ECLI:NL:RBGEL:2026:4462

ECLI:NL:RBGEL:2026:4462

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 06-05-2026
Datum publicatie 04-06-2026
Zaaknummer 05/060535-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Vergoeding van rechtsbijstandskosten na wijziging van de sepotcode. Ondanks termijnoverschrijding acht de rechtbank vergoeding, gelet op de bijzondere omstandigheden van de zaak, redelijk en billijk.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

parketnummer : 05-060535-25

raadkamernummer : 26-005080

datum : 6 mei 2026

beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedag] 1970 te [geboorteplaats] ,

wonende op [adres] , te [woonplaats] ,

mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam,

hierna te noemen: verzoeker.

Feiten

De officier van justitie heeft beslist de verzoeker niet verder te vervolgen en heeft dat bij brief van 26 februari 2025 aan verzoeker meegedeeld. Deze beslissing is onherroepelijk geworden. De door de officier van justitie aan de niet (verdere) vervolging verbonden voorwaarden zijn vervuld.

Procedure

Het verzoekschrift is op 18 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft op 6 mei 2026 het verzoekschrift in openbare raadkamer behandeld.

De rechtbank heeft verzoeker, de advocaat, mr. W.H. Jebbink en de officier van justitie op zitting gehoord.

Verzoek

Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van in totaal € 2.394,37 wegens:

- de kosten van een raadsman in de strafzaak met het hiervoor genoemde parketnummer; door de verzoeker is een factuur van mr. W.H. Jebbink overgelegd tot een bedrag van

€ 1569,37.

- de kosten van een raadsman voor het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van dit verzoek het verzoek op grond van artikel 533 Sv tot een bedrag van € 825,-.

Ter zitting is nog het volgende naar voren gebracht.

Verzoeker stelt dat hij op 16 februari 2025 ten onrechte als verdachte is aangemerkt en aangehouden in verband met een poster bij het kraakpand [kraakpand] . De poster, waarop een persoon met een Hitlergroet en een hakenkruis op de mouw werd afgebeeld, is door verzoeker volgens eigen en juridisch advies niet als beledigend bedoeld of op te vatten. Desondanks is de zaak aanvankelijk geseponeerd op sepotgrond 02.

Namens verzoeker is op 27 maart 2025 een gemotiveerd verzoek ingediend bij de hoofdofficier van justitie tot wijziging van de sepotgrond naar 01 (ten onrechte als verdachte aangemerkt), welke bij brief van 29 april 2025 werd afgewezen. Verzoeker heeft hierop een klacht ingediend bij de Nationale ombudsman, die de zaak op 16 januari 2026 terugverwees naar het Openbaar Ministerie, omdat niet op alle aangevoerde argumenten was ingegaan. Uiteindelijk heeft de hoofdofficier van justitie bij brief van 11 februari 2026 de sepotgrond alsnog gewijzigd naar 01. De verdediging wijst erop dat de procedure voor verzoeker emotioneel belastend en financieel kostbaar is geweest. Verzoeker benadrukt dat hij op drie punten door de staat der Nederlanden onheus is bejegend: (i) het onterecht aanmerken als verdachte; (ii) de minutieuze en reactieve afhandeling van het verzoek tot wijziging van de sepotgrond; en (iii) het standpunt van het Openbaar Ministerie dat de gemaakte kosten niet zouden moeten worden vergoed. Dit heeft geleid tot gevoelens van frustratie en onzekerheid, evenals terughoudendheid bij verzoeker om zich in maatschappelijke en demonstratie-gerelateerde contexten uit te spreken, uit vrees dat zijn handelen verkeerd wordt geïnterpreteerd. Verzoeker stelt dat de gemaakte kosten voor rechtsbijstand in de klachtprocedure redelijk en billijk zijn, nu deze daadwerkelijk hebben geleid tot wijziging van de sepotgrond. Tevens acht verzoeker het billijk dat de kosten voor het opstellen, indienen en toelichten van het aanvullend verzoekschrift worden vergoed.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie verzet zich tegen het verzoek van verzoeker tot vergoeding van rechtsbijstandskosten ter hoogte van € 1.569,37. De rechtsbijstand heeft betrekking op de procedure tot wijziging van de sepotcode, waarbij verzoeker op 27 maart 2025 een klacht heeft ingediend. Deze klacht werd op 29 april 2025 afgewezen. Vervolgens heeft verzoeker de Nationale Ombudsman ingeschakeld, waarna het Openbaar Ministerie op 11 februari 2026 de sepotcode alsnog wijzigde naar code 01.

Het Openbaar Ministerie stelt dat verzoeker niet ontvankelijk is in zijn verzoek tot vergoeding, omdat het verzoek niet binnen drie maanden na de eerste sepotbeslissing van 26 februari 2025 is ingediend en derhalve te laat is. Jurisprudentie bevestigt dat de termijn voor het indienen van een verzoek op grond van artikel 530 Sv begint te lopen vanaf de eerste sepotbeslissing (ECLI:NL:GHAMS:2019:2481; Tekst & Commentaar Strafvordering, aantekening 4 bij artikel 529 Sv). Latere wijzigingen van de sepotcode leiden niet tot een nieuwe termijn voor het indienen van een kostenverzoek.

Verzoeker verwijst naar eerdere uitspraken (ECLI:NL:GHAMS:2017:1794; ECLI:NL:RBGEL:2024:2387) waarin kosten samenhangend met een sepotcodewijziging wel onder artikel 530 Sv kunnen vallen. Het Openbaar Ministerie benadrukt echter dat in die zaken sprake was van een beleidssepot dat een belemmering vormde voor het indienen van een verzoek, terwijl in de onderhavige zaak sprake was van een technisch sepot 02, dat geen dergelijke belemmering opleverde.

Daarom handhaaft het Openbaar Ministerie het standpunt dat het verzoek niet ontvankelijk is en concludeert tot niet-ontvankelijkheid.

Beoordeling

De rechtbank is bevoegd en het verzoek is tijdig ingediend.

Aan de gewezen verdachte kan een vergoeding worden toegekend voor werkelijke schade als gevolg van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting. Ook kan een vergoeding worden toegekend voor de kosten van een raadsman, inclusief kosten voor bijstand tijdens de verzekering en de voorlopige hechtenis, behalve als de raadsman was toegevoegd.

De toekenning van een schadevergoeding heeft steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

De rechtbank acht die gronden aanwezig voor het verzochte.

De rechtbank zal een vergoeding toekennen voor:

kosten rechtsbijstand € 1.569,37

forfaitaire vergoeding € 825,-

Totaal € 2.394,37

De rechtbank maakt een afweging tussen de standpunten van verzoeker en het Openbaar Ministerie. Aan de ene kant wijst het Openbaar Ministerie erop dat het verzoek tot vergoeding van rechtsbijstandskosten niet binnen de wettelijke termijn van drie maanden na de eerste sepotbeslissing is ingediend en dat in eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:GHAMS:2019:2481) is overwogen dat een latere wijziging van de sepotcode geen nieuwe termijn doet ontstaan. Volgens het Openbaar Ministerie is verzoeker daarom niet ontvankelijk. Aan de andere kant heeft verzoeker gesteld dat de sepotcode in eerste instantie onterecht is vastgesteld en dat de procedure emotioneel en financieel belastend is geweest. Verzoeker heeft uiteindelijk bereikt dat de sepotcode werd gewijzigd naar code 01, waardoor de procedure daadwerkelijk tot een ander sepotresultaat heeft geleid. De verdediging heeft daarbij gewezen op de bijzondere omstandigheden van deze zaak en op de impact op verzoeker, die het handelen van de overheid als onheus en belastend heeft ervaren.

Gezien de feiten en de omstandigheden van deze zaak, acht de rechtbank het redelijk en billijk dat de kosten voor rechtsbijstand in aanmerking komen voor vergoeding.

Op grond van het voorgaande wordt het verzoek van verzoeker gegrond verklaard.

Beslissing

De rechtbank:

- kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 2.394,37 (tweeduizend driehonderdvierennegentig euro en zevenendertig eurocent).

Deze beslissing is gegeven door mr. H.P.M. Kester, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H. Homburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.

BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING

De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van ’s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van:

€ 2.394,37 (zegge: tweeduizend driehonderdvierennegentig euro en zevenendertig eurocent) ten gunste van verzoeker, door overmaking van voornoemd bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer] ,, ten name van Stichting Beheer Derdengelden Jebbink Soeteman Advocaten, onder vermelding van [verzoeker] / schadevergoeding.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand