RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/457309 / HA ZA 25-401
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
BARBARA SIGRID WITTEVEEN QQ,
in hoedanigheid van curator in het faillissement van TVK Transport B.V.,
te Arnhem ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. B.S. Witteveen,
tegen
[naam gedaagde in conventie] ,
te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de gedaagde in conventie] ,
advocaat: mr. A.J. Stokkers.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 21 januari 2026
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 31 maart 2026 met de daarin genoemde ontvangen stukken die aan het procesdossier zijn toegevoegd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[de gedaagde in conventie] was tot 3 november 2023 bestuurder en (enig) aandeelhouder van [holding gedaagde in conventie] (hierna: [holding gedaagde in conventie] ). [holding gedaagde in conventie] was op haar beurt enig aandeelhouder van TVK Transport B.V. (hierna: TVK). [de gedaagde in conventie] was ook de bestuurder van TVK. TVK exploiteerde een koeriersbedrijf.
Op 1 oktober 2023 heeft [de gedaagde in conventie] namens [holding gedaagde in conventie] een koopovereenkomst met de heer [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) gesloten met betrekking tot de aandelen in het kapitaal van [holding gedaagde in conventie] door [betrokkene] . In de koopovereenkomst is onder meer het volgende te lezen:
(…)
Artikel 1. Overname vennootschap(pen)
Op basis van hetgeen in de aanhef van deze overeenkomst is vernoemd, zal de overname betrekking hebben op [holding gedaagde in conventie] B.V. en TVK Transport B.V. (…)
Op 3 november 2023 zijn de aandelen van [de gedaagde in conventie] in [holding gedaagde in conventie] aan [betrokkene] geleverd. De koopprijs is vastgesteld op een bedrag van € 175.000. Overeengekomen is dat de koopprijs (onder meer) wordt verrekend met (de) openstaande rekening-courantverhouding(en) tussen [de gedaagde in conventie] enerzijds en [holding gedaagde in conventie] en TVK anderzijds. In de akte levering van aandelen is verder opgenomen dat [de gedaagde in conventie] onmiddellijk na het verlijden van de akte ontslag neemt als bestuurder van [holding gedaagde in conventie] .
Bij dagvaarding is als productie 12 overgelegd een document waarop de koopsom van de aandelen in [holding gedaagde in conventie] is berekend en waarop het volgende staat:
rc
TVK
€
36.491
Audi [kenteken]
€
22.000
* schatting
[de gedaagde in conventie]
€
113.622
€
172.113
Verkoop aandelen
€
175.000
Verschil
€
2.887
Uit de jaarrekening van [holding gedaagde in conventie] over het jaar 2022 volgt dat de rekeningcourantschuld van [de gedaagde in conventie] aan [holding gedaagde in conventie] per ultimo 2022 € 113.623 bedroeg.
Uit uittreksels van de Kamer van Koophandel volgt dat [de gedaagde in conventie] vanaf 12 oktober 2016 als bestuurder van TVK is ingeschreven en dat [betrokkene] per 1 oktober 2023 in plaats van [de gedaagde in conventie] als bestuurder van TVK is ingeschreven.
Na de aandelenoverdracht is [de gedaagde in conventie] tegen betaling van salaris werkzaamheden voor TVK blijven verrichten. [de gedaagde in conventie] verzorgde de administratie en de girale betalingen.
In de periode van 4 januari 2024 tot en met (ongeveer) februari 2024 zijn er vrijwel dagelijks contante opnames van de ING bankrekening van TVK gedaan. In totaal is een bedrag van € 120.350 opgenomen.
Vanaf februari 2024 heeft TVK de salarissen van haar werknemers niet meer betaald.
Bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 16 april 2024 is TVK failliet verklaard en is mr. Witteveen tot curator aangesteld.
3. De vordering en het verweer in conventie
De curator vordert – na vermeerdering c.q. wijziging van eis – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
[de gedaagde in conventie] zal veroordelen tot betaling van het tekort in het faillissement nader op te maken bij staat;
[de gedaagde in conventie] zal veroordelen tot betaling van een voorschot op het tekort in het faillissement begroot op een bedrag van € 500.000, te vermeerderen met wettelijke rente;
Subsidiair:
voor recht zal verklaren dat [de gedaagde in conventie] aansprakelijk is voor de schade die TVK heeft geleden op grond van artikel 2:9 BW dan wel artikel 6:162 BW, nader op te maken bij staat althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente;
Meer subsidiair:
het samenstel van rechtshandeling van overname van de rekeningcourantschuld van [de gedaagde in conventie] aan TVK zal vernietigen en [de gedaagde in conventie] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 90.780,26, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente;
[de gedaagde in conventie] zal veroordelen in de proceskosten;
[de gedaagde in conventie] zal veroordelen in de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
De curator legt aan haar primaire vordering ten grondslag dat [de gedaagde in conventie] haar taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijk oorzaak van het faillissement is geweest als bedoeld in artikel 2:248 lid 1 BW. Aan haar subsidiaire vordering legt zij ten grondslag dat sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:9 BW dan wel artikel 6:162 BW en aan haar meer subsidiaire vordering legt zij ten grondslag dat sprake is van paulianeus handelen waardoor het samenstel van rechtshandelingen dient te worden vernietigd.
De curator verwijt [de gedaagde in conventie] dat zij, toen zij nog bestuurder van TVK was, de publicatieplicht ex artikel 2:394 BW en administratieplicht ex artikel 2:10 BW heeft geschonden en dat zij voorafgaand aan de verkoop van de aandelen financiële middelen ‘naar boven’ heeft gebracht. In de jaarrekening van [holding gedaagde in conventie] van 2022 is te lezen dat TVK eind 2021 een vordering op [holding gedaagde in conventie] had van € 66.319 en dat deze vordering in 2022 naar € 147.545 is opgelopen. Uit de grootboekadministratie volgt dat [de gedaagde in conventie] bepaalde transacties niet in rekening-courant heeft geboekt, terwijl dat wel had gemoeten en uit de administratie van TVK blijkt dat [de gedaagde in conventie] in 2023 een schuld van € 36.491,11 aan TVK heeft laten ontstaan. Daarnaast verwijt de curator [de gedaagde in conventie] dat zij bij de totstandkoming van de aandelenoverdracht niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van haar als enig indirect aandeelhouder en bestuurder van TVK verwacht had mogen worden. [de gedaagde in conventie] heeft voorafgaand aan de aandelenoverdracht nimmer met [betrokkene] gesproken en heeft de achtergrond (kredietwaardigheid) van [betrokkene] niet gecontroleerd. De curator verwijt [de gedaagde in conventie] dat zij bij de aandelenoverdracht alleen oog heeft gehad voor haar eigen belang door haar rekeningcourantschulden te verrekenen met de koopprijs van de aandelen van [de gedaagde in conventie] in [holding gedaagde in conventie] . [de gedaagde in conventie] heeft daarbij niet gekeken naar het belang van (de schuldeisers van) TVK. Volgens de curator was met deze transactie namelijk redelijkerwijs voorzienbaar dat (de schuldeisers van) TVK door deze transactie schade zou(den) leiden en zou(den) worden benadeeld.
[de gedaagde in conventie] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de curator, met veroordeling van de curator in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
Op de stellingen van partijen zal, voor zover relevant, hierna worden ingegaan.
4. De vordering en het verweer in reconventie
[de gedaagde in conventie] vordert dat de curator bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld mee te werken aan de opheffing van de door haar ten laste van [de gedaagde in conventie] gelegde conservatoire beslagen, met bepaling dat indien de curator niet aan deze veroordeling voldoet, het vonnis in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring en/of rechtshandeling van de curator, waarbij de uitspraak van het vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte als bedoeld in artikel 3:300 BW. Ook vordert [de gedaagde in conventie] dat de curator de proceskosten dient te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente.
De curator concludeert tot afwijzing van de vordering in reconventie met veroordeling van [de gedaagde in conventie] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
Indien de rechtbank de vorderingen van de curator afwijst, verzoekt de curator op grond van een belangenafweging alsnog de gelegde conservatoire beslagen niet op te heffen.
Op de stellingen van partijen zal, voor zover relevant, hierna worden ingegaan.
5. De beoordeling in conventie en reconventie
Omdat de vorderingen in conventie en reconventie nauw met elkaar samenhangen, zal de rechtbank deze gezamenlijk bespreken.
Onbehoorlijk bestuur ex artikel 2:248 BW
Op grond van artikel 2:248 BW zijn de bestuurders van een vennootschap in geval van faillissement van die vennootschap jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het faillissementstekort indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Als het bestuur niet heeft voldaan aan de administratieplicht ex artikel 2:10 BW of de publicatieplicht ex artikel 2:394 BW, dan wordt (onweerlegbaar) vermoed dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Deze onbehoorlijke taakvervulling wordt (weerlegbaar) vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn. Ter weerlegging van het bewijsvermoeden volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn of haar kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Als hij daarin slaagt, ligt het op de weg van de curator op de voet van art. 2:248 lid 1 BW aannemelijk te maken dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest (Hoge Raad 30 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6773 (Blue Tomato). Naast van buiten komende oorzaken, kan ook handelen of nalaten van een of meer bestuurders dat op zichzelf beschouwd geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert — en waarvan dus niet gezegd kan worden dat geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld — voldoende zijn voor ontzenuwing van het in art. 2:248 lid 2 BW bedoelde vermoeden (Hoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1099 (Mobile Services).
De boekhoudplicht van artikel 2:10 BW houdt (kort gezegd) in dat het bestuur een zodanige administratie bij moet houden dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend (Hoge Raad 11 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0994). In deze zaak voert de curator aan dat [de gedaagde in conventie] de boekhoudplicht heeft geschonden, omdat namens [de gedaagde in conventie] slechts de jaarrekeningen en de grootboekrekening over 2023 aan de curator zijn overhandigd. De curator stelt dat haar is voorgehouden dat bij gelegenheid van de verkoop van de aandelen de administratie aan [betrokkene] is overhandigd en [de gedaagde in conventie] daarom niet in staat is om verdere administratie aan de curator te overhandigen.
Vooropgesteld wordt dat [de gedaagde in conventie] alleen een schending van de boekhoudplicht kan worden verweten over de periode dat zij bestuurder van TVK was. Aangezien de administratie bij een aandelenoverdracht bij de rechtspersoon dient achter te blijven, en de curator nalaat om feiten en omstandigheden te stellen waarom zij [de gedaagde in conventie] als voormalig bestuurder van TVK het schenden van de boekhoudplicht (over de periode dat zij bestuurder van TVK was) verwijt, zal de rechtbank aan het beroep op schending van artikel 2:10 BW voorbij gaan.
De publicatieplicht van artikel 2:394 BW houdt (kort gezegd) in dat het de verantwoordelijkheid van het bestuur van een rechtspersoon is dat de jaarrekening tijdig wordt gedeponeerd bij het handelsregister. De curator voert aan dat [de gedaagde in conventie] als bestuurder van TVK deze plicht heeft geschonden, aangezien de jaarrekening over 2020 op 1 april 2022 is gedeponeerd, de jaarrekening over 2021 op 19 september 2023 en de jaarrekening over 2022 op 16 december 2024. Hoewel [de gedaagde in conventie] niet weerspreekt dat deze jaarrekening niet tijdig zijn gedeponeerd, overweegt de rechtbank dat de jaarrekening over 2022 pas behoefde te worden ingediend toen [de gedaagde in conventie] niet langer indirect bestuurder van TVK was. Dit betekent dat het schenden van de publicatieplicht over het jaar 2022 [de gedaagde in conventie] niet kan worden verweten. Dit is anders voor de te laat gedeponeerde jaarrekeningen over 2020 en 2021. Deze zijn immers te laat gepubliceerd en voor het schenden van die publicatieplichten wordt vermoed dat [de gedaagde in conventie] haar taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld.
Door [de gedaagde in conventie] is echter in voldoende mate weerlegd dat deze onbehoorlijke taakvervulling vermoed wordt een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn. Zij heeft aannemelijk gemaakt dat een belangrijke oorzaak van het faillissement de van buitenkomende oorzaak is dat [betrokkene] in een periode van 4 januari 2024 tot en met (ongeveer) februari 2024 een bedrag van € 120.350 contant heeft opgenomen. De curator heeft dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken. Niet gesteld of gebleken is dat [de gedaagde in conventie] deze contante opnames heeft verricht of daarbij betrokken is geweest. Voor zover de curator heeft betoogd dat [de gedaagde in conventie] in de periode van de opnames nog bestuurder van TVK was en zij er onvoldoende aan heeft gedaan om de opnames af te wenden, overweegt de rechtbank dat niet gebleken is dat [de gedaagde in conventie] in de desbetreffende periode nog bestuurder dan wel feitelijke beleidsbepaler van TVK was. [de gedaagde in conventie] verrichtte op basis van een managementovereenkomst werkzaamheden voor TVK en was uit dien hoofde (onder meer) belast met het verrichten van girale betalingen. Gelet hierop valt niet in te zien hoe [de gedaagde in conventie] de contante opnames had dienen af te wenden.
Omdat de curator niet voor het voetlicht heeft gebracht waarom het niet tijdig publiceren van de jaarrekening over de jaren 2020 en 2021, mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest, zal de rechtbank het beroep op artikel 2:248 BW verwerpen.
Voor zover de curator aan het beroep op artikel 2:248 BW ook de wijze van totstandkoming van de aandelenoverdracht ten grondslag heeft gelegd, miskent zij dat [de gedaagde in conventie] dit niet als bestuurder van TVK heeft gedaan, maar als aandeelhouder van [holding gedaagde in conventie] . Ook het verwijt van de curator dat [de gedaagde in conventie] een rekening-courantschuld bij TVK heeft laten ontstaan en bepaalde betalingen ten onrechte niet in de rekeningcourantverhouding heeft verwerkt, is onvoldoende om te kunnen oordelen dat die omstandigheid een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.
Bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 6:162 BW of ex artikel 2:9 BW
De curator stelt subsidiair dat [de gedaagde in conventie] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 6:162 BW dan wel 2:9 BW aansprakelijk kan worden gehouden voor de geleden schade.
Vastgesteld wordt dat de curator in deze procedure niet heeft gekozen voor een reguliere onrechtmatige daadsactie ex artikel 6:162 BW, maar specifiek voor een actie op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. Zo heeft de curator in haar dagvaarding gesteld dat zij haar vordering op grond van bestuurdersaansprakelijkheid namens de gezamenlijke schuldeisers van TVK instelt.
Zoals in 3.3. overwogen verwijt de curator [de gedaagde in conventie] dat zij bij de aandelentransactie geen rekening heeft gehouden met de belangen van de schuldeisers van TVK, maar alleen naar haar eigen belang. [de gedaagde in conventie] heeft zonder onderzoek naar de kredietwaardigheid en betrouwbaarheid te doen haar aandelen in [holding gedaagde in conventie] aan [betrokkene] overgedragen en daarbij de tussen haar en TVK bestaande rekeningcourantpositie met de koopprijs van de aandelen verrekend. Volgens de curator was echter redelijkerwijs te voorzien dat de schuldeisers van [holding gedaagde in conventie] en daarmee ook die van TVK door de aandelentransactie zouden worden benadeeld.
Nog daargelaten dat [de gedaagde in conventie] deze aandelentransactie als aandeelhouder van [holding gedaagde in conventie] heeft verricht en niet als bestuurder van TVK, TVK na deze transactie is voortgezet en de rekening-courantpositie van [de gedaagde in conventie] door [betrokkene] lijkt te zijn overgenomen waardoor afgevraagd kan worden welke schade door de gezamenlijke schuldeisers is geleden, heeft de curator gedurende de procedure de grondslag van haar vordering gewijzigd door een verklaring voor recht te vragen dat [de gedaagde in conventie] op grond van artikel 2:9 BW/6:162 BW aansprakelijk is voor de geleden schade van TVK. Hieruit volgt dat de curator de vordering niet langer namens de gezamenlijke schuldeisers instelt, maar namens TVK. Dit leidt er toe dat de rechtbank niet langer toekomt aan een beoordeling van bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 6:162 BW. De vordering in de dagvaarding die daarop gestoeld was, is met de akte wijziging eis komen te vervallen.
Voor bestuurdersaansprakelijkheid op de voet van artikel 2:9 BW is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of in een bepaald geval plaats is voor een ernstig verwijt als hier bedoeld, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult. (Hoge Raad 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243 (Staleman/Van de Ven). De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Allereerst is gebleken dat partijen van mening verschillen of de rekeningcourantschuld van [de gedaagde in conventie] aan TVK bij de aandelenoverdracht is verrekend. [de gedaagde in conventie] meent dat dit het geval is en de curator niet. Volgens de curator ontbreekt de voor verrekening vereiste wederkerigheid (zoals bedoeld in artikel 6:127 BW), aangezien [holding gedaagde in conventie] en [betrokkene] de partijen bij de koopovereenkomst zijn. De rechtbank verwerpt het standpunt van de curator. Uit artikelen 1 en 2 van de koopovereenkomst blijkt in voldoende mate dat [de gedaagde in conventie] (namens [holding gedaagde in conventie] ) en [betrokkene] de bedoeling hebben gehad om de overname en de verrekening van de rekening courant posities ook betrekking te laten hebben op TVK. In de akte levering van aandelen wordt vervolgens ook naar deze overeenkomst verwezen. Ook is de overeenkomst als kopie aan de akte is gehecht. Tot slot betrekt de rechtbank bij dit oordeel ook de omstandigheid dat [de gedaagde in conventie] en [betrokkene] na de aandelenoverdracht dienovereenkomstig de gemaakte afspraken uitvoering aan de koopovereenkomst hebben gegeven.
Voor zover de curator heeft betoogd dat TVK voor het overnemen van de rekeningcourantschuld van [de gedaagde in conventie] door [betrokkene] toestemming ex artikel 6:155 BW had dienen te verlenen en niet blijkt dat dit is gebeurd, overweegt de rechtbank dat ook dit betoog niet slaagt. [de gedaagde in conventie] was op het moment van de aandelenoverdracht bestuurder van TVK en aangenomen moet worden dat zij de toestemming namens TVK heeft verleend.
Over deze schuldovername heeft de curator tijdens de mondelinge behandeling verder betoogt dat [de gedaagde in conventie] bij het verlenen van toestemming tot schuldovername in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 2:9 BW. Ook hier heeft [de gedaagde in conventie] , zonder onderzoek te doen naar de kredietwaardigheid en betrouwbaarheid van [betrokkene] , alleen aan haar eigen belang gedacht en niet aan het belang van TVK. Volgens de curator heeft [de gedaagde in conventie] met het verlenen van de benodigde toestemming voor lief genomen dat de schuld van een inbare schuldeiser naar een mogelijk oninbare schuldeiser zou gaan.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt dit betoog. [de gedaagde in conventie] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij [betrokkene] niet kende maar dat haar partner, die ook werkzaam was voor TVK, [betrokkene] bij een garage(verhuur)bedrijf is tegen gekomen. Haar partner en [betrokkene] zijn toen in gesprek geraakt over een mogelijke overname van [holding gedaagde in conventie] en TVK door [betrokkene] . [de gedaagde in conventie] heeft verklaard dat zij niet op de hoogte is of [betrokkene] al in de transportbranche zat en dat zij hem ook niet of bijna niet heeft gesproken tijdens het overnametraject. Volgens haar heeft haar boekhouder de contacten met [betrokkene] onderhouden. [de gedaagde in conventie] heeft [betrokkene] alleen een keer op kantoor en een keer bij de notaris heeft gezien. Op een vraag van de rechter of er onderzocht is wie [betrokkene] was, wat hij deed en waar hij vandaan kwam, heeft [de gedaagde in conventie] geantwoord “nee, eigenlijk niet”. Uit deze verklaringen leidt de rechtbank af dat [de gedaagde in conventie] als bestuurder van TVK lichtvaardig haar toestemming tot schuldovername heeft gegeven en geen, althans onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van TVK. Niet gebleken is dat [de gedaagde in conventie] op enig moment onderzoek naar de kredietwaardigheid en betrouwbaarheid van [betrokkene] heeft gedaan. [de gedaagde in conventie] kende [betrokkene] niet en heeft hem geen vragen gesteld. [de gedaagde in conventie] heeft zich vooral laten leiden door haar eigen belang, nu met de schuldovername haar rekeningcourantschuld aan TVK werd weggestreept. [de gedaagde in conventie] had als bestuurder van TVK die berekend is op haar taak, deze nauwgezet moeten vervullen en zij had bij het verlenen van toestemming tot schuldovername meer inzicht en zorgvuldigheid dienen te betrachten. Met de curator is de rechtbank van oordeel dat zij met het verlenen van de toestemming voor lief heeft genomen dat de rekeningcourantschuld aan TVK van een inbare schuldeiser naar een mogelijk oninbare schuldeiser zou gaan. Dit betekent dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat [de gedaagde in conventie] ex artikel 2:9 BW aansprakelijk is voor de schade die TVK heeft geleden doordat zij als bestuurder die toestemming heeft verleend en dat de geleden schade op een bedrag van € 36.491,11 wordt begroot, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling.
Dat [de gedaagde in conventie] , toen zij bestuurder van TVK was, enkele door TVK betaalde bedragen (zoals o.a. de levering van elektriciteit aan het woonhuis van [de gedaagde in conventie] ) niet in de rekeningcourantverhouding tussen TVK en [de gedaagde in conventie] heeft verwerkt, levert echter niet zonder meer een ernstig verwijt op als bedoeld in artikel 2:9 BW. De curator heeft op dit punt haar stellingen onvoldoende uitgewerkt. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat [de gedaagde in conventie] en [betrokkene] lijken te zijn overeengekomen dat de waarde van een Audi die aan TVK toebehoorde als een deelbetaling voor de koopprijs van de aandelen is aangewend.
Faillissementspauliana
Gelet op de toewijzing van de subsidiaire vordering voor zover het de schuldovername betreft en op de gekozen bewoordingen van de meer subsidiaire vordering, namelijk het vernietigen van het samenstel van rechtshandelingen die tot de schuldovername hebben geleid, komt de rechtbank aan deze vordering niet meer toe.
Nog openstaande rekeningcourantvordering?
De curator stelt zich op het standpunt dat bepaalde bedragen die TVK ten behoeve van [de gedaagde in conventie] heeft betaald ten onrechte (nog) niet in de rekeningcourantverhouding tussen TVK en [de gedaagde in conventie] zijn verwerkt. In de dagvaarding heeft de curator betaling van deze nog openstaande rekeningcourantschuld gevorderd. Deze vordering komt echter niet meer in de akte vermeerdering eis c.q. wijziging van eis voor. Dit betekent dat de rechtbank over de verschuldigdheid van deze bedragen geen nadere beslissing kan geven. De rechtbank wenst partijen wel in overweging te geven om te bekijken of zij onderling over deze vordering afspraken kunnen maken.
Opheffing conservatoire beslagen
[de gedaagde in conventie] vordert in reconventie opheffing van de door de curator gelegde conservatoire beslagen.
De curator betoogt dat de conservatoire beslagen onder de bankinstellingen geen doel hebben getroffen en het beslag onder de woning van [de gedaagde in conventie] is opgeheven, nu [de gedaagde in conventie] vervangende zekerheid in de vorm van een depot ten bedrage van € 109.226,62 heeft verstrekt. Een en ander is door [de gedaagde in conventie] niet weersproken.
De rechtbank leidt hieruit af dat [de gedaagde in conventie] geen rechtens te respecteren belang (meer) heeft om opheffing van de gelegde conservatoire beslagen te vorderen. Voor zover toch mocht blijken dat er ergens nog conservatoir beslag ligt, overweegt de rechtbank dat er geen grond bestaat om tot opheffing van dat gelegde conservatoire beslag over te gaan. De vordering in conventie wordt immers voor een deel toegewezen. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel.
Uitvoerbaar bij voorraadverklaring
[de gedaagde in conventie] verzoekt de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring af te wijzen in verband met het restitutierisico. Gelet op de stand van de boedel is er een gerede kans dat een eventuele betaling door [de gedaagde in conventie] aan de boedel na betaling van de faillissementskosten niet kan worden terugbetaald. [de gedaagde in conventie] betoogt dan ook dat zij er belang bij heeft dat de betaling niet aan de boedel behoeft te worden gedaan, zolang niet in hoogste instantie op de vordering van de curator is beslist. De belangen van [de gedaagde in conventie] enerzijds en de curator anderzijds tegen elkaar afwegend ziet de rechtbank aanleiding om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Voor de curator en de boedel betekent dit dat nu nog geen geld wordt ontvangen en dat de faillissementen niet kunnen worden afgewikkeld. Er is echter een zekerheid verstrekt in vorm van een depot. Bovendien heeft te gelden dat als hoger beroep wordt ingesteld, de afwikkeling van de faillissementen hoe dan ook zal moeten wachten vanwege eventuele restituties.
De proceskosten
[de gedaagde in conventie] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. Zij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van de curator betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
144,47
- griffierecht
€
2.392,00
- salaris advocaat
€
2.325,00
(2 punten × € 836 en 1 punt x € 653)
- nakosten
€
296,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
5.157,47
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De rechtbank
in conventie
verklaart voor recht dat [de gedaagde in conventie] ex artikel 2:9 BW aansprakelijk is voor de schade die TVK heeft geleden doordat [de gedaagde in conventie] als voormalig bestuurder van TVK toestemming heeft verleend tot schuldovername van haar rekeningcourantschuld aan TVK en begroot deze geleden schade op een bedrag van € 36.491,11, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
wijst het gevorderde af;
in conventie en reconventie
veroordeelt [de gedaagde in conventie] in de proceskosten van € 5.157,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de gedaagde in conventie] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [de gedaagde in conventie] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.K.J. Steketee en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.