RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/148951-25
Datum uitspraak : 5 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1971 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. R. Stam, advocaat in Doetinchem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 9 mei 2025 te Duiven als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Opel), daarmee rijdende op de weg, de A12, roekeloos, althans zeer dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
- in de aanrijroute naar de A12 niet de oprit, maar - tegen de richting in - de afrit op te rijden en/of terecht is gekomen op de rijstroken voor het tegemoetkomende verkeer en/of
- gedurende (ongeveer) 9 kilometer heeft spookgereden en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen een tegemoetkomende personenauto (merk Skoda) ten gevolge waarvan of mede waardoor deze Skoda is gaan tollen en in aanrijding is gekomen met een andere personenauto (merk Ford), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan anderen:
- [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of
- [slachtoffer 2] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,
terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 mei 2025 te Duiven als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Opel), daarmee rijdende op de weg, de A12, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994,
- in de aanrijroute naar de A12 niet de oprit, maar - tegen de richting in - de afrit op te rijden en/of terecht is gekomen op de rijstroken voor het tegemoetkomende verkeer en/of
- gedurende (ongeveer) 9 kilometer heeft spookgereden en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen een tegemoetkomende personenauto (merk Skoda) ten gevolge waarvan of mede waardoor deze Skoda is gaan tollen en in aanrijding is gekomen met een andere personenauto (merk Ford),
en aldus in strijd met het in artikel 5a van de WVW94 gestelde verbod, zich opzettelijk zodanig in het verkeer heeft gedragen dat voormelde verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, waardoor daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 mei 2025 te Duiven als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Opel), daarmee rijdende op de weg, de A12,
- in de aanrijroute naar de A12 niet de oprit, maar - tegen de richting in - de afrit op te rijden en/of terecht is gekomen op de rijstroken voor het tegemoetkomende verkeer en/of
- gedurende (ongeveer) 9 kilometer heeft spookgereden en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen een tegemoetkomende personenauto (merk Skoda) ten gevolge waarvan of mede waardoor deze Skoda is gaan tollen en in aanrijding is gekomen met een andere personenauto (merk Ford),
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2.
hij op of omstreeks 9 mei 2025 te Duiven, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,33 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 mei 2025 te Duiven als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 60;
- een geschrift, te weten medische informatie over [slachtoffer 1] , p. 68;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 75-76;
- het proces-verbaal FO Verkeer, p. 128;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 2 (aanvullend);
- het rapport van het Maasstadziekenhuis, p. 8-9 (aanvullend);
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 mei 2026.
De mate van schuld van verdachte
Om vast te kunnen stellen dat het verkeersgedrag van verdachte voldoet aan de delictsomschrijving van artikel 5a, eerste lid, WVW, moet de rechtbank beoordelen of verdachte met het verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
ad a en b) schending van de verkeersregels in ernstige mate - Verdachte heeft op een snelweg ongeveer 9 kilometer lang tegen de verkeersrichting ingereden. Tegen de verkeersrichting inrijden wordt in artikel 5a WVW uitdrukkelijk genoemd als voorbeeld van het schenden van de verkeersregels.
- Daarbij komt dat verdachte onder invloed was van 1.33 milligram alcohol per milliliter bloed, bijna drie keer zoveel alcohol als toegestaan. Hij verkeerde dus in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de WVW 1994.
Verdachte heeft hierdoor de verkeersregels geschonden en in ernstige mate.
Ad c) opzet
Verdachte wist uiteraard dat hij aan het ‘spookrijden’ was. Dat heeft hij ook verklaard. Hij heeft er (volgens zijn eigen verklaring) niet bewust voor gekozen om de verkeerde rijbaan op te rijden, maar heeft dat wel gedurende negen minuten voortgezet. Het gaat hier om bewuste acties die niet anders dan opzettelijk kunnen zijn verricht. Verdachte heeft daarmee zowel opzet gehad op het schenden van de verkeersregels, als op de ernstige mate van schending daarvan.
Ad d) gevaar te duchtenDe rechtbank is van oordeel dat het voorzienbaar is dat er zwaar lichamelijk letsel kan ontstaan of mensen zelfs kunnen overlijden wanneer iemand, die onder invloed is van veel te veel alcohol, over een afstand van ongeveer negen kilometer tegen de verkeersrichting inrijdt op een snelweg. De rechtbank acht dan ook bewezen dat er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van andere weggebruikers te duchten was.
Conclusie
De rechtbank merkt het verkeersgedrag van verdachte aan als roekeloos rijgedrag zoals omschreven in artikel 5a WVW 1994.
De kwalificatie van het letsel van aangevers
Door het ongeval heeft aangeefster [slachtoffer 1] haar linkerbeen gebroken. Hiervoor moest zij worden geopereerd. Ook was haar milt gescheurd. De rechtbank merkt dit letsel, gelet op de aard en de gevolgen daarvan zoals uit de bewijsmiddelen naar voren komt, naar gewoon spraakgebruik aan als zwaar lichamelijk letsel.
Als gevolg van het ongeval heeft aangever [slachtoffer 2] een gebroken rechterpols, nek- en rugklachten opgelopen. Daarnaast heeft hij last van hoofdpijn en concentratieproblemen. Hierdoor kan hij tot op heden zijn werk als vestigingsleider niet meer (volledig) uitoefenen.
De rechtbank is van oordeel dat dit letsel moet worden aangemerkt als zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Conclusie
De rechtbank acht het onder 1 en onder 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. primair
hij op of omstreeks 9 mei 2025 te Duiven als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Opel), daarmee rijdende op de weg, de A12, roekeloos, althans zeer dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
- in de aanrijroute naar de A12 niet de oprit, maar - tegen de richting in - de afrit op te rijden en/of terecht is gekomen op de rijstroken voor het tegemoetkomende verkeer en/of
- gedurende (ongeveer) 9 kilometer heeft spookgereden en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen een tegemoetkomende personenauto (merk Skoda) ten gevolge waarvan of mede waardoor deze Skoda is gaan tollen en in aanrijding is gekomen met een andere personenauto (merk Ford), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan anderen:
- [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of
- [slachtoffer 2] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,
terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;
2. primair
hij op of omstreeks 9 mei 2025 te Duiven, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,33 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
eendaadse samenloop van
feit 1 primair:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor anderen lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van deze wet
en
feit 2 primair:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (1.33 milligram alcohol per milliliter bloed).
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot:
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar een taakstraf op te leggen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan roekeloos rijgedrag door ongeveer negen kilometer lang tegen het verkeer in te rijden op de snelweg. Verdachte bleef daarbij stug door rijden met ongeveer 100 kilometer per uur en heeft geen enkele actie ondernomen om deze gevaarlijke situatie te beëindigen. Hij zei dat hij geen kant op kon, maar uit het dossier blijkt dat de rijstrook waar hij reed aan de ene kant werd begrensd door een vangrail ter afscheiding van het verkeer in de andere richting, maar aan de andere kant werd omzoomd door een vluchtstrook en/of grasveld of weiland en een sloot. Hij had dus een einde kunnen maken aan de levensgevaarlijke situatie door dat grasland op te rijden. Dat heeft hij echter niet gedaan. Hij is doorgegaan tot het ongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte was ook nog eens onder invloed van alcohol, te weten 1.33 milligram alcohol per milliliter bloed, bijna drie keer zoveel als toegestaan. Dit verwijt wordt extra zwaar aangezet doordat hij de flesjes Jägermeister onderweg heeft gekocht en meteen heeft leeg gedronken, achter het stuur. Wellicht zelfs tijdens het rijden.
Verdachte heeft een ernstige verkeersovertreding begaan onder invloed van een forse hoeveelheid alcohol. Daarmee heeft hij de overige weggebruikers in gevaar gebracht en letsel toegebracht aan meerdere personen. Uit de schriftelijke verklaringen van de slachtoffers blijkt dat het handelen van verdachte tot de dag van vandaag grote impact op hen heeft. Dit rekent de rechtbank verdachte aan. Dat de gevolgen niet ernstiger zijn, is enkel aan geluk en het handelen van de overige weggebruikers te danken.
De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
Reclassering Nederland heeft op 8 mei 2026 een advies over verdachte uitgebracht. Volgens de reclassering hebben diverse life events eraan bijgedragen dat verdachte is overgegaan tot het delictgedrag. Daarom heeft de reclassering zorgen over de copingvaardigheden van verdachte. Verdachte was tijdens de delicten onder invloed van alcohol. Verder was hij eerder abstinent, maar heeft hij een terugval gehad. De reclassering ziet zorgen over de psychische belastbaarheid van verdachte en een mogelijke terugval in zijn middelengebruik. Er komen in de toekomst ongetwijfeld nieuwe life events op zijn pad, de reclassering voorziet dat hij mogelijk niet met tegenslag om zal kunnen gaan, wat een mogelijk risico op toekomst delictgedrag oplevert. Daarom ziet de reclassering het psychosociaal functioneren en het middelengebruik van verdachte als direct delictgerelateerd en als risicofactor voor toekomstig delictgedrag. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden de meldplicht, een ambulante behandelverplichting en middelencontrole.
Conclusie
Verdachte heeft op 20 mei 2026 een strafbeschikking gehad voor rijden onder invloed op 27 april 2026. Dit is weliswaar gebeurd na het onderhavige feit, maar het onderstreept de zorgen die er zijn omtrent verdachte. Zelfs na de ellende die hij heeft aangericht op 9 mei 2025, lukt het hem niet om van de drank af te blijven als hij een auto gaat besturen. Hierop kan slechts een stevige reactie volgen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat alleen een langdurige gevangenisstraf recht doet aan de ernst van de feiten. De rechtbank beseft dat verdachte hierdoor zijn werk en zijn woning zal verliezen, maar vindt alleen deze strafmodaliteit passend. Het is daarnaast ook van belang dat verdachte behandeld wordt, zodat het risico op herhaling wordt teruggedrongen. Daarom zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen, met daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Tot slot zal de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen.
De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Ook legt de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid op van 36 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de WVW 1994.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en
- 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het telefoonnummer 088-8041404;
- verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een nader door de reclassering te bepalen zorgverlener, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het aanleren van gezonde copingvaardigheden en, indien nodig, het aanpakken van middelengebruik. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
- verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
ontzegt verdachte ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 36 maanden met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest.