RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/331642-24
Datum uitspraak : 22 januari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] , [postcode] in [woonplaats] .
Raadsvrouw: mr. E.A.M.J. Heffels, advocaat in Arnhem .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 17 oktober 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer snijwonden in de pols en/of hand en/of peesletsel aan twee, althans een of meer vingers, heeft toegebracht door meteen mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de pols en/of hand te snijden en/of steken;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 17 oktober 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de pols en/of hand heeft gesneden en/of heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat hij het letsel aan de pols van [slachtoffer] niet heeft veroorzaakt.
Beoordeling door de rechtbank
Op 17 oktober 2024 krijgt de politie een melding om naar de [adres 2] in [woonplaats] te gaan. De melder betrof verdachte. Verdachte verklaarde dat zijn buurman, [slachtoffer] , geprobeerd had op melder (de rechtbank begrijpt: de vader van melder) in te rijden met zijn tractor. Aanrijdend naar de locatie heeft de politie contact opgenomen met verdachte en hoorde verdachte vervolgens zeggen: “als jullie nu niet komen, dan ga ik het zelf oplossen en doe ik hem wat aan”, of woorden van gelijke strekking. Toen de politie ter plaatse kwam, trof zij verdachte aan. Zij hoorde verdachte ongevraagd zeggen: “het is helemaal uit de hand gelopen, ik heb hem neergestoken” of woorden van gelijke strekking. Vervolgens hoorde ze verdachte zeggen: “hier heb je het mes”. Verdachte heeft de verbalisanten een zwart voorwerp door het raam van hun dienstvoertuig aangegeven. Na het mededelen van de cautie is aan verdachte gevraagd waar hij de buurman gestoken had, waarop verdachte heeft geantwoord met “ik weet het niet, het ging snel, hij maakte een slaande beweging mijn kant op en ik probeerde hem af te weren, tijdens deze actie heb ik hem gestoken. Ik heb hem geloof ik in zijn pols geraakt”.
[getuige 1] , een buurman wonende aan de [adres 3] , heeft verklaard dat hij zag dat verdachte en de broer van verdachte achter [slachtoffer] aanrenden. [slachtoffer] rende om naar zijn huis te vluchten, uiteraard. De getuige heeft verklaard dat toen ze bijna bij de woning van [slachtoffer] waren, [slachtoffer] stopte met rennen, zich omdraaide richting verdachte en de broer van verdachte en dat [slachtoffer] slaande bewegingen maakte richting verdachte en zijn broer, mogelijk om zich af te weren. Over en weer werden slaande bewegingen gemaakt. Verdachte was vooral aan het slaan, de broer van verdachte was vooral aan het roepen en schelden. De getuige heeft gezien dat [slachtoffer] weg kon komen van de jongens en dat hij daarna op de grond viel. Hij hoorde [slachtoffer] schreeuwen dat hij zijn pols gebroken had.
Het mes is in beslag genomen. Het betreft een valmes met een uitklapbaar lemmet van ongeveer 9 cm met twee geslepen snijkanten. Op het lemmet en het heft werden op bloed lijkende sporen aangetroffen. Deze sporen zijn veiliggesteld en onderzocht. Uit het NFI-rapport volgt dat op het bloedspoor dat op het lemmet werd aangetroffen DNA is aangetroffen dat mogelijk afkomstig is van [slachtoffer] , met een bewijskracht van meer dan 1 miljard.
Uit het letselonderzoek en-verslag van 18 december 2024 volgt dat de mogelijke toedracht, het snijden met een mes, goed past bij het snijletsel aan meerdere pezen van de linkeronderarm van [slachtoffer] . In de letselrapportage van 30 april 2025 concludeert de forensisch arts dat de hypothese dat het letsel is ontstaan doordat het slachtoffer is gestoken veel waarschijnlijker is dan dat het letsel door een ander mechanisme is ontstaan.
De rechtbank is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat verdachte degene is geweest die het letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht door hem te steken en/of te snijden met een mes.
Zwaar lichamelijk letsel
[slachtoffer] heeft snijwonden met peesletsel aan twee vingers opgelopen. [slachtoffer] is hieraan geopereerd, omdat er pezen doorgesneden waren die teruggetrokken zijn geraakt in zijn onderarm. De chirurg heeft de snee een stuk moeten verlengen om de pees te kunnen bereiken.
De forensisch arts heeft verklaard dat peesletsel de neiging heeft om langzaam te herstellen. Zelfs als het peesletsel optimaal herstelt, zijn er restverschijnselen: de mobiliteit van de hand zal nooit meer helemaal op het oude niveau terugkomen. De forensisch arts maakt uit het operatieverslag op dat er veel spanning op de gehechte pezen stond, en dat maakt de kans groot dat er blijvende bewegingsbeperkingen zullen zijn, of dat er nog een vervolgoperatie nodig zal zijn.
De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het letsel naar normaal spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt en daarom ook als zodanig moet worden gekwalificeerd.
Voorwaardelijk opzet
Tot slot ligt aan de rechtbank de vraag voor of verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] . Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat verdachte hier vol opzet op heeft gehad. De rechtbank moet daarom beoordelen of sprake is van voorwaardelijk opzet.
Verdachte heeft, in een confrontatie met [slachtoffer] , een slaande beweging richting [slachtoffer] gemaakt met de hand waarin hij een uitgeklapt valmes met een lemmet van ongeveer 9 cm lang met twee geslepen snijkanten vasthield. Het maken van een slaande beweging in de richting van een persoon die op dat moment dichtbij staat met een dergelijk mes in de hand levert naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte deze aanmerkelijke kans vervolgens ook bewust aanvaard. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bewust het mes heeft gepakt en in zijn broek heeft gestopt, toen [slachtoffer] naar zijn overtuiging geprobeerd had op zijn vader in te rijden met de tractor. Op de oprit van zijn ouders heeft hij het mes uit zijn broek gehaald en uitgeklapt. Verdachte heeft verklaard dat hij dit gedaan heeft omdat [slachtoffer] zijn ouders in de periode daarvoor vaker had bedreigd. Uit het eerder aangehaalde proces-verbaal van bevindingen volgt dat verdachte aan de telefoon tegen de politie heeft gezegd: “als jullie nu niet komen, dan ga ik het zelf oplossen en doe ik hem wat aan”, of woorden van gelijke strekking. Ter zitting bevestigt verdachte dat hij iets in die geest gezegd kan hebben aan de telefoon. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte voor lief heeft genomen dat door zijn handelen bij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel kon ontstaan; hij heeft daarmee die kans bewust aanvaard. Daarmee is sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Kortom, de rechtbank is van oordeel dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 17 oktober 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer snijwonden in de pols en/of hand en/of peesletsel aan twee, althans een of meer vingers, heeft toegebracht door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de pols en/of hand te snijden en/of steken;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Zware mishandeling
5. De strafbaarheid van het feit
Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw (subsidiair) aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer en dat dit moet leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging. Er was, aldus de raadsvrouw, sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding doordat [slachtoffer] verdachte onverwachts heeft aangevallen met een blik bier in zijn hand. Hiertegen heeft verdachte zich beschermd door een afwerende beweging te maken met het mes in zijn hand. De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de verdediging ook noodzakelijk en geboden was omdat er geen alternatief mogelijk was. Verdachte had op dat moment niet de mogelijkheid om een andere keuze te maken.
De rechtbank stelt voorop dat voor het slagen van een beroep op noodweer de wet vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als "verdediging", maar - naar de kern bezien - als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht. In dit kader overweegt de rechtbank als volgt.
Verdachte zat met zijn familie en twee medewerkers van Liander in de keuken toen zij [slachtoffer] zagen staan bij de werkbussen van Liander. Een medewerker van Liander, [getuige 2] , heeft verklaard dat de sfeer op dat moment omsloeg in de keuken en dat hij zag dat er allerlei dingen gepakt werden, waaronder een zwarte knuppel. Verdachte is direct, samen met zijn broer, naar buiten gerend. Verdachte was bewapend met een mes. De broer van verdachte had een honkbalknuppel bij zich. Verdachte en zijn broer zijn vervolgens achter [slachtoffer] aan gaan rennen. [slachtoffer] was op dit moment zelf al aan het wegrennen en had bijna het terrein van zijn woning bereikt. Verdachte en zijn broer zijn desondanks de confrontatie met hem op blijven zoeken. In de meerderheid en bewapend, aldus. [getuige 3] , een scooterrijder die langs reed, heeft verklaard dat [slachtoffer] in de hoek werd gedreven door verdachte en zijn broer.
Tot slot neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte aan de telefoon tegen de politie heeft gezegd dat ze moeten opschieten omdat hij [slachtoffer] anders zelf wat aan gaat doen.
De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat het gedrag van verdachte was gericht op een confrontatie met [slachtoffer] . Dit betekent dat dit gedrag niet kan worden aangemerkt als verdedigend, maar moet worden beschouwd als aanvallend. In dat geval komt verdachte geen beroep op noodweer toe.
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling. Hoewel de gevoelens van angst en onveiligheid, die verdachte door de spanningen tussen zijn familie en [slachtoffer] had, invoelbaar zijn, had verdachte niet het recht het heft in eigen hand te nemen en [slachtoffer] met een mes in zijn pols te steken/snijden. Door zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en bij hem pijn, letsel en ongemak veroorzaakt.
Uit de justitiële documentatie van verdachte van 1 december 2025 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 18 juni 2025 waaruit ook volgt dat er al lange tijd sprake was van gevoelens van onveiligheid en onmacht door bedreigingen en/of verward gedrag van [slachtoffer] . Verdachte ziet in dat hij verkeerd gehandeld heeft. Er worden geen aanwijzingen gezien voor impulsiviteit of een gebrek aan copingvaardigheden. Wel acht de reclassering het mogelijk dat verdachte door zijn gevoelens van onveiligheid, zijn emoties en wat zich heeft voorgedaan vlak voor dit incident, geen weloverwogen keuze heeft gemaakt en zodoende zonder de consequenties te overzien tot het strafbare feit is gekomen. Het risico op verder escalatie is laag, nu recentelijk bekend is geworden dat de woning van [slachtoffer] is verkocht. De reclassering adviseert om een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gelet op de geldende oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden. Het handelen van verdachte heeft grote gevolgen gehad voor het slachtoffer. Kijkend naar de ernst van het feit zou daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend zijn. Aan de andere kant heeft verdachte ter terechtzitting oprecht spijt betuigd. Hij heeft aangegeven dat het nooit zo ver had mogen komen. Verder houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte zijn leven verder op orde heeft en de van meet af aan meewerkende proceshouding van verdachte. Alles afwegend zal de rechtbank daarom de gevangenisstraf bijna geheel voorwaardelijk opleggen. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 87 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de dagen die verdachte in verzekering heeft doorgebracht en met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden. De rechtbank zal daarnaast aan verdachte een taakstraf opleggen van 120 uur.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 246.800,00 aan materiële schade en € 35.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in het materiële deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de gevorderde schade en het strafbare feit. De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het immateriële deel van de vordering op het standpunt gesteld dat deze dient te worden gematigd en dat een bedrag van € 6.000,00 passend is om toe te wijzen vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij
niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard gelet op de gevraagde integrale vrijspraak en ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat de gevraagde materiële schadevergoeding niet in verband staat met het strafbare feit dan wel dat dit een te ver verwijderd verband is. De immateriële schadevergoeding is onvoldoende onderbouwd. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat, mocht de rechtbank wel smartengeld toekennen voor het letsel, beoordeling van deze post een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert omdat in deze zaak ook sprake is van eigen schuld aan de zijde van [slachtoffer] . Daarnaast is zijn huidige medische situatie onbekend.
Beoordeling van de rechtbank
Materiële schade
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 246.800,00 aan materiële schade, bestaande uit € 205.000,00 voor het verlies van zijn woning, € 40.000,00 voor het verlies aan werkmateriaal en € 1.800,00 aan opslagkosten voor zijn persoonlijke bezittingen.
De benadeelde partij heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat deze schadeposten in een rechtstreeks verband staan met het strafbare feit. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in deze vordering verklaren.
Smartengeld
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft € 35.000,00 aan smartengeld gevorderd vanwege lichamelijk letsel, psychisch letsel, zijn achtergrond met PTSS en de gedragingen van de verdachte.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Door het strafbare feit heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel in de vorm van snijwonden met peesletsel aan twee vingers opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Van eigen schuld van de benadeelde is geen sprake. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Daarbij heeft de rechtbank mede acht geslagen op de Rotterdamse Schaal. Voor ‘Minder ernstig handletsel’, waaronder onder meer letsel aan weke delen (pezen) en diepe snijwonden vallen, geldt een bandbreedte van € 4.000,00 tot €10.000,00. Dat de ernst van de eventuele blijvende beperkingen een bedrag aan de top van de bandbreedte rechtvaardigt, is in (de toelichting op) de vordering onvoldoende gebleken. Naar maatstaven van billijkheid zal de rechtbank het smartengeld op een bedrag van € 6.000,00 vaststellen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 17 oktober 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 87 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
legt op een taakstraf van 120 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.
De benadeelde partij [slachtoffer]
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade en smartengeld.