ECLI:NL:RBGEL:2026:585

ECLI:NL:RBGEL:2026:585

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 21-01-2026
Datum publicatie 27-01-2026
Zaaknummer 05/353052-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Man veroordeeld voor roekeloos rijgedrag en veroorzaken verkeersongevallen, verlaten plaats ongeval, rijden onder invloed van lachgas en vervoeren en bezitten van lachgas. Opgelegd wordt een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, proeftijd 3 jaar en een meldplicht als bijzondere voorwaarde. Rijontzegging van 3 jaren.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05.353052.24

Datum uitspraak : 21 januari 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] [woonplaats] .

Raadsvrouw: mr. R.W. van Zanden, advocaat in Arnhem .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1 hij op of omstreeks 3 november 2024 in de provincie Zuid-Holland en/of Gelderland, in de gemeente Papendrecht en/of de gemeente Sliedrecht en/of de gemeente Hardinxveld-Giessendam en/of de gemeente Gorinchem en/of de gemeente West Betuwe en/of de gemeente Tiel en/of de gemeente Neder-Betuwe en/of de gemeente Overbetuwe en/of de gemeente Arnhem, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A15 en/of de N839 en/of de Karstraat en/of de Dikelsestraat en/of de Kattenlegerstraat en/of de Bemmelseweg en/of de Industrieweg Oost en/of de Colloseum en/of de Basilica en/of de Regenboog en/of de Ceintuurbaan en/of de Nieuw Aamsestraat en/of de A325 en/of de Nijmeegseweg, roekeloos, althans zeer dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW94) en/of terwijl een of meerdere politievoertuigen hem, verdachte, met gebruikmaking van optische en geluidssignalen (achter)volgden, een of meerdere malen tijdens het rijden lachgas heeft gebruikt door een ballon te vullen met lachgas en/of die ballon in zijn mond te stoppen/aan zijn mond te houden en/of in strijd met artikel 83 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV90) niet is gestopt voor een stopteken dat was gegeven door middel van een aan een politievoertuig aangebracht verlicht transparant, met daarin in rode letters de woorden ‘stop’ of ‘stop politie’ en/of (tijdens die achtervolging) voortdurend/telkens heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid, in elk geval telkens/voortdurend met een aanzienlijk hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, immers heeft hij gereden met snelheden oplopend tot (ongeveer) 180 kilometer per uur en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 43, derde lid RVV90 anders dan in een noodgeval, heeft gereden over/op, althans gebruik heeft gemaakt van, de vluchtstrook en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 76 RVV90 een doorgetrokken streep heeft overschreden en/of een of meerdere malen over de redresseerstrook heeft gereden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 11 RVV90 weggebruikers rechts, in plaats van links, heeft ingehaald en/of een of meerdere malen tegen de verkeersrichting in en/of op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer heeft gereden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 3, eerste lid RVV90 niet aan zijn, verdachtes, verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 10 RVV90 niet over de rijbaan, maar door/over de (midden)berm, heeft gereden en/of een of meerdere malen zeer dicht achter een voor hem rijdend voertuig heeft gereden en/of (daarbij) (aldus) in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van de door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of een of meerdere malen slingerende (stuur)bewegingen heeft gemaakt en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 62 jo. 68, eerste lid onder c RVV90 geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, maar is hij doorgereden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 62 jo. 78, tweede lid RVV90 niet de verplichte rijrichting heeft gevolgd, waardoor overige weggebruikers remden en/of uitweken om een aanrijding met verdachte te voorkomen en/of over een of meerdere paaltjes is gereden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van de door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij tijdens het inhalen gebotst tegen een of meerdere voertuigen, althans met die voertuigen in aanrijding gekomen en/of rijdende over de Nijmeegseweg, terwijl er sprake was van druk verkeer en/of op beide rijstroken meerdere (langzaam rijdende) voertuigen reden, zeer dicht/kort langs een of meerdere voertuigen is gereden (teneinde deze in te halen/te passeren) en/of met een abrupte/scherpe stuurbeweging van rijstrook heeft gewisseld en/of (daarbij) in strijd met artikel 11 RVV90 een voertuig rechts, in plaats van links, heeft ingehaald en/of (vervolgens) in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van de door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij, met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 64 kilometer per uur, (achterop) een voertuig (personenauto, Opel Corsa) gebotst, althans met dat voertuig in aanrijding gekomen en/of (vervolgens), met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 56 kilometer per uur, (achterop) een voertuig (personenauto, Ford Ka) gebotst, althans met dat voertuig in aanrijding gekomen, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [aangever 3] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

feit 2 hij op of omstreeks 3 november 2024 in de provincie Zuid-Holland en/of Gelderland, in de gemeente Papendrecht en/of de gemeente Sliedrecht en/of de gemeente Hardinxveld-Giessendam en/of de gemeente Gorinchem en/of de gemeente West Betuwe en/of de gemeente Tiel en/of de gemeente Neder-Betuwe en/of de gemeente Overbetuwe en/of de gemeente Arnhem, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A15 en/of de N839 en/of de Karstraat en/of de Dikelsestraat en/of de Kattenlegerstraat en/of de Bemmelseweg en/of de Industrieweg Oost en/of deColloseum en/of de Basilica en/of de Regenboog en/of de Ceintuurbaan en/of de Nieuw Aamsestraat en/of de A325 en/of de Nijmeegseweg, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW94) en/of terwijl een of meerdere politievoertuigen hem, verdachte, met gebruikmaking van optische en geluidssignalen (achter)volgden, een of meerdere malen tijdens het rijden lachgas heeft gebruikt door een ballon te vullen met lachgas en/of die ballon in zijn mond te stoppen/aan zijn mond te houden en/of in strijd met artikel 83 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV90) niet is gestopt voor een stopteken dat was gegeven door middel van een aan een politievoertuig aangebracht verlicht transparant, met daarin in rode letters de woorden ‘stop’ of ‘stop politie’ en/of (tijdens die achtervolging) voortdurend/telkens heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid, in elk geval telkens/voortdurend met een aanzienlijk hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, immers heeft hij gereden met snelheden oplopend tot (ongeveer) 180 kilometer per uur en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 43, derde lid RVV90 anders dan in een noodgeval, heeft gereden over/op, althans gebruik heeft gemaakt van, de vluchtstrook en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 76 RVV90 een doorgetrokken streepheeft overschreden en/of een of meerdere malen over de redresseerstrook heeft gereden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 11 RVV90 weggebruikers rechts, in plaats van links, heeft ingehaald en/of een of meerdere malen tegen de verkeersrichting in en/of op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer heeft gereden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 3, eerste lid RVV90 niet aan zijn, verdachtes, verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 10 RVV90 niet over de rijbaan, maar door/over de (midden)berm, heeft gereden en/of een of meerdere malen zeer dicht achter een voor hem rijdend voertuig heeft gereden en/of (daarbij) (aldus) in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van de door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of een of meerdere malen slingerende (stuur)bewegingen heeft gemaakt en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 62 jo. 68, eerste lid onder c RVV90 geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, maar is hij doorgereden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 62 jo. 78, tweede lid RVV90 niet de verplichte rijrichting heeft gevolgd, waardoor overige weggebruikers remden en/of uitweken om een aanrijding met verdachte te voorkomen en/of over een of meerdere paaltjes is gereden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van de door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien enwaarover deze vrij was, immers is hij tijdens het inhalen gebotst tegen een of meerdere voertuigen, althans met die voertuigen in aanrijding gekomen en/of is hij achterop een of meerdere, langzaam voor hem rijdende, voertuigen gebotst, althans met die voertuigen in aanrijding gekomen, en aldus in strijd met het in artikel 5a van de WVW94 gestelde verbod, zich opzettelijk zodanig in het verkeer heeft gedragen dat voormelde verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, waardoor daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 november 2024 in de provincie Zuid-Holland en/of Gelderland, in de gemeente Papendrecht en/of de gemeente Sliedrecht en/of de gemeente Hardinxveld-Giessendam en/of de gemeente Gorinchem en/of de gemeente West Betuwe en/of de gemeente Tiel en/of de gemeente Neder-Betuwe en/of de gemeente Overbetuwe en/of de gemeente Arnhem, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A15 en/of de N839 en/of de Karstraat en/of de Dikelsestraat en/of de Kattenlegerstraat en/of de Bemmelseweg en/of de Industrieweg Oost en/of de Colloseum en/of de Basilica en/of de Regenboog en/of de Ceintuurbaan en/of de Nieuw Aamsestraat en/of de A325 en/of de Nijmeegseweg, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW94) en/of terwijl een of meerdere politievoertuigen hem, verdachte, met gebruikmaking van optische en geluidssignalen (achter)volgden, een of meerdere malen tijdens het rijden lachgas heeft gebruikt door een ballon te vullen met lachgas en/of die ballon in zijn mond te stoppen/aan zijn mond te houden en/of in strijd met artikel 83 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV90) niet is gestopt voor een stopteken dat was gegeven door middel van een aan een politievoertuig aangebracht verlicht transparant, met daarin in rode letters de woorden ‘stop’ of ‘stop politie’ en/of (tijdens die achtervolging) voortdurend/telkens heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid, in elk geval telkens/voortdurend met een aanzienlijk hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, immers heeft hij gereden met snelheden oplopend tot (ongeveer) 180 kilometer per uur en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 43, derde lid RVV90 anders dan in een noodgeval, heeft gereden over/op, althans gebruik heeft gemaakt van, de vluchtstrook en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 76 RVV90 een doorgetrokken streep heeft overschreden en/of een of meerdere malen over de redresseerstrook heeft gereden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 11 RVV90 weggebruikers rechts, in plaats van links, heeft ingehaald en/of een of meerdere malen tegen de verkeersrichting in en/of op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer heeft gereden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 3, eerste lid RVV90 niet aan zijn, verdachtes, verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 10 RVV90 niet over de rijbaan, maar door/over de (midden)berm, heeft gereden en/of een of meerdere malen zeer dicht achter een voor hem rijdend voertuig heeft gereden en/of (daarbij) (aldus) in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van de door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of een of meerdere malen slingerende (stuur)bewegingen heeft gemaakt en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 62 jo. 68, eerste lid onder c RVV90 geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, maar is hij doorgereden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 62 jo. 78, tweede lid RVV90 niet de verplichte rijrichting heeft gevolgd, waardoor overige weggebruikers remden en/of uitweken om een aanrijding met verdachte te voorkomen en/of over een of meerdere paaltjes is gereden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van de door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij tijdens het inhalen gebotst tegen een of meerdere voertuigen, althans met die voertuigen in aanrijding gekomen en/of is hij achterop een of meerdere, langzaam voor hem rijdende, voertuigen gebotst, althans met die voertuigen in aanrijding gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

feit 3 hij op of omstreeks 3 november 2024 in de provincie Zuid-Holland en/of Gelderland, in de gemeente Papendrecht en/of de gemeente Sliedrecht en/of de gemeente Hardinxveld-Giessendam en/of de gemeente Gorinchem en/of de gemeente West Betuwe en/of de gemeente Tiel en/of de gemeente Neder-Betuwe en/of de gemeente Overbetuwe en/of de gemeente Arnhem, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten lachgas, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;feit 4hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Elst, althans in Nederland, op de Ceintuurbaan, op of omstreeks 3 november 2024 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander ( [aangever 1] ) letsel en/of schade was toegebracht;

feit 5 hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Arnhem, althans in Nederland op de A325, op of omstreeks 3 november 2024 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [aangever 2] ) letsel en/of schade was toegebracht;

feit 6 hij op of omstreeks 3 november 2024 in de provincie Zuid-Holland en/of Gelderland, in de gemeente Papendrecht en/of de gemeente Sliedrecht en/of de gemeente Hardinxveld-Giessendam en/of de gemeente Gorinchem en/of de gemeente West Betuwe en/of de gemeente Tiel en/of de gemeente Neder-Betuwe en/of de gemeente Overbetuwe en/of de gemeente Arnhem, althans in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, 4211,3 gram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1, feit 2 primair en feit 3 tot en met 6 tenlastegelegde. Daarbij heeft de officier van justitie ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde gesteld dat verdachte schuld aan de verkeersongevallen heeft, zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW94), in die zin dat sprake is van roekeloos rijgedrag.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat enkel de gedragingen die hebben plaatsgevonden in Arnhem, net vóór en op de Nijmeegseweg, hebben geleid tot het ongeval aldaar. Van de gedragingen die daarvóór plaatsvonden, is niet komen vast te staan dat deze hebben geleid tot het in de tenlastelegging genoemde ongeval. Verdachte dient, vanwege het ontbreken van causaal verband, te worden vrijgesproken van deze gedragingen. De raadsvrouw heeft daarnaast betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het bestanddeel ‘roekeloosheid’, nu de gedragingen die hebben geleid tot het verkeersongeval niet onder deze zwaarste categorie vallen. Ook heeft de raadsvrouw betoogd dat het letsel van [aangever 3] niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 Wetboek van Strafrecht (hierna: ‘Sr’). De raadsvrouw heeft zich verder op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onderdeel ‘terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW94)’ zoals ten laste gelegd onder feit 1 en feit 2, en onder feit 3, nu niet kan worden bewezen dat verdachte tijdens het rijden in een dergelijke toestand verkeerde. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw betoogd dat niet kan worden bewezen dat verdachte tijdens het rijden een ballon heeft gevuld, waardoor verdachte van dit deel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft ten slotte ten aanzien van feit 2 betoogd dat niet iedere gedraging, zoals opgesomd in de tenlastelegging, kan worden aangemerkt als het in ernstige mate schenden van verkeersregels waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Verdachte dient om die reden van die gedragingen te worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 4 en 5 heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onderdeel “letsel” in de tenlastelegging, nu uit het dossier niet blijkt dat [aangever 1] of [aangever 2] letsel heeft opgelopen. Ten aanzien van feit 6 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Bewijsmiddelen

Op 3 november 2024 werd om 10:50 uur bij de politie gemeld dat er op de A15 in de buurt van Sliedrecht een bestelauto met het [kenteken] zou rijden. De bestuurder reed slingerend terwijl hij met ballonnen aan zijn mond zat. Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] zagen tussen de afslagen Gorinchem en Gorinchem Oost de zwarte Mercedes-Benz Sprinter met [kenteken] rijden. Gedurende een afstand van 2000 meter reageerde het voertuig niet op de blauwe zwaailichten. De politieagenten activeerden de sirene en het stopbord aan de voorkant van hun voertuig. De bestelauto verhoogde zijn snelheid en ging meermalen op zeer korte afstand van zijn voorliggers rijden.

Het voertuig werd op enig moment ook gevolgd door de politiehelikopter. De beelden van de politiehelikopter zijn uitgekeken. De beelden starten op het moment dat men de afslag Geldermalsen naderde. Om 11:08:31 uur kwam het zwarte busje waarin verdachte reed in beeld. Te zien was dat twee opvallende politievoertuigen dit voertuig volgden terwijl zij beiden zwaailichten voerden. De bemanning van de helikopter merkte om 11:09:15 uur op dat het voertuig van verdachte 160 km/u reed, terwijl de toegestane snelheid 100 km/u was. De bestelbus waarin verdachte reed, haalde vervolgens twee andere verkeersdeelnemers in door over de vluchtstrook te rijden. Na het inhalen reed verdachte tussen twee auto’s door vanaf de vluchtstrook naar rijstrook 1. De bemanning van de helikopter merkte op dat verdachte op de linkerrijstrook reed met een snelheid van ongeveer 170 - 180 km/u. Om 11:09:55 uur haalde verdachte over de linker vluchtstrook een voertuig op rijstrook 1 in. Daarbij overschreed verdachte de doorgetrokken streep aan de linkerzijde van de weg en haalde verdachte de auto in over de redresseerstrook. Om 11:12:58 uur overschreed verdachte opnieuw de redresseerstrook. Op dat moment reed een tankauto op rijstrook 2. Verdachte reed vanaf rijstrook 1, via rijstrook 2 de vluchtstrook op en haalde de tankauto in via de vluchtstrook. Direct na het inhalen verplaatste verdachte zich weer naar rijstrook 1. Verdachte bleef vervolgens langere tijd over rijstrook 1 rijden, terwijl er voldoende ruimte was op rijstrook 2. De bemanning van de helikopter merkte op dat men de afslag Ochten naderde. Meerdere keren was te zien dat verdachte auto’s over de vluchtstrook inhaalde of inhaalde door de redresseerstrook te overschrijden. De bemanning van de politiehelikopter merkte op dat men de afslag Dodewaard naderde en dat verdachte met een snelheid van 150 km/u uur reed. Om 11:18:05 uur reed verdachte verder over rijstrook 1, waarbij hij met zijn linker wielen de doorgetrokken streep aan de linkerzijde van de weg overschreed. Vervolgens verplaatste verdachte zich weer binnen de wegbelijning. De bemanning merkte op dat verdachte met een snelheid van rond de 160 km/u reed. Verdachte verplaatste zich om 11:18:39 uur naar de vluchtstrook en bleef deze volgen. Verdachte reed vanaf de vluchtstrook de uitvoegstrook op en haalde twee auto’s in. Hierbij reed verdachte deels over de doorgetrokken streep en volgde op dat moment niet de aangegeven rijrichting. Om 11:23:36 uur reed verdachte vanaf de doorgaande weg de invoegstrook op en haalde een personenauto in. De invoegstroom hield daarna op en liep over in een berm. Verdachte stuurde deels terug de rijbaan op, waarbij te zien was dat de remlichten van zijn auto oplichtten. Verdachte kwam vervolgens uit bij de kruising van de A15 met de N839. Verdachte volgde de voorsorteerstrook voor linksaf en reed vervolgens door rood. Vervolgens maakte verdachte een U-bocht en vervolgde zijn weg naar de kruising met de A15. Op dat moment kwamen de opvallende politiewagens de A15 afrijden. Te horen was dat één van de verbalisanten aangaf dat de bestuurder ‘vol aan een ballon zat’. Om 11:26:34 uur kwam verdachte bij de kruising N839 met de Karstraat uit. Verdachte vervolgde zijn weg over de Dikelsestraat en de Kattenlegerstraat in de richting van Elst. Verdachte reed vervolgens over de Bemmelseweg de Industrieweg Oost op. Verdachte reed op dat moment binnen de bebouwde kom van Elst met een snelheid van 80 km/u waar 50 km/u is toegestaan. Vervolgens reed verdachte de woonwijk aan het Colosseum in en reed via de Basilica de Regenboog in. Om 11:32:32 uur sloeg verdachte rechtsaf de Ceintuurbaan op, waarbij hij de doorgetrokken streep overschreed en even op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer reed. Verdachte reed daarna een oversteekplaats en kruisingsvlak op, alwaar een snelheid van 30 km/u geldt. Het voertuig stuiterde en slingerde. Opnieuw reed verdachte een oversteekplaats/ kruisingsvlak op, met een snelheid van ongeveer 86 km/u waar een snelheid van 30 km/u is toegestaan. Om 11:33:38 uur reed verdachte achter een personenauto. Nadat een oversteekplaats gepasseerd werd, haalde verdachte de personenauto in. Daarbij leek verdachte deze personenauto te raken. Verdachte nam de rotonde met de Nieuw Aamsestraat en vervolgde zijn weg in de richting van de A325. Verdachte volgde het voorsorteervak voor linksaf en naderde de kruising met de afrit A325. Op de rijstrook voor rechtdoor stond een personenauto te wachten. Verdachte reed met een hoge snelheid de kruising op, rechtdoor in plaats van de verplichte rijrichting linksaf. Om 11:34:35 uur sloeg verdachte linksaf en reed de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer op. Een personenauto kwam de afrit afgereden. Een aanrijding werd voorkomen doordat de bestuurder van de personenauto naar de berm toestuurde en verdachte de middenberm instuurde. Verdachte reed door de middenberm en reed vervolgens de oprit naar de A325 op. Verdachte werd op dat moment nog steeds gevolgd door een opvallende politieauto, die het puntstuk overschreed om te proberen verdachte in te halen. Verdachte overschreed direct het puntstuk en reed voor de opvallende politiewagen de snelweg op. Om 11:36:50 uur werd gezien dat er op rijstrook 1 een zwarte personenauto reed. Verdachte naderde deze personenauto met hoge snelheid en raakte deze personenauto aan de linker achterzijde. Verdachte bleef doorrijden. Verdachte naderde de kruising met het Gelredome. Op rijstrook 1 reed er verkeer voor verdachte. Verdachte stuurde met hoge snelheid deels de berm in en haalde een personenauto in. Verdachte volgde het voorsorteervak voor linksaf en naderde de kruising met een snelheid gelegen tussen de 110 en 120 km/u waar een snelheid van 70 km/u geldt. Verdachte reed door het rode stoplicht rechtdoor, in de richting van het centrum van Arnhem. Te zien was dat het druk op de weg was. Om 11.37:50 uur is te zien dat verdachte als het ware zijn voorligger aan de kant 'drukt'. Daarbij lijkt het alsof deze auto door verdachte wordt geraakt. Verdachte volgde de Nijmeegseweg, waar een toegestane snelheid van 50 km/u geldt. Te zien was dat het overige verkeer langzaam reed. Om 11:37:54 uur ramde verdachte een zwarte personenauto vol aan de achterzijde. Door deze aanrijding maakte de zwarte personenauto een zwieper naar rechts en werd de berm in bewogen. Direct nadat de zwarte personenauto aan de kant was gebeukt, ramde verdachte een groene personenauto. Deze groene personenauto draaide door de impact 180 graden en werd tegen zijn voorganger gedrukt. De opvallende politieauto drukte vervolgens tegen de voorzijde van het voertuig van verdachte, waarbij deze tegen een lantaarnpaal tot stilstand kwam. Verdachte werd vervolgens aangehouden.

Aangever [aangever 1] heeft verklaard dat hij op 3 november 2024 op de Ceintuurbaan in Elst reed. [aangever 1] zag een politieauto naderen. Op het moment dat hij aan de kant wilde gaan, zag hij dat er een Mercedes-Benz Sprinter ineens hard van achteren naderde. Het voertuig kwam heel dicht op de achterkant van zijn auto rijden en raakte vol de linker achterzijde van de auto van [aangever 1] . Door de aanrijding is het linker achterlicht en de linker achterzijde van de bumper van de auto van [aangever 1] beschadigd.

Aangever [aangever 2] heeft verklaard dat hij op de A325 reed. [aangever 2] zag dat een zwarte bestelbus achter hem kwam rijden. [aangever 2] hoorde ook allerlei sirenes achter de bestelbus. [aangever 2] ging na het horen van de claxon van de zwarte bestelbus direct naar de rechterrijbaan en de zwarte bestelbus passeerde hem op de linkerrijstrook. [aangever 2] zag en hoorde dat de zwarte bestelbus tijdens het passeren tegen de bestuurderszijde van zijn voertuig aanreed. De zwarte bestelbus reed vervolgens door. Later zag [aangever 2] dat hij schade aan de bestuurderszijde van zijn voertuig had. De verlichting aan de linker achterzijde van zijn auto was kapot, de achterbumper was beschadigd en er zat een kras bij de bestuurderszijde.

[getuige] heeft verklaard dat hij op 3 november 2024 op de Nijmeegseweg reed. Hij zag dat een zwart busje langs hem reed op de linkerbaan van de Nijmeegseweg. Hij zag dat het busje, terwijl die [getuige] inhaalde, naar rechts schoof om op zijn rijbaan te komen. [getuige] voelde toen dat het busje de achterkant van zijn personenauto raakte toen deze de beweging naar rechts maakte.

Aangever [aangever 3] heeft verklaard dat zij zich op 3 november 2024 op de Nijmeegseweg te Arnhem bevond. [aangever 3] reed op het moment van de aanrijding in een Opel Corsa. Zij stond met haar auto stil op de rijbaan. Zij zag in haar achteruitkijkspiegel dat een zwart voertuig op haar af reed. Direct daarna voelde [aangever 3] een harde klap aan de achterkant van haar voertuig. [aangever 3] heeft veel schade aan haar voertuig. Sinds het ongeval heeft [aangever 3] last van haar nek en haar hoofd, van misselijkheid, duizeligheid en vergeetachtigheid. [aangever 3] liet dingen uit haar handen vallen, liep tegen voorwerpen aan en was extreem prikkelgevoelig. [aangever 3] werkte op het moment van haar verklaring (ongeveer 5 maanden na het ongeluk) nog steeds niet volledig; 12 uur per week, terwijl zij vóór het ongeval 32 uur per week werkte. Zij is nog steeds enorm prikkelgevoelig, heeft hoofdpijn en is met regelmaat misselijk. Er zou sprake zijn van een hersenschudding dan wel whiplashklachten. Na een intensief revalidatietraject gaat het weer beter met haar, maar zij is er nog niet en ze hoopt dat ze ooit weer helemaal de oude wordt.

Aangever [aangever 4] heeft verklaard dat hij zich in zijn groene Ford Ka op de Nijmeegseweg bevond en stilstond op het De Monchyplein. [aangever 4] zag in zijn achteruitkijkspiegel dat er een busje achter hem reed. Binnen een seconde reed dit busje met een harde knal tegen de achterkant van zijn auto aan. De auto van [aangever 4] draaide door de klap 180 graden. [aangever 4] voelde dat zijn nek stijf was en dat hij een bult op zijn hoofd had.

Aangever [aangever 5] heeft verklaard dat zij voor een rood verkeerslicht stilstond op het De Monchyplein. [aangever 5] zag dat een busje met hoge snelheid haar richting op reed. Het busje reed achterop de groene Ford Ka die achter haar stond. De auto van [aangever 5] werd vervolgens geraakt door een auto.

Uit onderzoek aan het voertuig van verdachte is gebleken dat verdachte met een snelheid van 64 km/u reed op het moment van de aanrijding met de Opel (de rechtbank begrijpt: de aanrijding met [aangever 3] ). Op het moment van de aanrijding met de Ford (de rechtbank begrijpt: de aanrijding met [aangever 4] ) registreerde de auto van verdachte een snelheid van 56 km/u.

Er is na de aanhouding van verdachte direct onderzoek gedaan in de bestelbus. Er lagen zes lachgasflessen in de bus. Eén van de lachgasflessen die tussen de bestuurder en de bijrijder in lag, was nat. Het was de verbalisant ambtshalve bekend dat een dergelijke cilinder aan de buitenzijde bevriest wanneer er ballonnen worden gevuld. Aan de betreffende cilinder was een witte vulnippel bevestigd. Ook lagen er meerdere ballonnen in het personencompartiment ter hoogte van de bestuurdersstoel.

De aangetroffen flessen zijn onderzocht. Er werd geconstateerd dat het ging om zes lachgasflessen, gelet op de uiterlijke kenmerken, de tekst op de fles, de vorm, en de gevarenstickers op de flessen. De flessen bevatten een (netto) totaalgewicht van 4211,3 gram aan lachgas.

Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens het rijden lachgas gebruikte, dat zijn bijrijder de lachgasballonnen tijdens het rijden voor hem vulde en dat hij onder invloed van lachgas was. Anders zou hij niet zo hebben gereden. Verdachte heeft verklaard dat hij van lachgas in een soort van high komt, ook van de lachgas die bij de aanhouding is aangetroffen. Verdachte verklaarde eveneens te weten dat het gevaarlijk is om onder invloed van lachgas te rijden.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij de hele tijd dacht dat de politie achter hem aanreed, ook toen de opvallende politievoertuigen niet meer in het zicht reden.

Gelet op het feit dat het rijden onder invloed niet alleen separaat ten laste is gelegd onder feit 3, maar ook onderdeel uitmaakt van het tenlastegelegde onder feit 1 en feit 2, zal de rechtbank eerst de vraag beantwoorden of zij wettig en overtuigend bewezen vindt dat verdachte onder invloed heeft gereden.

Rijden onder invloed

Reeds bij Sliedrecht werd gezien dat verdachte een ballon in zijn mond had. Ook bij Bemmel werd gezien dat verdachte een ballon in zijn mond had. En ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij tijdens de rit lachgas gebruikte en onder invloed was.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van lachgas de rijvaardigheid negatief beïnvloedt. Uit algemeen toegankelijke bronnen, zoals de website van het Trimbosinstituut, kan worden vastgesteld dat de effecten van lachgas onder andere kunnen zijn: een euforische stemming, auditieve en visuele hallucinaties en lachen. Ook een verminderd reactievermogen, duizeligheid en wazig zien zijn effecten van lachgas. Lachgas wordt gebruikt om in een min of meer benevelde toestand te raken - een toestand waarvan logischerwijs een sterk negatief effect op de rijvaardigheid uitgaat. Verdachte heeft de effecten van lachgas op hem omschreven als een soort van high. Verdachte heeft daarnaast verklaard te weten dat hij niet onder invloed van lachgas mocht rijden en dat het lachgas dat hij tijdens het rijden heeft gebruikt van invloed is geweest op zijn rijstijl. De rechtbank overweegt dat verdachte dus op de hoogte was van de effecten van lachgas en hieruit kon afleiden dat deze effecten, de high die verdachte omschrijft, een negatieve invloed hadden op de rijvaardigheid.

Anders dan door de verdediging is aangevoerd, stelt de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen ook vast dat verdachte de gehele achtervolging onder invloed van lachgas is geweest, ook op het moment dat verdachte op de auto van [aangever 3] inreed. Dit volgt niet alleen uit de eigen verklaringen van verdachte (zoals hiervoor weergegeven), maar ook uit het feit dat er een aanzienlijke hoeveelheid ballonnen in het personencompartiment ter hoogte van de bestuurdersstoel lag en er kort voor de aanrijding met [aangever 3] (namelijk 11 minuten daarvoor) door een politieagent nog is waargenomen dat verdachte ‘vol aan een ballon zat’. Dat het effect van lachgas kortdurend is, zoals door de verdediging aangevoerd, staat – gelet op de bewijsmiddelen – niet aan deze vaststelling in de weg.

feit 3

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de genoemde bewijsmiddelen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte onder invloed van lachgas heeft gereden en dat hij onder zodanige invloed daarvan verkeerde, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. De rechtbank acht feit 3 dan ook wettig en overtuigend bewezen.

feit 1 en 2

De rechtbank stelt vast dat verdachte gedurende een rit van ruim 40 minuten veel en verschillende verkeersovertredingen heeft gemaakt, onder andere: het meermalen andere weggebruikers rechts inhalen, andere weggebruikers inhalen over de vluchtstrook of redresseerstrook, door rood rijden, op de verkeerde weghelft of in de berm rijden en het niet stoppen voor politievoertuigen die door optische en geluidssignalen verdachte aan de kant probeerden te krijgen. Verdachte heeft daarnaast gedurende vrijwel de gehele rit fors te hard gereden, waarbij de hoogst gemeten snelheid uitkwam op een snelheid van tussen de 170 en 180 km/u. Gelet op het hiervoor overwogene, verkeerde verdachte daarbij ook in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid WVW94 en gebruikte hij gedurende deze rit steeds lachgas. Bovendien heeft verdachte gedurende en aan het einde van zijn rit [aangever 1] , [aangever 2] , [getuige] , [aangever 4] , [aangever 5] en [aangever 3] aangereden.

De rechtbank stelt allereerst vast dat er een causaal verband bestaat tussen de uit de bewijsmiddelen gebleken gedragingen van verdachte en de uiteindelijke aanrijdingen, in het bijzonder van [aangever 3] . Bij Sliedrecht werd verdachte reeds opgemerkt door verbalisanten en werd verdachte gemaand om te stoppen. Verdachte gaf hieraan geen gehoor. Dit was de start van een achtervolging die zeker 40 minuten duurde. De rechtbank stelt vast dat verdachte gedurende deze rit de politie voortdurend probeerde te ontvluchten en daarbij diverse snelheids- en verkeersovertredingen heeft begaan, terwijl hij onder invloed was van lachgas. Al deze gedragingen en verkeersovertredingen, die verdachte beging om te kunnen ontkomen aan de politie, hebben er uiteindelijk toe geleid dat verdachte de slachtoffers heeft aangereden en in het bijzonder bij [aangever 3] letsel heeft veroorzaakt.

De rechtbank dient ten aanzien van feit 1 vervolgens de vraag te beantwoorden of verdachte zich zodanig heeft gedragen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW94. Bij de beoordeling van de schuldvraag komt het, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Bovendien verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Schuld, in de zin van artikel 6 WVW94, kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijk onvoorzichtig tot roekeloos, waarbij roekeloos geldt als de zwaarste vorm van schuld. De rechtbank zal eerst beoordelen of sprake is van roekeloosheid als bedoeld in artikel 6 WVW94 in samenhang met artikel 175, tweede lid, WVW94.

Van roekeloosheid is sprake in gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen. Met de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik daarvan willen verbreden. Daartoe is in artikel 175, tweede lid WVW94 bepaald dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid WVW94 kan worden aangemerkt.

Om vast te kunnen stellen dat het verkeersgedrag van verdachte voldoet aan de delictsomschrijving van artikel 5a, eerste lid, WVW94, moet de rechtbank beoordelen:

Ten aanzien van 1) en 2):

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte gedurende lange tijd en over een grote afstand meerdere malen verkeersovertredingen maakte en nagenoeg gedurende de gehele achtervolging forse snelheidsovertredingen beging. Zo heeft verdachte andere weggebruikers op gevaarlijke wijze ingehaald door rechts in te halen, in te halen via de vluchtstrook of via de redresseerstrook. Verdachte reed meermalen door de berm of op de vluchtstrook wanneer dit niet was toegestaan. Ook heeft verdachte meerdere keren op de verkeerde weghelft of in de verkeerde rijrichting gereden en is hij meerdere malen door rood gereden. Daarbij komt dat verdachte onder invloed van lachgas de auto bestuurde. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank niet alleen sprake van het schenden van de verkeersregels, maar ook van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.

Ten aanzien van 3):

De rechtbank overweegt verder dat uit de gedragingen van verdachte en de verklaring van verdachte ter terechtzitting blijkt dat hij koste wat het kost uit de handen van de politie wilde blijven en daarom de verkeersovertredingen heeft begaan. Ook voor het rijden onder invloed van lachgas geldt dat verdachte dit opzettelijk heeft gedaan. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij op de hoogte was van de effecten van lachgasgebruik. Verdachte heeft verklaard dat het lachgas dat hij tijdens het rijden heeft gebruikt van invloed is geweest op zijn rijstijl. Verdachte heeft dan ook moeten weten wat de effecten van lachgas waren op zijn rijvaardigheid. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte opzettelijk in ernstige mate de verkeersregels heeft geschonden.

Ten aanzien van 4):

In zijn algemeenheid acht de rechtbank het voorzienbaar dat er een zeer gevaarlijke situatie ontstaat wanneer een bestuurder het hiervoor beschreven verkeersgedrag vertoont, helemaal wanneer dat onder invloed van lachgas gebeurt. Bovendien heeft het gevaar op zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen zich in dit geval ook verwezenlijkt. Verdachte heeft door zijn rijgedrag namelijk diverse aanrijdingen veroorzaakt, onder andere één met hoge snelheid op de snelweg. Op het moment dat verdachte inreed op de auto van [aangever 3] , reed hij bovendien met een ruim hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan (namelijk 64 km/uur, waar 50 km/uur is toegestaan). Die aanrijding resulteerde in letsel bij [aangever 3] . Dat [aangever 3] daarbij – in juridische zin – niet zwaargewond is geraakt, betekent nog niet dat door het in ernstige en opzettelijke mate schenden van de verkeersregels door verdachte niet zwaar lichamelijk letsel of de dood van medeweggebruikers te duchten was. De rechtbank acht gelet op het voorgaande dan ook bewezen dat er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en het leven van anderen te duchten was.

De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat het verkeersgedrag van verdachte dat tot het ongeval heeft geleid, kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW94 en daarmee in dit geval ook kwalificeert als roekeloos rijgedrag in de zin van artikel 6 WVW94 (gelezen in samenhang met het tweede lid van artikel 175 WVW94).

Letsel [aangever 3]

Artikel 6 WVW94 kent drie letselcategorieën, te weten: de dood, zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat. Pas als sprake is van één van deze letselcategorieën is aan dit bestanddeel van artikel 6 WVW94 voldaan. De rechtbank moet dus beoordelen of er bij [aangever 3] sprake is van letsel in voornoemde zin.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij [aangever 3] wegen onder andere de volgende factoren mee: de aard van het letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om te kunnen concluderen dat in juridische zin sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Daarom wordt verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijgesproken. Wel acht de rechtbank bewezen dat sprake is van zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Vaststaat immers dat [aangever 3] door het aan verdachte te wijten ongeval langdurige klachten heeft opgelopen, zoals prikkelgevoeligheid, hoofdpijn en misselijkheid, waardoor zij ook langdurig werd en is beperkt in het kunnen doen van haar werk. Vijf maanden na het ongeval werkte zij nog slechts 12 uur per week, terwijl zij vóór het ongeval 32 uur per week werkte. Ook ten tijde van de zitting is [aangever 3] nog niet volledig arbeidsgeschikt. De rechtbank stelt daarom op basis van de bewijsmiddelen vast dat bij [aangever 3] een tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, als bedoeld in artikel 6 WVW94.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij [aangever 3] lichamelijk letsel heeft opgelopen waardoor zij (in ieder geval) tijdelijk ziek of verhinderd is geweest om haar normale bezigheden uit te oefenen, waarbij sprake is van de zwaarste vorm van schuld, namelijk roekeloosheid, zoals ten laste is gelegd onder feit 1. Ook komt de rechtbank op grond van het bovenstaande tot een bewezenverklaring van feit 2, nu het rijgedrag van verdachte eveneens als een overtreding van artikel 5a WVW94 is aan te merken.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zelf de ballonnen heeft gevuld met lachgas, nu dit niet uit het dossier is gebleken. De rechtbank acht daarnaast niet bewezen dat door het omver rijden van de paaltjes gevaar voor lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was. De rechtbank zal verdachte daarom van deze delen van de tenlastelegging vrijspreken.

feit 4 en 5

Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte op de Ceintuurbaan tegen de auto van [aangever 1] is aangereden. Uit de bewijsmiddelen is daarnaast gebleken dat verdachte op de A325 tegen de auto van [aangever 2] is aangereden. Door deze aanrijdingen hadden [aangever 1] en [aangever 2] schade aan hun auto’s. Omdat uit de bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte van de achterzijde op de auto’s reed, moet hij hebben gezien en gevoeld en dus hebben geweten dat hij een aanrijding veroorzaakte, althans had hij dit redelijkerwijs moeten vermoeden. Verdachte is desondanks na beide aanrijdingen doorgereden.

De rechtbank acht feit 4 en feit 5 dan ook wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op letsel, nu [aangever 1] en [aangever 2] geen letsel hebben opgelopen door de aanrijdingen.

feit 6

Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat zich in de bus van verdachte zes lachgastanks bevonden. Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens het rijden lachgas heeft gebruikt. Het (netto) totaalgewicht van de aangetroffen lachgas was 4211,3 gram. Nu verdachte met deze hoeveelheid lachgas in zijn bus heeft rondgereden, acht de rechtbank bewezen dat hij dit lachgas heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad.

De rechtbank acht feit 6 daarmee wettig en overtuigend bewezen.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1, 2 (primair) en feit 3 tot en met 6 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

feit 1 hij op of omstreeks 3 november 2024 in de provincie Zuid-Holland en/of Gelderland, in de gemeente Papendrecht en/of de gemeente Sliedrecht en/of de gemeente Hardinxveld-Giessendam en/of de gemeente Gorinchem en/of de gemeente West Betuwe en/of de gemeente Tiel en/of de gemeente Neder-Betuwe en/of de gemeente Overbetuwe en/of de gemeente Arnhem, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A15 en/of de N839 en/of de Karstraat en/of de Dikelsestraat en/of de Kattenlegerstraat en/of de Bemmelseweg en/of de Industrieweg Oost en/of deColloseum en/of de Basilica en/of de Regenboog en/of de Ceintuurbaan en/of de Nieuw Aamsestraat en/of de A325 en/of de Nijmeegseweg, roekeloos, althans zeer dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW94) en/of terwijl een of meerdere politievoertuigen hem, verdachte, met gebruikmaking van optische en geluidssignalen (achter)volgden, een of meerdere malen tijdens het rijden lachgas heeft gebruikt door een ballon te vullen met lachgas en/of die ballon in zijn mond te stoppen/aan zijn mond te houden en/of in strijd met artikel 83 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV90) niet is gestopt voor een stopteken dat was gegeven door middel van een aan een politievoertuig aangebracht verlicht transparant, met daarin in rode letters de woorden ‘stop’ of ‘stop politie’ en/of (tijdens die achtervolging) voortdurend/telkens heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid, in elk geval telkens/voortdurend met een aanzienlijk hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, immers heeft hij gereden met snelheden oplopend tot (ongeveer) 180 kilometer per uur en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 43, derde lid RVV90 anders dan in een noodgeval, heeft gereden over/op, althans gebruik heeft gemaakt van, de vluchtstrook en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 76 RVV90 een doorgetrokken streep heeft overschreden en/of een of meerdere malen over de redresseerstrook heeft gereden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 11 RVV90 weggebruikers rechts, in plaats van links, heeft ingehaald en/of een of meerdere malen tegen de verkeersrichting in en/of op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer heeft gereden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 3, eerste lid RVV90 niet aan zijn, verdachtes, verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 10 RVV90 niet over de rijbaan, maar door/over de (midden)berm, heeft gereden en/of een of meerdere malen zeer dicht achter een voor hem rijdend voertuig heeft gereden en/of (daarbij) (aldus) in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of een of meerdere malen slingerende (stuur)bewegingen heeft gemaakt en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 62 jo. 68, eerste lid onder c RVV90 geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, maar is hij doorgereden, en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 62 jo. 78, tweede lid RVV90 niet de verplichte rijrichting heeft gevolgd, waardoor overige weggebruikers remden en/of uitweken om een aanrijding met verdachte te voorkomen en/of over een of meerdere paaltjes is gereden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij tijdens het inhalen gebotst tegen een of meerdere voertuigen, althans met die voertuigen in aanrijding gekomen en/of rijdende over de Nijmeegseweg, terwijl er sprake was van druk verkeer en/of op beide rijstroken meerdere (langzaam rijdende) voertuigen reden, zeer dicht/kort langs een of meerdere voertuigen is gereden (teneinde deze in te halen/te passeren) en/of met een abrupte/scherpe stuurbeweging van rijstrook heeft gewisseld en/of (daarbij) in strijd met artikel 11 RVV90 een voertuig rechts, in plaats van links, heeft ingehaald en/of (vervolgens) in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij, met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 64 kilometer per uur, (achterop) een voertuig (personenauto, Opel Corsa) gebotst, althans met dat voertuig in aanrijding gekomen en/of (vervolgens), met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 56 kilometer per uur, (achterop) een voertuig (personenauto, Ford Ka) gebotst, althans met dat voertuig in aanrijding gekomen, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [aangever 3] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

feit 2 (primair) hij op of omstreeks 3 november 2024 in de provincie Zuid-Holland en/of Gelderland, in de gemeente Papendrecht en/of de gemeente Sliedrecht en/of de gemeente Hardinxveld-Giessendam en/of de gemeente Gorinchem en/of de gemeente West Betuwe en/of de gemeente Tiel en/of de gemeente Neder-Betuwe en/of de gemeente Overbetuwe en/of de gemeente Arnhem, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A15 en/of de N839 en/of de Karstraat en/of de Dikelsestraat en/of de Kattenlegerstraat en/of de Bemmelseweg en/of de Industrieweg Oost en/of deColloseum en/of de Basilica en/of de Regenboog en/of de Ceintuurbaan en/of de Nieuw Aamsestraat en/of de A325 en/of de Nijmeegseweg, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW94) en/of terwijl een of meerdere politievoertuigen hem, verdachte, met gebruikmaking van optische en geluidssignalen (achter)volgden, een of meerdere malen tijdens het rijden lachgas heeft gebruikt door een ballon te vullen met lachgas en/of die ballon in zijn mond te stoppen/aan zijn mond te houden en/of in strijd met artikel 83 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV90) niet is gestopt voor een stopteken dat was gegeven door middel van een aan een politievoertuig aangebracht verlicht transparant, met daarin in rode letters de woorden ‘stop’ of ‘stop politie’ en/of (tijdens die achtervolging) voortdurend/telkens heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid, in elk geval telkens/voortdurend met een aanzienlijk hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, immers heeft hij gereden met snelheden oplopend tot (ongeveer) 180 kilometer per uur en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 43, derde lid RVV90 anders dan in een noodgeval, heeft gereden over/op, althans gebruik heeft gemaakt van, de vluchtstrook en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 76 RVV90 een doorgetrokken streepheeft overschreden en/of een of meerdere malen over de redresseerstrook heeft gereden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 11 RVV90 weggebruikers rechts, in plaats van links, heeft ingehaald en/of een of meerdere malen tegen de verkeersrichting in en/of op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer heeft gereden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 3, eerste lid RVV90 niet aan zijn, verdachtes, verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 10 RVV90 niet over de rijbaan, maar door/over de (midden)berm, heeft gereden en/of een of meerdere malen zeer dicht achter een voor hem rijdend voertuig heeft gereden en/of (daarbij) (aldus) in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of een of meerdere malen slingerende (stuur)bewegingen heeft gemaakt en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 62 jo. 68, eerste lid onder c RVV90 geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, maar is hij doorgereden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 62 jo. 78, tweede lid RVV90 niet de verplichte rijrichting heeft gevolgd, waardoor overige weggebruikers remden en/of uitweken om een aanrijding met verdachte te voorkomen en/of over een of meerdere paaltjes is gereden en/of een of meerdere malen in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien enwaarover deze vrij was, immers is hij tijdens het inhalen gebotst tegen een of meerdere voertuigen, althans met die voertuigen in aanrijding gekomen en/of is hij achterop een of meerdere, langzaam voor hem rijdende, voertuigen gebotst, althans met die voertuigen in aanrijding gekomen, en aldus in strijd met het in artikel 5a van de WVW94 gestelde verbod, zich opzettelijk zodanig in het verkeer heeft gedragen dat voormelde verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, waardoor daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;

feit 3 hij op of omstreeks 3 november 2024 in de provincie Zuid-Holland en/of Gelderland, in de gemeente Papendrecht en/of de gemeente Sliedrecht en/of de gemeente Hardinxveld-Giessendam en/of de gemeente Gorinchem en/of de gemeente West Betuwe en/of de gemeente Tiel en/of de gemeente Neder-Betuwe en/of de gemeente Overbetuwe en/of de gemeente Arnhem, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten lachgas, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

feit 4 hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Elst, althans in Nederland, op de Ceintuurbaan, op of omstreeks 3 november 2024, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [aangever 1] ) letsel en/of schade was toegebracht;

feit 5 hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Arnhem, althans in Nederland op de A325, op of omstreeks 3 november 2024 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [aangever 2] ) letsel en/of schade was toegebracht;feit 6

hij op of omstreeks 3 november 2024 in de provincie Zuid-Holland en/of Gelderland, in de gemeente Papendrecht en/of de gemeente Sliedrecht en/of de gemeente Hardinxveld-Giessendam en/of de gemeente Gorinchem en/of de gemeente West Betuwe en/of de gemeente Tiel en/of de gemeente Neder-Betuwe en/of de gemeente Overbetuwe en/of de gemeente Arnhem, althans in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, 4211,3 gram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

de meerdaadse samenloop van

feit 1:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid van deze wet;

en

feit 2:

overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuldige

verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid van deze wet

en

feit 3:

overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994

en

feit 4 en 5, telkens:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994

en

feit 6:

de eendaadse samenloop van

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B

en

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

5. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, en een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel dient de bijzondere voorwaarde zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport van 26 september 2025 te worden verbonden. Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gesteld dat bij oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf het jonge gezin van verdachte zonder vader en zonder inkomen komt te zitten. De raadsvrouw heeft erop gewezen dat verdachte moet blijven werken om alle schade van de slachtoffers en de bestelbus te kunnen vergoeden. Verdachte is bereid om mediation met de slachtoffers aan te gaan. De raadsvrouw heeft erop gewezen dat uit het reclasseringsadvies volgt dat geen sprake is van een delictpatroon en dat verdachte relatief geringe documentatie heeft. De raadsvrouw heeft verzocht dat de rechtbank rekening houdt met de samenloop tussen de feiten. De raadsvrouw heeft de rechtbank verder gevraagd te volstaan met het opleggen van een forse taakstraf, een rijontzegging en een voorwaardelijke gevangenisstraf met de voorwaarden zoals voorgesteld door de reclassering.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft gedurende een dollemansrit van ruim 40 minuten - vanaf Sliedrecht tot aan Arnhem - een veelvoud aan verkeersovertredingen gepleegd om aan de politie te ontkomen. Verdachte heeft daarbij onder andere forse snelheidsovertredingen begaan en heeft de stoptekens en signalen van politieagenten genegeerd. Verdachte heeft daarnaast onder andere door rood, over vlucht- en redresseerstroken, bermen en weghelften voor tegemoetkomend verkeer gereden en heeft medeweggebruikers gevaarlijk ingehaald. Verdachte deed dit terwijl hij onder invloed was van lachgas. Verdachte heeft hiermee niet alleen zijn eigen veiligheid, maar zeker ook de veiligheid van andere verkeersdeelnemers ernstig in gevaar gebracht. Verdachte heeft gedurende zijn dollemansrit meerdere medeweggebruikers aangereden. Na het aanrijden van twee voertuigen is verdachte doorgereden van de plaats van het ongeval, zonder zich te bekommeren om de schade en de slachtoffers. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk, helemaal omdat verdachte ter zitting heeft verklaard op een eerder moment ook al een plaats van een ongeval te hebben verlaten. Ook dit betrof een verkeersongeval waarbij verdachte lachgas had gebruikt. Uiteindelijk heeft verdachte bij [aangever 3] letsel veroorzaakt dat tot op heden voor klachten zorgt en waardoor [aangever 3] bijvoorbeeld nog steeds niet volledig haar werk kan uitvoeren. Dat de gevolgen van zijn roekeloze rijgedrag niet erger zijn geweest is een wonder te noemen. De rechtbank acht het zorgelijk dat verdachte nog niet steeds volledig lijkt te zijn doordrongen van de ernst van zijn handelen, nu hij ook ter zitting meerdere keren heeft verklaard “veilig” te hebben gereden.

Verdachte heeft zich ten slotte schuldig gemaakt aan het vervoeren en opzettelijk aanwezig hebben van 4.211,3 gram lachgas. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van lachgas een gevaar oplevert voor de volksgezondheid.

De rechtbank heeft vervolgens acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 2 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder een strafbeschikking heeft ontvangen voor overtreding van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op de rapportage van de Reclassering Nederland van 26 september 2025. De reclassering benoemt dat verdachte eenmaal eerder werd veroordeeld, waardoor zij niet kunnen spreken van een delictpatroon. Verdachte woont samen met zijn echtgenote en hun jonge zoontje in de woning van zijn ouders. Hij is daarnaast in loondienst bij zijn vader en broer, die eigenaren zijn van een supermarkt. Uit de beschikbare informatie komen enige aanwijzingen naar voren voor beperkte oplossingsvaardigheden en problematisch middelengebruik in het verleden. Verdachte geeft aan sinds de onderhavige feiten abstinent te zijn gebleven en alternatieven te hebben geïntegreerd in zijn dagelijks leven. Gelet op het voorgaande acht de reclassering interventies geïndiceerd. Binnen een reclasseringstoezicht kan verdachte werken aan het vergroten van zijn handelingsvaardigheden en het nemen van verantwoordelijkheid voor zijn gedrag. Voor dit laatste ziet de reclassering mogelijkheden in het zogenaamde slachtofferbewust werken. Binnen een toezicht kunnen de specifieke mogelijkheden hiertoe worden onderzocht. Hoewel verdachte aangeeft abstinent te zijn, ziet de reclassering meerwaarde in het volgen van een behandeling specifiek gericht op zijn middelenproblematiek. Bij veroordeling adviseert de reclassering oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met een meldplicht bij de reclassering als bijzondere voorwaarde. De rechtbank neemt dit advies over.

De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de samenloop tussen de feiten, namelijk dat sprake is van meerdaadse samenloop van feit 1 tot en met 6, en de eendaadse samenloop van het vervoeren en bezitten van lachgas, bewezenverklaard onder feit 6.

Gelet op de aard en de ernst van de feiten en de straffen die hiervoor in soortgelijke zaken worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat niet met een andere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan worden volstaan. Alles overwegende acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk opleggen. Aan het voorwaardelijke strafdeel wordt de bijzondere voorwaarde zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport van 26 september 2025 verbonden. De rechtbank acht het geboden dat een langere proeftijd aan het voorwaardelijk strafdeel wordt verbonden, namelijk drie jaren. Tot slot zal de rechtbank aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid van drie jaren opleggen, met aftrek van de tijd dat zijn rijbewijs ingevorderd was.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8. De beoordeling van de civiele vorderingen

De benadeelde partij [aangever 5] heeft in verband met feit 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 658,07 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de benadeelde partij € 92,96 aan proceskosten gevorderd.

De benadeelde partij [aangever 2] heeft in verband met feit 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.153,06 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

De benadeelde partij [aangever 1] heeft in verband met feit 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 35.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de benadeelde partij € 204,50 aan proceskosten gevorderd.

De benadeelde partij [aangever 4] heeft in verband met feit 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 49,03 aan proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

Door de benadeelde partijen [aangever 5] , [aangever 2] en [aangever 1] is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [aangever 5] , [aangever 2] en [aangever 4] kunnen worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [aangever 1] op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafproces is.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [aangever 5] , [aangever 2] en [aangever 4] kunnen worden toegewezen, nu deze voldoende zijn onderbouwd. De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van [aangever 1] op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat [aangever 1] geen vergoeding van de schade van zijn gezinsleden kan vorderen gelet op het bepaalde in art. 51f van het Wetboek van Strafvordering en voor het deel dat ziet op zijn eigen vordering ook, omdat deze onvoldoende is onderbouwd.

Overweging van de rechtbank

De benadeelde [aangever 5]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij [aangever 5] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadepost ‘schade auto’ is voldoende onderbouwd en komt redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering (€ 658,07) kan worden toegewezen.

De benadeelde partij vordert verder vergoeding van de (proces-)kosten die zijn gemaakt voor het bijwonen van de zitting. Het gaat hierbij om de schadeposten ‘verlof bijwonen zitting’, ‘reiskosten bijwonen zitting’ en ‘parkeerkosten bijwonen zitting’. Deze schadeposten komen de rechtbank redelijk voor. De rechtbank zal de proceskosten daarom toewijzen voor een bedrag van € 92,96.

De benadeelde [aangever 2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij [aangever 2] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadepost ‘schade auto / herstelkosten’ is voldoende onderbouwd en komt redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering (€ 1.153,06) kan worden toegewezen.

De benadeelde [aangever 1]

Uit de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] is gebleken dat hij voor zichzelf, zijn kinderen en de andere ouder van zijn kinderen schade vordert. Ingevolge art. 51f, eerste lid, Sv kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat [aangever 1] zich niet als benadeelde partij kan voegen in het strafproces ten aanzien van een vordering tot schadevergoeding van zijn gezinsleden. De rechtbank zal de benadeelde partij voor wat betreft dit deel van de vordering (€ 25.000,-) dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

Ten aanzien van de schade die [aangever 1] voor zichzelf vordert, overweegt de rechtbank het volgende.

Voor toekenning van immateriële schadevergoeding op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek moet – kort gezegd – sprake zijn van aantasting in de persoon in de vorm van lichamelijk letsel, een geschaad zijn in de eer of goede naam of van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Voor de laatste categorie geldt dat sprake moet zijn van geestelijk letsel (met onderbouwing) dan wel, bij afwezigheid daarvan, dat sprake moet zijn van een situatie waarin de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde heeft niet gesteld op welke grondslag hij voor vergoeding van immateriële schade in aanmerking komt. Bovendien kan op basis van de onderbouwing van de vordering ook niet door de rechtbank vastgesteld worden dat van één van deze grondslagen in dit geval sprake is.

Daarom zal de rechtbank (ook dit deel van) de vordering (€10.000,-) afwijzen.

Ten aanzien van de gevorderde proceskosten overweegt de rechtbank dat de gevorderde kosten deels bestaan uit schade die de benadeelde namens de andere ouder en zijn kinderen vordert. Gelet op het hiervoor overwogene ingevolge artikel 51f Sv, overweegt de rechtbank dat de benadeelde partij [aangever 1] zich niet kan voegen om deze schade te vorderen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dit deel van de proceskosten (€ 80,-) niet-ontvankelijk verklaren. Het deel van de gevorderde proceskosten dat ziet op de schade van [aangever 1] zal de rechtbank afwijzen, nu deze schadepost onvoldoende onderbouwd is.

De benadeelde [aangever 4]

De benadeelde partij [aangever 4] vordert vergoeding van de proceskosten die zijn gemaakt voor het bijwonen van de zitting. Het gaat hierbij om de schadepost ‘verlof bijwonen zitting’. Deze schadepost komt redelijk voor. De rechtbank zal de proceskosten daarom toewijzen voor een bedrag van € 49,03.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

Verdachte is vanaf 3 november 2024 wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht de aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 36f, 55, 57 en 60a van het Wetboek van Strafrecht;

- 5 a, 6, 7, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994;

- 3 en 11 van de Opiumwet.

10. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden;

 stelt als bijzondere voorwaarde dat:

verdachte zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Fivoor op het adres Johanna Westerdijkplein 40 te Den Haag . Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest;

 veroordeelt verdachte in verband met feit 1 en 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 1.153,06 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 november 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

 verklaart de benadeelde partij [aangever 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld (€ 25.000,-) en proceskosten (€ 80,-);

 wijst de vordering van [aangever 1] tot vergoeding van smartengeld en proceskosten voor het overige af;

 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij [aangever 4] in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op € 49,03;

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Jansen (voorzitter), mr. M.A. van Leeuwen en mr. T.M.A. Arts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Buscop, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 januari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.A. van Leeuwen
  • mr. T.M.A. Arts

Griffier

  • mr. V. Buscop

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?