RECHTBANK GELDERLAND
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
26 mei 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
de burgemeester van de gemeente Heumen
Zitting
Beslissing
Inleiding
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/2136 en 26/2137
en
(gemachtigde: W.P.M. Kersten).
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de burgemeester.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de voorzieningenrechter hierna.
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 25 maart 2026 en draagt de burgemeester op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- schorst bij wijze van voorlopige voorziening op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb het primaire besluit van 2 december 2025 tot zes weken na bekendmaking van de nieuwe beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 400,- (2 x € 200,-) aan eiser moet vergoeden.
1. Deze uitspraak gaat over het besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang. De burgemeester heeft besloten om opslagruimte [nummer] van het pand aan de [locatie] in [plaats] te sluiten voor de duur van één jaar. Bij beslissing op bezwaar van 25 maart 2026 is het besluit in stand gelaten. Eiser heeft beroep ingesteld en verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen. Hij voert een aantal gronden aan.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiser daartegen.
Procesverloop
2. Eiser is eigenaar van het pand aan de [locatie] in [plaats]. In dit pand verhuurt hij zeven opslagruimten. Eiser heeft opslagruimte [nummer] verhuurd aan
[persoon A].
Op 14 oktober 2025 hebben de douane en de politie het pand gecontroleerd. Tijdens deze controle is een overtreding van de Opiumwet in opslagruimte [nummer] geconstateerd. Uit de ontvangen politierapportage blijkt onder andere het volgende:
in het pand (in opslagruimte nummer [nummer]) is 3,45 kilogram hasj aangetroffen, verborgen in twee verfbussen;
er was een geprepareerde auto met een verborgen ruimte aanwezig;
er was een geprepareerde ruimte lijkend op een aggregaat aanwezig.
Bij besluit van 2 december 2025 heeft de burgemeester eiser een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat opslagruimte [nummer] met ingang van 18 december 2025 voor de duur van één jaar zal worden gesloten.
De voorzieningenrechter heeft op 24 december 2025 het besluit van 2 december 2025 geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
Bij beslissing op bezwaar (bestreden besluit) van 25 maart 2026 heeft de burgemeester het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit aangevuld met een nadere motivering. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Toetsingskader
3. Uit artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, volgt dat de burgemeester bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of
een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat
daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a
voorhanden is.
Op grond van deze bevoegdheid is de beleidsregel “Drugsbeleid gemeente Heumen 2019” vastgesteld door de burgemeester van de gemeente Heumen.
Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting van de opslagruimte over te gaan?
4. Niet in geschil is dat de burgemeester gebruik mag maken van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 13b van de Opiumwet opslagruimte [nummer] te sluiten.
Heeft de burgemeester gehandeld in overeenstemming met zijn beleidsregel?
5. De burgemeester hanteert beleid bij het toepassen van zijn bevoegdheden op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Het gaat hier om een eerste overtreding door verzoeker. Uit de handhavingsmatrix lokalen bij dit beleid blijkt dat bij een eerste overtreding een sluiting van één jaar volgt. Niet in geschil is dat de opgelegde termijn van één jaar binnen dit beleid past.
Is de sluiting voor de duur van één jaar evenredig?
6. Als de burgemeester gebruik wil maken van de bevoegdheid om een pand op grond van de Opiumwet te sluiten, geldt daarvoor het beoordelings- en toetsingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dat kader is onder meer beschreven in de uitspraak van 16 juli 2025. Hierbij moet beoordeeld worden of sluiting in het concrete geval geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. Hoewel die uitspraak gaat over sluiting van woningen, gelden dezelfde uitgangspunten, waar van toepassing, ook voor lokalen, zoals bedrijfsruimten.
Is sluiting van de opslagruimte noodzakelijk?
7. Bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting wordt beoordeeld of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding wordt beoordeeld of sluiting van een pand noodzakelijk is voor de bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Voor de beoordeling van de ernst en omvang van de overtreding is van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. Met een sluiting wordt de bekendheid van het pand als drugspand weggenomen en wordt de ‘loop’ naar het pand eruit gehaald. Daarmee wordt beoogd om het pand aan het drugscircuit te onttrekken. Dat drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit het pand. Als er geen of weinig aanwijzingen zijn dat in of vanuit het pand drugs werden verhandeld, dan moet de burgemeester - als deze zich op het standpunt stelt dat van dergelijke handel wél sprake was - nader onderbouwen waarom dat het geval was. Slaagt de burgemeester hierin niet of onvoldoende, dan zal er doorgaans een mindere mate van of geen overlast zijn in de omgeving van het pand en wordt de openbare orde in mindere mate of niet verstoord.
Als niet alleen aanwijzingen dat drugs in of vanuit het pand werden verhandeld afwezig zijn, maar ook andere omstandigheden ontbreken die volgens de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019 bij de beoordeling van de noodzaak van de sluiting van belang zijn, zoals de omstandigheid dat het gaat om harddrugs, een recidivesituatie en de ligging van een pand in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk, kan dit er toe leiden dat er geen noodzaak bestaat om het pand te sluiten.
8. Eiser voert aan dat de noodzaak voor sluiting van de opslagruimte ontbreekt. Hij stelt dat er geen sprake is geweest van overlast of aanloop. Daarnaast heeft hij de huurovereenkomst met de betrokken huurder direct opgezegd, is de drugs verwijderd en is er is geen sprake van herhaling. Eiser stelt dat hij voldoende toezicht heeft gehouden op de opslagruimte door regelmatige controles en cameratoezicht. Bovendien heeft het bedrijf van eiser direct toezicht op de ingang van het pand. Het feit dat de douane en de politie een dag bezig zijn geweest met de doorzoeking van de opslagruimte toont aan dat de drugs goed verstopt zat en dat het eiser niet kan worden verweten dat hij de drugs niet heeft ontdekt.
9. De burgemeester stelt dat sluiting van de opslagruimte wel noodzakelijk is. De omstandigheden zijn zodanig dat duidelijk is dat er sprake is van handel in drugs met
mogelijk een grensoverschrijdend effect. Dit blijkt uit de volgende feiten:
- de hoeveelheid drugs;
- de auto met daarin de geprepareerde verborgen ruimte;
- de geprepareerde ruimte lijkend op een aggregaat;
- de betrokkenheid van de douane die iemand (elders) in het land heeft aangehouden;
- de door de douane aangehouden persoon heeft de douane op het spoor van de loods van eiser gebracht, in het “circuit” heeft de loods dus bekendheid als onderdeel van de handelsketen van drugs.
Het feit dat de locatie bekend is binnen het circuit toont aan dat het een schakel is in de keten van drugshandel. Het is noodzakelijk om het pand voor de duur van één jaar te sluiten om daarmee de bekendheid van de opslagruimte als onderdeel van de keten weg te nemen. Dat er eerder geen loop of overlast is waargenomen doet geen afbreuk aan de noodzaak om het pand te sluiten. De openbare orde is reeds verstoord door de handelshoeveelheid drugs. Er is sprake van concrete handelingen (opslag, transport) en voorwerpen (auto met verborgen ruimte). Het gegeven dat hier sprake is van enige “professionaliteit” maakt de noodzaak om het pand te onttrekken aan het circuit/de handelsketen nog groter. Bovendien heeft eiser onvoldoende toezicht gehouden.
10. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Gelet op de hoeveelheid aangetroffen drugs kan worden gesproken van een handelshoeveelheid. Uit de overgelegde stukken, waaronder de bestuurlijke rapportage, en hetgeen op zitting is besproken blijkt echter niet van concrete aanwijzingen voor handel van drugs vanuit opslagruimte [nummer], loop naar deze opslagruimte of overlastmeldingen. Omdat niet bekend is wie de persoon is die de douane op het spoor van de loods heeft gebracht kan niet met zekerheid geconcludeerd worden dat de loods bekend is in het ‘circuit’. Ook gaat het niet om harddrugs of een kwetsbare wijk. Evenmin is er sprake van relevante antecedenten aan de zijde van eiser. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester onvoldoende onderbouwd dat sluiting van opslagruimte [nummer] noodzakelijk is om de bekendheid van de opslagruimte als drugspand weg te nemen, voor de bescherming van het woon- en leefklimaat en herstel van de openbare orde.
11. Omdat de noodzaak voor sluiting van de opslagruimte onvoldoende is onderbouwd en het beroep daarom gegrond verklaard wordt, komt de voorzieningenrechter niet meer toe aan behandeling van de overige gronden van eiser.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit.
De voorzieningenrechter ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De voorzieningenrechter bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de burgemeester een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De voorzieningenrechter ziet verder aanleiding om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb de voorlopige voorziening te treffen dat het primaire besluit van 2 december 2025 wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van de nieuwe beslissing op bezwaar.
Omdat het beroep gegrond is moet de burgemeester het griffierecht (inzake het beroep en de voorlopige voorziening, derhalve 2 x € 200,-) aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026 door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.