart 2023.
Met het besluit van 22 april 2024 is het bezwaar van de ex-werkgever gegrond verklaard en is de loonaanvullingsuitkering met ingang van 4 juni 2024 beëindigd. Eiser wordt met ingang van 3 augustus 2022 namelijk minder dan 35% arbeidsongeschikt in de zin van de Wet WIA geacht. Aan het besluit ligt een theoretische schatting ten grondslag, gebaseerd op een medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) en een arbeidsdeskundig onderzoek van de arbeidsdeskundige b&b. De bevindingen van de verzekeringsarts b&b zijn weergeven in de rapportages van 6 maart 2024 en 18 april 2024. De verzekeringsarts b&b ziet aanleiding minder beperkingen aan te nemen dan de verzekeringsarts en legt de aangenomen functionele beperkingen vast in de FML van 6 maart 2023. Aan de hand van de rapportages van de verzekeringsarts b&b en de FML van 6 maart 2023 heeft de arbeidsdeskundige b&b de mate van arbeidsongeschikt van eiser in de zin van de Wet WIA per 22 augustus 2022 vastgesteld op 17,84 %. Eiser had per die datum dus geen recht op een WIA-uitkering. Daarom had eiser per 3 februari 2023 ook geen recht op een loonaanvullingsuitkering.
Is eiser meer beperkt dan door de verzekeringsarts b&b is aangenomen?
5. Eiser heeft – kort gezegd – aangevoerd dat hij meer fysieke beperkingen heeft dan door de verzekeringsarts b&b in de FML van 6 maart 2024 is aangenomen. Eiser is duurzaam en volledig arbeidsongeschikt in de zin van de Wet WIA. Door de verzekeringsarts b&b is onvoldoende onderbouwd waarom hij voorbij gaat aan de waarnemingen tijdens het medische onderzoek, die in de primaire en bezwaarfase hetzelfde waren en hij een andere conclusie trekt dan de primaire verzekeringsarts, namelijk dat eiser zijn rug zo min mogelijk beperkt uit angst voor (meer) pijn. Eiser kampt ook langdurig met psychische klachten; diverse behandelingen hebben niet geleid tot enige verbetering. Eiser is van mening dat de verzekeringsartsen onvoldoende beperkingen hebben aangenomen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren.
Het UWV heeft – kort gezegd – aangevoerd dat er met het beroepschrift geen medische informatie is ingebracht die aanleiding geeft om hun standpunt te wijzigen. Daarnaast hoeft de vraag of de beperkingen duurzaam zijn niet te worden beantwoord. Het is vaste rechtspraak dat het beoordelingskader van de duurzaamheid van arbeidsongeschikt pas dan van toepassing is wanneer sprake is van volledige arbeidsongeschikt in de zin van de Wet WIA. De arbeidsongeschiktheid van eiser is vastgesteld op 17,84 %. Van volledige arbeidsongeschiktheid is dus geen sprake.
Heeft de verzekeringsarts b&b voldoende beperkingen aangenomen in de FML van 6 maart 2024?
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b voldoende gemotiveerd dat er niet meer beperkingen aangewezen zijn dan is neergelegd in de FML van 6 maart 2024. Dat wordt hierna uitgelegd.
Eiser ervaart allereerst fysieke klachten.
De primaire verzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 20 februari 2023 daarover het volgende gerapporteerd:
“(…) Lichamelijk onderzoek
Behoedzame bewegingen bij opstaan. Zit wat scheef en staat gedurende spreekuur ook op. Rustig loop en traplooppatroon.
Wat scheefstand ten koste van links.
Duidelijke hypertonie rechts paravertebraal hoog lumbaal, links laag lumbaal.
Buigen moeizaam 45 (pijn).
Deflexie behoedzaam. Retroflexe 10. Rotatie geen bijzonderheden.
Hurken behoedzaam (90). Tenen / hakkenloop mogelijk.
Niet levendige reflexen KPR/APR bdz. (…)
Medische overwegingen
Sprake van HNP waarvoor operatie augustus 20. Technisch geslaagd doch klant houdt klachten. Bij latere MRI sprake van kleine mediane HNP op ander niveau zonder wortelcompressie. (…)
De pijnklachten onderrug en (nu) diffuus over linker been komen consistent terug, ervaren belemmeringen passen hierbij. Forse beperkingen en impact hiervan in het dagelijkse leven ook consistent in aanwezige informatie.
Bij oriënterend onderzoek behoedzame en beperkte rugbewegelijkheid, duidelijke hypertonie. (…) Dit ook bevestigd door het overdag noodzaak tot nodige afwisselen houding en ook regelmatig liggen. (…)
Overwegingen
(...) Er is sprake van een consistent verhaal (interne consistentie) en dit wordt bevestigd door de indruk bij onderzoek.
Ook is er sprake van een logische samenhang tussen klachten en belemmeringen, aard aandoening en de waarnemingen bij onderzoek (externe consistentie). (…)
Gezien aanwezige informatie, onderliggende aandoeningen, huidige informatie en indruk bij spreekuur liggen de beperkingen op het gebied van rugbelasting.
Daarbij dienen zitten, staan en lopen afwisselend plaats te vinden en langdurig gedwongen houdingen of standen dienen vermeden te worden. Hoogfrequente en extreme rompbewegingen zijn niet toegestaan. Alle krachtfuncties zijn beperkt, met name qua zware belastingen en qua piekbelastingen. Grove trillingsbelasting op de rug dient vermeden te worden. (…).”
De verzekeringsarts b&b tekent de volgende bevindingen op:
“(…) Algemene indruk
(…) normaal looppatroon. Hij zit tijdens het medisch onderzoek overwegend op zijn rechterbil. Gaat enkele keren verzitten, zit circa 45 minuten aaneengesloten.
Lichamelijk onderzoek
Cliënt wordt verzocht zijn trui uit te trekken, dat doet hij niet. Hij rolt de trui een stukje op zodat ik alleen zijn onderrug kan zien.
Rug:
(…) Na aansporen gaat cliënt rechtop zitten.
Actieve mobiliteit: flexie: sterk beperkt (…). Extensie: iets beperkt. Lateroflexie: beiderzijds geen bijzonderheden. Rotatie: beiderzijds symmetrisch beperkt (…).
Hakken/tenen lopen: lukt met moeite kort. KPR +/+, APR +/+, Lasègue niet goed te beoordelen: cliënt geeft bij lig al pijn in achterzijde linkerbovenbeen aan. Geen atrofie linkerboven- of onderbeen gemeten.
Cliënt gaat redelijk soepel op de rand van de onderzoeksbank zitten, maar zijn benen erop leggen gaat moeizaam. Aanvankelijk legt hij alleen zijn linkerbeen erop (…). Na aansporen legt hij ook zijn rechterbeen op onderzoeksbank, gaat dan helemaal plat liggen waarbij hij direct aangeeft pijn aan achterzijde linkerbeen te voelen, alsof zijn spier tekort is. Hij gaat ondanks herhaald verzoek daartoe niet met gestrekte benen op de bank zitten (…)”.
De verzekeringsarts b&b geeft vervolgens aan dat zij aanleiding ziet om minder beperkingen aan te nemen dan de verzekeringsarts. Zij heeft, anders dan eiser stelt, ook voldoende gemotiveerd waarom zij minder beperkingen aanneemt dan in de primaire fase zijn aangenomen. De verzekeringsarts b&b overweegt in de rapportage van 6 maart 2024:
“(…) ik heb een volledige heroverweging gedaan. Hierbij kom ik tot de conclusie dat er vanuit medisch oogpunt gronden zijn om af te wijken van de eerder aangeven beperkingen. Ik acht cliënt minder beperkt ten aanzien van zijn rugbelastbaarheid dan eerder werd aangenomen.
Uit de informatie van de behandelaars blijkt dat cliënt in augustus 2020 is geopereerd aan een hernia L5-S1 links waarna hij pijnklachten hield in rug en linkerbeen, later vooral in de rug. Uit de informatie van de behandelaars blijkt ook dat die operatie technisch is geslaagd. De wortel S1 links lag daarna immers vrij. Op een latere MRI werd wel een mediane hernia gezien op een hoger niveau, maar deze drukte niet duidelijk op een wortel. De ernst van de persisterende klachten van cliënt zijn dus medisch-somatisch niet verklaarbaar vanuit aantoonbare rugproblematiek. Er is ook geen andere oorzaak aangetoond die de ernst van de klachten en ervaren belemmeringen kan verklaren. De aard en de ernst van de aandoening kunnen derhalve de primair gegeven beperkingen niet onderbouwen.
Een tweede overweging hierbij is dat er inconsistente bevindingen zijn bij lichamelijke onderzoek. De anesthesioloog (brief d.d. 25-01-2024) vond geen duidelijke bewegingsbeperkingen van de rug en de sensibiliteit en motoriek waren intact. Dit is inconsistent met de bevindingen bij het lichamelijk onderzoek door de primaire verzekeringsarts en door mij. Bij de primaire verzekeringsarts werd een rustig loop- en traplooppatroon gezien en behoedzaam bewegen bij opstaan en buigen van de rug. Bij mij laat cliënt ook een normaal looppatroon zien en verder een sterke beperking van de rugmobiliteit, die niet verklaarbaar is vanuit het onderliggend medisch substraat. Dit maakt dat ik gelet op het onderliggend lijden: namelijk persisterende pijnklachten na een geslaagde hernia-operatie het niet aannemelijk acht dat de beweeglijkheid van de rug sterk beperkt zou zijn. Dat cliënt uit angst voor pijn of toenemende klachten zijn rug zo mijn mogelijk beweegt is weliswaar invoelbaar en komt vaker voor, maar is anti-revaliderend. Zoals ook door diverse behandelaars is aangegeven is blijven bewegen/sporten aangewezen.
Kortom, bij cliënt is zware rugbelasting wel beperkt en afwisseling van lopen/zitten/staan is aangewezen. Verder is cliënt beperkt ten aanzien van frequent ver buigen, zwaar duwen/trekken, tillen en dragen, frequent traplopen, klimmen, frequent knielen/hurken, gebogen/getordeerd actief zijn, geknield/gehurkt actief zijn en boven schouderhoogte actief zijn.”
In de aanvullende rapportage in beroep van 31 juli 2024 heeft de verzekeringsarts b&b aanvullend overwogen:
“Zoals in mijn eerdere rapportages aangegeven ontbreekt het medisch-somatisch substraat voor de beperkingen zoals die primair zijn aangegeven. Cliënt is weliswaar uitgevallen met een lumbale hernia, maar die is operatief succesvol behandeld. Er drukt niets (geen uitpuilende tussen wervelschrijf, noch wat anders) meer op een wortel. De wortels en zenuwen onder in de rug liggen vrij. Dus de aanhoudende pijnklachten van cliënt kunnen daardoor niet verklaard worden. Er is ondanks uitgebreid onderzoek ook geen andere somatisch oorzaak voor de klachten gevonden. Dat maakt dat de beperkingen die rechtstreeks en medisch objectiveerbaar kunnen worden toegeschreven aan ziekte of gebrek minder zijn dan door de primaire verzekeringsarts is aangegeven. Daarbij weeg ik ook mee dat het lichamelijk onderzoek van cliënt zoals beschreven door anesthesioloog [naam anesthesioloog] (brief 25-01-2024) geen bewegingsbeperking of andere afwijkingen van de rug liet zien. Bij mijn eigen onderzoek vind ik aanwijzingen voor pijngedrag (bijvoorbeeld dat cliënt zijn trui niet uittrekt op mijn verzoek, dat hij steeds moet worden aangespoord om een gevraagde beweging correct uit te voeren en dat hij na de aansporing dat wel kan doen. Dit maakt dat de overige bevindingen bij het lichamelijk onderzoek niet goed te interpreteren zijn. De primaire verzekeringsarts vond bij lichamelijk onderzoek wel enkele afwijkingen en beschrijft tekenen van pijngedrag (behoedzame bewegingen).”
Anders dan eiser stelt, hebben de verzekeringsartsen niet precies dezelfde bevindingen gedaan tijdens het lichamelijk onderzoek. Hetzelfde zijn het een rustig/normaal looppatroon zien en behoedzaam bewegingen/pijngedrag. Er zijn ook verschillen. Evenwel overweegt de verzekeringsarts b&b ook dat haar bevindingen én die van de verzekeringsarts niet stroken met de bevindingen van de anesthesioloog: die vond juist geen duidelijke bewegingsbeperkingen van de rug en gaf aan dat de sensibiliteit en motoriek intact waren. Daarnaast geeft de verzekeringsarts b&b aan dat de klachten niet verklaarbaar zijn uit het onderliggend medisch substraat: de hernia is succesvol behandeld en de wortels en zenuwen onder in de rug liggen vrij. Een sterke beperking van de rugmobiliteit is daarom niet aannemelijk.
De rechtbank acht de motivering van de verzekeringsarts b&b inzichtelijk en navolgbaar.
De in beroep overgelegde brieven van [naam orthopedisch chirurg], orthopedisch chirurg van de Sint Maartenskliniek (6 september 2024 en 7 oktober 2024) en de brief van [naam anesthesioloog], de anesthesioloog FIPP van het Sint Maartenskliniek (16 december 2024), geven onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de motivering van de verzekeringsarts b&b.
6.1.4.1. De brief van [naam orthopedisch chirurg] van 6 september 2024 gaat namelijk over een onderzoek dat die dag heeft plaatsgevonden. Er is gekeken of er wijzigingen waren ten opzichte van de situatie in juni 2023. Zowel dit onderzoek als de situatie van juni 2023 liggen ruim na de datum in geding, te weten 3 augustus 2022. Het ziet naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet op de rugklachten van eiser op de datum in geding.
6.1.4.2. [naam orthopedisch chirurg] heeft bij brief van 7 oktober 2024 vragen van arts [naam arts] van het UWV, ten behoeve van een rapportage naar aanleiding van een nieuwe ziekmelding van eiser per 4 juni 2024, beantwoord. Hij schrijft dat er geen duidelijke stenose is van L4, L5 of S1. Wel degeneratie van L4-5 en L5-S1 en ook “wederom beeld op MRI van sterke verdikking van de S1 wortel aan de linker zijde passende bij (doorgemaakte) schade of irritatie”. Er is een behandelplan gemaakt voor een “Failed back surgery”. Mogelijk kan hier uit afgeleid worden dat de rugklachten van eiser zijn verergerd of er nieuwe problemen zijn ontstaan, maar de rechtbank ziet geen aanknopingspunten dat dit het geval was op de datum in geding. Verder was er in bezwaar ook al informatie dat er bij eiser sprake was van ‘failed back surgery’. Eerder schreef anesthesioloog [naam anesthesioloog] in zijn brief van 25 januari 2024 aan de verzekeringsarts b&b, ter beantwoording van haar vragen, namelijk onder meer dat er bij eiser sprake was van “Persistent Spinal Pain Syndrome type 2 (voorheen Failed Back Surgery Syndrome)”. Deze informatie is door de verzekeringsarts b&b betrokken bij haar beoordeling.
6.1.4.3. De in beroep overgelegde brief van 16 december 2024 van [naam anesthesioloog] gaat over een consult op 5 december 2024 en een MRI op 27 augustus 2024 waarop een evidente verdikking van de wortel S1 links is gezien. Ook dit is informatie van ruim na de datum in geding, zonder dat er indicaties zijn dat die situatie ook bestond op of omstreeks 4 juni 2024.
Bij het voorgaande komt dat de verzekeringsarts b&b (eerdere) brieven van de orthopedisch chirurg en de anesthesioloog van januari 2024 heeft meegenomen in zijn aanvullende beoordeling van 31 juli 2024.
Eiser heeft verder aangevoerd dat er onvoldoende beperkingen zijn aangenomen voor persoonlijk en sociaal functioneren. Hij heeft namelijk psychische klachten en hij gebruikt medicatie. Die beroepsgrond slaagt niet. De verzekeringsarts b&b heeft in verband hiermee in de rapportage van 6 maart 2024 beperkingen aangenomen, namelijk ten aanzien van veelvuldige afleidingen en deadlines/productiepieken, hoog handelingstempo en beroepsmatig vervoer.
In de aanvullende rapportage van 31 juli 2024 in beroep heeft de verzekeringsarts b&b het overwogen dat:
“In de aanwezige stukken wordt melding gemaakt van een verwijzing naar de poh ggz door de huisarts in januari 2021. De huisarts meende dat er sprake was van traumatische ervaringen door de forse rugpijn. Cliënt gaf op 12-01-2021 bij de bedrijfsarts aan dat hij geen psychische klachten had. Later is hij door de huisarts verwezen naar Mindfit. Cliënt vertelde herhaaldelijk dat de klachten door de gesprekken met de psycholoog erger werden dat hij daarmee zelf is gestopt. Uit de informatie van de bedrijfsarts blijkt dat cliënt soms wat somber en verdrietig is dat hij ander werk moet gaan doen. Nergens staat op psychisch gebied een diagnose genoemd of worden ernstige klachten beschreven. Bij de primaire verzekeringsarts noemde cliënt somberheid, verdriet en prikkelbaarheid (met name op geluid), wat gedempt wordt door nortipyline. Bij mij noemde cliënt dat hij snel boos werd, geïrriteerd, ongeduldig. Niet somber wel wat geagiteerd. Bij psychisch onderzoek worden behoudens een wat weinig modulerend affect geen duidelijke afwijkingen gezien, niet door de primaire verzekeringsarts en ook niet door mij. Cliënt is na de 5-6 (telefonische) gesprekken in 2021 zelf gestopt met de behandeling bij de psycholoog en heeft ook daarna geen behandeling meer gezocht voor psychische problematiek. Hoewel het invoelbaar is dat cliënt verdriet ervaart dat hij ander werk moet gaan doen en dat lang bestaande pijnklachten ook hun weerslag hebben op de mentale gesteldheid van cliënt, zijn er geen aanwijzingen die duiden op (ernstige) psychische stoornissen. Ik zie daarom geen aanleiding om op basis van de door cliënt ervaren psychische klachten meer beperkingen aan te nemen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren. (…)
Uit de aanwezige informatie blijkt dat cliënt eerder bijwerkingen van nortriptyline heeft gemeld: sufheid, concentratieproblemen en duizeligheid waardoor hij niet autorijdt. De gastro-intestinale en hormonale bijwerkingen die nu in het beroepschrift worden genoemd, heeft cliënt voor zover na te gaan nooit eerder gemeld. Overigens kunnen bijvoorbeeld pregabaline en omeprazol vergelijkbare bijwerkingen geven. Cliënt gebruikt de verschillende medicijnen al langer en de door hem ervaren bijwerkingen zijn geen reden geweest om met deze medicamenten te stoppen en in overleg met de voorschrijver een alternatief te gaan gebruiken. Ik lees nergens terug dat bijwerkingen een gespreksonderwerp zijn geweest bij een van de behandelaren/voorschrijvers. Ik zie daarom geen grond om hiervoor meer beperkingen aan te nemen dan eerder.”
Die motivering acht de rechtbank inzichtelijk en navolgbaar.
De brief van de anesthesioloog van 16 december 2024, waarin is beschreven dat eiser veel bijwerkingen van medicatie ervaart, zoals sufheid en duizeligheid, maakt dit niet anders. Anamnestische gegevens die de anesthesioloog heeft opgetekend, vormen onvoldoende aanleiding om aan de beoordeling van de verzekeringsarts b&b te twijfelen. Het gaat bij de anamnese over de wijze waarop eiser zelf zijn klachten ervaart. Daaraan kan in de systematiek van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling echter geen doorslaggevende betekenis toekomen.
Nu eiser verder geen medische informatie heeft overgelegd die aanleiding geeft om te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling van eisers psychische klachten en de gevolgen van het gebruik van de medicatie, bestaat er geen aanleiding om aan te nemen dat er te weinig beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren.
Eisers standpunt, dat de verzekeringsarts b&b ten onrechte geen urenbeperking heeft aangenomen, volgt de rechtbank ook niet.
De primaire verzekeringsarts heeft overwogen dat een urenbeperking is aangewezen. De pijnklachten hebben een forse impact op het slaappatroon, de recuperatie is verstoord. Volgens hem kan eiser maximaal 4 uur per dag en maximaal gemiddeld 20 uren per week werken en ook niet ’s nachts.
De verzekeringsarts b&b acht een urenbeperking daarentegen niet aangewezen, behalve dat ook zij vindt dat eiser niet ’s nachts kan werken. In de rapportage van 6 maart 2024 staat daarover:
“(…) Rekening houdend met [de aangenomen] beperkingen is er geen sprake van een verminderde duurbelastbaarheid, omdat er geen sprake is van een aandoening die gepaard gaat met een energetisch tekort (…), de beschikbaarheid niet in het geding is vanwege medische behandeling en uit de aard van de aandoening het preventieve aspect niet aan de orde is. Wel acht ik in verband met bijkomende psychische problematiek nachtdiensten niet geschikt (…).”
De rechtbank kan de motivering van de verzekeringsarts b&b volgen. Zij heeft getoetst of zich een aan de in de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid (de Standaard) genoemde indicaties voor een arbeidsduurbeperking voordoen. Haar conclusie is dat die zich niet voordoen en eiser heeft geen informatie ingebracht die aanleiding geeft om daaraan te twijfelen. De enkele omstandigheid dat de pijn impact heeft op zijn slaappatroon, is onvoldoende. In dit verband acht de rechtbank ook van belang dat de primaire verzekeringsarts, in het licht van de Standaard, niet heeft gemotiveerd waarom de verstoorde nachtrust van eiser een dermate grote arbeidsduurbeperking rechtvaardigt. Hij beschrijft dat de recuperatie verstoord is maar niet in welke mate. Volgens Standaard is een geringe toegenomen noodzaak tot recuperatie niet meteen aanleiding om ten opzichte van een gemiddeld ten minste achturige werkdag een beperking aan te nemen.
Dat eiser door fysioafspraken minder beschikbaar is en daarom een urenbeperking gerechtvaardigd zou zijn, volgt de rechtbank evenmin. De verzekeringsarts b&b heeft in de rapportage van 31 juli 2024 op overtuigende wijze gemotiveerd dat, hoewel exacte informatie ontbreekt, een sessie gemiddeld 30 tot 60 minuten duurt en eiser daarna direct weer verder kan met zijn dagelijkse bezigheden. Er bestaat daarom geen aanleiding voor een urenbeperking, aldus de verzekeringsarts b&b. De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn de geduide functies passend voor eiser?
7. De beroepsgrond van eiser, dat hij ongeschikt is voor de geduide functies, slaagt niet. De arbeidsdeskundige b&b heeft voldoende deugdelijk gemotiveerd dat de geduide functies de functionele beperkingen van eiser niet te buiten gaan. Uitgaande van de beperkingen zoals weergegeven in de FML van 6 maart 2024, moet eiser worden geacht de geduide functies te kunnen verrichten. Het UWV heeft de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA op 1 mei 2016 met juistheid vastgesteld op 17,84 %.
Duurzaamheid
8. Uit het voorgaande volgt dat eiser niet volledig arbeidsongeschikt is en daarom niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een IVA-uitkering. De duurzaamheid van de beperkingen van eiser behoeft daarom geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom geen gelijk. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Ook bestaat er geen aanleiding voor een veroordeling van het UWV in de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.