uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 5 juni 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Eindhoven, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 maart 2025.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.522.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 137 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur mr. drs. [persoon A] en [persoon B]. Belanghebbende is zonder bericht van verhindering niet verschenen.
Feiten
1. Aan belanghebbende is bij besluit van 3 april 2023 een Ziektewetuitkering toegekend met ingang van 20 december 2021.
2. In het dossier zit een betaalspecificatie van 13 april 2023 die een bedrag vermeldt van € 964,16 en die een Ziektewetuitkering betreft over de periode 10 januari 2022 tot en met 31 januari 2022.
3. In het dossier zit een betaalspecificatie van 25 april 2023 die een bedrag vermeldt van € 17.500,94 en die een Ziektewetuitkering betreft over de periode 1 februari 2022 tot en met 28 februari 2023.
4. Belanghebbende heeft op 20 maart 2024 een aangifte IB/PVV 2023 ingediend. Daarbij is een bedrag van € 31.925 aan Ziektewetuitkering aangegeven als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking.
5. De inspecteur heeft een voorlopige aanslag IB/PVV 2023 opgelegd overeenkomstig de aangifte. Bij het opleggen van de definitieve aanslag is de inspecteur afgeweken van de aangifte en heeft de aangegeven Ziektewetuitkering behandeld als inkomen uit vroegere dienstbetrekking.
Beoordeling door de rechtbank
Vooraf
6. Belanghebbende is niet verschenen op de zitting. Belanghebbende procedeert digitaal (via Digitale Toegang) bij de rechtbank. De rechtbank heeft belanghebbende op 17 maart 2026 via Digitale Toegang onder vermelding van tijd en plaats uitgenodigd voor de mondelinge behandeling op 24 april 2026. De rechtbank heeft op 17 maart 2026 om 9.40 uur een geautomatiseerd notificatiebericht gestuurd aan het opgegeven e-mailadres met daarin de mededeling dat de uitnodiging voor de zitting is geplaatst in het digitale dossier. Belanghebbende heeft de uitnodiging voor de zitting aldus op 17 maart 2026 ontvangen, dan wel wordt geacht die toen te hebben ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op de juiste wijze en tijdig is aangeboden en dat de zaak daarom op de zitting kon worden behandeld.
7. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2023 niet te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
8. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag IB/PVV 2023 niet te hoog is vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Behoort de ziektewetuitkering tot het belastbaar inkomen in 2023?
9. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat haar belastbaar inkomen in 2023 lager moet zijn en dat de bedragen van € 964,16 en € 17.500,94 onbelast zijn. Die bedragen betreffen de Ziektewetuitkering voor de jaren 2021 en 2022 en behoren volgens belanghebbende niet tot het loon. Ze verwijst daarbij naar artikel 11, eerste lid, onderdeel e van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964).
10. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de Ziektewetuitkering die belanghebbende in 2023 heeft ontvangen, geheel belast is in 2023. Ook het deel dat betrekking heeft op de jaren 2021 en 2022. Op grond van artikel 3.100, eerste lid, onderdeel a, in samenhang met artikel 3.101, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), wordt een periodieke uitkering die wordt ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling namelijk tot het belastbare inkomen uit werk en woning gerekend. Hieronder valt dus ook de Ziektewetuitkering.
11. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 3.81 van de Wet IB 2001 wordt, voor zover hier van belang, onder loon verstaan het loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting. Hoofdregel in artikel 10, eerste lid, van de Wet LB 1964 is dat al hetgeen uit een dienstbetrekking genoten wordt, loon is. Ter aanvulling op deze hoofdregel is in artikel 10, tweede lid, van de Wet LB 1964 opgenomen dat aanspraken eveneens tot het loon behoren. Voorbeelden van dergelijke aanspraken zijn die op grond van de werknemersverzekeringen, zoals de Ziektewet of de Werkloosheidswet. Omdat het belastbaar stellen van zo’n aanspraak zou betekenen dat deze al bij de toezegging belast moet worden, ondanks dat de uit de aanspraak voortvloeiende uitkering pas later wordt genoten, geldt voor deze aanspraken de zogenaamde omkeerregel: ze zijn pas belastbaar op het moment dat daadwerkelijk de uitkering wordt ontvangen. Artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de Wet LB 1964 bepaalt daarom dat deze aanspraken niet tot het loon behoren.
12. In het geval van belanghebbende heeft de aanspraak op grond van de Ziektewet tot een uitkering geleid. Dat betekent dat deze Ziektewetuitkering belast is in het jaar waarin de uitkering is ontvangen. Omdat de Ziektewetuitkering in 2023 is ontvangen en daarmee genoten, behoort deze tot het belastbare inkomen van 2023. Dat een deel ervan betrekking heeft op 2022 maakt geen verschil. Het beroep van belanghebbende slaagt dus niet.
13. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat aanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier.
Uitgesproken op 5 juni 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.