uitspraak van de voorzieningenrechter van
[verzoekster] B.V., uit [plaats 1], verzoekster
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brummen.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het college van 26 februari 2026, waarin een last onder dwangsom is opgelegd in verband met overtredingen op het perceel [locatie] in [plaats 2]. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening bij deze rechtbank ingediend.
2. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:83, derde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) in een aantal gevallen uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter vindt in deze zaak een zitting niet nodig, omdat het verzoek kennelijk ongegrond is. Zij legt dat hieronder verder uit.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
Verzoekster stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening gelet op de door het college vastgestelde begunstigingstermijn (18 juni 2026). Het is voor verzoekster niet mogelijk om binnen die termijn aan de last te voldoen.
Het college heeft op 28 mei 2026 de voorzieningenrechter geïnformeerd dat het college bereid is de begunstigingstermijn te verlengen tot twee weken na het besluit op bezwaar. Daarbij merkt het college op dat de hoorzitting voor behandeling van het bezwaarschrift staat gepland op 23 juni 2026 en dat het besluit op bezwaar medio juli 2026 wordt verwacht. Naar verwachting valt dit ongeveer samen met de afronding van de werkzaamheden op het perceel. Mocht er vertraging worden opgelopen dan kan een nieuw verzoek om verdere verlenging van de begunstigingstermijn worden ingediend.
Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Gelet op de hierboven genoemde toezegging is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster geen spoedeisend belang meer heeft bij een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekster kan de beslissing op bezwaar afwachten. De door verzoekster aangevoerde gronden maken dit niet anders.
Conclusie en gevolgen
4. Nu een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening ontbreekt, wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: