ECLI:NL:RBGEL:2026:6107

ECLI:NL:RBGEL:2026:6107

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 20-05-2026
Datum publicatie 28-07-2026
Zaaknummer K/5001/11700738
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Tussenvonnis. Huurrecht, huurachterstand, garantstelling. Voorshands oordeel dat er sprake is van van oneerlijke bedingen buitengerechtelijke incassokosten, rente en huurprijswjiziging.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer: 11700738 \ CV EXPL 25-4080

Vonnis van 20 mei 2026

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

QSP ESS B.V.,

gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

eisende partij,

hierna te noemen: QSP,

gemachtigde: Armaere Incassospecialisten & Gerechtsdeurwaarders,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

gemachtigde: mr. R.B. Rouwen,2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

gemachtigde: mr. J.C. Hesen,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: gedaagden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 25 april 2025 met producties 1 tot en met 4,

de conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde 1] ,

de conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde 2] ,

de conclusie van repliek ten aanzien van [gedaagde 1] , tevens akte vermindering c.q. wijziging van eis met productie 5,

de conclusie van repliek ten aanzien van [gedaagde 2] , tevens akte vermindering c.q. wijziging van eis met producties 5,

de conclusie van dupliek aan de zijde van [gedaagde 2] .

Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.

2. De feiten

QSP verhuurt met ingang van 1 februari 2018 aan [gedaagde 1] de woning aan het adres [adres] in Arnhem (hierna: het gehuurde). Bij aanvang van de huurovereenkomst bedroeg de maandelijkse huursom € 835,00 en werd ook € 3,00 aan servicekosten in rekening gebracht. De huidige huur bedraagt € 1.112,92 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn de algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte van 2003 (hierna: algemene bepalingen) van toepassing.

In de huurovereenkomst is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

“Garant staat de heer J [gedaagde 2] , (…) (staat garant voor een bedrag van maximaal € 5.000, - zegge: vijfduizend euro)

“5.2 Indien het gehuurde zelfstandige woonruimte met een geliberaliseerde huurprijs voor woonruimte betreft, is het onder 5.1. gestelde niet van toepassing. In dat geval wordt de huurprijs voor het eerst per 01 februari 2019 en vervolgens jaarlijks aangepast overeenkomstig het gestelde in 18 van de algemene bepalingen te vermeerderen 3,0 %.

In de algemene bepalingen is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

“18. Indien het gehuurde zelfstandige woonruimte met een geliberaliseerde huurprijs betreft:

- vindt de jaarlijkse huurprijswijziging plaats op basis van de wijziging van het maandprijsindexcijfer volgens de consumentenprijsindex (CPI), reeks alle huishoudens (2000=100), gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); (…)

Voor elk geval dat huurder in verzuim is met de tijdige en volledige betaling van een geldsom, is hij 1% rente per maand verschuldigd over de verschuldigde hoofdsom vanaf de vervaldatum tot aan de dag van algehele voldoening van de hoofdsom. (…)

Indien een van partijen toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van enige verplichting welke ingevolge de wet en/of de huurovereenkomst op haar rust en de andere partij daardoor gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen moet nemen, zijn alle daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van de tekortschietende partij.

Ingeval het tekortschieten bestaat uit de niet tijdige betaling van een geldsom en in verband met de incassering daarvan buitengerechtelijke kosten moeten worden gemaakt, worden deze hierbij bepaald op ten minste 15% van het verschuldigde bedrag met een minimum van € 125,--. (…)

De aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ontstaat pas nadat de partij die tekortschiet schriftelijk door de andere partij is aangemaand, waarbij haar een redelijke termijn tot nakoming is gesteld en de nakoming binnen die termijn uitblijft.”

[gedaagde 1] heeft vanaf augustus 2024 de huur niet volledig betaald.

3. Het geschil

QSP vordert, na eiswijziging, (samengevat) dat de kantonrechter bij uitvoerbaarheid bij voorraad te verklaren vonnis:

gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de huurachterstand van € 1.566,85, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2026,

gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de huur vanaf 1 april 2025 van een bedrag van € 1.112,92 per maand, onder voorbehoud van (wettelijk) toegestane huurverhogingen,

gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten.

QSP legt aan haar vorderingen, samengevat, ten grondslag dat [gedaagde 1] vanaf augustus 2024 de huur niet volledig heeft voldaan waardoor een huurachterstand is ontstaan. Ondanks het versturen van een aanmaning heeft [gedaagde 1] deze huurachterstand niet betaald. Verder voert QSP aan dat [gedaagde 2] zich garant heeft gesteld voor een maximum van € 5.000,00 en dat zij op 2 april 2025 deze garantstelling heeft ingeroepen. Ook [gedaagde 2] heeft de huurachterstand niet betaald waardoor QSP een hoofdelijke veroordeling vordert van gedaagden.

[gedaagde 1] erkent de huurachterstand en voert aan dat de huurachterstand is ontstaan na het beëindigen van de arbeidsrelatie tussen hem en [gedaagde 2] . Verder voert [gedaagde 1] aan dat hij bereid is om de huurachterstand en bijkomende kosten te betalen.

[gedaagde 2] erkent dat hij zich garant heeft gesteld voor [gedaagde 1] tot een maximaal bedrag van € 5.000,00 maar voert aan dat hij de aanmaning van 2 april 2025 niet heeft ontvangen. Ook voert [gedaagde 2] aan dat QSP hem niet, of in ieder geval veel te laat, in kennis heeft gesteld van de huurachterstand waardoor hij schade heeft geleden.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Oneerlijke bedingen algemene bepalingen

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn natuurlijke personen en zij worden aangemerkt als consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan de Richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).

Buitengerechtelijke incassokosten en rente

[gedaagde 2] voert aan dat zowel het boete- als kostenbeding van artikel 20 van de algemene bepalingen onredelijk bezwarend zijn en dus vernietigd moeten worden. Na vernietiging van de bedingen kan ook geen aanspraak worden gemaakt op de wettelijke regelingen volgens [gedaagde 2] . QSP heeft in haar conclusie van repliek niet inhoudelijk gereageerd op genoemd standpunt van [gedaagde 2] .

In artikel 20.2 van de algemene bepalingen is een rentebeding opgenomen van 1% per maand. Dat is meer dan de wettelijke rente op het moment van sluiten van de overeenkomst. Dit rentebeding is daarom oneerlijk, wat betekent dat de kantonrechter het beding zal vernietigen. Dit heeft tot gevolg dat de gevorderde rente zal worden afgewezen. Dat QSP niet de rente uit de algemene bepalingen, maar de wettelijke rente vordert, doet aan voorgaande niet af. Na vernietiging van een oneerlijk beding kan namelijk geen aanspraak worden gemaakt op de wettelijke regeling.

In de artikelen 20.3, 20.4 en 20.5 van de algemene bepalingen wordt ten nadele van de consument afgeweken van het bepaalde in artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Er wordt namelijk vanuit gegaan dat alle kosten verschuldigd zijn. Daarbij is ook geen maximum opgenomen, wat ertoe leidt dat onbeperkte kosten voor rekening van de consument zouden kunnen komen. Dat zou tot gevolg kunnen hebben dat de consument belast wordt met hogere kosten dan wettelijk is toegestaan. Ook is in dit geval de bedongen vergoeding altijd ten minste 15% van het verschuldigde bedrag, met een minimum van € 125,00 en daarmee hoger dan de wettelijke vergoeding. Tot slot volgt uit de tekst van het beding dat de incassokosten verschuldigd zijn nadat de andere partij is aangemaand, terwijl de wettekst voorschrijft dat éérst nog een zogenoemde veertiendagenbrief moet worden verstuurd. Dat het beding voorschrijft dat wel eerst een ‘redelijke termijn tot nakoming’ wordt gegeven, is daartoe onvoldoende. Dit sluit onvoldoende aan bij artikel 6:96 lid 5 en lid 6 BW en het Besluit. Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter de artikelen 20.3, 20.4 en 20.5 van de algemene bepalingen vernietigen, voor zover die zien op buitengerechtelijke incassokosten. Dat heeft tot gevolg dat ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.

Huurprijswijzigingsbeding

Gezien de hoogte van aanvangshuurprijs is sprake van geliberaliseerde huur. De Hoge Raad heeft op 29 november 2024 een prejudiciële beslissing gegeven over, in de kern, de vraag of een in de geliberaliseerde sector gehanteerd huurprijswijzigingsbeding met een opslag van maximaal 3% naast een op de consumentenprijsindex (CPI) gebaseerd indexatiebeding oneerlijk is als bedoeld in artikel 3 lid 1 van de richtlijn (ECLI:NL:HR:2024:1780). De Hoge Raad oordeelde, voor zover in deze procedure relevant in deze procedure, het volgende:

dat het indexatiebeding en het opslagbeding apart op oneerlijkheid moeten worden getoetst,

dat een opslagbeding als zodanig niet is aan te merken als oneerlijk en een beding dat voorziet in een opslag van maximaal 3% evenmin, omdat dit percentage in redelijkheid nodig kan zijn om de verhuurder in staat te stellen de doelen van het opslagbeding te bereiken (compensatie van kostenstijgingen die uitgaan boven de inflatie en het in de pas laten lopen van de huurprijs met de waardeontwikkeling van de woning) terwijl de financiële gevolgen ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst voor de huurder voorzienbaar zijn en de jaarlijkse huurstijging met maximaal dit percentage doorgaans binnen aanvaardbare grenzen blijft. In individuele gevallen kan dit echter anders zijn in verband met bijkomende omstandigheden die zich hebben voorgedaan ten tijde van het sluiten van de overeenkomst,

dat een oneerlijk bevonden opslagbeding, tenzij de huurder zich daartegen verzet, buiten toepassing moet worden gelaten, wat betekent dat een verhoging op basis van het beding noch voor het verleden noch voor de toekomst mogelijk is en dat iedere betaalde huurprijsverhoging onverschuldigd betaald is in de zin van artikel 6:203 BW,

at de rechter aan wie een vordering tot betaling van achterstallige huur voorligt, die oordeelt dat het opslagbeding oneerlijk is, ambtshalve een aftrek moet toepassen ter hoogte van de op grond van het opslagbeding doorgevoerde huurprijsverhogingen,

dat de rechter niet ambtshalve mag overgaan tot verrekening.

In dit geval bestaat het huurprijswijzigingsbeding uit een op de CPI gebaseerd indexatiebeding (artikel 18 van de algemene bepalingen) en een opslagbeding (artikel 5.2 van de huurovereenkomst). Dit geeft QSP het recht om de huur boven op de CPI met 3% te verhogen. Zoals hiervoor weergegeven heeft de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing geoordeeld dat een opslag van maximaal 3% in principe niet als oneerlijk is aan te merken. In (lagere) rechtspraak die nadien is gevolgd, is geoordeeld dat een opslagbeding van 3% wel oneerlijk is. De kantonrechter verwijst naar de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 10 maart 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:619). De kantonrechter zal hieronder nader uiteenzetten, in lijn met de genoemde uitspraak van het hof, waarom hij voorshands van oordeel is dat het opslagbeding als oneerlijk moet worden aangemerkt. Aangezien partijen in hun processtukken hier geen standpunt over hebben ingenomen, zal de kantonrechter partijen daarvoor gelegenheid geven.

Indexatiebeding

De kantonrechter beoordeelt het indexatiebeding niet als oneerlijk, nu dit is gebaseerd is op de CPI. Ook wordt in het beding toegelicht hoe de aanpassing van de huurprijs wordt berekend.

Opslagbeding

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) heeft een transparantievereiste voor de geldigheid van prijswijzigingsbedingen. Kortgezegd houdt dit in dat een redelijk geïnformeerd en oplettende consument in staat gesteld moet worden om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien. Ook is relevant of het beding potentieel het evenwicht tussen partijen verstoort, waarbij niet relevant is in hoeverre de verhuurder ook feitelijk uitvoering geeft aan het beding. Zoals het gerechtshof Amsterdam in zijn uitspraak van 10 maart 2026 illustreert in rechtsoverweging 6.19, zorgt een jaarlijkse stijging van 3% (boven de CPI) op de middellange en lange termijn tot een grote stijging van de huurprijs. Het is niet aannemelijk dat deze grote stijging voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst inzichtelijk was.

Verder heeft de richtlijn een indicatieve lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. In deze lijst komt een beding voor die tot doel of gevolg heeft “de verkoper te machtigen zonder geldige reden eenzijdig de voorwaarden van de overeenkomst te wijzigen”. Het overeengekomen opslagbeding valt onder deze beschrijving omdat er in de overeenkomst en algemene bepalingen geen reden nodig is om de huurprijs te verhogen. Hierdoor valt het opslagbeding niet onder de uitzondering van punt 2.b van de indicatieve lijst. Dat er een formele opzeggingsmogelijkheid is, doet hier niet aan af. Zoals de Hoge Raad ook in zijn prejudiciële beslissing overweegt in rechtsoverweging 3.2.8, zullen huurders niet snel gebruik (kunnen) maken van deze mogelijkheid, zeker niet gelet op de krapte op de woningmarkt.

Om te bepalen of een beding het evenwicht tussen partijen verstoort, moet volgens vaste rechtspraak van het HvJEU met name onderzocht worden of het beding een aantasting inhoudt van de rechtspositie die de consument heeft op basis van nationale wetgeving. Ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst gold artikel 7:274 lid 1 onder d BW (oud). Dit artikel gaf de verhuurder de mogelijkheid om een redelijk voorstel te doen tot aanpassing van de huurprijs. Als de huurder het voorstel niet accepteerde, kon de verhuurder de huurovereenkomst opzeggen maar wel alleen met tussenkomst van de rechter. Omdat in een gerechtelijke procedure met alle omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden, in dit geval in het bijzonder de betaalbaarheid, is het niet aannemelijk dat de huurprijs in zo’n procedure evenveel zou zijn gestegen als bij het toepassen van het opslagbeding.

De kantonrechter is gelet op het voorgaande voornemens om het opslagbeding te vernietigen vanwege zijn oneerlijke karakter. Voordat hiertoe over wordt gegaan, worden partijen in de gelegenheid gesteld om zich bij akte over dit voornemen en de eventuele gevolgen voor de vorderingen uit te laten.

Aangezien de (eventuele) vernietiging van het opslagbeding tot gevolg heeft dat alle huurverhogingen die gebaseerd zijn op dit beding komen te vervallen. Dit betekent concreet dat QSP de huurprijs alleen mocht verhogen op grond van het indexatiebeding. QSP wordt daarom ook in de gelegenheid gesteld om haar vordering naar aanleiding hiervan nader te onderbouwen met een berekening van de gevorderde huurachterstand waarbij de huur alleen met de per jaar geldende indexatiepercentages is verhoogd. Ten aanzien van de vordering tot betaling van de huur vanaf 1 april 2025 geldt dat QSP in de gelegenheid gesteld wordt om een soortgelijke berekening te overleggen voor de hoogte van de huurprijs vanaf 1 april 2025.

De zaak zal worden verwezen naar de rol van woensdag 17 juni 2026 voor het nemen van een akte door QSP over wat hiervoor is vermeld. Nadat QSP zich over het voorgaande heeft uitgelaten, zullen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de gelegenheid worden gesteld om hierop bij akte te reageren.

Ten aanzien van [gedaagde 1]

[gedaagde 1] erkent dat hij deels in gebreke is gebleven met het betalen van zijn huur. Hierdoor komt vast te staan dat hij niet aan de uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan. [gedaagde 1] voert aan dat de oorzaak van de huurachterstand het beëindigen is van de arbeidsrelatie tussen hem en [gedaagde 2] . Dat het deels onbetaald laten van de maandelijkse huur een gevolg is (geweest) van betalingsonmacht in plaats van -onwil is, hoe vervelend ook, een omstandigheid die in de risicosfeer van [gedaagde 1] ligt. De vordering tot betaling van de huurachterstand is daarom in beginsel toewijsbaar.

Naast de huurachterstand vordert QSP een veroordeling tot betaling van de lopende huur van € 1.112,92 vanaf 1 april 2025, onder voorbehoud van (wettelijk) toegestane huurverhogingen. Deze vordering wordt niet betwist door [gedaagde 1] en is daarom in beginsel toewijsbaar.

Nu QSP nog inlichtingen zal moeten verschaffen omtrent het opslagbeding en, indien het opslagbeding wordt vernietigd, een berekening zal moeten geven over de huurachterstand en huurprijs vanaf 1 april 2025, zal de kantonrechter de beslissing over de hoogte van het toe te wijzen bedrag aanhouden. Mocht uit de berekening van QSP blijken dat, bij vernietiging van het opslagbeding, er geen huurachterstand is, dan zal de kantonrechter de vordering tot betaling van de huurachterstand afwijzen.

Ten aanzien van [gedaagde 2]

QSP en [gedaagde 2] twisten er niet over dat [gedaagde 2] zich persoonlijk garant heeft gesteld voor de huurverplichtingen van [gedaagde 1] tot een maximaal bedrag van € 5.000,00. Wel twisten partijen over de vraag of [gedaagde 2] gehouden is tot betaling van deze huurachterstand. QSP stelt dat zij op 2 april 2025 de garantstelling voor de huurachterstand heeft ingeroepen door de brief die zij heeft gestuurd aan [gedaagde 2] . [gedaagde 2] voert aan dat de aanmaningen die QSP overlegt voornamelijk zien op een huurachterstand die niet wordt gevorderd in dit geding. Ook voert [gedaagde 2] aan dat QSP hem niet, of in ieder geval veel te laat, in kennis heeft gesteld van de huurachterstand. Hierdoor is QSP tekortgeschoten richting [gedaagde 2] en daarmee schadeplichtig, aldus [gedaagde 2] .

QSP overlegt bij dagvaarding een aantal aanmaningen, zowel per brief als per e-mail, die zij heeft gestuurd aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Echter, los van de brieven van 2 april 2025, ziet de correspondentie op een huurachterstand die niet wordt gevorderd (en hoogstwaarschijnlijk inmiddels is voldaan). Voor de vorderingen van QSP zijn deze aanmaningen in die zin dus niet relevant.

QSP voert aan zij op 2 april 2025 [gedaagde 2] een brief heeft gestuurd waarin zij mededeling doet van de huurachterstand en de borgstelling inroept. Doordat [gedaagde 2] betwist dat hij de brief van 2 april 2025 heeft ontvangen, ligt het op de weg van QSP om aan te tonen dat deze brief wel is verzonden en ontvangen. Uit artikel 3:37 lid 3 BW volgt namelijk dat een verklaring de geadresseerde heeft bereikt, als de verklaring door hem is ontvangen. De bewijslast dat de verklaring is verstuurd en ontvangen ligt bij de verzender. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2013:BZ4104) moet de afzender stellen en zo nodig bewijzen dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan de afzender redelijkerwijs mocht aannemen dat de persoon daar kon worden bereikt en dat de verklaring daar is aangekomen. Het staat vast dat de brief van 2 april 2025 niet aangetekend verzonden is, het risico van het eventueel niet aankomen van de brief is in dat geval voor QSP. Doordat QSP geen nadere onderbouwing geeft waaruit blijkt dat de brief is verstuurd en ontvangen, komt niet vast te staan dat de brief door [gedaagde 2] is ontvangen.

Artikel 7:855 lid 2 bepaalt dat de schuldeiser die de hoofdschuldenaar in gebreke stelt, ook verplicht is hiervan tegelijkertijd de borg mededeling te doen. Gelet op het voorgaande heeft QSP dus niet voldaan aan de verplichting om de borg tegelijkertijd met de hoofdschuldenaar in gebreke te stellen. Het niet nakomen van deze verplichting brengt in beginsel met zich mee dat de schuldeiser schadevergoeding verschuldigd is. Het betekent dus niet dat QSP geen beroep kan doen op de borgstelling van [gedaagde 2] , waardoor [gedaagde 2] wel gehouden is tot betaling van de gevorderde huurachterstand.

Volgens [gedaagde 2] heeft hij schade geleden omdat hij niet de mogelijkheid heeft gehad om betaling door [gedaagde 1] te bewerkstelligen, en het ontstaan van verdere huurschulden en bijbehorende kosten te voorkomen. Bij het ontstaan van de huurschulden in het begin van 2024 was [gedaagde 1] nog werknemer van de onderneming van [gedaagde 2] maar op 2 april 2025 niet meer. Hierdoor stelt [gedaagde 2] dat hij ernstig beperkt wordt in zijn verhaalsmogelijkheden. QSP voert aan dat zij [gedaagde 2] meermaals heeft aangeschreven als garantsteller en dat hij wel degelijk op de hoogte was van de vordering. Ook voert QSP aan dat het nadeel dat [gedaagde 2] heeft geleden onvoldoende gemotiveerd is.

De kantonrechter is het met QSP eens dat [gedaagde 2] de schade die hij heeft geleden, onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd. Volgens [gedaagde 2] had hij, bij een tijdige mededeling, nog mogelijkheden om de huurachterstand te beperken omdat [gedaagde 1] werknemer was van zijn onderneming. Echter gaat het in deze procedure om een vordering van de huurachterstand vanaf augustus 2024, een moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen gedaagden al was geëindigd (en volgens [gedaagde 1] de reden is van het ontstaan van de huurachterstand). Dat [gedaagde 2] dus meer mogelijkheden had als werkgever, is dus niet aan de orde. Andere feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat [gedaagde 2] schade heeft geleden worden niet gesteld en onderbouwd. Nu niet vast komt te staan dat [gedaagde 2] schade heeft geleden, is [gedaagde 2] in beginsel gehouden tot betaling van de huurachterstand. Nu QSP nog inlichtingen zal moeten verschaffen omtrent het opslagbeding en een berekening zal moeten geven over de huurachterstand, zal de kantonrechter de beslissing over de hoogte van het toe te wijzen bedrag aanhouden. Mocht uit de berekening van QSP blijken dat, bij vernietiging van het opslagbeding, er geen huurachterstand is, dan zal de kantonrechter de vordering tot betaling van de huurachterstand uit hoofde van de garantstelling alsnog afwijzen.

QSP vordert verder een hoofdelijke veroordeling van de lopende huur. Artikel 7:855 lid 1 BW bepaalt dat de borg niet gehouden is tot nakoming voordat de hoofdschuldenaar in de nakoming van zijn verbintenis tekort is geschoten. Niet gesteld noch gebleken is, dat [gedaagde 1] in verzuim is met de huurverplichtingen vanaf 1 april 2025. Gelet hierop kan [gedaagde 2] niet veroordeeld worden tot nakoming.

5. De beslissing

De kantonrechter

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 17 juni 2026 voor het nemen van een akte door QSP over wat is vermeld onder rechtsoverweging 4.12, waarna [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kunnen nemen,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

68348 51588

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.D.R. Joppe

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand