uitspraak van de voorzieningenrechter van
[verzoekster], uit [plaats], verzoekster
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van verweerder van 14 april 2026, waarin is besloten de loongerelateerde WGA-uitkering per 24 juni 2026 om te zetten in een lagere WGA-vervolguitkering. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening bij deze rechtbank ingediend. Daarnaast heeft verzoekster aanvullende stukken ter onderbouwing van haar verzoek ingediend.
2. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:83, derde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) in een aantal gevallen uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter vindt in deze zaak een zitting niet nodig, omdat het verzoek kennelijk ongegrond is. Hij legt dat hieronder verder uit.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
Verzoekster stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Met ingang van 24 juni 2026 wordt de loongerelateerde WGA-uitkering omgezet in een lagere WGA-vervolguitkering. Het maandelijkse bruto-inkomen van verzoekster daalt van € 3.261,32 naar € 1.164,41. Dit is een acute, ingrijpende en onomkeerbare inkomensdaling. Verzoekster kan haar maandelijkse vaste lasten niet meer betalen.
De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Verweerder stelt onder meer dat verzoekster een toeslag op haar WIA-uitkering kan aanvragen danwel een (aanvullende) Participatiewet-uitkering.
Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verzoekster een aanvraag voor een van deze uitkeringen heeft ingediend. Evenmin heeft verzoekster aannemelijk gemaakt dat zij niet voor deze (aanvullende) uitkeringen in aanmerking komt. Gelet hierop is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat verzoekster het spoedeisende belang bij het treffen van een voorlopige voorziening onvoldoende heeft onderbouwd en dat zij de beslissing op bezwaar kan afwachten.
Conclusie en gevolgen
4. Nu een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening ontbreekt, wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: