ECLI:NL:RBGEL:2026:555

ECLI:NL:RBGEL:2026:555

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 26-01-2026
Datum publicatie 26-01-2026
Zaaknummer 05/129716-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

De meervoudige militaire kamer veroordeelt een militair wegens het overtreden van artikel 6 van de Wegenverkeerswet door aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig te rijden, waardoor door zijn schuld een zwaar ongeluk is ontstaan. Twee inzittenden hebben daarbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De militaire kamer is van oordeel dat een taakstraf van 120 uren en daarnaast een deels voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid passend is, mede gelet op de ernst van het feit.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/129716-25

Datum uitspraak : 26 januari 2026

Tegenspraak

vonnis van de militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] in [woonplaats].

Raadsman: mr. D.C. Coppens, advocaat in Amsterdam .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 september 2023 te Warschau, in elk geval in Polen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig, te weten een (personen)auto (merk KIA, type Sportage met kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de Lazienkowski brug, rijdende in de richting van Aléja Stanów Zjednoczonych, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk roekeloos en/of onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft

gereden/gehandeld, hierin bestaande dat hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en/of aldaar niet goed bekend was met de verkeerssituatie en/of terwijl het donker was en/of de afrit (Wal Miedzeszynski) welke verdachte wilde nemen niet goed verlicht was, onvoldoende aandacht heeft gehad voor de

verkeerssituatie ter plaatse en/of voornoemde afrit (Wal Miedzeszynski) reeds op (zeer) korte afstand was genaderd en/of terwijl een van die andere inzittenden op dat moment tegen hem, verdachte, zei dat hij die afrit moest nemen, althans woorden van een soortgelijke strekking

en/of ter hoogte van het verdrijvingsvlak een plotse en/of abrupte en/of scherpe stuurcorrectie of stuurbeweging naar rechts heeft gemaakt, althans abrupt en/of plots naar rechts is gereden of gezwenkt, teneinde voornoemde afrit (Wal Miedzeszynski) te nemen en/of (daarbij) over het verdrijvingsvlak heeft gereden en/of (vervolgens) de macht over het stuur is verloren en/of in een slip is geraakt en/of de snelheid van de door hem bestuurde personenauto niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de (personen)auto tot stilstand te brengen binnen de afstand

waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, waardoor, hij, verdachte met hoge, althans aanzienlijke snelheid, tegen de vangrail en/of een aldaar geparkeerde Kymco-motorfiets is gereden en/of gebotst, waardoor (een) ander(en),

- genaamd [slachtoffer 1] (inzittende van het door verdachte bestuurde voertuig) zwaar lichamelijk letsel (te weten een hersenschudding en/of een fractuur aan de binnenkant van de linker enkel/onderste scheenbeen en/of een fractuur van het sprongbeen van de enkel), in elk geval zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of

- genaamd [slachtoffer 2] (inzittende van het door verdachte bestuurde voertuig) zwaar lichamelijk letsel (te weten een kneuzing van de borstkas en/of een fractuur van het rechter sleutelbeen en/of een fractuur van het borstbeen en/of een ophoping van bloed in de ruimte in de borstkas en/of (een) kneuzing(en) van de buik met een gescheurde buikwand aan de rechterzijde en/of een beschadiging aan buikvlies en/of (dikke) darm(en) en/of (een) fractu(u)r(en) van de wervelkolom, in elk geval zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij als militair op of omstreeks 19 september 2023 te Warschau, in elk geval in Polen, als bestuurder van een voertuig, te weten een (personen)auto (merk KIA, type Sportage met kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, de Lazienkowski brug, rijdende in de richting van Aléja Stanów Zjednoczonyck, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en/of terwijl hij, verdachte, aldaar niet goed bekend was met de verkeerssituatie en/of terwijl het donker was en/of de afrit (Wal Miedzeszynski) welke verdachte wilde nemen niet goed verlicht was, onvoldoende aandacht heeft gehad voor de verkeerssituatie ter plaatse en/of terwijl hij voornoemde afrit (Wal Miedzeszynski) reeds op (zeer) korte afstand was genaderd en/of terwijl een van die andere inzittenden op dat moment tegen hem, verdachte, zei dat hij die afrit moest nemen, althans woorden van een soortgelijke strekking en/of ter hoogte van het verdrijvingsvlak een plotse en/of abrupte en/of scherpe stuurcorrectie of stuurbeweging naar rechts heeft gemaakt, althans abrupt en/of plots naar rechts is gereden of gezwenkt, teneinde voornoemde afrit (Wal Miedzeszynski) te nemen en/of (daarbij) over het verdrijvingsvlak heeft gereden

en/of (vervolgens) de macht over het stuur is verloren en/of in een slip is geraakt en/of de snelheid van de door hem bestuurde (personen)auto niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de (personen)auto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, waardoor, hij, verdachte met hoge, althans aanzienlijke snelheid, tegen de vangrail en/of een aldaar geparkeerde Kymco-motorfiets is gereden en/of gebotst, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door welke gedraging(en) van verdachte

gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt;

2.

hij op of omstreeks 19 september 2023 te Warschau, in elk geval in Polen, als bestuurder van een voertuig, (een personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 19 september 2023 rond 23.10 uur is verdachte als bestuurder van een personenauto betrokken geraakt bij een eenzijdig ongeval te Warschau, Polen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten op dat moment als inzittenden bij verdachte in de auto.

Verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn collega’s en allen werkzaam bij Defensie. Zij waren in de periode van 14 september 2023 tot 2 oktober 2023 in Polen voor een militaire oefening in Warschau. Ze waren daar ondergebracht in een sporthal.

Op 19 september 2023, namen verdachte, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor een rit ter ontspanning een door Defensie gehuurde auto, een Kia Sportage met het Poolse kenteken [kenteken] mee. Ze besloten, eenmaal onderweg, naar een terras en een strip-club in Warschau te gaan, waar zij ieder een aantal biertjes dronken. [slachtoffer 1] had op de heenweg gereden, maar hij wilde niet terugrijden omdat hij had gedronken. [slachtoffer 2] voelde zich ziek en daardoor niet in staat om te rijden. Het was verdachte die als bestuurder terugreed. Verdachte had vier biertjes gedronken tussen 20:00 uur en het moment dat ze de terugweg aanvaardden De mannen kenden de weg ter plaatse niet. Ze probeerden de weg naar de sporthal terug te vinden via een navigatie app op een zogenoemde ‘burner’ telefoon die door defensie als werktelefoon was verstrekt. De app werkte op deze telefoon, onder andere door een slechte internetverbinding, moeizaam en traag. [slachtoffer 2] gaf aan de hand van die navigatie, hangend tussen de voorstoelen van de auto, mondeling aanwijzingen over de te volgen route.

Na enige tijd kwam verdachte te rijden op de middelste rijbaan van de Lazienkowskibrug (in Warschau). Op het moment dat ze ter hoogte van de afrit Wal Miedzeszynski reden, rond 23.10 uur, riep [slachtoffer 2] plotseling: "deze afslag moeten we hebben”.

Verdachte reed daarop naar rechts, kruiste de rechterbaan en kwam vervolgens frontaal in botsing met de vangrail voor de middenscheiding tussen de hoofdweg en de afrit. Daarbij raakte tevens een Kymco-motorfiets beschadigd die langs de Lazienkowski brug op de (aan het verkeer onttrokken) rijbaan geparkeerd stond.

Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] zijn in verband met door het ongeval opgelopen letsel overgebracht naar een ziekenhuis. [slachtoffer 1] had een kneuzing aan zijn hoofd, een hersenschudding en een wond aan de linkerzijde van zijn hoofd. Daarnaast had hij een fractuur aan zijn linker onderbeen. Op vrijdag 22 september 2023 is hij geopereerd aan zijn enkel.

[slachtoffer 2] had een kneuzing op de thorax, met een fractuur aan het rechter sleutelbeen, een fractuur van het borstbeen, een kneuzing van de buik met gescheurde buikwand en fracturen aan de wervelkolom. [slachtoffer 2] is in oktober 2024 voor de tweede keer geopereerd, dit betrof een reconstructie aan de buikwand om chronische pijnklachten te verminderen. [slachtoffer 2] moet zijn leven lang medicatie blijven slikken.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair ten laste gelegde, waarbij als schuldgradatie sprake is van aanmerkelijke schuld, en waardoor [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. Daarnaast kan volgens de officier van justitie feit 2 wettig en overtuigend worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 1 primair en het onder feit 2 ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de processen-verbaal die zijn opgemaakt met betrekking tot de ademanalyse en het bloedonderzoek, moeten worden uitgesloten van het bewijs. Verdachte is niet de mogelijkheid geboden na zijn aanhouding een advocaat te raadplegen, laat staan dat hij op dat moment bewust heeft afgezien van rechtsbijstand. Daarnaast zijn er volgens de verdediging voldoende aanwijzingen dat moet worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de uitslag van het bloedonderzoek in die zin dat (naar de militaire kamer het betoog van de raadsman begrijpt) de conclusie van de toxicoloog dat verdachte “in staat van dronkenschap verkeerde” niet klopt. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat het ongeval niet (mede) is ontstaan doordat verdachte had gedronken. Er is slechts sprake geweest van een enkele inschattingsfout, waardoor volgens de verdediging schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet niet kan worden bewezen.

Beoordeling door de militaire kamer

Bevoegdheid en toepasselijk recht

Voorop staat dat de Polen op verzoek van de Nederland afstand heeft gedaan van de voorrang van jurisdictie in strafzaken als bedoeld in het Navo-Statusverdrag 1951. Daarmee is de rechtsmacht in deze zaak alsnog bij Nederland bij komen te liggen, zodat de meervoudige militaire strafkamer bevoegd is deze zaak te beoordelen. Daarbij wordt op grond van artikel 4 van het Wetboek van Militair Strafrecht het Nederlandse recht toegepast.

Beoordeling van de feiten

Op basis van vorenstaande feiten is de eerste vraag die aan de militaire kamer voorligt, hoe dit ongeval heeft kunnen ontstaan.

De militaire kamer constateert dat het niet lag aan de technische staat van de auto; op grond van de schouw en het uitlezen van de boordcomputer van het voertuig is vastgesteld dat de technische staat van het voertuig geen invloed heeft gehad op het ongeval. Evenmin zijn de weersomstandigheden, de staat van het wegdek of andere omstandigheden die buiten de macht van verdachte lagen, aan te wijzen als oorzaak van het ongeval. Dat brengt mee dat het handelen van verdachte het ongeval moet hebben veroorzaakt, waarbij voor de volledigheid wordt overwogen dat onbekend is gebleven met welke snelheid verdachte ten tijde van het ongeval heeft gereden.

De vraag is vervolgens of daarbij sprake is van schuld van verdachte, en zo ja in welke mate, of dat het ongeluk louter of in overwegende mate zijn oorzaak vindt een ongelukkige samenloop van omstandigheden die verdachte niet valt aan te rekenen. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

Alcoholgebruik

Op 19 september 2023 om 23:27 uur zijn Poolse politieagenten ter plaatse gekomen.

Verdachte is diezelfde avond onderworpen aan een ademanalyse, waarbij drie metingen zijn uitgevoerd met een gekalibreerd AlcoSensor IV-apparaat. De eerste meting vond plaats om 23:31 uur, waarbij verdachte 0,44 mg/l blies. Bij de tweede meting om 23:47 uur blies verdachte 0,39 mg/l en bij de laatste meting om 23:49 uur heeft hij eveneens 0,39 mg/l. geblazen.

Vervolgens is verdachte op 20 september 2023 wederom aan een ademanalyse onderworpen, waarbij drie metingen zijn uitgevoerd met een gekalibreerd AlcoSensor IV-apparaat. Uit deze metingen blijkt dat verdachte om 00:39 uur 0,308 mg/l heeft geblazen, om 00:51 uur 0,307 mg/l, om 01:28 uur 0,235 mg/l en om 02:07 uur 0,185 mg/l.

De uitkomsten van de metingen van de ademtesten op 20 september 2023 corresponderen met de volgende promillages:

0,308 mg/l, is 0,65‰ alcohol in het bloed;

0,307 mg/l, is 0,64‰ alcohol in het bloed;

0,236 mg/l, is 0,49‰ alcohol in het bloed;

0,185 mg/l, is 0,39‰ alcohol in het bloed.

Op 20 september 2023 is vervolgens om 04:10 uur bloed afgenomen bij verdachte. Uit het geanalyseerde bloed bleek de aanwezigheid van ethylalcohol in een concentratie van 0,09‰ aanwezig te zijn. Verdachte had tegenover de Poolse politie verklaard dat hij op 19 september 2023 tussen 21:00 en 23:00 uur 1,5 liter bier heeft genuttigd. Door Poolse deskundigen (Toxicologen) is vervolgens gekeken naar het gewicht, de lengte en de leeftijd van verdachte, waarna zij een retrospectieve berekening hebben uitgevoerd. Met deze retrospectieve berekening is berekend wat het promillage alcohol in het bloed van verdachte moet zijn geweest ten tijde van het ongeval. Hierbij zijn ook de uitslagen van de ademanalyse betrokken. Het eliminatieproces (de militaire kamer begrijpt: het proces van afbraak van alcohol in het bloed) vindt systematisch of continu plaats en de intensiteit ervan is meestal constant. De alcoholeliminatiesnelheid uit het bloed in 1 uur ligt binnen het bereik van 0,l-0,2‰/uur. Volgens de Poolse deskundigen moet – rekening houdend met de mogelijke waarden van de alcoholeliminatiecoëfficiënt uit het lichaam – op basis van de retrospectieve berekening worden geconcludeerd, dat de alcoholconcentratie in het lichaam van verdachte, rekening houdend met de voor de verdachte gunstigste variant, minimaal l,0‰ heeft bedragen. Volgens de Poolse deskundigen betekent dat, dat verdachte ten tijde van het ongeval “in een staat van dronkenschap” verkeerde.

Verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de koninklijke marechaussee en ter terechtzitting verklaard dat hij in de avond voorafgaand aan het ongeval vier bier had gedronken. Het ging daarbij volgens verdachte waarschijnlijk om glazen van 0,33 liter, zoals ook in Nederland de standaard is.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte voorafgaand aan het ongeval alcoholhoudende drank had gedronken. De vraag daarbij is, of hij dientengevolge ten tijde van het ongeval verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW94). Voor zover hier van belang, luidt dat artikel als volgt:

1. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen of tot behoorlijk te begeleiden in staat moet worden geacht.

2 Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:

o a. het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel

o b. het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed.

Door de raadsman is aangevoerd dat de resultaten van de ademanalyse niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs, aangezien verdachte niet is gewezen op het recht op een advocaat. Ten aanzien van het bloedonderzoek heeft de raadsman aangevoerd dat niet uit het dossier blijkt dat verdachte de mogelijkheid op of informatie over eventueel tegenonderzoek is gegeven.

Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden geconcludeerd dat bij verdachte sprake was van een staat van dronkenschap, zoals door de Poolse deskundige is geconcludeerd. Dat het alcoholgebruik geen invloed heeft gehad op het ongeval, leidt de raadsman af uit onder meer de verklaringen van zowel verdachte als [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , die allen hebben verklaard dat hij nog in staat was om een voertuig te besturen.

De militaire kamer is van oordeel dat het door de raadsman gevoerde “Salduz-verweer” het ademonderzoek niet raakt, nu dit enkel ziet op een verhoorsituatie. Ten tijde van het ademonderzoek was hier geen sprake van. Het Salduz verweer slaagt om die reden dan ook niet.

De discussie over de term “staat van dronkenschap” snijdt geen hout, nu dit niet de maatstaf vormt zoals hiervoor aangehaald en in de tenlastelegging weergegeven. Dat verweer kan daarom verder onbesproken blijven.

Het verweer dat verdachte mogelijk geen (informatie over het) recht op een tegenonderzoek is geboden, slaagt voor zover zich dit richt op een bewezenverklaring die zou steunen op lid 2 van artikel 8 WVW94. Immers, dat recht op tegenonderzoek is een van de waarborgen waarmee een onderzoek als bedoeld in dit wetsartikel is omkleed.

Niettemin bieden de resultaten van de ademonderzoeken en het bloedonderzoek, in combinatie met de overige omstandigheden van het geval, naar het oordeel van de militaire kamer voldoende steun voor de conclusie, dat verdachte verkeerde in een staat als omschreven in lid 1 van artikel 8 WVW94.

Dit geldt niet voor de resultaten van de eerste twee ademanalyses, afgenomen op 19 september 2023 tussen 23:31 uur en 23:49 uur, nu deze binnen twintig minuten na het eerste contact met verdachte hebben plaatsgevonden.

Echter, de derde ademanalyse op 19 september 2023 en de vier ademanalyses die zijn uitgevoerd op 20 september 2023 voldoen wel aan deze “20-minutenregel” en geven een eerste indicatie van de hoeveelheid alcohol in het bloed van verdachte ten tijde van het ongeval. De resultaten daarvan wijzen erop dat verdachte om 23:49 0,82 ‰ alcohol, om 00:39 uur en om 00:51 uur, 0,65 respectievelijk 0,64‰ alcohol in zijn bloed heeft gehad. Naar Nederlandse maatstaven correspondeert dit met een bandbreedte van tussen de 0,54 en 0,80 BAG (‰) wat neerkomt op een promillage van tussen de 235 en 350 (µg/l). Het gemeten alcoholpromillage ligt daarmee boven de in Nederland wettelijk gehanteerde grens van 220 µg/l.

Zoals hiervoor omschreven is vervolgens het (5 uur na het ongeval en 2 uur en 7 minuten na de laatste ademtest bij verdachte afgenomen) bloed onderzocht op de aanwezigheid van alcohol. Uit het rapport van 27 september 2023 blijkt dat de Poolse deskundigen gebruik hebben gemaakt van een retrospectieve berekening om te kunnen vast stellen hoeveel alcohol verdachte ten tijde van het ongeval in zijn bloed moet hebben gehad. Hieruit volgt dat verdachte op 19 september 2023 om 23.10 uur in het voor verdachte meest gunstigste geval, ten minste l,0‰ alcohol in zijn bloed heeft gehad. De naar Nederlandse maatstaven gehanteerde (in lid 2 van artikel 8 WVW94 genoemde) bovengrens bedraagt 0,5 milligram per liter bloed.

De militaire kamer merkt op dat de beslissingen van de buitenlandse autoriteiten die aan het in het buitenland verrichte onderzoek ten grondslag liggen, door de rechter in de Nederlandse strafzaak moeten worden gerespecteerd. Er moet vanuit worden gegaan dat het onderzoek door de buitenlandse autoriteiten rechtmatig is verricht. Hierbij is het uitgangspunt dat het onderzoek in het buitenland op een zodanige wijze is verricht dat de resultaten daarvan betrouwbaar zijn. De Nederlandse rechter is alleen verplicht nader in te gaan op de betrouwbaarheid van de resultaten als er concrete aanwijzingen voor het tegendeel bestaan. De militaire kamer is van oordeel dat dit ook geldt voor het onderhavige Poolse deskundigenonderzoek, dat in het kader van het Poolse strafrechtelijk onderzoek is aangevraagd en tot stand gekomen. De militaire kamer is van oordeel dat, nu aanwijzingen van onbetrouwbaarheid betreffende het deskundigenonderzoek niet zijn aangevoerd of gebleken, uit mag worden gegaan van de rechtmatigheid en juistheid van de resultaten uit het onderzoek door de Poolse deskundigen, van wie de deskundigheid in de onderhavige zaak niet ter discussie staat. Daarnaast wordt de retrospectieve alcoholbepaling in voorkomend geval ook in de Nederlandse forensische praktijk toegepast en aanvaard.

De militaire kamer merkt op dat het een feit van algemene bekendheid is dat de lever één tot anderhalf uur doet over de afbraak van één standaardglas alcohol in het bloed. Dit maakt dat het alcoholpromillage in het bloed van verdachte ten tijde van het ongeval naar alle waarschijnlijkheid nog hoger is geweest dan de in retrospectief berekende hoeveelheid. Daarbij komt dat de retrospectieve berekening naar aanleiding van het bloedonderzoek in lijn ligt met de uitkomst van de ademanalyse en tevens aansluit bij de verklaring van verdachte omtrent de hoeveelheid door hem gedronken alcohol.

De uitslagen van de ademanalyse en het bloedonderzoek, tezamen met de verklaring van verdachte dat hij voorafgaand aan het ongeval alcohol had gedronken, rechtvaardigt naar het oordeel van de militaire kamer de conclusie dat verdachte ten tijde van het ongeval dusdanig onder invloed was van alcohol dat hij daarmee verkeerde in een toestand waarin een gemiddelde bestuurder – dus ook verdachte – niet tot behoorlijk besturen van een voertuig in staat moest worden geacht. Ook de gedragingen van verdachte die tot het ongeval hebben geleid, bieden steun aan die conclusie. Daarover hieronder meer.

Schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994

De militaire kamer ziet zich – zoals gezegd – voor de vraag gesteld of verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, en zo ja in welke gradatie Dit is in de tenlastelegging tot uitdrukking gebracht met de bewoordingen ‘zeer, althans aanmerkelijk roekeloos en/of onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam handelen/rijden’. Om tot het oordeel te komen of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 is in zijn algemeenheid vereist dat het rijgedrag van verdachte roekeloos dan wel zeer of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam was. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van ten minste een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en voorts naar de overige omstandigheden van het geval. Daarnaast geldt dat niet alleen uit de ernst van de gevolgen kan worden afgeleid dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Hiervóór heeft de militaire kamer vastgesteld dat verdachte onder invloed van alcohol is gaan rijden, waardoor hij tot behoorlijk besturen niet meer in staat was. Alcoholgebruik leidt ook in het algemeen bezien tot een verminderd reactievermogen en het beïnvloedt de rijvaardigheid negatief.

Bij dit alles neemt de militaire kamer in ogenschouw dat ook de overige omstandigheden verdachte tot meer oplettendheid hadden moeten bewegen. Hij reed immers op een weg in het buitenland, waar hij niet bekend was met de verkeerssituatie ter plaatse. Het was donker en zowel de weg als de afslag waren niet goed verlicht. Verdachte, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] waren ook niet bekend met de route naar de sporthal en bedienden zich van een haperende navigatie via een ‘burner’ telefoon om die te vinden.

Verdachte, die op dat moment op de middelste rijstrook reed, heeft in reactie op de geroepen aanwijzing van [slachtoffer 2] , kennelijk zonder een inschatting te maken van de situatie, een ruk aan het stuur gegeven en heeft vanaf de middelste rijstrook nog geprobeerd om de afslag te halen zonder de weg en de afslag, die slecht verlicht was, goed te kunnen overzien. De snelheid van het voertuig op dat moment, moet daarbij in elk geval dusdanig hoog zijn geweest dat deze niet meer tijdig door verdachte zo kon worden teruggebracht dat hij de afslag veilig kon nemen.

Naast het feit dat dit al verkeersfouten op zich zijn, duiden deze ook op een voor het behoorlijk besturen van de auto onvoldoende reactiesnelheid. Verdachte heeft zowel in zijn verhoren als tijdens de terechtzitting verklaard dat hij achteraf beter had moeten nadenken en de situatie beter had moeten inschatten alvorens te reageren op de geroepen aanwijzing van [slachtoffer 2] , maar dat heeft nagelaten. Dit verstevigt de hiervoor getrokken conclusie, dat verdachte mede door het alcoholgebruik niet adequaat en/of te traag reageerde – en dus niet tot behoorlijk besturen van de auto in staat was.

Verdachte heeft hierbij naar het oordeel van de militair kamer een aantal grove inschattings- en verkeersfouten gemaakt als gevolg waarvan verdachte met de auto frontaal op de vangrail en tegen de daar geparkeerde scooter is gebotst.

Dat de navigatie gebrekkig was en hij zich liet gidsen door zijn collega doet aan de verantwoordelijkheid voor dit handelen van verdachte niet af. Van hem, als bestuurder van de auto op een voor hem onbekende en slecht verlichte weg, terwijl hij bovendien van tevoren (teveel) alcohol had gedronken, had een extra mate van voorzichtigheid en zorgvuldigheid mogen worden verwacht en daarbij had hij zich de risico’s van zijn handelen moeten realiseren. Van slechts een enkele verkeerde inschatting, zoals door de raadsman betoogd, was dan ook geen sprake. De militaire kamer is van oordeel dat deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, maken dat verdachte door op deze wijze te handelen aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden en dat hierdoor een aan zijn schuld te wijten ongeval is veroorzaakt.

Letsel

De militaire kamer stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Bij de beantwoording van de vraag of bepaald letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, is van belang of het oordeel van de rechter iets inhoudt over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel.

De militaire kamer stelt aan de hand van het hierboven beschreven letsel vast dat door het ongeval aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] letsel is toegebracht. [slachtoffer 1] had een hersenschudding, kneuzingen en een breuk aan zijn onderbeen. [slachtoffer 2] had diverse kneuzingen en fracturen, waaronder een traumatische buikwand hernia en een scheur in zijn lever. Zowel bij [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] was operatief ingrijpen noodzakelijk. Op grond hiervan is de militaire kamer van oordeel dat dit letsel in beide gevallen als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt en komt daarmee ook tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Conclusie

De militaire kamer is van oordeel dat de onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde feiten beide wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 19 september 2023 te Warschau, in elk geval in Polen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig, te weten een (personen)auto (merk KIA, type Sportage met kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de Lazienkowski brug, rijdende in de richting van Aléja Stanów Zjednoczonych, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk roekeloos en/of onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam te rijden / te handelen, hierin bestaande dat hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en/of aldaar niet goed bekend was met de verkeerssituatie en/of terwijl het donker was en/of de afrit (Wal Miedzeszynski) welke verdachte wilde nemen niet goed verlicht was, onvoldoende aandacht heeft gehad voor de verkeerssituatie ter plaatse en/of voornoemde afrit (Wal Miedzeszynski) reeds op (zeer) korte afstand was genaderd en/of terwijl een van die andere inzittenden op dat moment tegen hem, verdachte, zei dat hij die afrit moest nemen, althans woorden van een soortgelijke strekking en/of ter hoogte van het verdrijvingsvlak een plotse en/of abrupte en/of scherpe stuurcorrectie of stuurbeweging naar rechts heeft gemaakt, althans abrupt en/of plots naar rechts is gereden of gezwenkt, teneinde voornoemde afrit (Wal Miedzeszynski) te nemen en/of (daarbij) over het verdrijvingsvlak heeft gereden en/of (vervolgens) de macht over het stuur is verloren en/of in een slip is geraakt en/of de snelheid van de door hem bestuurde personenauto niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de (personen)auto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, waardoor, hij, verdachte met hoge, althans aanzienlijke snelheid, tegen de vangrail en/of een aldaar geparkeerde Kymco-motorfiets is gereden en/of gebotst, waardoor (een) ander(en),- genaamd [slachtoffer 1] , (inzittende van het door verdachte bestuurde voertuig), zwaar lichamelijk letsel, (te weten een hersenschudding en/of een fractuur aan de binnenkant van de linker enkel/onderste scheenbeen en/of een fractuur van het sprongbeen van de enkel), in elk geval zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of- genaamd [slachtoffer 2] , (inzittende van het door verdachte bestuurde voertuig), zwaar lichamelijk letsel, (te weten een kneuzing van de borstkas en/of een fractuur van het rechter sleutelbeen en/of een fractuur van het borstbeen en/of een ophoping van bloed in de ruimte in de borstkas en/of (een) kneuzing(en) van de buik met een gescheurde buikwand aan de rechterzijde en/of een beschadiging aan buikvlies en/of (dikke) darm(en) en/of (een) fractu(u)r(en) van de wervelkolom. , in elk geval zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

2.

hij op of omstreeks 19 september 2023 te Warschau, in elk geval in Polen, als bestuurder van een voertuig, (een personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

De eendaadse samenloop van

feit 1, primair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet;

en

feit 2:

overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

5. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot het verrichten van 160 uren werkstraf subsidiair 80 dagen hechtenis en daarnaast een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat rekening moet worden gehouden met de volgende omstandigheden. Verdachte heeft zich na het ongeval gelijk ontfermd over de inzittenden. Na het ongeval moest verdachte gedurende een periode van acht dagen op last van de Poolse politie in de sporthal verblijven. Zijn rijbewijs is voorts vier maanden ingehouden. Daarnaast dateert het feit inmiddels van 28 maanden geleden. Tot slot dient bij een eventuele strafoplegging volgens de advocaat rekening te worden gehouden met het binnen Defensie geldende VGB-beleid en de gevolgen daarvan voor verdachte ten aanzien van zijn baan.

De beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De militaire kamer heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig gereden, waardoor door zijn schuld een zwaar ongeluk is ontstaan. Na (teveel) alcohol te hebben gedronken had hij, zo heeft hij zich achteraf ook gerealiseerd, niet de beslissing moeten nemen achter het stuur te gaan zitten en terug te rijden naar de sporthal, al helemaal niet in de hiervoor genoemde omstandigheden. Verdachte was als bestuurder verantwoordelijk voor de veiligheid van zijn passagiers en heeft die ernstig veronachtzaamd. Zowel hij als zijn collega’s die met hem meereden hebben geluk gehad dat ze dit ongeluk hebben overleefd. Tegelijkertijd is het een feit dat ze ernstige gevolgen hebben ondervonden van het ongeval. Waar bij die collega’s wellicht de nadruk ligt op de fysieke gevolgen, is het de militaire kamer duidelijk geworden dat ook verdachte niet alleen gewond is geraakt (hij liep onder andere een paar gebroken ribben op) maar ook anderszins onder de gevolgen van het ongeluk lijdt en tot de dag van vandaag de mentale gevolgen daarvan ondervindt, waarvoor hij zich nog steeds door de geestelijk verzorger laat begeleiden. Hij voelt zich begrijpelijkerwijs schuldig en realiseert zich dat hij als militair in het buitenland een voorbeeldfunctie heeft en door zijn handelen de goede betrekkingen tussen Polen en Nederland in zekere mate negatief heeft beïnvloed. Dit alles valt hem, hoewel hij zich daarover terughoudend heeft getoond, zichtbaar zwaar.

De militaire kamer heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 17 december 2026. Hieruit volgt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Bij de strafoplegging heeft de militaire kamer rekening gehouden met wat rechters vaak opleggen in vergelijkbare gevallen. De zogenaamde LOVS-oriëntatiepunten vormen daarvan een weerslag. Deze gaan bij dergelijke feiten uit van een taakstraf van 160 uren en daarnaast een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 18 maanden. De militaire kamer houdt er echter ook rekening mee dat het rijbewijs van verdachte na het ongeval ruim 3,5 maand is ingehouden. Daarnaast houdt de militaire kamer rekening met het tijdsverloop.

Alles overziend acht de militaire kamer een rijontzegging voor de duur van 352 dagen passend, waarvan 240 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al is kwijt geweest (112 dagen). Dit betekent dat verdachte zijn rijbewijs niet opnieuw hoeft in te leveren. Daarnaast legt de militaire kamer aan verdachte een taakstraf op van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis. De militaire kamer is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit niet kan worden volstaan met een andere en/of lichtere straf. Deze straf is lager dan de eis van de officier van justitie. De militaire kamer heeft in haar strafoplegging de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zijn proceshouding, het incidentele karakter van dit weliswaar zware feit mede in het licht van zijn verder uitstekende staat van dienst, en het tijdsverloop sinds het ontstaan van de verdenking en de strafvervolging (de zogenaamde redelijke termijn is met enkele maanden overschreden), zwaarder laten meewegen.

Tot slot overweegt de militaire kamer ten aanzien van het door Defensie gehanteerde VGB-beleid – waar door de raadsman in zijn pleidooi op is gewezen – het volgende. Zonder iets af te doen aan de hierboven genoemde beslissing, merkt de militaire kamer op dat zij met deze strafoplegging niet tot uitdrukking heeft willen brengen dat zij meent dat verdachte zijn baan bij Defensie zou moeten verliezen. Daarbij is de militaire kamer zich ervan bewust dat het niet aan haar, maar aan Defensie is om over de gevolgen ten aanzien van de VGB van verdachte te beslissen.

8. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9. De beslissing

De militaire kamer:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 legt op een taakstraf van 120 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;

 ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 352 dagen, waarvan 240 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?