ECLI:NL:RBGEL:2026:594

ECLI:NL:RBGEL:2026:594

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 27-01-2026
Datum publicatie 27-01-2026
Zaaknummer 25/6358 en 25/6359
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het besluit van de algemene raad om aan eiser geen vierde toetskans toe te kennen voor het examenonderdeel ‘de integratieve dag 1’. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de algemene raad in redelijkheid heeft kunnen besluiten om eiser geen vierde toetskans toe te kennen. De algemene raad heeft onder verwijzing naar zijn beleid ook voldoende gemotiveerd waarom eiser niet in aanmerking komt voor een extra toetskans. De voorzieningenrechter acht dit beleid redelijk en niet gebleken is van zodanig bijzondere omstandigheden dat de algemene raad van zijn beleid had moeten afwijken.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het verzoek en het beroep

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/6358 (verzoek) en 25/6359 (beroep)

(gemachtigde: mr. M.I. Bal),

en

(gemachtigde: mr. H.C.E. de Kiefte).

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de algemene raad om aan eiser geen vierde toetskans toe te kennen voor het examenonderdeel ‘de integratieve dag 1’.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de algemene raad in redelijkheid heeft kunnen besluiten om eiser geen vierde toetskans toe te kennen. De algemene raad heeft onder verwijzing naar zijn beleid ook voldoende gemotiveerd waarom eiser niet in aanmerking komt voor een extra toetskans. De voorzieningenrechter acht dit beleid redelijk en niet gebleken is van zodanig bijzondere omstandigheden dat de algemene raad van zijn beleid had moeten afwijken. Het beroep is daarom ongegrond. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 1 september 2025 heeft de algemene raad besloten om eiser geen vierde toetskans te geven voor het examenonderdeel ‘de integratieve dag 1’. Bij besluit van 17 december 2025 op het bezwaar van eiser is de algemene raad bij dit besluit gebleven.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

De algemene raad heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de algemene raad hebben deelgenomen aan de zitting.

Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst kort waar deze zaak over gaat. Vervolgens beoordeelt de voorzieningenrechter de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Dat doet zij aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

Waar gaat deze zaak over?

4. Eiser is advocaat-stagiair. Als een advocaat-stagiair na drie werkjaren voldoet aan bepaalde wettelijke vereisten, krijgt diegene van de algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten (NOvA) de stageverklaring en wordt daarmee ‘onvoorwaardelijk’ advocaat. Een advocaat-stagiair moet in de opleiding tot advocaat onder meer een aantal toetsen behalen, waaronder de toets ‘de integratieve dag 1’. Dit vak is een oefenrechtbank op basis van een fictieve casus waarbij vooral vaardigheden getoetst worden. Op grond van artikel 3.19, vierde lid, van de Verordening op de advocatuur (de Voda) heeft een advocaat-stagiair per examenonderdeel drie toetskansen. Eiser heeft drie keer een onvoldoende behaald voor het examenonderdeel ‘de integratieve dag 1’.

Uit artikel artikel 3.19, zesde lid, van de Voda volgt dat de algemene raad van het vierde lid kan afwijken in gevallen waarin toepassing daarvan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Dit betreft de hardheidsclausule. Eiser heeft de algemene raad verzocht om hem met toepassing van de hardheidsclausule een extra (vierde) toetskans te bieden voor het examenonderdeel ‘de integratieve dag 1’.

Bij besluit van 1 september 2025 (het primaire besluit) heeft de algemene raad besloten om geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Eiser krijgt dus geen vierde toetskans. Bij besluit van 17 december 2025 heeft de algemene raad het primaire besluit in stand gelaten en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Is sprake van een spoedeisend belang?

5. Eiser geeft aan een spoedeisend belang te hebben in deze procedure, omdat hij binnenkort van het tableau geschrapt dreigt te worden. Met een extra toetskans (en het behalen van de toets) kan hij voorkomen dat hij geschrapt wordt. De algemene raad stelt daarentegen dat het weliswaar invoelbaar is dat eiser het als een persoonlijk belang ziet om zo lang mogelijk op het tableau ingeschreven te staan, maar dat deze omstandigheid geen te honoreren spoedeisend belang oplevert. Omdat partijen van mening verschillen over de vraag of sprake is van een spoedeisend belang, beoordeelt de voorzieningenrechter dat eerst.

Voor het treffen van een voorlopige voorziening hangende de beroepsprocedure bestaat alleen aanleiding als sprake is van een spoedeisend belang. Daarvan is sprake als de uitspraak in de beroepszaak niet kan worden afgewacht. De uitspraak in beroep kan niet worden afgewacht als er vóórdat een uitspraak is gedaan op het beroep onomkeerbare gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan.

De gemachtigde van de algemene raad heeft op zitting toegelicht dat het mogelijk mede van de uitspraak van de voorzieningenrechter in deze zaak afhangt of eiser al dan niet geschrapt wordt van het tableau. De voorzieningenrechter leidt daaruit af dat eiser, als de uitkomst in deze zaak zou zijn dat hij een extra toetskans krijgt en voor de toets slaagt, nog een mogelijkheid heeft om zijn opleiding af te ronden zonder geschrapt te worden. Onder die omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de uitspraak in beroep niet afgewacht kan worden, omdat anders onomkeerbare gevolgen (schrapping van het tableau) ontstaan vóórdat uitspraak op het beroep is gedaan en eiser met toewijzing van de voorlopige voorziening (mogelijk) zou kunnen voorkomen dat deze gevolgen zich voordoen.

Heeft de algemene raad in redelijkheid geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen?

6. Eiser wijst er – kort samengevat – op dat de algemene raad een onvoldoende eigen afweging heeft gemaakt waarom er al dan niet toepassing gegeven moet worden aan de hardheidsclausule. Eiser meent dat een onvoldoende concrete en individuele beoordeling is toegepast. Verder heeft de algemene raad zijn beslissing volgens eiser gebaseerd op beleid, maar heeft er geen kenbare en deugdelijke belangenafweging plaatsgevonden waarin de belangen van eiser zijn betrokken.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit artikel 3.19, zesde lid, van de Voda volgt dat de algemene raad kan afwijken van het vierde en vijfde lid in gevallen waarin toepassing daarvan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De algemene raad komt bij deze bevoegdheid zowel beleids- als beoordelingsruimte toe. De algemene raad heeft een beleidsregel opgesteld ter invulling van zijn discretionaire bevoegdheid, de ‘Beleidsregel onderwijs en toetsen BA’. Uit de toelichting bij deze beleidsregel volgt het volgende:

De algemene raad gaat zeer restrictief om met de toepassing van deze hardheidsclausule.

In het verleden zijn uitsluitend verzoeken ingewilligd waarin:

i) sprake was van overmacht (van buiten komend onheil) waardoor iedere toets niet met goed gevolg is afgelegd; en (cumulatief)

ii) alle andere mogelijkheden (behoud toetskans, zelf bepalen derde toetsmoment, alternatieve wijze van toetsing) geen oplossing konden bieden.

De stagiaire zal dus moeten aantonen dat sprake is van overmacht bij iedere toets, causaal verband tussen het van buiten komend onheil en het niet behalen van de toetsen, wat de stagiaire heeft gedaan om de effecten van het van buiten komend onheil te verkleinen èn waarom alle andere mogelijkheden in het specifieke geval geen oplossing konden bieden. Door het maken van de toets aanvaardt de stagiaire het risico dat de toets met een onvoldoende resultaat kan worden afgesloten. Dit risico kan niet worden verlegd met een beroep op een extra toetskans.

De stagiaire moet het verzoek tot een extra toetskans indienen uiterlijk vier weken na de betreffende derde toetsgelegenheid. Reeds op dat moment weet de stagiaire immers alle omstandigheden van de overmacht waardoor de eerste en tweede toets en vermoedelijk ook derde toets niet goed is afgelegd en dat de andere mogelijkheden geen oplossing konden bieden. In het geval dat de uitslag van de derde toets nog niet bekend is, zal het verzoek zekerheidshalve moeten worden ingediend in afwachting van de uitslag.’

Eiser voert aan dat het huidige beleid van de algemene raad zodanig restrictief is vormgegeven dat afwijking in de praktijk onmogelijk is geworden. Voor zover eiser daarmee betoogt dat het in de toelichting van de beleidsregel opgenomen kader onevenredig is, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De Afdeling heeft meermaals geoordeeld dat het niet onredelijk is dat de algemene raad bij het toepassen van de hardheidsclausule een restrictief beleid voert, waarbij sprake moet zijn van overmacht waardoor geen enkele toetskans met goed gevolg kon worden benut. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding om daar op dit moment anders over te denken.

De voorzieningenrechter overweegt verder dat algemene raad in beginsel ook moet handelen overeenkomstig zijn beleid. De algemene raad heeft in het bestreden besluit uitgebreid toegelicht waarom de hardheidsclausule, conform het beleid, niet toegepast kan worden. De algemene raad heeft in dat kader aangegeven dat eiser verzuimd heeft om behoud van toetskans aan te vragen voor de eerste en tweede toetskans, terwijl dat op grond van het beleid wel verplicht is. Dat eiser geen behoud van toetskans heeft aangevraagd voor toets 1 en toets 2, is door eiser ook niet betwist. Ook heeft de algemene raad voldoende begrijpelijk gemotiveerd dat niet gebleken van een causaal verband, omdat eiser – kort samengevat – niet heeft aangetoond dat hij als gevolg van overmacht geen enkele toetskans met goed gevolg heeft kunnen afronden. Daarmee heeft de algemene raad gehandeld in overeenstemming met zijn beleid.

Verder is het de voorzieningenrechter niet gebleken van omstandigheden die maken dat handelen overeenkomstig het beleid in dit geval onevenredig uitpakt. De omstandigheden waar eiser op wijst, namelijk de slechte (werk)omstandigheden op zijn oude kantoor (die volgens hem maakten dat hij psychische klachten kreeg) en het feit dat hij vader is geworden, zijn niet zodanig bijzonder dat de algemene raad om die reden niet overeenkomstig zijn beleid had mogen handelen. De voorzieningenrechter merkt verder nog op dat zij begrip heeft voor het feit dat het niet toepassen van de hardheidsclausule ingrijpende gevolgen heeft voor het huidige beroepsperspectief van eiser alsook voor zijn huidige cliënten, maar dat dergelijke gevolgen inherent zijn aan het niet toepassen van de hardheidsclausule. Van bijzondere omstandigheden om af te wijken van het beleid is dan ook geen sprake. Anders dan eiser meent, is de algemene raad in het bestreden besluit voldoende concreet ingegaan op zijn persoonlijke omstandigheden en de gevolgen die het bestreden besluit voor hem heeft.

De beroepsgrond slaagt niet.

Is sprake van strijd met het verbod van vooringenomenheid?

7. De algemene raad heeft zich volgens eiser in overwegende mate laten leiden door informatie van de examencommissie, waarmee de algemene raad de schijn van vooringenomenheid wekt bij de voorbereiding van de bestreden beslissing.

Zoals onder 6.5 is overwogen, is de algemene raad in het bestreden besluit voldoende ingegaan op de persoonlijke omstandigheden van eiser en de gevolgen die het bestreden besluit voor hem heeft. Dat de algemene raad zijn afweging mede baseert op informatie van de examencommissie, maakt niet dat de algemene raad in strijd heeft gehandeld met het verbod van vooringenomenheid. De voorzieningenrechter acht het namelijk begrijpelijk (en in het kader van de zorgvuldigheid ook aangewezen) dat het bestreden besluit mede gebaseerd is op informatie die verstrekt is door de examencommissie, omdat de algemene raad zonder die informatie niet kan beoordelen of eiser voldoet aan de voorwaarden uit het beleid voor het toepassen van de hardheidsclausule.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond. Omdat de voorzieningenrechter op het beroep beslist, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat dan ook geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?