ECLI:NL:RBGEL:2026:4566

ECLI:NL:RBGEL:2026:4566

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 10-06-2026
Datum publicatie 10-06-2026
Zaaknummer 031715-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Veroordeling tot tbs dwang en een gevangenisstraf van 24 maanden voor onder andere poging doodslag, poging zware mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Door de aard en intensiteit waarmee verdachte de keel van het slachtoffer heeft dichtgeknepen kan naar de uiterlijke verschijningsvorm voorwaardelijk opzet op de dood worden aangenomen. De rechtbank overweegt dat het algeheel aan letsels, waaronder meerdere ribfracturen, kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Door de manier waarop dit feit ten laste is gelegd, namelijk middels het enkel opnemen van handelingen gericht op hoofd en gezicht, kan de rechtbank dit feit echter niet bewijzen. Immers kan de rechtbank niet vaststellen door welke handeling welk letsel precies is ontstaan. Zij komt daarom tot een poging zware mishandeling. Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar. Op basis van de adviezen van deskundigen komt de rechtbank tot oplegging van een tbs maatregel met dwangverpleging. Ook wordt aan verdachte een gevangenisstraf van 24 maanden en de 38z Sr maatregel opgelegd. Uitgebreide betwisting van de vordering benadeelde partij opgenomen. Verdachte moet een schadevergoeding betalen aan het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05.031715.25

Datum uitspraak : 10 juni 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1974 in [geboorteplaats] , wonende aan het [adres] , [postcode] in [woonplaats] ,

op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfsplaats] .

Raadsman: mr. R. van Maaren, advocaat in Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de nacht van 29 op 30 januari 2025 te Nijmegen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,

een knie op de schouder en/of de nek/hals van die [slachtoffer] heeft gezet en zijn volle gewicht op haar lichaam heeft gedrukt en/of die [slachtoffer] bij de keel en/of de nek en/of de hals(streek) heeft vastgepakt en/of heeft vastgehouden en/of haar keel heeft dichtgedrukt en/of heeft dichtgedrukt gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de nacht van 29 op 30 januari 2025 te Nijmegen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een knie op de schouder en/of de nek/hals van die [slachtoffer] heeft gezet en zijn

volle gewicht op haar lichaam heeft gedrukt en/of die [slachtoffer] bij de keel en/of de nek en/of de hals(streek) heeft vastgepakt en/of heeft vastgehouden en/of haar keel heeft dichtgedrukt en/of heeft dichtgedrukt gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 30 januari 2025 te Nijmegen, aan een ander, te weten [slachtoffer] ,

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer] voornoemd langdurig en met kracht te mishandelen door haar meermalen met kracht in het gezicht en/of tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of door zijn vingers diep in de oren van die [slachtoffer] te duwen/drukken en/of door met kracht aan haar haren te trekken en/of door haar aan haar haren over de grond te sleuren;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 januari 2025 te Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] langdurig en met kracht heeft mishandeld, door haar meermalen met kracht in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of door met beide handen op de borstkas van die [slachtoffer] te drukken/duwen en/of door zijn vingers met kracht op haar oogballen te duwen/drukken en/of door zijn vingers diep in de neus en/of in de oren van die [slachtoffer] te duwen/drukken en/of door met kracht aan

haar haren te trekken en/of door haar aan haar haren over de grond te sleuren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 januari 2025 te Nijmegen, [slachtoffer] heeft mishandeld door haar meermalen met kracht in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of door met beide handen op de borstkas van die [slachtoffer] te drukken/duwen en/of door zijn vingers met kracht op haar oogballen te duwen/drukken en/of door zijn vingers diep in de neus en/of in de oren van die [slachtoffer] te duwen/drukken en/of door met kracht aan haar haren te trekken en/of door haar aan haar haren over de grond te sleuren;

3.

hij in of omstreeks de nacht van 29 op 30 januari 2025 te Nijmegen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met verkrachting, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga je ogen uitprikken" en/of "ik ga je verkrachten" en/of "ik ga je vermoorden" en/of "ik ga jou in elkaar rammen" en/of "als je de politie belt kom je hier niet levend weg" en/of "ik sla je dood" en/of "ik ga je harder slaan als je schreeuwt" en/of "ik ga je ogen uitpuilen" en/of "ik ga je halsslagaders dichtmaken of afdichten", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij in of omstreeks de nacht van 29 op 30 januari 2025 te Nijmegen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd heeft gehouden, immers heeft hij, verdachte, meermalen tegen haar gezegd dat zij de woning niet mocht verlaten en/of de deur van de woning afgesloten en/of de toegang tot de deur van de woning voor die [slachtoffer] geblokkeerd door voor die deur te gaan staan en haar te beletten die deur te openen en/of door op haar (schoot) te gaan zitten waardoor zij niet weg kon en/of door geweld tegen haar te gebruiken door haar (meermalen) te slaan/stompen/duwen en/of aan haar haren naar binnen te sleuren toen zij probeerde de woning via de tuin te verlaten.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging doodslag door met zijn knie op de borstkas van het slachtoffer, [slachtoffer] (hierna: ‘ [slachtoffer] ’) te zitten en met beide handen de keel dicht te drukken (feit 1, primair). Verder heeft de officier van justitie gesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een zware mishandeling door meermaals tegen het hoofd van [slachtoffer] te slaan, haar aan de haren over de grond te trekken en door zijn (verdachtes) vingers diep in haar oren te drukken (feit 2, primair). Daartoe is aangevoerd dat [slachtoffer] langdurig en ernstig door verdachte is mishandeld. Als gevolg hiervan heeft zij zwaar lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van hersenkneuzingen en ernstiger tinnitusklachten dan zij voor het incident had.

Voor wat betreft de tenlastegelegde bedreigingen (feit 3) stelt de officier van justitie dat moet worden uitgegaan van de verklaring van [slachtoffer] . Alle geweldshandelingen die zijn toegepast en alle overige omstandigheden die uit het dossier blijken, ondersteunen de verklaringen van [slachtoffer] op dit punt. Dit feit kan dus ook wettig en overtuigend worden bewezen.

De officier van justitie heeft ten slotte gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] door haar te beletten weg te gaan, op haar schoot te gaan zitten, geweld te gebruiken, haar doorgang te blokkeren en haar aan de haren terug het huis in te sleuren (feit 4).

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging doodslag dan wel aan een zware mishandeling (feit 1). Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer] niet wordt ondersteund door objectieve bewijsmiddelen in het dossier. Er is onvoldoende wettig, en -door de door de verdediging genoemde contra-indicaties- zeker geen overtuigend bewijs voorhanden waaruit kan worden geconcludeerd dat verdachte aangeefster met zijn volle gewicht en/of met kracht heeft geprobeerd te verwurgen.

Ten aanzien van feit 2 stelt de verdediging dat verdachte moet worden vrijgesproken van de aan hem tenlastegelegde (poging tot) zware mishandeling (feit 2, primair en subsidiair). Daartoe is aangevoerd dat het handelen van verdachte niet heeft geleid tot zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] . De verdediging meent dat bij de afwezigheid van traumatische letsels in de oogbollen en met -in de kern- enkele kneuzingen en schrammen als letsels, de handelingen die wat de verdediging betreft kunnen worden bewezen verklaard (in het kader van de tenlastelegging gaat het dan om het duwen op de borstkas, het drukken op de oogballen en het trekken aan haren; buiten het bestek van de verfeitelijking van de tenlastelegging valt dan nog het in een worsteling zijn met aangeefster te noemen) niet kunnen worden gekwalificeerd onder het subsidiaire; poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De onder feit 2, meer subsidiair, tenlastegelegde mishandeling kan wel worden bewezen.

De raadsman heeft bepleit dat er geen bewijs is dat verdachte [slachtoffer] heeft bedreigd omdat er geen ondersteuning voor haar verklaring is in het dossier, zodat hij van feit 3 moet worden vrijgesproken.

Datzelfde geldt voor feit 4: er is onvoldoende wettig bewijs dat verdachte [slachtoffer] wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd (feit 4). Het dossier bevat geen concrete elementen die de verklaring van [slachtoffer] op dit punt ondersteunen.

Beoordeling door de rechtbank

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte en aangeefster ( [slachtoffer] .) [slachtoffer] hebben elkaar leren kennen in mei 2024 en kregen kort daarna een relatie. De relatie is beëindigd in november 2024. Op 29 januari 2025 is [slachtoffer] afgereisd naar de woning van verdachte waarna zij samen naar het centrum van Nijmegen zijn gegaan. Daar hebben zij wat gegeten en gedronken. Vervolgens zijn ze teruggekeerd naar de woning van verdachte.

Verklaring [slachtoffer]

In de nacht van 29 januari 2025 op 30 januari 2025 was [slachtoffer] samen met verdachte in zijn woning in Nijmegen. Verdachte stelde haar vragen over waar zij was geweest tijdens oudjaar en wilde per se antwoorden van haar hebben. [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte steeds bozer, dwingender en feller tegen haar werd en dat hij veel vragen stelde. Toen ze op de badkamer waren, duwde verdachte [slachtoffer] tegen de muur aan. Hij duwde met zijn hand tegen haar borst. [slachtoffer] is de badkamer uitgelopen en naar de slaapkamer gelopen. Verdachte stond bij de deuropening en wilde haar er niet door laten. Zij heeft op meerdere manieren geprobeerd hem te passeren. Zij heeft meerdere keren gezegd dat ze er door wilde en dat hij haar er langs moest laten. Ook heeft ze nog gezegd dat ze de politie zou bellen. Zij hoorde verdachte toen zeggen: “als je dat doet, kom je hier niet levend weg’. Verdachte keek haar heel indringend aan. [slachtoffer] wilde weg, zij wilde het liefste naar huis. Ze wilde naar de voordeur gaan, maar verdachte stond daar. Zij ging naar de woonkamer, verdachte kwam daar ook heen. Terwijl [slachtoffer] op de bank zat, ging verdachte op haar zitten met zijn benen aan weerszijden van haar lichaam. Hij zat heel stevig op haar, echt met de bedoeling dat zij geen kant op kon. [slachtoffer] vond dat heel beangstigend en wilde weg. Verdachte werd agressief en begon =weer met ondervragen, met name over oudjaarsavond. Hij wilde alles weten, anders liet hij [slachtoffer] niet gaan. Verdachte heeft haar vervolgens met vlakke hand tegen haar gezicht geslagen, met zijn andere hand sloeg hij tegen de andere kant van haar gezicht. Dit deed hij in totaal vier keer. Vervolgens ging hij met zijn vuist in haar gezicht stompen, ook dit heeft hij vier keer gedaan. [slachtoffer] heeft haar handen voor haar gezicht gehouden om zichzelf te beschermen. Op dat moment stompte hij haar meerdere keren in haar buik. [slachtoffer] is op dat moment gaan roepen en gillen: “Hou op, stop, laat me los”. [slachtoffer] probeerde zich los te worstelen, maar dit lukte haar niet. Verdachte ging nog meer op haar zitten. Verdachte zei tegen haar “Jij blijft hier. Jij gaat de waarheid vertellen.” [slachtoffer] probeerde verdachte aan de kant te krijgen, maar dit lukte haar niet.

Op enig moment is het [slachtoffer] toch gelukt verdachte van haar af te krijgen. Zij stond op en liep naar de voordeur, ze wilde weg. Verdachte duwde haar richting een matras dat in de woonkamer op de grond lag. Hij deed dit door met zijn hand tegen de linkerzijde van het hoofd van [slachtoffer] te duwen. [slachtoffer] raakte uit balans en viel met de zijkant van haar lichaam op het matras. Verdachte ging weer op haar zitten, terwijl zij met haar rug op het matras lag. [slachtoffer] voelde en zag dat verdachte haar keel dicht kneep. [slachtoffer] kreeg hierdoor haast geen lucht. Zij is weer gaan worstelen om zichzelf te kunnen bevrijden. Zij kwam met haar zij op het matras te liggen. Verdachte lag met zijn gewicht om haar schouders/nek. [slachtoffer] zag en voelde dat verdachte met zijn knie op haar nek drukte en zij voelde ook dat haar keel werd dichtgeknepen. Zij moest echt naar lucht happen. Haar gehele gezicht werd in de matras geduwd en zij moest echt vechten om adem te kunnen happen. [slachtoffer] heeft zich wederom los proberen te rukken. Zij is naar de voordeur gerend, maar die was afgesloten en de sleutel was uit het slot. Verdachte ging ook nog voor de deur staan. [slachtoffer] zei tegen verdachte dat hij haar eruit moest laten, maar verdachte zei dat [slachtoffer] nergens heen mocht. [slachtoffer] heeft zichzelf toen opgesloten op de wc. Verdachte bleef voor de wc-deur staan.

Toen zij weer uit de wc kwam, heeft [slachtoffer] verdachte nogmaals gesmeekt om haar te laten gaan. Dit deed hij niet. Verdachte werd nog agressiever en kwader. Hij duwde [slachtoffer] weer naar de grond en hij heeft haar hoofd tegen de vloer gedrukt. [slachtoffer] moest weer naar lucht happen en dacht dat zij dit niet ging overleven. Verdachte heeft haar hoofd meerdere keren tegen de prullenbak geduwd. Verdachte zat vervolgens weer bovenop haar en hij heeft met zijn rechtervinger hard in haar rechteroog gedrukt, dit duurde ongeveer 12 tot 15 seconden. Met een vinger prikte hij meerdere keren in haar andere oog. Telkens als [slachtoffer] haar hoofd wegdraaide, kwam er een vinger in het andere oog. Terwijl zij haar gezicht bedekte met haar handen voelde zij een hevige pijn in haar oor. Zij denkt dat verdachte met zijn vingers in haar oren prikte. Verdachte heeft ook met zijn vingers in haar neusgaten geprikt.

Ook uit deze zeer benarde positie is [slachtoffer] ontsnapt. Zij wilde vervolgens via de tuindeur naar buiten vluchten. Zij heeft de deur opengemaakt en probeerde te vluchten. Toen zij half in de struiken stond voelde zij dat verdachte aan haar haren trok en haar terug naar binnen trok. [slachtoffer] viel hierdoor naar achteren en op de grond. Verdachte bleef hard aan haar haren trekken en [slachtoffer] is gaan gillen en schreeuwen om hulp. De bovenbuurman kwam naar buiten en hij zei “ik bel 112.” Verdachte ging door en sleepte [slachtoffer] aan haar haren over de grond naar binnen toe. Hij sleepte haar hard over de keukenvloer. Aldaar heeft hij haar weer naar de grond gedrukt, haar keel dichtgeknepen en ook weer in haar ogen geprikt. Ook heeft ze meerdere keren gezegd: “maak me niet dood”. Dit maakte weinig uit, het geweld stopte niet. Op het moment dat de politie hard op de deur bonkte en zich als zodanig kenbaar maakte, bleef verdachte nog op haar zitten. Het geweld stopte niet op het moment dat de politie er was. Het stopte pas, toen de politie binnen was. De mishandeling duurde ongeveer van 00.00 uur tot 02.00 uur in de nacht.

Getuigen [getuige 1] en [getuige 2]

Getuige [getuige 1] woont boven de woning waar ruzie was. Hij heeft verklaard kreten te hebben gehoord tussen 29 januari 2025 23.00 uur en 30 januari 2025 02.30 uur. Hij hoorde een vrouwenstem en de kreten die hij hoorde waren: “Blijf van me af, doe normaal, laat me los, laat me gaan ik wil naar huis”.

Getuige [getuige 2] woont op de tweede verdieping van het appartementencomplex waar ook verdachte woont. Hij hoorde op 30 januari 2025 rond 01.00 uur dat er geschreeuw uit de woning van verdachte kwam. Hij hoorde een vrouwenstem iets roepen van: “doe me geen pijn, ik hou van jou”. [getuige 2] heeft een aantal keer aangebeld en op de deur gebonkt, maar er werd niet open gedaan. Eén uur later rond 02.00 à 03.00 uur hoorde hij weer geschreeuw en gebonk uit de woning van verdachte alsof er een worsteling gaande was. Hij hoorde paniek in de stem van de vrouw en besloot toen 112 te bellen. Op enig moment hoorde de getuige geschreeuw en is hij naar zijn balkon gegaan. Vanaf zijn balkon keek getuige zo de tuin van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) in. Hij zag toen dat twee mensen aan het vechten of worstelen waren.

Verbalisanten ter plaatse

De politie krijgt op 30 januari 2025 omstreeks 01.45 uur een melding om naar de woning van verdachte te gaan, omdat de buren een vrouw (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer]) om hulp hoorden schreeuwen vanuit die woning. Verbalisant [verbalisant 1] keek ter plaatse door een open stukje gordijn naar binnen en zag daar benen en voeten liggen op een matras dat op de grond lag. Verbalisant [verbalisant 2] hoorde dat vanuit de woning een hoop geschreeuw kwam, dit was het geluid van een vrouw. Hij zag vervolgens dat er binnen een man en een vrouw op de grond lagen en dat de vrouw een ontbloot bovenlijf had. Hij zag dat er een man op zijn knieën naast haar op de grond zat, aan haar linkerzijde. De man hield de vrouw met twee handen bij haar borstbeen en ter hoogte van haar nek vast. De verbalisant bonsde op het raam en scheen met zijn zaklamp de woning in. Hij riep luidkeels: “Politie, maak de deur open”. De man keek niet op en maakte geen aanstalten om de vrouw los te laten, maar hij bleef haar aankijken. Verbalisant zag dat de vrouw met haar benen trappelde en los wilde komen, maar dat dit niet lukte. Hij hoorde dat de vrouw om hulp bleef schreeuwen. Opeens hoorde hij de vrouw niet meer, de man drukte nog steeds de vrouw tegen de grond aan met zijn handen bij haar nek. Verbalisant dacht op dat moment dat de man de vrouw aan het wurgen was, omdat hij geen enkele reactie meer zag en hoorde. Hij riep via de portofoon tegen zijn collega’s dat ze direct de woning in moesten gaan. Op het moment dat de collega’s de woning binnen waren getreden en er een stroomstootwapen op hem werd gericht deed de man zijn handen omhoog en liep hij in de richting van een deuropening.

De verbalisanten die als eerste ter plaatse kwamen, hoorden een vrouwenstem hard schreeuwen om hulp. Nadat verbalisant [verbalisant 3] meerdere malen op de voordeur van de woning had geklopt en zich kenbaar had gemaakt als politie, waarop niet werd gereageerd, hoorde hij een vrouw schreeuwen: “Help, help, hij vermoordt mij!”. Vervolgens hoorden zij een hoop gebonk. Verbalisant [verbalisant 3] maakte op niet mis te verstane wijze, met luide stem duidelijk dat de bewoner de deur moest openen en als hij hier niet aan voldeed, de deur door hen zou worden opengemaakt met geweld. Verbalisanten hebben de voordeur van de woning geopend met een bonk en in de woonkamer zien zij een man (dit bleek later verdachte te zijn) op een vrouw zitten, met zijn gezicht naar haar toe en elk van de benen aan een zijde van de vrouw. Direct na de aanhouding van verdachte zien verbalisanten plukken lang donkerkleurig haar op de grond en rode vlekken gelijkend op bloed op de witte deken die op het matras lag. Op het bovenlichaam van het slachtoffer, dat [slachtoffer] bleek te zijn, zien zij rode krassen ter hoogte van haar schouders, een rode vloeistof gelijkend op bloed op haar bovenlichaam en rood oogwit bij beide ogen en een bloedneus. [slachtoffer] zei direct dat verdachte met zijn vingers heel hard in haar ogen prikte en dat hij heel diep in haar oren en neus prikte met zijn vingers. Tijdens zijn aanhouding heeft verdachte verklaard: “Ja ik heb haar aangevallen ja, maar wat wil je…zij is vreemd gegaan, dan verdien je het ook vind ik.”.

Verklaring verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer] heeft tegen gehouden, tegen de grond heeft gedrukt, vingers in haar ogen heeft gedrukt en dat het zou kunnen dat hij zijn vingers in haar neus heeft gedrukt. Ook heeft hij haar vastgepakt en geduwd. Hij heeft haar ook met zijn hand in haar gezicht en ogen geduwd en aan haar arm en haren getrokken. Verdachte is bovenop [slachtoffer] gaan zitten toen zij op de grond lag. Verdachte heeft ook tegen haar geschreeuwd.

Letsel [slachtoffer]

Blijkens het geneeskundig verslag is op 30 januari 2025 door de spoedeisende hulp bij [slachtoffer] geconstateerd dat zij 4 gebroken ribben aan de rechterzijde, licht traumatisch schedel hersenletsel en blauwe plekken rondom beide ogen heeft opgelopen.

Tussenconclusie

Gelet op al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, komt de rechtbank tot de conclusie dat het dossier voldoende steunbewijs bevat voor de verklaring van [slachtoffer] . De rechtbank zal bij haar beoordeling dan ook uitgaan van haar verklaring, de daarin door haar benoemde handelingen van verdachte en de duur van het incident. Aan de hand van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, komt de rechtbank tot de volgende overwegingen.

Poging doodslag (feit 1, primair)

De rechtbank ziet zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of een poging doodslag kan worden bewezen.

Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te kunnen komen, is onder meer vereist dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten in het dossier om te kunnen vaststellen dat verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Hiervan is kort gezegd sprake als er een aanmerkelijke kans aanwezig is dat dit gevolg – de dood – zou intreden en verdachte op dat moment welbewust die kans heeft aanvaard. Of dit zo is, is naar vaste jurisprudentie afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

De rechtbank overweegt dat uit de handeling van het dichtknijpen of dichtdrukken van de keel niet zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat een aanmerkelijke kans op de dood bestond. Daarvoor is het nodig nog nadere vaststellingen te doen, bijvoorbeeld over de kracht waarmee dat dichtknijpen is gegaan, en hoe lang dat heeft geduurd.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op twee momenten de keel van [slachtoffer] heeft dichtgedrukt/-geknepen. In het eerste moment heeft verdachte de keel van [slachtoffer] dichtgeknepen en met zijn knie op haar nek gedrukt. [slachtoffer] heeft over dit moment verklaard dat zij zich uit de greep van verdachte heeft losgerukt en dat zij daarna naar de voordeur is gerend. Het dossier bevat geen nadere informatie over de duur van dit moment, noch over de kracht die verdachte hierbij heeft uitgeoefend. De verklaring van [slachtoffer] is hierover onvoldoende specifiek. Het ontbreken van deze nadere informatie, maakt dat de rechtbank niet vast kan stellen dat er een aanmerkelijke kans op de dood bestond ten aanzien van deze door verdachte gepleegde handelingen.

Ten aanzien van het tweede moment, waarbij verdachte de keel van [slachtoffer] met zijn handen heeft dichtgeknepen terwijl zij op haar rug op het matras op de grond lag, overweegt de rechtbank dat het dossier wél nadere informatie bevat. De verbalisant die ter plaatse komt ziet immers dat verdachte met twee handen de vrouw bij haar borstbeen en ter hoogte van haar nek vasthoudt. Hij ziet de vrouw met haar benen trappelen en hoort de vrouw om hulp schreeuwen. Opeens hoort verbalisant [verbalisant 2] [slachtoffer] niet meer, terwijl verdachte haar nog steeds tegen de grond duwt met zijn handen bij haar nek. De verbalisant dacht dat verdachte [slachtoffer] aan het wurgen was omdat hij geen enkele reactie meer zag en hoorde. Verdachte liet zijn handen pas los toen de politie in zijn woning stond.

De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat het dichtknijpen van de keel van [slachtoffer] door verdachte dusdanig lang heeft geduurd en met zoveel kracht is gebeurd dat haar kortdurend de adem is benomen. Immers viel zij op enig moment stil, waarbij de verbalisant op dat moment zag dat verdachte [slachtoffer] nog steeds in dezelfde houding tegen de grond aan drukte met zijn handen bij haar nek.. Dit kan dan ook niet anders worden verklaard dan door toedoen van verdachte. Hij liet pas los toen de politie de woning binnenkwam, waar noodzakelijkerwijs nog enige tijd mee gemoeid is geweest nu de politie de woning in ging nadat de betreffende verbalisant in zijn portofoon had verteld wat hij zag en daarbij aangaf dat ze de woning in moesten gaan, waarna de voordeur met een bonk werd ingeslagen De rechtbank oordeelt dan ook dat de aard en de intensiteit waarmee verdachte de keel van [slachtoffer] heeft dichtgeknepen, met zich brengt dat [slachtoffer] door verdachte is blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zou komen te overlijden. Hierbij merkt de rechtbank op dat zich in de nek/hals van een mens onder meer vitale bloedvaten (beide halsslagaders) en de luchtpijp bevinden. Daarmee is het een kwetsbaar onderdeel van het menselijk lichaam. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij het op deze wijze met kracht dichtknijpen van de keel gedurende enige tijd de kans aanwezig is dat iemand door een gebrek aan zuurstof en bloedtoevoer kan komen te overlijden.

|Het is aan het adequate optreden van de politie te danken dat het dichtknijpen van de keel van [slachtoffer] door verdachte is gestopt. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte met betrekking tot het langdurig dichtknijpen van de nek gericht zijn op en geschikt zijn tot het doden van [slachtoffer] . Door zo te handelen heeft verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg naar de uiterlijke verschijningsvorm ook bewust aanvaard. Gezien het voorgaande acht de rechtbank de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

(Poging tot) zware mishandeling (feit 2 primair/subsidiair)

De rechtbank acht gelet op de opgenomen bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien wettig en overtuigend bewezen dat verdachte gedurende langere tijd [slachtoffer] heeft mishandeld door

Primair: zware mishandeling

Voor een bewezenverklaring van zware mishandeling (primair) is vereist dat het door het slachtoffer opgelopen letsel is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel. Voor de beoordeling hiervan neemt de rechtbank de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel in ogenschouw.

De rechtbank overweegt dat zij op grond van het dossier niet kan vaststellen welk letsel van [slachtoffer] door welke handeling van verdachte is ontstaan. In de tenlastelegging zijn onder het primaire feit enkel de handelingen gericht op het hoofd en het gezicht van [slachtoffer] opgenomen. De rechtbank kan evenwel niet vaststellen dat door deze handelingen van verdachte zwaar lichamelijk letsel is ontstaan. De rechtbank overweegt in dat kader in de eerste plaats dat op basis van het dossier niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat en zo ja, in hoeverre, een piep in het oor en een pre-existente suis in het oor het rechtstreekse gevolg zijn van het handelen van verdachte. Het voorgaande nog los van het feit dat dergelijke letsels niet zonder meer kunnen worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel, zonder dat bekend is of volledig herstel mogelijk is of medisch ingrijpen noodzakelijk is en hoe lang de genezingsduur is. De rechtbank overweegt dat zij het algeheel aan letsels, waaronder met name de meerdere ribfracturen, wel kan kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel, echter komt zij hier niet aan toe door de wijze waarop dit feit is tenlastegelegd.

De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van het primair onder feit 2 tenlastegelegde nu zij niet kan vaststellen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel op grond van de onder dit feit tenlastegelegde handelingen.

Subsidiair: poging zware mishandeling

Voor een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling is vereist dat verdachte het opzet had om de ander zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Daarnaast moet dit opzet zich hebben geopenbaard door een begin van uitvoering van een handeling.

Op grond van de hiervoor beschreven gedragingen van verdachte, in het bijzonder het meermalen tegen het hoofd en lichaam slaan en stompen en het aan de haren over de grond heen trekken, kan wel het bewijs worden aangenomen voor de, subsidiair tenlastegelegde, poging tot zware mishandeling. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat er een aanmerkelijke kans is dat iemand zwaar lichamelijk letsel oploopt zodra diegene gedurende langere tijd veelvuldig en met kracht aan het hele lichaam en het hoofd mishandeld wordt. De geweldshandelingen die verdachte gedurende langere tijd heeft verricht kunnen naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als het welbewust aanvaarden door verdachte van de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Daarmee acht de rechtbank voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewezen.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3: bedreiging - vrijspraak

[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte gedurende het twee uur durende incident dreigend de volgende dingen tegen haar heeft gezegd:

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij tegen [slachtoffer] heeft geschreeuwd, maar dat hij haar niet heeft bedreigd. Hij heeft de bewoordingen waarover [slachtoffer] heeft verklaard niet gebruikt.

De rechtbank overweegt dat [slachtoffer] de enige is die verklaard heeft over de door verdachte gebezigde bewoordingen. Verdachte ontkent dit. Naast de verklaring van [slachtoffer] is er geen bewijsmiddel in het dossier dat haar verklaring op dit punt in voldoende mate ondersteunt. De rechtbank concludeert dan ook dat er onvoldoende wettig bewijs is ten aanzien van dit feit. De rechtbank spreekt verdachte hiervan dan ook vrij.

Feit 4: wederrechtelijke vrijheidsberoving

De rechtbank overweegt dat uit de verklaring van [slachtoffer] volgt dat zij op meerdere momenten aan verdachte heeft laten blijken dat zij zijn woning wilde verlaten. Zo is zij meermaals richting de voordeur gelopen, die op slot zat en waar verdachte voor ging staan en is zij de tuin in gevlucht met de bedoeling om weg te komen waarna verdachte haar aan haar haren terug de woning in heeft getrokken. Ook is verdachte bij [slachtoffer] op schoot gaan zitten met zijn benen aan weerszijden van haar lichaam, waardoor zij niet weg kon.

Verdachte heeft hierover ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer] weg wilde, maar dat hij niet wilde dat zij weg ging. Verdachte hield haar daarom vast. Zij moest bij hem in zijn woning blijven, omdat hij antwoorden van haar wilde. Dit heeft hij ook meerdere keren zo tegen haar gezegd. De antwoorden die hij wilde, kreeg hij echter niet van haar. Hij heeft haar ook tegengehouden toen zij de woning wilde verlaten, omdat hij niet wilde dat zij weg ging. Ook heeft hij verklaard dat hij [slachtoffer] naar binnen heeft getrokken. Anders dan de verdediging acht de rechtbank dit een concrete ondersteuning voor de verklaring van [slachtoffer] over dit punt.

De rechtbank overweegt dan ook dat verdachte [slachtoffer] , door haar tegen haar wil in zijn woning vast te houden en meermaals de toegang naar buiten te beletten, wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd. Zij acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feiten 1 (primair), 2 (subsidiair) en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in of omstreeks de nacht van 29 op 30 januari 2025 te Nijmegen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,

een knie op de schouder en/of de nek/hals van die [slachtoffer] heeft gezet en zijn volle gewicht op haar lichaam heeft gedrukt en/of die [slachtoffer] bij de keel en/of de nek en/of de hals(streek) heeft vastgepakt en/of heeft vastgehouden en/of haar keel heeft dichtgedrukt en/of heeft dichtgedrukt heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 30 januari 2025 te Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] langdurig en met kracht heeft mishandeld, door haar meermalen met kracht in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of door met beide handen op de borstkas van die [slachtoffer] te drukken/duwen en/of door zijn vingers met kracht op haar oogballen te duwen/drukken en/of door zijn vingers diep in de neus en/of in de oren van die [slachtoffer] te duwen/drukken en/of door met kracht aan

haar haren te trekken en/of door haar aan haar haren over de grond te sleuren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij in of omstreeks de nacht van 29 op 30 januari 2025 te Nijmegen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd heeft gehouden, immers heeft hij, verdachte, meermalen tegen haar gezegd dat zij de woning niet mocht verlaten en/of de deur van de woning afgesloten en/of de toegang tot de deur van de woning voor die [slachtoffer] geblokkeerd door voor die deur te gaan staan en haar te beletten die deur te openen en/of door op haar (schoot) te gaan zitten waardoor zij niet weg kon en/of door geweld tegen haar te gebruiken door haar (meermalen) te slaan/stompen/duwen en/of aan haar haren naar binnen te sleuren toen zij probeerde de woning via de tuin te verlaten.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 (primair):

poging tot doodslag

feit 2 (subsidiair):

poging tot zware mishandeling

feit 4:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden

5. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, gelet op de ernst van de feiten, de gevolgen voor het slachtoffer en het strafblad van verdachte, gevorderd dat hij zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek van het voorarrest en daarnaast oplegging van de (ongemaximeerde) maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met dwangverpleging. Tevens eist de officier van justitie dat aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor de oplegging van tbs op het moment dat de verdediging wordt gevolgd in zijn standpunt ten aanzien van de bewezenverklaring.

Subsidiair stelt de verdediging dat een voorwaardelijke straf met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals eerder opgelegd tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte passend is, nu verdachte hier aan mee wil werken. Desnoods kan de rechtbank ook zelfstandig nog aanvullende voorwaarden formuleren die de rechtbank nodig acht. Meer subsidiair is door de verdediging verzocht de zaak aan te houden en opdracht te aan de reclassering voor het opstellen van een maatregelenrapport. In dat geval is wel sprake van de situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid Sv en verzoekt de verdediging -met in het achterhoofd het nog voorliggende advies voor tbs met dwangverpleging- het bevel tot voorlopige hechtenis te schorsen na beraadslaging in raadkamer.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag, een poging zware mishandeling en de wederrechtelijke vrijheidsberoving van zijn voormalige partner [slachtoffer] . Dat zijn zeer ernstige feiten. Gedurende een angstaanjagende periode van maar liefst twee uur heeft verdachte [slachtoffer] in zijn woning fysiek en psychisch gepijnigd en toegetakeld, door onder meer haar keel zodanig lang en krachtig dicht te knijpen dat haar kortdurend de adem is benomen. Ook heeft hij (onder andere) zijn vingers in haar oogballen en oren geduwd, wat buitengewoon pijnlijk èn angstaanjagend voor [slachtoffer] moet zijn geweest. Verdachte heeft zijn handelen pas gestaakt op het moment dat de politie een taser op hem gericht hield en zijn woning betrad. Zelfs op het moment dat de politie op de deur bonkte en zich als zodanig kenbaar maakte kwam verdachte niet bij zinnen. Verdachte was blijkbaar bereid om tot het uiterste te gaan. Doordat verdachte [slachtoffer] ook nog heeft belet de woning te verlaten heeft hij haar in een volstrekt hulpeloze en geïsoleerde positie gebracht. Door het handelen van verdachte heeft [slachtoffer] ernstig letsel opgelopen, waaronder meerdere ribfracturen. De rechtbank weegt dit mee in de strafmaat.

Justitiële documentatie

Uit de justitiële documentatie van 17 februari 2026 blijkt dat verdachte meermaals is veroordeeld voor beledigingen, vernielingen en een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht.

Rapportages

Uit het psychiatrisch rapport van J. Tanis, AIOS-psychiatrie, en G.J.R. Mensink, psychiater, van 26 februari 2026 volgt dat verdachte lijdt aan een psychotische stoornis, meest passend bij een waanstoornis (differentiaal-diagnostisch: stoornis binnen het schizofreniespectrum). Ook zijn er stoornissen in het gebruik van alcohol, cannabis en benzodiazepinen. Er zijn aanwijzingen voor paranoïde en narcistische persoonlijkheidstrekken en autismespectrumproblematiek. Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde was sprake van een waanstoornis en was verdachte in enige mate onder invloed van alcohol. De onderliggende kwetsbare ontwikkelings- en persoonlijkheidsstructuur met autistische, paranoïde en narcistische kenmerken is meer structureel van aard. Het tenlastegelegde werd hier ook door beïnvloed. Het handelen van verdachte werd in relevante mate gestuurd door psychotische overtuigingen over misleiding, ontrouw en bedrog door het slachtoffer. Deze overtuigingen leidden tot een verhoogde dreigingsperceptie, vernauwing van perspectief en escalatie van conflicten. Structurele kwetsbaarheden, zoals rigiditeit in denken, beperkte flexibiliteit, krenkbaarheid en een externaliserende copingstijl, droegen hieraan bij. Middelengebruik heeft vermoedelijk geleid tot verdere ontremming en verminderde impuls- en agressieregulatie. Geadviseerd wordt het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Verdachte kon immers nog wel doelgericht handelen, zij het sterk gekleurd door wanen en ontremming. Het risico op herhaling van (ernstig) gewelddadig gedrag wordt als hoog ingeschat, met name bij voortbestaan of verergering van psychotische symptomatologie, terugval in middelengebruik en escalatie binnen relationele contexten. Psychotische overtuigingen, persoonlijkheidstrekken, psychosociale en relationele factoren en middelengebruik versterken elkaar wederzijds en kunnen gezamenlijk bijdragen aan escalatie en conflicten en agressief gedrag. Een dwingend juridisch kader wordt noodzakelijk geacht. Tbs met dwangverpleging wordt als het meest passend beschouwd om behandeling, beveiliging, toezicht en gefaseerde resocialisatie adequaat vorm te geven; een voorwaardelijk kader (zoals een voorwaardelijk strafdeel of terbeschikkingstelling met voorwaarden) wordt als onvoldoende robuust en risicovol ingeschat.

Ook uit het psychologisch rapport van B.Y. van den Toorn, GZ-psycholoog, van 17 februari 2026 volgt dat sinds de diagnose in mei 2025 nog altijd sprake is van een waanstoornis, mogelijk binnen het kader van schizofrenie, alsmede afhankelijkheid van alcohol, cannabis en benzodiazepines. In haar rapport van 9 mei 2025 benoemt de psycholoog dat de stoornis aanwezig was ten tijde van het tenlastegelegde en dat deze ook de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloedde. Ook de psycholoog adviseert om het tenlastegelegde verminderd aan verdachte toe te rekenen. De psycholoog concludeert verder in haar rapport dat een ambulante behadeling als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel niet haalbaar blijkt te zijn op grond van het feit dat verdachte kort na de afronding van het Pro Justitia rapport op 9 mei 2025 terugviel in middelenmisbruik en hij zich naar de reclassering oppositioneel en niet meer begeleidbaar opstelde. Het juridisch kader van de tbs met voorwaarden is overwogen, maar ook dit wordt thans niet aangewezen geacht. Verdachte blijft geen blijk geven van ziektebesef of ziekte-inzicht, verwerpt de diagnostische conclusies volledig, is oppositioneel, zoekt zijn grenzen op en toont zich niet gemotiveerd om te komen tot een gedragsverandering. Dit is passend bij ervaringen uit het verleden zoals bij de eerder opgelegde begeleidings- en behandeltrajecten, die allemaal mislukt zijn. Daarom wordt geadviseerd om tbs met dwangverpleging op te leggen.

Uit het reclasseringsadvies van Iriszorg van 12 mei 2026 blijkt dat de reclassering zich kan vinden in de conclusies van de psychiaters en de psycholoog.

Tussenconclusie

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat er onder andere sprake is van een psychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van alcohol en dat deze aanwezig waren ten tijde van het plegen van de feiten. Uit het voorgaande blijkt ook dat deze stoornis het handelen van verdachte in enige mate beïnvloedde, maar niet dat hij helemaal geen keuzevrijheid meer had. De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en is dan ook van oordeel dat de feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Oplegging van de tbs maatregel met dwangverpleging

De rechtbank is van oordeel dat bij verdachte tijdens het begaan van de feiten eenziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. De rechtbank stelt verder vast dat de bewezenverklaarde feiten misdrijven opleveren als bedoeld in artikel 37a, eerste lid onder 2, Wetboek van Strafrecht, waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van tbs met dwangverpleging eist. Dit is een verstrekkende en ingrijpende maatregel. De rechtbank acht deze maatregel echter noodzakelijk gezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de ernst van de stoornis zoals die zich nu laat zien, maar ook vanwege het gebrek aan inzicht van verdachte. Een behandeling in de vorm van tbs met voorwaarden of in het kader van bijzondere voorwaarden, gekoppeld aan een voorwaardelijke straf zal het vastgestelde hoge recidiverisico – gezien de conclusies uit de deskundigenrapportages – onvoldoende inperken. De rechtbank zal aan verdachte dan ook een tbs maatregel met dwangverpleging opleggen.

De bewezenverklaarde feiten zijn misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Op grond van artikel 38e Wetboek van Strafrecht is de terbeschikkingstelling dan ook niet in duur gemaximeerd.

Oplegging van een gevangenisstraf

Vanwege de ernst van de feiten en de gevolgen ervan voor [slachtoffer] vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ook passend en geboden. De gevangenisstraf die de rechtbank aan verdachte zal opleggen is lager dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank de tenlastegelegde zware mishandeling en bedreiging, in tegenstelling tot de officier van justitie, niet bewezen acht. De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van deze straf verder rekening met de op te leggen tbs maatregel, de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en komt alles afwegend tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Oplegging van de artikel 38z-maatregel

Uit het advies van de reclassering Iriszorg volgt dat zij – naast het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf – adviseert om een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbenemende maatregel (GVM, in de zin van artikel 38z Sr) op te leggen. Daarmee wordt de mogelijkheid gecreëerd om verdachte, in dit geval, ook na afloop van de tbs maatregel onder toezicht te stellen als dat in verband met alsdan bestaande risico’s noodzakelijk is. Daarnaast kunnen toekomstige risico’s ten aanzien van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen door de oplegging van de maatregel van artikel 38z Sr worden teruggedrongen, dan wel aanvaardbaar worden gemaakt.

Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr is voldaan. De rechtbank stelt verdachte ter beschikking en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd, zoals bedoeld in artikel 37b Sr. De oplegging van de maatregel is naar het oordeel van de rechtbank in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen. De rechtbank zal daarom ook tot oplegging van deze maatregel overgaan. De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van de maatregel en het eventuele bepalen van specifieke voorwaarden kan in de laatste fase van de aan de verdachte opgelegde terbeschikkingstelling plaatsvinden.

Voorwaardelijk verzoek aanhouding voor opstellen maatregelrapport

Uit het feit dat de rechtbank aan verdachte een tbs maatregel met dwangverpleging oplegt blijkt dat zij geen noodzaak ziet tot het laten opstellen van een maatregelenrapport door de reclassering. De rechtbank wijst het verzoek tot aanhouding van de verdediging en, in dat verlengde, het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis, om die reden dan ook af.

8. De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met de feiten een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.475,15 aan materiële schade en € 50.000,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

Officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de materiële schade (met uitzondering van de behandelkosten) kan worden toegewezen, nu de gevorderde schade in een rechtstreeks verband staat met de feiten en deze voldoende is onderbouwd. Voor wat betreft de behandelkosten kan onvoldoende vastgesteld worden in hoeverre therapieën noodzakelijk en aanvullend zijn, maar kan de rechtbank eventueel matigen en gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid.

Ten aanzien van de immateriële schade geldt dat sprake is van lichamelijk letsel en ander nadeel, deze schade kan dus worden toegewezen. Voor wat betreft de hoogte ervan refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.

Ten slotte wordt verzocht over de toe te wijzen bedragen wettelijke rente toe te kennen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Verdediging

Immateriële schade

De verdediging heeft ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding een onderscheid gemaakt in vijf categorieën en daar per categorie -kort gezegd- het volgende over gesteld.

Posttraumatische stressstoornis en depressie

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de benadeelde partij in deze post van de immateriële schadevordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat beoordeling van dit deel van de schadevordering een onevenredige belasting van het strafproces zou betekenen. De verdediging geeft in dat kader met verwijzing naar de door de benadeelde partij overgelegde stukken onder meer aan dat de depressie en de gestelde nog aanhoudende PTSS-klachten niet aan het geweldsincident kunnen worden gekoppeld, althans (ten aanzien van de PTSS-klachten) dat de bepaling van de mate waarin verdachte daarvoor aansprakelijk is niet kan worden gedaan. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de concrete aard en ernst van de gevolgen onvoldoende vaststaan, mede door het uitblijven van tijdige professionele hulpverlening, waardoor niet te zeggen is dat de categorie ‘zeer ernstig’ van de Rotterdamse schaal van toepassing is.

Letsel aan zintuigen door tinnitus

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de benadeelde partij in dit onderdeel van de immateriële schadevordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat beoordeling van dit deel van de schadevordering een onevenredige belasting van het strafproces zou betekenen. Daartoe wordt onder meer aangevoerd dat op basis van de door de benadeelde partij in dit kader overgelegde stukken niet kan worden gesteld dat er sprake is van permanent en onbehandelbaar letsel als gevolg van het strafbare feit. Subsidiair wordt gesteld dat met de nodige behoedzaamheid wordt gekeken naar wat in dit verband is gesteld en dat niet buiten redelijke twijfel kan worden gezegd dat er überhaupt sprake is van tinnitus.

Meerdere ribbreuken

De verdediging betwist niet dat aangeefster ribbreuken heeft opgelopen als gevolg van het geweldsincident. Dat sprake is van nog persisterende klachten als direct gevolg van het letsel dat verdachte zou hebben veroorzaakt, is niet medisch onderbouwd en valt gelet op de stabiele breuken en het snelle ontslag vanuit de SEH-afdeling ook niet zonder meer aan te nemen, terwijl dit wel van belang is voor de beoordeling van de vordering, vooral in het kader van het billijkheidsoordeel.

Licht traumatisch hersenletsel

De verdediging plaatst een aantal vraagtekens bij de stukken die zijn overgelegd ter onderbouwing van het gestelde letsel en geeft daarbij aan zich ook af te vragen of destijds wel het juiste onderzoek is verricht. Indien destijds niet het juiste onderzoek is verricht, biedt een nadere civielrechtelijke bewijsopdracht geen helderheid. De verdediging meent dan ook dat dit onderdeel van de post van immateriële schadevergoeding moet worden afgewezen, dan wel de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren vanwege een onevenredige belasting van het strafproces.

Aantasting gezichtsvermogen door oogtrauma

Met verwijzing naar onder meer het SEG-verslag stelt de verdediging dat de door aangeefster gestelde klachten niet zonder meer het gevolg zijn van het geweldsincident met verdachte. Ook is daarvoor geen medische onderbouwing aanwezig. De verdediging verzoekt dit onderdeel van de post van immateriële schadevordering af te wijzen dan wel de benadeelde partij in deze post niet-ontvankelijk te verklaren vanwege een onevenredige belasting van het strafproces.

Materiële schade

Ten aanzien van de gevorderde materiële schadeposten stelt de verdediging het volgende:

Kledingschade

De verdediging stelt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de materiële vordering dient te worden verklaard, omdat de vordering ten aanzien van deze post niet is onderbouwd en niet uit het dossier blijkt dat sprake was van kledingschade als gevolg van de feiten.

Eigen bijdrage voor ambulancevervoer en acute medicatiekosten

De verdediging stelt zich op het standpunt dat deze kosten integraal kunnen worden toegewezen, waarbij de wettelijke rente dient te worden berekend vanaf de datum van de factuur.

Kosten voor therapeut [instelling] , voor complementaire zorg en voor [instelling]

De verdediging merkt op dat uit hoofde van artikel 6:96 tweede lid BW een dubbele redelijkheidstoets aan de orde is waarbij moet worden beoordeeld of het redelijk is geweest deze kosten te maken en of de hoogte van de kosten redelijk is. De verdediging vraagt zich bij deze kosten af of het redelijk is geweest deze kosten te maken, nu geen sprake is van reguliere zorg maar van alternatieve geneeswijzen die niet wetenschappelijk bewezen effectief zijn, zodat daarvoor bijvoorbeeld ook geen algemene vergoeding geldt vanuit een basispakket van de zorgverzekering. De verdediging stelt zich gelet daarop op het standpunt dat onvoldoende is gesteld en onderbouwd wat de redelijkheid van het maken van deze kosten is, reden waarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in deze delen van de vordering.

Kosten voor psychologen [instelling]

De verdediging merkt op dat dit op zichzelf kosten zijn die de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan, maar de verdediging verzoekt een billijkheidscorrectie toe te passen nu de bescheiden uit dit traject slechts beperkt bruikbaar kunnen worden beschouwd door de onvolledige informatievoorziening aan de professional. De verdediging meent dat deze kosten kunnen worden toegewezen tot 50% van het gevorderde bedrag, na toepassing van een billijkheidscorrectie. De wettelijke rente moet worden afgestemd op de betalingstermijn uit de betreffende facturen.

Kosten voor audioloog

De verdediging is van mening dat, mede gelet op de vraagtekens die de verdediging heeft gezet bij de betrouwbaarheid van deze diagnose in het kader van de immateriële schadevergoeding, onvoldoende is gesteld en onderbouwd wat de redelijkheid van het maken van deze kosten is. De benadeelde partij dient in dit deel van de vordering dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Overwegingen van de rechtbank

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:

Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen een van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Door het handelen van verdachte heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van onder meer meerdere gebroken ribben.

Met betrekking tot de overige door de benadeelde partij gestelde immateriële schade (ondergebracht in categorieën zoals hiervoor besproken) geldt dat de gestelde schade door de verdediging gemotiveerd is betwist, hetgeen betekent dat de rechtbank niet vast kan stellen dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde deze gestelde schade heeft geleden. Hier kan dan ook geen vergoeding voor worden toegekend.

Ten aanzien van het lichamelijk letsel overweegt de rechtbank dat verdachte op grond van artikel 6:106 BW is gehouden om de schade die benadeelde als gevolg van het handelen van verdachte heeft geleden en nog lijdt te vergoeden. Bij de vaststelling van die schade weegt de rechtbank de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan verdachte tenlastegelegde feit mee. Ook kijkt zij voorts naar de bedragen die de Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen hebben toegekend. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de ‘Rotterdamse schaal’ en de door de Rechtspraak geformuleerde aanbevelingen daarop, die zijn geaccordeerd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).

De ‘Rotterdamse schaal’ en de aanbevelingen daarop bevatten een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen ten behoeve van de vaststelling en begroting van de immateriële schade. Hierbij heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de bandbreedte van smartengeldbedragen in het geval dat bij de benadeelde partij licht letsel, in de vorm van een gebroken rib is geconstateerd. In dit geval heeft benadeelde meerdere gebroken ribben opgelopen, waarbij wel geldt dat tegenover de gemotiveerde betwisting onvoldoende is gesteld dat sprake is van nog persisterende klachten. De rechtbank gaat er bij de bepaling van de hoogte van het bedrag dan ook van uit dat sprake is van letsel met een beperkte herstelperiode en uiteindelijk restloos herstel. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de immateriële schade van de benadeelde partij vaststellen op een bedrag van € 2.000,00.

Materiële schade

Eigen bijdrage voor ambulancevervoer (€ 348,62) en acute medicatiekosten (€ 50,58)

De rechtbank overweegt dat deze schadeposten voldoende zijn onderbouwd. Dit betreft rechtstreekse schade ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. De verdediging heeft deze schadeposten ook niet betwist. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor wat betreft deze schadeposten kan worden toegewezen.

Kosten voor psychologen [instelling]

Deze schadepost is voldoende gesteld en onderbouwd. De verdediging heeft over deze kosten opgemerkt dat dit ‘op zichzelf kosten zijn die de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan’, maar dat de verdediging verzoekt een billijkheidscorrectie toe te passen nu de bescheiden uit dit traject slechts beperkt bruikbaar kunnen worden beschouwd door de onvolledige informatievoorziening aan de professional. Voor zover de verdediging hier heeft bedoeld te stellen dat (toch) niet aan de dubbele redelijkheidstoets is voldaan omdat onvoldoende zou zijn gesteld en onderbouwd dat de gemaakte kosten redelijk zijn, is dit onvoldoende gemotiveerd betwist door de verdediging. Voor zover de verdediging heeft bedoeld een beroep te doen op eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW als gevolg waarvan een billijkheidscorrectie toegepast zou moeten worden van 50%, is de rechtbank van oordeel dat de verdediging daartoe onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd. Het voorgaande betekent dat de onderbouwde stelling van de schade onvoldoende gemotiveerd is betwist en dat er geen grond is een billijkheidscorrectie toe te passen, reden waarom deze post van € 560,95 voor vergoeding in aanmerking komt.

Kledingschade

De rechtbank overweegt dat deze schade onvoldoende is gesteld en onderbouwd. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat sprake is van rechtstreekse schade ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. De benadeelde wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard in de vordering voor wat betreft deze schadepost.

Kosten therapeut [instelling] , complementaire zorg, audioloog en [instelling]

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schadeposten tegenover de gemotiveerde betwisting door de verdediging, onvoldoende zijn onderbouwd. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in deze delen van de vordering.

Wettelijke rente

Verdachte is:

wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f Sr de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38z, 45, 57, 282, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;

 legt een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op;

 veroordeelt verdachte in verband met de feiten onder 1, 2 en 4 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 960,15 aan materiële schade en € 2.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente

tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 29 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.A. van Leeuwen
  • mr. S. Jansen

Griffier

  • mr. E.W.A. Nabbe

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand