RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/079911-24
Datum uitspraak : 3 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres] in ([postcode]) [woonplaats].
Raadsvrouw: mr. F. Tosun, advocaat in Zaandam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 1 maart 2024 te Ochten, gemeente Neder-Betuwe, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk ongeveer 1539 iPhones van het merk Apple, althans een hoeveelheid smartphones, in elk geval een of meerdere goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] en/of [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededaders uit hoofde van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking, te weten als zijnde koerier voor [bedrijf 2] van een lading smartphones van [bedrijf 1], in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had/hadden, wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;
subsidiair
hij op of omstreeks 1 maart 2024 te Ochten, gemeente Neder-Betuwe, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ongeveer 1539 iPhones van het merk Apple, althans een hoeveelheid smartphones, in elk geval een of meerdere goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] en/of [aangever], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
meer subsidiair
hij in of omstreeks de periode 1 maart 2024 tot en met 4 maart 2024 te Beusichem, gemeente Buren, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ongeveer 1539, althans 298, althans een hoeveelheid Apple smartphones, in elk geval een of meerdere goed(eren) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van verduistering in dienstbetrekking, het primair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte een plan heeft gemaakt met medeverdachten dan wel gesprekken heeft gevoerd met medeverdachten omtrent de diefstal/verduistering van de telefoons. Ook kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld dat verdachte aanwezig was tijdens het wegnemen van de telefoons. Ook het medeplegen kan niet worden bewezen. Ten aanzien van het primair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw verder aangevoerd dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) werkzaam was voor een bedrijf waarbij hij over telefoons kon beschikken en dat hij een plan heeft gemaakt om die telefoons op die manier te bemachtigen. Ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde diefstal heeft de raadsvrouw verder aangevoerd dat er geen sprake is van een wederrechtelijke toe-eigening nu [medeverdachte 1] rechtmatig over de telefoons kon beschikken en ze vrijwillig heeft meegegeven aan derden.
De raadsvrouw heeft subsidiair gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de meer subsidiair tenlastegelegde heling van 298 telefoons.
Beoordeling door de rechtbank
Op 1 maart 2024 zijn 1539 smartphones (waaronder 1537 iPhones) gestolen uit een bedrijfsbus die werd bestuurd door [medeverdachte 1]. De telefoons waren eigendom van het bedrijf [bedrijf 1], waarvan [aangever] eigenaar is. In eerste instantie heeft [medeverdachte 1] aangifte gedaan van een overval. Later heeft [medeverdachte 1] verklaard dat de aangifte vals was en dat de overval in scène was gezet. [aangever] heeft aangifte gedaan en heeft verklaard dat [medeverdachte 1] op 1 maart 2024 is gestopt bij het Esso tankstation op de A15 ter hoogte van Ochten. Hier is de overval in scène gezet. Dat heeft [medeverdachte 1] achteraf aan [aangever] bekend.
Vervolgens wordt op 4 maart 2024 omstreeks 22:00 uur verdachte samen met [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) aangehouden aan de Klassenburgerstraat 5 in Beusichem, een locatie gelegen op een industrieterrein. De politie heeft kort voor die aanhouding waargenomen dat een Citroën C3 met kenteken [kenteken] (met daarin verdachte als bestuurder en [medeverdachte 2] als bijrijder) naast een Renault (met daarin onder andere [medeverdachte 1]) parkeerde. De verbalisanten zagen dat de twee personen uit de Citroën stapten en één persoon uit de Renault en dat die personen vervolgens kort contact met elkaar hadden. Daarna werden meerdere bigshoppers uit de kofferbak van de Citroën overgeplaatst naar de kofferbak van de Renault. In de kofferbak van de Renault werden na de aanhouding drie bigshoppers aangetroffen met daarin in totaal 298 Apple iPhones. De IMEI-nummers van deze telefoons komen overeen met de op 1 maart 2024 gestolen telefoons.
In tegenstelling tot hetgeen door de raadsvrouw is bepleit, acht de rechtbank de verklaringen van [medeverdachte 1] wel betrouwbaar en zal zij deze bezigen voor het bewijs. Met uitzondering van hetgeen [medeverdachte 1] in eerste instantie heeft verklaard ten aanzien van een overval, verklaart [medeverdachte 1] consistent en voor zichzelf belastend. Daar komt bij dat zijn verklaringen steun vinden in andere delen uit het dossier.
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op 26 februari 2024 met een persoon genaamd [medeverdachte 3] naar de McDonald’s in Eindhoven is geweest waar zij met anderen een plan hebben bedacht voor de nep-overval en dat deze zo op 1 maart 2024 is uitgevoerd.
[medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat ‘die dikke met het petje’ die samen met hem was aangehouden, bij de overval aanwezig was. In de fouillering van verdachte werd een zwarte pet met een wit logo aangetroffen. Bij het signalement van verdachte staat in het dossier “corpulent/vadsig” gerelateerd ten aanzien van zijn lichaamsbouw.
Deze verklaring van [medeverdachte 1] vindt steun in de verklaring van [getuige], de werkgever van [medeverdachte 1]. [getuige] heeft verklaard dat hij op 2 maart 2024 werd gebeld door [medeverdachte 1] en dat [medeverdachte 1] hem zei dat er twee jongens in zijn straat reden waarvan minimaal één ook aanwezig was geweest toen de spullen uit de bus werden gehaald op 1 maart 2024. [medeverdachte 1] had het kenteken van deze auto, [kenteken], genoteerd. Het betrof een Citroën. [verdachte] heeft een Citroën C3 met kenteken [kenteken].
De verklaring van [medeverdachte 1] vindt eveneens steun in de WhatsApp-berichten die zijn aangetroffen in de telefoon verdachte tussen hem en een contactpersoon genaamd [naam]. Verdachte heeft verklaard dat deze telefoon van hem is. In de WhatsApp-berichten staat onder meer het volgende:
Uit het gesprek van 1 maart 2024 tussen verdachte en [naam] blijkt dat verdachte contact heeft gehad met ene [medeverdachte 3] en dat die [medeverdachte 3] op 1 maart 2024 via [naam] doorgeeft dat hij (verdachte) klaar moet staan omdat de neger om 3.00 uur gaat rijden. Dit past bij de door verdachte genoemde tijdspanne in de betreffende nacht, namelijk dat hij om 3:02 uur wegreed vanuit Tiel.[medeverdachte 1] heeft bovendien een bruine/donkere huidskleur.
Enkele uren nadat de diefstal van de telefoons heeft plaatsgevonden vraagt verdachte zich af of het goed gaat met die ander. Dit moet [naam] bij [medeverdachte 3] navragen. Vervolgens zegt verdachte dat [naam] moet komen kijken, dat ze niet ‘nieuw’ zijn en ‘dat het veel 13 zijn die niet heel veel waard zijn’. Dit past bij het feit dat onder de 1539 gestolen smartphones zich 560 iIPhones 13 en 158 iPhones 13 mini bevonden. De iPhone 13, uitgebracht in 2021, was op dat moment 2,5 jaar oud.
De rechtbank is van oordeel dat de chatconversatie tussen verdachte en [naam] niet anders kan worden gelezen dan dat verdachte bij de in scène gezette overval op 1 maart 2024 aanwezig is geweest.
Uit het gesprek van 1 maart 2024 tussen verdachte en [naam] leidt de rechtbank verder af dat verdachte over de telefoons heeft beschikt, immers zegt hij tegen [naam] dat hij hem ‘het meest van iedereen heeft gegund’ en dat als hij ‘wat weg heeft gedaan’, hij hem nog ‘papieren’ (de rechtbank begrijpt: geld) gaat geven.
De rechtbank neemt verder nog in aanmerking dat uit onderzoek van de telefoon van verdachte blijkt dat deze op 1 maart 2024 om 2.36 uur werd uitgeschakeld en om 4:00 uur weer werd aangezet en in de tussentijd niet werd opgeladen. Dit is (ook) passend bij het moment waarop de in scène gezette overval van de bedrijfsbus van [medeverdachte 1] heeft plaatsgevonden.
[medeverdachte 1] heeft verder nog verklaard dat de telefoons na de diefstal op 1 maart 2024 opnieuw zijn gestolen, maar dat ze zijn ‘teruggehaald’ door de man in de Citroën (de rechtbank begrijpt: verdachte). Deze verklaring vindt steun in een op 4 maart 2024 opgenomen gesprek tussen [medeverdachte 1] en verdachte, waarvan verdachte ter terechtzitting heeft bevestigd dat hij daarop te horen is. Verdachte zegt in dat gesprek tegen [medeverdachte 1] dat hij aan het lijntje wordt gehouden, dat de spullen van [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt: zijn aandeel) zijn gestolen, maar dat hij de spullen van [medeverdachte 1] heeft ‘teruggehaald’ zonder dat ‘hun’ dat weten. Hij zegt tegen [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 3] en de andere jongens het niet weten en dat hij ([medeverdachte 1]) zijn bek dicht moet houden tegen [medeverdachte 3].
Verdachte heeft de betrokkenheid bij de diefstal van de telefoons op 1 maart 2024 ontkend. Hij heeft verklaard dat hij telefoons aangeboden heeft gekregen, maar dat hij er achter kwam dat het gestolen waar betrof. Hij heeft toen de telefoons ‘teruggehaald’ om deze aan [medeverdachte 1] terug te geven. Deze verklaring is, gezien bovenstaande feiten en omstandigheden, niet aannemelijk en volstrekt ongeloofwaardig. Zijn verklaring wordt daarom ter zijde geschoven.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte aanwezig was bij de diefstal van de Apple iPhones op 1 maart 2024.
Vrijspraak primair tenlastegelegde
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte deze telefoons samen met anderen heeft verduisterd in persoonlijke dienstbetrekking omdat zij op basis van het dossier niet kan vaststellen dat verdachte wist dat [medeverdachte 1] de telefoons onder zich had in dienstbetrekking. Verdachte zal daarom vrijgesproken worden van het primair tenlastegelegde.
Bewezenverklaring subsidiair tenlastegelegde
De subsidiair tenlastegelegde diefstal acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen.
Verdachte heeft de goederen weggenomen waardoor [bedrijf 1] daar geen beschikkingsmacht meer over had. Dat [medeverdachte 1] de goederen rechtmatig onder zich had op het moment dat ze door verdachte werden meegenomen, doet daar niet af. Het opzet van verdachte was gericht op het wegnemen van de telefoons van de rechthebbende.
Medeplegen
Ten aanzien van de vraag of sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking om te kunnen spreken van medeplegen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af uit de bewijsmiddelen. Verdachte heeft samen met een ander de telefoons uit de bedrijfsbus van [medeverdachte 1] weggenomen, hij beschikte over de telefoons na de diefstal en bepaalde wie welk deel van de buit kreeg. Voorafgaand aan en na de diefstal onderhield hij hierover contact met [medeverdachte 3], [naam] en [medeverdachte 1]. Verdachte had daarmee niet alleen een uitvoerende rol, maar kennelijk ook een beslissende rol. Hij had immers inspraak in de verdeling van de buit. Uit het opgenomen gesprek blijkt verder dat verdachte een (aan)sturende rol had. Hij zegt immers tegen [medeverdachte 1] dat hij ‘zijn bek dicht moet houden’ tegen de anderen. Op grond hiervan oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten, die in de kern heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank ook het medeplegen bewezen. Dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte betrokken was bij het bedenken van het plan om een overval in scene te zetten, doet aan het voorgaande niet af.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 1 maart 2024 te Ochten, gemeente Neder-Betuwe, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ongeveer 1539 iPhones van het merk Apple, althans een hoeveelheid smartphones, in elk geval een of meerdere goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] en/of [aangever], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden (jonge baby, ondersteuning bij de opvoeding en vast contract). De raadsvrouw heeft verzocht om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Subsidiair heeft zij verzocht om een voorwaardelijke straf op te leggen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging van 1539 smartphones, voornamelijk Apple iPhones. Er is een overval in scène gezet waarbij verdachte uit een bedrijfsbus van een medeverdachte genoemde telefoons heeft weggenomen. Verdachte heeft na de diefstal over de iPhones beschikt en bepaald hoeveel de mededaders daarvan ontvingen. Ook instrueerde hij een mededader wat hij wel en niet tegen de andere mededaders mocht zeggen.
Diefstal is een ernstig strafbaar feit, waarbij inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht van een ander en grote financiële schade wordt berokkend. Een diefstal als de onderhavige tast het vertrouwen in de pakketbezorgingsdiensten aan. Het gaat in deze zaak bovendien om een omvangrijke lading met een zeer aanzienlijke waarde (de inkoopwaarde betrof ongeveer € 850.000,-). Dit is een ernstig en brutaal feit en rechtvaardigt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Redelijke termijn
Verdachte is op 5 maart 2024 in verzekering gesteld. Op dat moment is de redelijke termijn aangevangen. Een eindvonnis dient vervolgens binnen twee jaren te volgen. In de zaak van verdachte is op 3 juni 2026 vonnis gewezen. Dit is twee jaar, twee maanden en 30 dagen later. Daarmee is de redelijke termijn met twee maanden en 30 dagen overschreden. Deze overschrijding is niet te wijten aan de ingewikkeldheid van de zaak dan wel aan de proceshouding van verdachte of door onderzoekswensen van de verdediging.
De op te leggen straf
Voor de bepaling van de straf heeft de rechtbank onder meer gekeken naar wat rechters opleggen voor dit soort feiten. Ook neemt de rechtbank mee dat verdachte een uitvoerende, bepalende en (aan)sturende rol had in het geheel, anders dan medeverdachte [medeverdachte 1] die slechts een uitvoerende rol had. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend en geboden is.
De rechtbank zal een gedeelte daarvan, te weten vier maanden, voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van drie jaar. De straf valt lager uit dan de eis van de officier van justitie. Dit komt omdat de rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring en rekening houdt met de overschrijding van de redelijke termijn.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde;
verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 4 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Verbeek (voorzitter), mr. M.A. van Leeuwen en mr. S. Jansen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.P. van der Meulen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juni 2026.
mr. J.M.P. van der Meulen is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen