RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/057171-25
Datum uitspraak : 21 januari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachten] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] [woonplaats].
Raadsvrouw: mr. B.G.T. Fromm, advocaat in Amsterdam .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 6 juni 2024 te Maasbommel, gemeente West Maas en Waal als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk BMW), daarmee rijdende op de weg, de Dijkgraaf de Leeuwweg, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl hij beginnend bestuurder was en/of terwijl hij ter plaatse goed bekend was en/of terwijl hij de kruising met de Zijveld naderde en/of terwijl vanuit tegengestelde richting een ander voertuig (personenauto, merk Toyota) naderde en/of terwijl zijn zicht werd belemmerd door de voor hem uit rijdende vrachtwagen,- zich niet of onvoldoende heeft vergewist van tegemoetkomend verkeer en/of- in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan om zoveel mogelijk rechts te houden en/of- de voor hem uit rijdende vrachtwagen is gaan inhalen en/of heeft ingehaald en/of- (daarbij) gebruik heeft gemaakt van de weghelft bestemd voor het tegemoetkomende verkeer, terwijl een vanuit tegengestelde richting komend voertuig reeds (op korte afstand) genaderd was, en/of- in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met het vanuit tegengestelde richting dicht genaderd zijnde ander voertuig (personenauto, merk Toyota), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normalebezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 juni 2024 te Maasbommel, gemeente West Maas en Waal als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Dijkgraaf de Leeuwweg, terwijl hij beginnend bestuurder was en/of terwijl hij ter plaatse goed bekend was en/of terwijl hij de kruising met de Zijveld naderde en/of terwijl vanuit tegengestelde richting een ander voertuig (personenauto, merk Toyota) naderde en/of terwijl zijn zicht werd belemmerd door de voor hem uit rijdende vrachtwagen,- zich niet of onvoldoende heeft vergewist van tegemoetkomend verkeer en/of- in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan om zoveel mogelijk rechts te houden en/of- de voor hem uit rijdende vrachtwagen is gaan inhalen en/of heeft ingehaald en/of- (daarbij) gebruik heeft gemaakt van de weghelft bestemd voor het tegemoetkomende verkeer, terwijl een vanuit tegengestelde richting komend voertuig reeds (op korte afstand) genaderd was, en/of- in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met het vanuit tegengestelde richting dicht genaderd zijnde ander voertuig (personenauto, merk Toyota), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 juni 2024 te Maasbommel, gemeente West Maas en Waal als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk BMW) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Dijkgraaf de Leeuwweg, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met het vanuit tegengestelde richting dicht genaderd zijnde ander voertuig (personenauto, merk Toyota).
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, waarbij sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, nu onvoldoende is komen vast te staan dat sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onoplettendheid of onachtzaamheid. De raadsvrouw heeft er daarbij op gewezen dat sprake is van slechts één enkele verkeersfout, namelijk het te vroeg inzetten van de inhaalmanoeuvre terwijl het zicht van verdachte beperkt was. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat hoogstens sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid.
Beoordeling door de rechtbank
Verdachte reed op 6 juni 2024 op de Dijkgraaf de Leeuwweg te Maasbommel (gemeente West Maas en Waal) in zijn auto achter een vrachtwagen. Verdachte zette een inhaalmanoeuvre in en reed daardoor de tegengestelde rijbaan op. Daarbij reed verdachte ter hoogte van Zijveld frontaal tegen de Toyota van [slachtoffer] aan. Verdachte heeft verklaard dat hij de vrachtwagen wilde inhalen toen de vrachtwagen snelheid verminderde. De vrachtwagen belemmerde zijn zicht. Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij een inschattingsfout heeft gemaakt bij het inhalen, namelijk dat hij te dicht op de vrachtwagen heeft gereden, waardoor hij de tegenligger te laat heeft gezien.Verdachte heeft verklaard dat hij deze route altijd rijdt als hij gaat sporten.
[slachtoffer] liep door het ongeval letsel op, bestaande uit wonden op en rondom de knie, bekken en sleutelbeen en een gebroken borstbeen en lendenwervel.
Verdachte was op het moment van het ongeval een beginnend bestuurder. Zijn rijbewijs was afgegeven op 8 november 2022.
Is er sprake van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994?
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of verdachte zich als deelnemer aan het verkeer zodanig heeft gedragen, dat het ongeval aan zijn schuld te wijten is.
Van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onoplettendheid en/of onvoorzichtigheid. Bij de beoordeling of daarvan sprake is, komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Schuld in de zin van artikel 6 WVW kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijke onvoorzichtigheid (als de lichtste vorm van schuld) tot roekeloosheid (als de zwaarste vorm van schuld).
Verdachte heeft, terwijl zijn zicht werd belemmerd, geprobeerd de vrachtwagen in te halen. Daarbij kon hij niet zien of er tegemoetkomend verkeer aankwam. Verdachte heeft desondanks de inhaalmanoeuvre ingezet en is vrijwel direct in botsing gekomen met de tegemoetkomende automobilist. Verdachte had eerst meer afstand moeten nemen tot zijn voorganger, voordat hij aan de inhaalmanoeuvre begon. De rechtbank ziet deze enkele verkeersfout echter als een tijdelijk, kort moment van onoplettendheid. In het dossier staan geen aanvullende omstandigheden waaruit volgt dat verdachte onverantwoord reed of dat hij in deze verkeerssituatie extra voorzichtig had moeten zijn. Nu er geen bijkomende omstandigheden zijn, is zijn handelen niet aan te merken als een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of onoplettendheid. De ondergrens voor schuld in de zin van artikel 6 WVW wordt dus niet bereikt.
De rechtbank acht het primair tenlastegelegde daarom niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte daarvan wordt vrijgesproken.
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde
Om tot een bewezenverklaring van artikel 5 WVW te komen, moet worden vastgesteld dat verdachte zich in het verkeer zo heeft gedragen dat gevaar op de weg wordt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer wordt of kan worden gehinderd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte met zijn handelen gevaar op de weg veroorzaakt. Verdachte is, terwijl zijn zicht werd belemmerd door de vrachtwagen, een inhaalmanoeuvre gaan inzetten, terwijl de verkeerssituatie dat niet toestond. Hij heeft daardoor een gevaarlijke situatie veroorzaakt en is frontaal in botsing gekomen met een tegemoetkomende auto.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal verdachte van het gedachtestreepje ‘in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan om zoveel mogelijk rechts te houden’ vrijspreken, nu uit het dossier niet is gebleken dat inhalen op deze weg niet is toegestaan en het niet rechts aanhouden inherent is aan het uitvoeren van een inhaalmanoeuvre.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 6 juni 2024 te Maasbommel, gemeente West Maas en Waal als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Dijkgraaf de Leeuwweg, terwijl hij beginnend bestuurder was en/of terwijl hij ter plaatse goed bekend was en/of terwijl hij de kruising met de Zijveld naderde en/of terwijl vanuit tegengestelde richting een ander voertuig (personenauto, merk Toyota) naderde en/of terwijl zijn zicht werd belemmerd door de voor hem uit rijdende vrachtwagen,- zich niet of onvoldoende heeft vergewist van tegemoetkomend verkeer en/of - in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan om zoveel mogelijk rechts te houden en/of- de voor hem uit rijdende vrachtwagen is gaan inhalen en/of heeft ingehaald en/of- (daarbij) gebruik heeft gemaakt van de weghelft bestemd voor het tegemoetkomende verkeer, terwijl een vanuit tegengestelde richting komend voertuig reeds (op korte afstand) genaderd was, en/of- in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met het vanuit tegengestelde richting dicht genaderd zijnde ander voertuig (personenauto, merk Toyota), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft erop gewezen dat sprake was van één enkele verkeersfout en dat de justitiële documentatie van verdachte geen structureel gevaarzettend rijgedrag vertoont. Verdachte heeft zijn verantwoordelijkheid genomen, erkent zijn fout en heeft actief geprobeerd de gevolgen van het ongeval te beperken. De raadsvrouw heeft de rechtbank gevraagd bij de strafoplegging rekening te houden met het VGB-beleid van Defensie, omdat verdachte inmiddels in militaire dienst is getreden. Ten slotte heeft de raadsvrouw verzocht een eventuele ontzegging van de rijbevoegdheid voorwaardelijk op te leggen, omdat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft om naar zijn werk te rijden.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich als beginnend bestuurder schuldig gemaakt aan een verkeersovertreding in de zin van artikel 5 WVW. Verdachte heeft een vrachtwagen ingehaald, zonder daarbij voldoende zicht te hebben op het tegemoetkomend verkeer. Hierbij botste verdachte frontaal tegen een tegemoetkomende auto. Door deze botsing is [slachtoffer] ernstig gewond geraakt. [slachtoffer] liep door het ongeval letsel op, bestaande uit wonden op en rondom de knie, bekken en sleutelbeen en een gebroken borstbeen en lendenwervel. Uit het dossier is gebleken dat het slachtoffer nog steeds de gevolgen van het verkeersongeval ondervindt. Het handelen van verdachte, dat heeft bestaan uit een enkel moment van onvoorzichtigheid, heeft dan ook grote, nare gevolgen gehad. De rechtbank benadrukt dat de straf die zal worden opgelegd, ziet op het verwijt dat verdachte wordt gemaakt en los staat van de ernstige gevolgen voor het slachtoffer.
De rechtbank heeft ten aanzien van de strafoplegging aansluiting gezocht bij straffen die voor soortgelijke gevallen door rechtbanken en gerechtshoven worden opgelegd. De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de straf die door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, verdachte zal vrijspreken van het primair tenlastegelegde en de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. De rechtbank houdt tevens rekening met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf van 40 uren passend en geboden, te vervangen door 20 dagen hechtenis indien de taakstraf niet naar behoren wordt verricht. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van vier maanden opleggen om verdachte te stimuleren in de toekomst beter op te letten in het verkeer. Deze voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid is van aanzienlijke duur, mede omdat verdachte ten tijde van het ongeval een beginnend bestuurder was. Bij de voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid geldt een proeftijd van drie jaren.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 Sr van het Wetboek van Strafrecht;
- 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
9. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;
verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 40 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;
ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden;
bepaalt dat de ontzegging van de rijbevoegdheid in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.A. Arts (voorzitter), mr. M.A. van Leeuwen en mr. S. Jansen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Buscop, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 januari 2026.