RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/459522 / KG ZA 25-419
Vonnis in kort geding van 26 januari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CLEANING & FILLING BARNEVELD B.V.,
gevestigd te Barneveld,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: C&F,
advocaten: mr. M. Keuss en mr. M.P.J. Kik,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
J&S HOLDING II B.V.,
gevestigd te Barneveld,
advocaten: mr. C.W. Kniestedt en mr. W.F. van der Ven,
2. [gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.C. de Jong
3. [gedaagde 3],
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. C.J. van Dijk,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna te noemen: J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] .
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 december 2025 van C&F
- de akte overlegging producties 1 t/m 24 van C&F van 31 december 2025
- de akte houdende eis in reconventie van J&S van 6 januari 2026
- de akte overlegging producties 1 t/m 8 van J&S van 6 januari 2026
- de eis in reconventie van [gedaagde 2] van 7 januari 2026
- de producties 1 t/m 8 van [gedaagde 2] van 7 januari 2026
- de conclusie van eis in reconventie van [gedaagde 3] van 7 januari 2026
- de aanvullende producties 25 t/m 36 van C&F van 7 januari 2026
- de mondelinge behandeling van 8 januari 2026
- de pleitnota van C&F- de pleitnota van J&S
- de pleitnota van [gedaagde 2]
- de pleitnota van [gedaagde 3] .
2. De feiten
C&F drijft een onderneming die zich richt(te) op cleaning (reiniging van tanks ten behoeve van de voedingsindustrie), filling (het afvullen van bijvoorbeeld jerrycans met halffabricaten zoals glycerine, glucose, lecithine en plantaardige olie) en storage (het bieden van opslagmogelijkheden voor verpakte materialen). De filling activiteiten van C&F richtten zich vooral op de voedselindustrie (food).
J&S is een logistiek bedrijf, gespecialiseerd in de opslag en (her)verpakking en productie van zuivelproducten, met gebruikmaking van zeven Food-productielijnen en twee diervoederlijnen. Op dit moment wordt 80% van de omzet gegenereerd in de food-industrie.
[gedaagde 2] was sinds 1979 werkzaam bij H&S Cleaning B.V., een rechtsvoorganger van C&F, aanvankelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Vanwege het bereiken van de AOW-leeftijd is die arbeidsovereenkomst van rechtswege geëindigd. Vervolgens hebben H&S Cleaning B.V. en [gedaagde 2] op 3 mei 2024 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten voor de duur van 20 maanden, zodat deze eindigt op 31 december 2025. In die arbeidsovereenkomst staat in artikel 11 een verbod op nevenwerkzaamheden / nevenactiviteiten, in artikel 12 een geheimhoudingsbeding, in artikel 13 een non-concurrentiebeding, in artikel 14 een relatiebeding, in artikel 15 de motivatie voor het non-concurrentiebeding en het relatiebeding en in artikel 17 een boetebeding. Het non-concurrentie- en het relatiebeding hebben een geldingsduur van één jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst.
Bij brief van 22 mei 2025 heeft [gedaagde 2] die arbeidsovereenkomst voortijdig opgezegd tegen 30 juni 2025.
Artikel 15 in de arbeidsovereenkomst van [gedaagde 2] van 3 mei 2024 luidt als volgt:
artikel 15 Motivatie voor non-concurrentiebeding en relatiebeding
Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 7:653 lid 2 Burgerlijk Wetboek motiveert werkgever met de onderstaande argumenten dat het non-concurrentiebeding en relatiebeding noodzakelijk zijn vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen:
i. Werknemer zal in de functie van Quality Field Engineer met ingang van de eerste dag van deze arbeidsovereenkomst inzicht krijgen in en kennis vergaren omtrent specifieke concurrentiegevoelige informatie, zoals prijsstellingen, marges, leveringscondities en de unieke en onderscheidende kenmerken van de producten van werkgever en de wijze van dienstverlening van werkgever; meer specifiek zal werknemer in zijn functie op de hoogte raken van de volgende concurrentiegevoelige informatie:
a. Deze informatie is voor Werkgever in het kader van haar concurrentiepositie van belang omdat zij in een zeer specifieke markt concurreert. De diensten die Werkgever biedt maakt dat specifieke kennis benodigd is van het product om aan klantwens te kunnen voldoen.
ii. Werkgever is actief op een markt waarin de concurrentie op prijsstelling en leveringscondities bovengemiddeld groot is, waardoor het bedrijfs- of dienstbelang van werkgever bij het beschermen van haar prijsstellingen en leveringscondities zwaarwegend en noodzakelijk is;
iii. Werkgever levert een uniek product en/of unieke dienst dat zich onderscheidt van de producten en/of diensten van concurrenten door het soort product dat vervoerd wordt en de wijze waarop wij deze producten vervoeren; dit onderscheidende karakter is cruciaal voor de concurrentiepositie van werkgever en daarmee vormt het beschermen van dit onderscheidende karakter voor werkgever een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang;
iv. Werkgever is voor het bestaan van haar onderneming grotendeels, zo niet volledig, afhankelijk van de uiterst concurrerende prijsstellingen en leveringscondities die zij hanteert en van het unieke door haar ontwikkelde product en de bijbehorende dienstverlening, alsmede van de unieke positie die werkgever met het voorgaande inneemt op de markt waarop zij actief is;
Werkgever zal onevenredig benadeeld worden als werknemer - die de hiervoor genoemde specifieke kennis en/of bedrijfsinformatie bij werkgever heeft opgedaan - naar een concurrent van werkgever overstapt, waardoor het mogelijk zou worden dat een concurrent van werkgever op basis van die specifieke kennis en/of bedrijfsinformatie zou kunnen concurreren met Werkgever.
Werknemer erkent nadrukkelijk dat werkgever een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang heeft bij het non-concurrentiebeding en relatiebeding en aanvaardt deze bedingen met het oog op dat belang van werkgever.
[gedaagde 3] is lange tijd werkzaam geweest bij H&S Logistic Services B.V., een rechtsvoorganger van C&F, laatstelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van 23 november 2021 (met ingangsdatum 1 januari 2022) in de functie van business unitmanager. De in het geding gebrachte arbeidsovereenkomst is niet ondertekend door [gedaagde 3] . In de arbeidsovereenkomst staat in artikel 11 een verbod op nevenwerkzaamheden / nevenactiviteiten, in artikel 12 een geheimhoudingsbeding, in artikel 13 een non-concurrentiebeding, in artikel 14 een relatiebeding, in artikel 15 de motivatie voor het non-concurrentie en relatiebeding en in artikel 17 een boetebeding.
In de tweede helft van 2024 hebben C&F en [gedaagde 3] gesprekken gevoerd over een eventuele overname van C&F door [gedaagde 3] . In dat kader hebben zij een geheimhoudingsovereenkomst gesloten die door [gedaagde 3] op 23 juli 2024 is ondertekend. Vervolgens heeft C&F vertrouwelijke informatie aan [gedaagde 3] ter beschikking gesteld. In november 2024 werd duidelijk dat C&F en [gedaagde 3] geen overeenstemming zouden bereiken over de overname.
Op 19 december 2024 heeft [gedaagde 3] de besloten vennootschap [naam 1] opgericht.
C&F en [gedaagde 3] hebben op 24 april 2025 een beëindigingsovereenkomst gesloten. Daarin zijn zij onder meer overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigt met ingang van 1 juni 2025, waarbij [gedaagde 3] zich heeft verplicht de (post)contractuele bedingen en verplichtingen, waaronder de bedingen van artikel 11 tot en met 17 van de arbeidsovereenkomst, na te komen, en waarin de duur van het non-concurrentiebeding en het relatiebeding wordt beperkt tot een duur van zes maanden na einde dienstverband, derhalve tot 1 december 2025.
Lusso Holding is 100% aandeelhouder van C&F (hierna: Lusso). Lusso heeft vanaf begin 2025 contact gehad met J&S over een eventuele overname van C&F door J&S. In dat kader hebben zij op 19 mei 2025 een geheimhoudingsovereenkomst gesloten, waarna Lusso vertrouwelijke informatie ter beschikking heeft gesteld aan J&S. Eind september 2025 werd duidelijk dat C&F en J&S geen overeenstemming zouden bereiken.
In de periode van 25 juni 2024 tot en met 2 juli 2025 heeft [gedaagde 2] verschillende documenten van C&F naar zijn privé e-mailadres verzonden. Uit een door C&F gemaakte analyse van de oude e-mailbox van [gedaagde 2] blijkt dat hij in die periode in totaal 37 mails met bijlagen aan zichzelf heeft gestuurd, waarvan 13 mails kort voor en direct na het einde van zijn dienstverband. C&F heeft die mails op hun gevoeligheid gewaardeerd met de omschrijvingen: extreem, onduidelijk, hoog, middel, laag en niet. Uit het door C&F overgelegde overzicht volgt dat [gedaagde 2] onder meer de volgende berichten met gevoeligheid ‘extreem’ en ‘hoog’ heeft verzonden:
op 15 oktober 2024 een e-mail met als omschrijving ‘Tekening [naam 2] uitbreiding’ met als bijlage een PDF-bestand, waarop volgens C&F de opstelling van de geplande uitbreiding is te zien;
op 6 januari 2025 een negental e-mails met als omschrijving ‘Offerte afvuleiland Servo Berkel’, ‘Offerte afvulinstallatie Spimabo’, dan wel ‘Offerte afvulinstallatie Servo Berkel’ met PDF-bestanden als bijlagen, hetgeen volgens C&F offertes uit 2013, 2014 en 2017 betreffen voor afvulinstallaties;
op 13 juni 2025 een e-mail met als omschrijving ‘Emailadressen’ met daarin twee e-mailadressen van klant Cargill;
op 2 juli 2025 een e-mail met als omschrijving ‘Contactpersonen’ met als bijlage een Excel bestand, dat waarschijnlijk een export uit Ultimo betreft (onderhoudsbeheersysteem / kwaliteitssysteem).
Tevens heeft [gedaagde 2] op 2 juli 2025 een e-mail met omschrijving ‘Agenda outlook’ met als bijlage een Excel bestand van klant- en leveranciersgegevens naar zijn privé e-mailadres gestuurd. Dat betreft volgens C&F gegevens van 1.100 klanten en leveranciers en is door C&F gewaardeerd op een gevoeligheid ‘middel’.
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn op enig moment na hun uitdiensttreding bij C&F werkzaamheden gaan verrichten voor J&S.
Bij brief van 8 oktober 2025 aan J&S en bij brieven van 9 oktober 2025 aan [gedaagde 2] en [gedaagde 3] heeft C&F hen gesommeerd om schriftelijk te bevestigen dat zij niet betrokken zijn en ook op geen enkele wijze betrokken zullen zijn bij het op onrechtmatige wijze opzetten van een met C&F concurrerende onderneming.
Bij e-mail van 17 oktober 2025 heeft [gedaagde 3] C&F bericht dat hij zich niet bezig houdt met concurrerende activiteiten. Hij heeft bericht dat er geen sprake is van enig handelen in strijd met de geldende afspraken of verboden.
Bij e-mail van 23 oktober 2025 heeft mr. De Jong, namens [gedaagde 2] , C&F bericht dat [gedaagde 2] niet gebonden is aan het non-concurrentiebeding en het relatiebeding.
Op 24 oktober 2025 heeft C&F een verzoekschrift ingediend bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag ex artikel 205 en 206 Rv ten laste van J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en tot het aanstellen van een gerechtelijke bewaarder ex artikel 709 Rv. De voorzieningenrechter heeft op 24 oktober 2025 het verzochte verlof verleend onder een aantal afwijkende c.q. aanvullende voorwaarden.
Op 10 november 2025 is het bewijsbeslag betekend aan J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en is bevel gedaan om aan de inhoud van de beschikking van de voorzieningenrechter van 24 oktober 2025 te voldoen.
Per 1 december 2025 heeft C&F haar onderneming deels (te weten: haar filling-activiteiten) overgedragen aan Tank Service Valley B.V. (hierna: TSV).
C&F en TSV hebben op 9 december 2025 een ‘koopovereenkomst tevens houdende akte van cessie ex artikel 3:94 lid 1 BW’, gesloten, waarin onder meer het volgende is opgenomen:
c. Uit hoofde van een koopovereenkomst d.d. 28 oktober 2025 heeft C&F Barneveld de door haar gevoerde onderneming met ingang van 1 december 2025 deels (middels een activa passiva transactie) overgedragen aan TSV (de Transactie).
d. Voor zover TSV in verband met het Geschil en/of de Onrechtmatige Concurrentie één of meer vorderingen heeft of nog zal verkrijgen op J&S, [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] , wenst C&F Barneveld die vorderingen (de Vorderingen), met inbegrip van alle daarmee samenhangende of daaruit voortvloeiende (neven)rechten en vorderingen, door middel van openbare cessie ex artikel 3:94 lid 1 BW van TSV te kopen en over te nemen.
De vermelde koopsom voor de vorderingen bedraagt € 1,00.
3. Het geschil in conventie
C&F vordert dat de voorzieningenrechter, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair
J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] beveelt om binnen zeven dagen na het te wijzen vonnis aan C&F afschrift te verstrekken van alle gegevens die op grond van het beslagverlof van 24 oktober 2025 ten laste van J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in bewijsbeslag zijn genomen en die voldoen aan de criteria genoemd in randnummers 5.2.1., 5.2.3. en 5.3. van de dagvaarding, in het bijzonder door te gehengen en te gedogen dat de deurwaarder die het bewijsbeslag heeft gelegd deze gegevens verstuurt aan de advocaten van C&F;
J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] beveelt om binnen 48 uur na het te wijzen vonnis alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan het onder 1 bedoelde bevel, in het bijzonder door aan de advocaten van C&F opgave te doen van alle partijen met wie zij hebben gecommuniceerd over het opzetten van een met C&F concurrerende onderneming, inclusief al hun contactgegevens, onder verbeurte van een hoofdelijk verschuldigde dwangsom van € 1.000,00 per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat J&S, [gedaagde 2] of [gedaagde 3] geheel of gedeeltelijk in strijd handelen met dit bevel, met een maximum van € 100.000,00 voor J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gezamenlijk;
subsidiair
3. J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] beveelt om binnen zeven dagen na het te wijzen vonnis aan C&F afschrift te verstrekken van alle gegevens die op grond van het beslagverlof van 24 oktober 2025 ten laste van J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in bewijsbeslag zijn genomen en die voldoen aan de criteria genoemd in randnummers 5.2.2., 5.2.3. en 5.3. van de dagvaarding, in het bijzonder door te gehengen en te gedogen dat de deurwaarder die het bewijsbeslag heeft gelegd deze gegevens verstuurt aan de advocaten van C&F;
4. J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] beveelt om binnen 48 uur na het te wijzen vonnis alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan het onder 3 bedoelde bevel, in het bijzonder door aan de advocaten van C&F opgave te doen van alle partijen met wie zij hebben gecommuniceerd over het opzetten van een met C&F concurrerende onderneming, inclusief al hun contactgegevens, onder verbeurte van een hoofdelijk verschuldigde dwangsom van € 1.000,00 per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat J&S, [gedaagde 2] of [gedaagde 3] geheel of gedeeltelijk in strijd handelen met dit bevel, met een maximum van € 100.000,00 voor J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gezamenlijk;
en steeds
5. J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten op grond van het liquidatietarief, te betalen binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als de proceskosten niet binnen deze termijn zijn betaald.
C&F legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. C&F heeft een concreet vermoeden dat J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zich schuldig maken aan (voorbereiding van) concurrerende activiteiten met gebruikmaking van vertrouwelijke informatie en bedrijfsgeheimen van C&F. Die handelingen leveren een onrechtmatige daad op en tevens schending van de diverse met contractuele boetes gesanctioneerde (geheimhoudings)bedingen. Dat er sprake is van (een vermoeden van) onrechtmatig handelen, dan wel wanprestatie, blijkt uit de navolgende feiten: (a) [gedaagde 3] en [gedaagde 2] zijn sinds enige tijd de facto werkzaam voor J&S, (b) [gedaagde 2] heeft vlak voor het einde van zijn dienstverband een grote hoeveelheid bedrijfsdocumenten naar zijn privé emailadres gestuurd, (c) bij J&S wordt een filling-opstelling gerealiseerd die inhoudelijk aansluit op de door C&F ontwikkelde configuratie, terwijl de tekeningen in opdracht van C&F zijn vervaardigd en nu in aangepaste vorm aan de J&S entiteit zijn gelabeld. C&F stelt dat zij de gevorderde correspondentie en andere gegevens zo snel mogelijk nodig heeft, onder meer voor het starten van een procedure met als doel het wanpresteren/onrechtmatig handelen een halt toe te roepen en betaling van verbeurde boetes en vergoeding van door haar geleden en eventueel nog te lijden schade te vorderen. Er dreigt een situatie te ontstaan waarin haar duurzame bedrijfsdebiet stelselmatig en op substantiële wijze wordt afgebroken met alle kwalijke gevolgen van dien, aldus C&F. Zij heeft daarom een spoedeisend belang bij haar vorderingen.
J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voeren afzonderlijk verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van C&F, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van C&F, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van C&F in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. Het geschil in reconventie
J&S vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,:
I. het bewijsbeslag dat C&F op 10 november 2025 ten laste van J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , althans ten laste van J&S, heeft gelegd, met onmiddellijke ingang opheft;
II. C&F gebiedt:
a. binnen drie dagen na betekening van het te wijzen vonnis de bewaarder Equilibristen gerechtsdeurwaarders B.V. te instrueren alle beslagen gegevens op de kortst mogelijke termijn te vernietigen, waarbij C&F tegelijkertijd aan de advocaat van J&S een kopie van die instructie stuurt;
b. binnen drie dagen na de vernietiging door de bewaarder als bedoeld onder a. schriftelijk aan de advocaat van J&S te bevestigen dat de bewaarder de vernietiging heeft uitgevoerd, onder gelijktijdige verschaffing aan J&S van een ambtelijk stuk van de deurwaarder waaruit de vernietiging blijkt;
c. bij elk volgend verzoek tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag ten laste van J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , althans ten laste van J&S, de rechter te voorzien van een kopie van het in deze procedure te wijzen vonnis;
III. dan wel in goede justitie bepaalt wat voorwaarden en termijnen zijn voor de opheffing van het beslag;
IV. ten titel van een onmiddellijk opeisbare dwangsom C&F veroordeelt tot betaling aan J&S van een bedrag van € 5.000,00 per dag of dagdeel dat C&F in gebreke is met een van de geboden onder II-III, met een maximum van € 100.000,00, dan wel in goede justitie te bepalen dwangsommen per dag(deel) en een maximum aan dwangsommen;
V. C&F veroordeelt in de kosten in reconventie en in de nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskostenveroordeling vanaf 14 dagen na het in deze procedure te wijzen vonnis.
[gedaagde 2] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,:
primair:
I. bij wijze van voorlopige voorziening het concurrentiebeding (artikel 13) en relatiebeding (artikel 14) in de arbeidsovereenkomst van 3 mei 2024 geheel schorst, dan wel gedeeltelijk schorst met dien verstande dat het [gedaagde 2] is toegestaan betrokken te zijn bij activiteiten op het gebied van ‘filling’ in Nederland en daartoe alle benodigde relaties te benaderen;
subsidiair:
II. C&F veroordeelt tot betaling van een vergoeding aan [gedaagde 2] van € 3.593,23 bruto per maand, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag aan vergoeding, tot en met juni 2026 en te betalen voor het einde van de maand waarop de vergoeding betrekking heeft;
III. C&F veroordeelt tot betaling van de gevorderde vergoeding onder II onder de last geen gebruik te maken van een (beweerdelijk) recht op opschorting en/of verrekening totdat in een gezag van gewijsde gegane uitspraak is beslist dat [gedaagde 2] een betalingsverplichting heeft aan C&F;
en in beide gevallen:
IV. het bewijsbeslag van 10 november 2025 opheft en C&F gebiedt binnen drie dagen na betekening van het te wijzen vonnis de bewaarder Equilibristen gerechtsdeurwaarders B.V. te (doen) instrueren alle beslagen gegevens te vernietigen en de schriftelijke bevestiging daarvan toe te sturen aan [gedaagde 2] , dan wel in goede justitie te bepalen voorwaarden en termijnen voor de opheffing van het beslag;
V. het onder IV gevorderde gebod aan C&F toewijst op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag of dagdeel dat zij daarmee in gebreke is, met een maximum van € 100.000,00, dan wel in goede justitie te bepalen bedragen per dag en als maximum;
VI. C&F veroordeelt in de kosten in reconventie en in de nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskostenveroordeling vanaf 14 dagen na het in deze procedure te wijzen vonnis.
[gedaagde 3] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis het bewijsbeslag van 10 november 2025 opheft, met bevel tot vernietiging van het in beslag genomen digitale materiaal op straffe van een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom, met veroordeling van C&F in de werkelijke proceskosten, nader op te maken bij staat.
C&F voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in de kosten van deze procedure. Ten aanzien van [gedaagde 2] vordert C&F tevens de wettelijke rente over de proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling in conventie
Het gaat om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of C&F ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] betwisten allereerst dat C&F een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Zij voeren voorts aan dat de zaak zich niet leent voor een kortgedingprocedure, omdat er thans onvoldoende inzicht is in de feiten en nader onderzoek (mogelijk door middel van bewijslevering) nodig is om vast te stellen of C&F vorderingen heeft op J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] wegens wanprestatie, onrechtmatig handelen (of anderszins) op grond waarvan boetes zouden zijn verbeurd, dan wel schadevergoedingsplichten zouden zijn ontstaan. J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] stellen zich daarom op het standpunt dat de zaak aan de bodemrechter dient te worden voorgelegd.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. C&F baseert haar vorderingen op het bewijsrecht, zoals dat geldt met ingang van 1 januari 2025. Als een wederpartij niet meewerkt aan een buitengerechtelijk inzageverzoek kan ingevolge het bepaalde in artikel 197 lid 1 Rv in spoedeisende gevallen het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens ook aan de voorzieningenrechter worden gedaan. In dat geval gelden de criteria van artikel 196 lid 2 Rv. De rechter wijst het verzoek toe, tenzij hij van oordeel is dat: a. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is, b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat, c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde, d. sprake is van misbruik van bevoegdheid, of e. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting. De afwijzingscriteria vormen geen van elkaar afgescheiden criteria, maar lopen min of meer in elkaar over en kunnen om die reden naast elkaar van toepassing zijn.
C&F stelt in haar dagvaarding dat zij de gevorderde documenten nodig heeft om J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in rechte te betrekken teneinde het wanpresteren c.q. onrechtmatig handelen een halt toe te roepen, betaling van verbeurde boetes te vorderen en aanspraak te maken op schadevergoeding. Om de wanprestatie en of het onrechtmatig handelen in die bodemprocedure nader te kunnen onderbouwen heeft C&F de gevorderde gegevens nodig, waarop reeds bewijsbeslag ligt. Ter mondelinge behandeling heeft C&F verklaard dat het haar niet meer te doen is om het wanpresteren/onrechtmatig handelen een halt toe te roepen, omdat zij haar onderneming inmiddels heeft verkocht, maar dat haar belang er vooral in is gelegen om duidelijk te verkrijgen op welke wijze er in strijd met de contractuele bepalingen is gehandeld en – voor het geval bepaalde bepalingen niet van toepassing zouden zijn – welke gedragingen onrechtmatig zijn. Met behulp van de betreffende gegevens kan C&F vaststellen wat er precies is gebeurd, zodat zij haar rechtspositie kan bepalen en helder kan krijgen in welke mate er boetes zijn verbeurd en schade is geleden, waarvoor J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aansprakelijk kunnen worden gesteld. Ten aanzien van [gedaagde 2] geldt dat zijn concurrentiebeding nog geldt tot 1 juli 2026, aldus C&F.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft C&F haar spoedeisend belang bij het inzageverzoek onvoldoende aannemelijk gemaakt. C&F heeft immers haar onderneming per 1 december 2025 deels (voor wat betreft haar filling-activiteiten) verkocht aan TSV. Voor zover al moet worden aangenomen dat sprake is van concurrerende handelingen aan de zijde van J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , geldt dat C&F daarvan geen nadeel meer ondervindt, nu zij haar bedrijf heeft verkocht en derhalve geen bedrijfsdebiet meer heeft dat daardoor kan worden geschaad. Dat heeft zij ter zitting ook erkend. Zij heeft dan ook geen inzage in of afgifte van de beslagen gegevens nodig voor het starten van een procedure om het gestelde wanpresteren/onrechtmatig handelen een halt toe te roepen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat het concurrentiebeding van [gedaagde 3] , voor zover al geldig, per 1 december 2025 is geëindigd. Het enkele feit dat het concurrentiebeding van [gedaagde 2] , voor zover al geldig, nog loopt tot 1 juli 2026 is evenmin voldoende om nog een spoedeisend belang aan te nemen, nu [gedaagde 2] ter zitting (onbetwist) heeft verklaard dat hij inmiddels is gestopt met zijn (advies)werkzaamheden voor J&S.
C&F stelt weliswaar dat zij door het beweerde wanpresteren/onrechtmatig handelen van J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] een lagere koopprijs heeft ontvangen van TSV, maar voor zover daarvan sprake is, heeft zij daardoor mogelijk schade geleden. Die omstandigheid, leidt - zonder nadere toelichting die ontbreekt – echter niet tot de conclusie dat thans sprake is van een spoedeisend belang in de zin van artikel 197 Rv, dat maakt dat van C&F niet verwacht kan worden de uitkomst van een inzageverzoek in een bodemprocedure af te wachten. Dan blijft slechts over dat C&F belang heeft bij inzage in of afgifte van de beslagen gegevens om haar positie te kunnen bepalen voor haar mogelijke aanspraak op boetes en/of schadevergoeding wegens wanpresteren/ onrechtmatige handelen van J&S, [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] . Dat zij een spoedeisend belang heeft om in dat verband een procedure tegen hen te starten is niet gebleken. Niet valt in te zien waarom C&F haar vordering tot inzage in dan wel afgifte van gegevens niet in een bodemprocedure aanhangig zou kunnen maken. De enkele omstandigheid dat een beslissing in een bodemprocedure langer op zich laat wachten dan een beslissing in een kortgedingprocedure betekent – anders dan C&F lijkt te stellen – niet dat zij thans een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen.
Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van C&F in conventie worden afgewezen. Hetgeen partijen overigens over en weer in conventie hebben aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden en behoeft daarom geen bespreking.
C&F is het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] betalen.
[gedaagde 3] vordert een integrale proceskostenveroordeling. Een integrale proceskostenveroordeling is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR 29 juni 2007, NJ 2007/353). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet aan voormeld criterium voldaan. Dit leidt tot de conclusie dat C&F wordt veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 3] conform het geldende liquidatietarief.
Hetzelfde geldt voor de proceskosten aan de zijde van J&S en [gedaagde 2] .
De proceskosten van J&S worden begroot op:
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.999,00
De proceskosten van [gedaagde 2] worden begroot op:
- griffierecht
€
331,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.616,00
De door [gedaagde 2] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De proceskosten van [gedaagde 3] worden begroot op:
- griffierecht
€
331,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.616,00
6. De beoordeling in reconventie
Opheffing bewijsbeslag
J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] vorderen opheffing van het bewijsbeslag. Volgens hen is het door C&F ingeroepen recht op grond waarvan zij beslag heeft gelegd ondeugdelijk en en/of is het beslag onnodig gelegd.
Volgens artikel 705 lid 2 Rv moet het beslag worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal beslist moeten worden aan de hand van wat door partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen. Daarbij moet worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. Hierbij geldt dat een bewijsbeslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat de beslagen gegevens voorhanden blijven, in ieder geval totdat op een door de beslaglegger in te stellen inzagevordering is beslist.
De voorzieningenrechter volgt het standpunt van J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] niet en zal niet overgaan tot opheffing van het bewijsbeslag. Daartoe wordt als volgt overwogen.
Dat de inzagevordering van C&F onvoldoende spoedeisend is voor toewijzing in de onderhavige kortgedingprocedure wil nog niet zeggen dat daarmee sprake is van summierlijke ondeugdelijkheid van het door C&F ingeroepen recht. In de (mogelijk) nog door C&F jegens J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in te stellen bodemprocedure zal (al dan niet na bewijslevering) moeten worden vastgesteld of C&F een deugdelijke vordering hebben. Vooralsnog is de voorzieningenrechter van oordeel dat C&F voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan volgen dat er een rechtsbetrekking met J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] bestaat en dat C&F rechtmatig belang heeft bij inzage dan wel afgifte van bepaalde gegevens. De beoordeling of de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is kan bovendien niet geschieden los van de vereiste afweging van de wederzijdse belangen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient de belangenafweging in het voordeel van C&F uit te vallen, temeer omdat J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij kenbaar nadeel of hinder van de bevriezing van de bestaande situatie ondervinden. Met opheffing van bewijsbeslag moet ook terughoudend worden omgegaan, omdat daarmee de beslagen gegevens voorgoed kunnen kwijtraken. De vorderingen van J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] tot opheffing van het bewijsbeslag zullen daarom worden afgewezen.
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben nog een beroep gedaan op artikel 21 Rv, omdat C&F in het beslagrekest van 24 oktober 2025 volgens hen ten onrechte geen melding heeft gemaakt van de koopovereenkomst tussen C&F en TSV, die op 28 oktober 2025 is getekend en waarbij C&F haar onderneming met ingang van 1 december 2025 deels heeft verkocht aan TSV. De voorzieningenrechter ziet geen reden om daaraan de door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gewenste gevolgen te verbinden. Nog daargelaten dat die koopovereenkomst is gesloten na het indienen van het beslagrekest – en niet vast staat dat ten tijde van het indienen van het beslagrekest al zeker was dat die koopovereenkomst tot stand zou komen – is niet aannemelijk geworden dat een vermelding van deze voorgenomen verkoop in het beslagrekest had geleid tot een afwijzing van het verzoek. Dit geldt te meer nu C&F en TSV op 9 december 2025 een ‘koopovereenkomst tevens houdende akte van cessie ex artikel 3:94 lid 1 BW’, hebben gesloten, waarin TSV eventuele aanspraken op [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aan C&F heeft gecedeerd. Kennelijk was het de bedoeling dat bij de verkoop aan TSV de door C&F gepretendeerde vorderingen op [gedaagde 2] en [gedaagde 3] bij C&F zouden blijven.
De voorzieningenrechter ziet evenmin reden om gevolgen te verbinden aan de stelling van [gedaagde 3] dat C&F artikel 21 Rv heeft geschonden door haar vorderingen jegens hem (mede) te baseren op een relatie- en concurrentiebeding, waarvan zij weet dat dit niet geldig is, aangezien het is opgenomen in een niet door [gedaagde 3] ondertekende arbeidsovereenkomst. C&F heeft weliswaar erkend dat op de door haar overgelegde arbeidsovereenkomst met [gedaagde 3] zijn handtekening ontbreekt, maar zij voert aan dat na de contractsovername waarbij [gedaagde 3] bij haar in dienst is gekomen een addendum is opgemaakt, waaraan mogelijk een nieuwe arbeidsovereenkomst is gehecht en dat [gedaagde 3] bovendien in het kader van de beëindigingsovereenkomst heeft onderhandeld over de inperking van de duur van het concurrentie- en relatiebeding. Dat C&F op dit punt niet aan haar waarheidsplicht heeft voldaan, is daarom vooralsnog niet gebleken.
concurrentiebeding
[gedaagde 2] vordert daarnaast – kort gezegd – (primair) schorsing van het concurrentie- en relatiebeding en (subsidiair) een vergoeding van € 3.593,23 bruto per maand tot en met juni 2026.
[gedaagde 2] legt aan die vordering(en) ten grondslag dat die bedingen vernietigbaar zijn, nu ze zijn opgenomen in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, terwijl uit de bij de bedingen opgenomen schriftelijke motivering niet blijkt dat ze noodzakelijk zijn vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Volgens [gedaagde 2] ligt het op de weg van C&F om aan te tonen dat er bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen bestonden én dat die belangen nu nog steeds bestaan. [gedaagde 2] is van mening dat C&F dit niet heeft aangetoond, dan wel aannemelijk heeft gemaakt. Hij betwist uitdrukkelijk dat hij sinds 9 mei 2024 kennis heeft genomen van prijsstellingen, marges, leveringscondities en/of concurrentiegevoelige informatie en voert voorts aan dat hij sindsdien geen direct contact meer had met relaties van C&F. Ook betwist [gedaagde 2] dat de bedingen noodzakelijk zouden zijn omdat sprake is van een uniek product en/of dienst, zoals verwoord in de schriftelijke motivering. Weliswaar beschikt [gedaagde 2] over – jarenlang opgebouwde – technische kennis, maar die kennis is niet uniek en/of speciaal voor C&F ontwikkeld en dus niet concurrentiegevoelig.
Verder betwist [gedaagde 2] dat C&F enig belang heeft bij handhaving van het concurrentie- en relatiebeding, dan wel dat het belang van C&F bij handhaving van de bedingen zwaarder weegt dan zijn belang om vrij werkzaam te kunnen zijn in zijn vakgebied. Dit geldt volgens [gedaagde 2] te meer nu C&F haar pensioentoezeggingen niet (volledig) is nagekomen en van hem – gelet op zijn leeftijd – niet meer verwacht kan worden dat hij zich een ander vakgebied eigen maakt. Voor zover de voorzieningenrechter niet overgaat tot schorsing van de bedingen, rechtvaardigt dit zijns inziens een vergoeding ex artikel 7:653 lid 5 BW.
C&F voert verweer tegen de door [gedaagde 2] gevorderde schorsing van de bedingen. Zij stelt zich op het standpunt dat zij een evident, zwaarwegend belang heeft bij handhaving van de bedingen. C&F wijst erop dat TSV bij akte van cessie de per 1 december 2025 bestaande vorderingen verband houdende met de gestelde onrechtmatige concurrentie door (onder meer) [gedaagde 2] aan C&F heeft gecedeerd. C&F stelt zich op het standpunt dat de bedingen rechtsgeldig zijn, nu in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd schriftelijk is gemotiveerd dat en waarom deze noodzakelijk zijn vanwege zwaarwegende bedrijfs- en dienstbelangen. Daarbij heeft C&F toegelicht dat zij ten tijde van het aangaan van de betreffende arbeidsovereenkomst met [gedaagde 2] , onderdeel uitmaakte van de H&S Group en dat de motivering betrekking had op die groep en dat die motivering nog steeds geldt. Volgens C&F vervulde [gedaagde 2] bij C&F een sleutelpositie met toegang tot essentiële bedrijfs- en marktgevoelige informatie. Bij C&F bestaat thans het concrete vermoeden dat [gedaagde 2] zich schuldig heeft gemaakt aan (voorbereiding van) concurrerende activiteiten door gebruik te maken van deze vertrouwelijke bedrijfsinformatie van C&F, aangezien [gedaagde 2] werkzaamheden voor J&S (heeft) verricht, hij grote hoeveelheden geheime bedrijfsdocumenten van C&F naar zijn privé mailadres heeft gestuurd en J&S een filling-opstelling realiseert die overeenkomt met de door C&F ontwikkelde configuratie.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de vraag of er zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen bestaan die het opnemen van het concurrentie- en/of relatiebeding in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van [gedaagde 2] rechtvaardigen, in de onderhavige procedure niet worden beantwoord. Hetzelfde geldt voor de vraag of – er vanuit gaande dat de bedingen rechtsgeldig zijn – [gedaagde 2] concurrerende werkzaamheden voor J&S heeft verricht. Gelet op de uiteenlopende standpunten van partijen omtrent de rechtsgeldigheid van de bedingen en de aard van de door [gedaagde 2] verrichte (al dan niet concurrerende) werkzaamheden is voor het antwoord op de vraag of het concurrentie- en/of relatiebeding van [gedaagde 2] vernietigbaar is, bewijslevering nodig. Daarvoor leent de kortgedingprocedure zich niet. Dat betekent dat de voorzieningenrechter vooralsnog niet kan beoordelen of het concurrentie- en relatiebeding vernietigbaar is en zo nee, of C&F voldoende reden heeft om [gedaagde 2] aan die bedingen te houden.
Een belangenafweging maakt dit niet anders. Weliswaar heeft [gedaagde 2] aangevoerd dat hij door zijn geringe pensioeninkomen veel belang heeft om werkzaam te kunnen zijn in het vakgebied waarin hij al sinds 2016 ervaring en kennis heeft opgedaan, maar daartegenover staat dat C&F de door [gedaagde 2] gestelde inkomensterugval uitdrukkelijk heeft betwist en terecht heeft aangevoerd dat [gedaagde 2] zijn dienstverband met C&F zelf voortijdig heeft beëindigd. Alles afwegende is in de onderhavige procedure – zonder nader onderzoek – niet aannemelijk geworden dat het belang van [gedaagde 2] bij schorsing van de bedingen evident zwaarder weegt dan het te beschermen belang van C&F, zodat voor een voorziening in kort geding, zoals door [gedaagde 2] gevorderd, geen plaats is.
De primaire vordering tot schorsing van het concurrentie- en relatiebeding zal daarom worden afgewezen. Ook voor toewijzing van de subsidiaire vordering ziet de voorzieningenrechter onvoldoende reden. [gedaagde 2] heeft tegenover de betwisting van C&F niet onderbouwd op grond waarvan moet worden aangenomen dat C&F haar pensioentoezeggingen aan hem niet zou zijn nagekomen. Ook heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij niet op andere wijze in een aanvulling op zijn pensioen kan voorzien. Gelet op deze uitkomst zal ook de subsidiaire vordering tot betaling van een vergoeding worden afgewezen, nog daargelaten dat C&F gemotiveerd verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de door [gedaagde 2] gevorderde vergoeding.
proceskosten
J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn in reconventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van C&F betalen. Nu de vorderingen tot opheffing van het beslag voortvloeien uit de vordering in conventie, wordt bij het begroten van het salaris advocaat uitgegaan van een half punt van het liquidatietarief, te weten € 553,50 (factor 0,5 x € 1.107,00). Hoewel de vordering van [gedaagde 2] betreffende (kort gezegd) schorsing van het concurrentiebeding niet voortvloeit uit de vordering in conventie, wordt desondanks aanleiding gezien om ook daarvoor een half punt van het liquidatietarief, te weten € 553,50, aan salaris toe te wijzen. Het totaal door J&S, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aan C&F te betalen salaris advocaat bedraagt derhalve € 1.107,00. Van dit bedrag dient J&S € 184,50 aan C&F te betalen, [gedaagde 3] € 184,50 en [gedaagde 2] € 738,00 (€ 184,50 + € 553,50). Verder is de door C&F jegens [gedaagde 2] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijsbaar als na te melden. Het voorgaande leidt tot de volgende proceskostenver(oor)deling:
J&S is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de volgende proceskosten (inclusief nakosten) van C&F betalen:
- salaris advocaat
€
184,50
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
362,50
[gedaagde 3] is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de volgende proceskosten (inclusief nakosten) van C&F betalen:
- salaris advocaat
€
184,50
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
362,50
[gedaagde 2] is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de volgende proceskosten (inclusief nakosten) van C&F betalen:
- salaris advocaat
€
738,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
916,00
De door C&F jegens [gedaagde 2] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
7. De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
wijst de vorderingen van C&F af,
veroordeelt C&F in de proceskosten van J&S van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als C&F niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt C&F in de proceskosten van [gedaagde 2] van € 1.616,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als C&F niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, en veroordeelt C&F tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
veroordeelt C&F in de proceskosten van [gedaagde 3] van € 1.616,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als C&F niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart de proceskostenveroordelingen onder 7.2., 7.3. en 7.4. uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
t.a.v. de vordering van J&S
wijst de vorderingen af;
veroordeelt J&S in de proceskosten van C&F van € 362,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als J&S niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
t.a.v. de vordering van [gedaagde 2]
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten van C&F van € 916,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
t.a.v. de vordering van [gedaagde 3]
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [gedaagde 3] in de proceskosten van C&F van € 362,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 3] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
in reconventie voorts
verklaart de proceskostenveroordelingen onder 7.7., 7.9., 7.10. en 7.12. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op
26 januari 2026.
771