RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05-190139-25
Datum uitspraak : 1 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] (Polen),
wonende aan de [adres] in [woonplaats] ,
raadsman: mr. P.L.O. van den Waarsenburg, advocaat in Nijmegen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
18 mei 2026.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juni 2025 tot en met
20 juni 2025 te [woonplaats] , gemeente Zaltbommel, althans in Nederland,
tezamen met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal, een hoeveelheid fietsen (met fietstassen) te weten:
althans een of meer goederen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft
overgedragen,
terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze
goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door
misdrijf verkregen goed(eren) betrof.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
In de periode van 11 juni 2025 tot en met 20 juni 2025 zijn 15 fietsen (met fietstassen) op verschillende locaties in Nederland gestolen. De fietsen zijn op 20 juni 2025 aangetroffen in de tuin van de woning aan de [adres] in [woonplaats] . Dit is de woning van verdachte. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] stonden op dat moment in de achtertuin van de woning.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van schuldheling. Verdachte heeft hoogst onvoorzichtig gehandeld. Gelet op de omstandigheden had hij kunnen vermoeden dat het om gestolen fietsen ging. Bovendien had hij feitelijke beschikkingsmacht over de gestolen fietsen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken. Daartoe voert hij aan dat geen sprake is van betrokkenheid van verdachte bij het strafbare feit.
Beoordeling door de rechtbank
Op 20 juni 2025 zijn verbalisanten naar de [adres] te [woonplaats] gegaan, omdat daar de gestolen fiets van melder zou uitstralen. In een witte bus met kenteken [kenteken] stonden 2 e-bikes. In de achtertuin stonden verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] met elkaar te praten. In de tuin stonden 12 in folie gewikkelde fietsen, waaronder de fiets van melder. In de schuur lagen 17 fietstassen. Er zijn in totaal 16 fietsen aangetroffen.
Verdachte heeft verklaard dat medeverdachte op 20 juni 2025 al drie weken in zijn woning verbleef. Hij kende medeverdachte vanuit Polen en hij zou op zoek zijn naar werk in Nederland en verbleef daarom tijdelijk bij verdachte. Medeverdachte zei dat de bus waarmee hij aankwam van hem was. Medeverdachte heeft verdachte op 20 juni 2025 gebeld om te vragen of hij de fietsen voor hem wilde bewaren. Medeverdachte had gezegd dat hij de fietsen van iemand had gekocht. Toen verdachte thuis kwam van werk zag hij de in folie ingepakte fietsen in zijn tuin staan. Hij zag wel dat het er meer dan een paar waren, maar dat maakte hem niet uit. Hij heeft hierover verder geen vragen gesteld aan medeverdachte. Hij heeft ook de fietstassen in de schuur zien liggen. Medeverdachte zou de fietstassen ook gaan inpakken en vervoeren.
Schuldheling
De rechtbank stelt vast dat de verdachte de fietsen voorhanden heeft gehad onder de volgende omstandigheden. Medeverdachte verbleef een aantal weken bij verdachte en op 20 juni 2025 werd verdachte gebeld door medeverdachte met de vraag of hij wat fietsen voor hem wilde bewaren. Vervolgens stonden er 16 gedemonteerde en gesealde fietsen in zijn tuin. De fietstassen waren er vanaf gehaald en lagen in de schuur. Verdachte heeft naar eigen zeggen geen enkele vraag gesteld over de herkomst van de fietsen. Op het moment dat verdachte en medeverdachte in de tuin bij de fietsen stonden kwam de politie omdat een van de gestolen fietsen daar uitstraalde.
De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden op de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de fietsen de plicht rustte om onderzoek te verrichten naar de herkomst daarvan. De verdachte heeft dit nagelaten. Derhalve is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte destijds redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de fietsen door misdrijf verkregen goederen betroffen.
Medeplegen
De rechtbank acht in het licht van het voorgaande derhalve ook het medeplegen bewezen. Er is immers sprake van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte. Verdachte heeft gelegenheid en middelen verschaft aan medeverdachte door hem onderdak te verschaffen en na het verzoek van de medeverdachte om fietsen voor hem te bewaren toestemming te geven om de fietsen en fietstassen in zijn tuin en schuur te zetten. Bovendien stonden zij samen in de achtertuin van de woning waar de fietsen stonden op het moment dat de politie daar kwam.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte, het tenlastegelegde (medeplegen van schuldheling) heeft gepleegd.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, te weten dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juni 2025 tot en met
20 juni 2025 te [woonplaats] , gemeente Zaltbommel, althans in Nederland,
tezamen met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal, een hoeveelheid fietsen (met fietstassen) te weten:
althans een of meer goederen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft
overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door
misdrijf verkregen goed(eren) betrof.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van schuldheling
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en voorts tot het verrichten van 240 uren werkstraf subsidiair 120 dagen hechtenis (met aftrek).
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd gelet op de bepleite vrijspraak.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich in een korte periode schuldig gemaakt aan medeplegen van schuldheling van 15 dure elektrische fietsen. Hij heeft onderdak geboden aan de medeverdachte en heeft toegestaan dat die medeverdachte de fietsen in zijn tuin neerzette. Schuldheling is een ernstig strafbaar feit. Heling bevordert diefstal en zorgt bovendien voor een illegaal circuit van goedkope(re) goederen, waardoor de reguliere, eerlijke (detail)handel wordt verstoord en schade wordt toegebracht. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.
Uit het strafblad van verdachte van 16 april 2026 blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank verder gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat de rol van verdachte aanzienlijk kleiner is dan die van medeverdachte.
Alles afwegende acht de rechtbank passend, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 160 uur met aftrek van het voorarrest.
8. De beoordeling van de civiele vorderingen
[benadeelde 1] (fiets 7)
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.591,95 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de benadeelde de fiets terug heeft gekregen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. De benadeelde heeft de fiets terug gekregen.
Overweging van de rechtbank
De materiële schade bestaat uit de kosten van de fiets en de fietstas. Benadeelde heeft haar fiets inmiddels terug gekregen, waardoor de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering zal verklaren.
[benadeelde 2] (fiets 8)
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.243,80 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De materiële schade bestaat uit de volgende schadeposten:
Standpunten
De officier van justitie heeft verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] tot een bedrag van € 1.243,80 wordt toegewezen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 dagen hechtenis.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en kan worden toegewezen.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank overweegt dat niet kan worden vastgesteld dat de gestelde schade aan de fiets door verdachtes handelen is veroorzaakt. Bewezenverklaard is immers de opzetheling van de fiets. Nu als uitgangspunt geldt dat de vermogensschade in een dergelijk geval wordt veroorzaakt door de diefstal en niet door de heling die daarop volgt, terwijl niet kan worden vastgesteld dat bijkomende schade is ontstaan sinds verdachte de fiets onder zich hield, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een voldoende rechtstreeks verband tussen het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de door de benadeelde partij [benadeelde 2] geleden schade aan de fietst. De benadeelde partij zal voor dit deel van de schade niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
De reiskosten die benadeelde heeft gemaakt om haar fiets op te halen bij Domeinen in Hoogeveen zijn naar het oordeel van de rechtbank wel aan te merken als rechtstreekse schade en kunnen aan verdachte worden toegerekend.
Voor die schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor wat betreft de reiskosten á € 64,40 kan worden toegewezen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 2 januari 2026 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte de schade heeft vergoed.
[benadeelde 3] (fiets 11)
De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.544,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de benadeelde de fiets terug heeft gekregen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. De benadeelde heeft de fiets terug gekregen.
Overweging van de rechtbank
De materiële schade bestaat uit de kosten van de fiets en accessoires. Benadeelde heeft de fiets inmiddels terug gekregen, waardoor de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering zal verklaren.
[benadeelde 4] (fiets 13)
De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 759,85 aan materiële schade en € 100,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De materiële schade bestaat uit de volgende schadeposten:
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de kosten voor de fietshuur en inbussleutel á € 144,95 voldoende zijn onderbouwd en kunnen worden toegewezen. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de benadeelde de fiets terug heeft gekregen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. De benadeelde heeft de fiets terug gekregen.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
De materiële schade bestaat uit de kosten van de fiets, fietshuur en inbussleutels.
De rechtbank overweegt dat niet kan worden vastgesteld dat de gestelde schade door verdachtes handelen is veroorzaakt. Bewezenverklaard is immers de opzetheling van de fiets. Nu als uitgangspunt geldt dat de vermogensschade in een dergelijk geval wordt veroorzaakt door de diefstal en niet door de heling die daarop volgt, terwijl niet kan worden vastgesteld dat bijkomende schade is ontstaan sinds verdachte de fiets onder zich hield, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een voldoende rechtstreeks verband tussen het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de door de benadeelde partij [benadeelde 4] geleden schade. Tot slot heeft benadeelde de fiets terug gekregen. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in de vordering verklaren.
Smartengeld
De schadepost is onvoldoende onderbouwd. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
[benadeelde 5] (fiets 14 en 15)
De benadeelde partij [benadeelde 5] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 488,15 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De materiële schade bestaat uit de volgende schadeposten:
Standpunten
De officier van justitie heeft verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] tot een bedrag van € 488,15 wordt toegewezen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en kan worden toegewezen.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank overweegt dat niet kan worden vastgesteld dat de gestelde schade die ziet op de fietshuur en het vest, door verdachtes handelen is veroorzaakt. Bewezenverklaard is immers de opzetheling van de fiets. Nu als uitgangspunt geldt dat de vermogensschade in een dergelijk geval wordt veroorzaakt door de diefstal en niet door de heling die daarop volgt, terwijl niet kan worden vastgesteld dat bijkomende schade is ontstaan sinds verdachte de fiets onder zich hield, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een voldoende rechtstreeks verband tussen het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de door de benadeelde partij [benadeelde 5] geleden schade. De benadeelde partij zal voor dit deel van de schade niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
De rechtbank overweegt dat benadeelde de fietsen weer heeft teruggekregen. De kosten die zijn gemaakt voor het in elkaar zetten van de fietsen en de reiskosten die benadeelde heeft gemaakt om de fietsen op te halen zijn naar het oordeel van de rechtbank wel aan te merken als rechtstreekse schade en kunnen aan verdachte worden toegerekend.
Voor die schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor wat betreft het herstel van de fietsen en de reiskosten á € 308,85 kan worden toegewezen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 26 augustus 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte de schade heeft vergoed.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 47 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
legt op een taakstraf van 160 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 dagen;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade en smartengeld;
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.