ECLI:NL:RBGEL:2026:6133

ECLI:NL:RBGEL:2026:6133

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 29-07-2026
Datum publicatie 29-07-2026
Zaaknummer ARN 24/6045
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

In een eerder jaar niet afgetrokken negatief loon kan niet in een later jaar alsnog worden afgetrokken. Van een gestelde regresvordering is niet gebleken, afwaardering van een zodanige vordering is daarom niet mogelijk.

Uitspraak

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 juli 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. F.A. Piek),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur,

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 23 april 2024.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.427 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 556. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, bijgestaan door zijn gemachtigde en, namens de inspecteur, [persoon 1] .

Feiten

1. Belanghebbende is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf] ( [bedrijf] ). [bedrijf] houdt (in)direct aandelen en/of is (in)direct bestuurder in verschillende andere vennootschappen, waaronder [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] ) en [bedrijf 3] ( [bedrijf 3] ).

2. [bedrijf 2] is failliet verklaard. Haar curator (de curator) heeft daarop [bedrijf 3] , [bedrijf] en belanghebbende aangesproken op grond van bestuurdersaansprakelijkheid.

3. Belanghebbende, [bedrijf] en [bedrijf 3] enerzijds en de curator anderzijds zijn onderling overeengekomen dat [bedrijf] € 150.000 hoofdelijk is verschuldigd aan de curator en dat belanghebbende en CVG zich hoofdelijk aansprakelijk stellen voor het door [bedrijf] verschuldigde bedrag. Van genoemde € 150.000 zijn zij overeengekomen dat € 40.000 uiterlijk 8 mei 2018 aan de curator is betaald en dat het restant van € 110.000 daaropvolgend in 24 maandelijkse termijnen. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft deze afspraken in een arrest van 15 mei 2018 bevestigd.

4. Van onderlinge afspraken tussen belanghebbende, [bedrijf] en [bedrijf 3] over betalingen aan de curator is niets gebleken.

5. Op 8 mei 2018 is als onderdeel van de hiervoor genoemde betaling van € 40.000 namens belanghebbende € 28.661 van een derdengeldrekening overgemaakt aan de curator.

6. [bedrijf] is 1 december 2020 failliet verklaard.

7. Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV 2020 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.344. In de aangifte is een bedrag van € 28.611 opgenomen als kosten ter zake van de ter beschikkingstelling van vermogensbestanddelen (kosten tbs).

8. Met dagtekening 10 november 2023 is de definitieve aanslag IB/PVV 2020 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.427. Bij het opleggen van de aanslag zijn de aangegeven kosten tbs gecorrigeerd.

Beoordeling door de rechtbank

9. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende de betaling van € 28.661 op 8 mei 2018 in 2020 in aftrek kan brengen op zijn belastbaar inkomen uit werk en woning, hetzij als negatief loon, hetzij als afwaardering van een regresvordering op [bedrijf] . Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

10. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

11. Tussen partijen is niet in geschil dat de betaling moet worden aangemerkt als negatief loon. De rechtbank volgt partijen hierin, omdat zij – gelet op de aansprakelijkheidsstelling van belanghebbende als (indirect) bestuurder – uitgaan van een juiste rechtsopvatting.

12. Belanghebbende stelt dat de verplichting tot schadevergoeding uit hoofde van de bestuursaansprakelijkheid negatief loon vormt. [bedrijf] is in 2020 failliet verklaard. Om die reden kan belanghebbende het negatief loon definitief niet meer verhalen en kan zij dat bedrag in 2020 in aftrek brengen.

13. De inspecteur stelt dat het negatief loon in 2018 in aftrek kon worden gebracht. Er is geen sprake van een regresvordering op [bedrijf] die in 2020 kan worden afgewaardeerd. Het bestaan daarvan kan namelijk niet worden afgeleid uit de aangiften IB/PVV 2018 – 2020 van belanghebbende en de aangiften Vpb 2018 – 2020 van [bedrijf] .

14. Aftrek van negatief loon vindt plaats in het jaar van betaling. Niet in geschil is dat in deze zaak een betaling in 2018 heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat in dat jaar deze kosten voor aftrek in aanmerking komen. Voor het belastingjaar 2020 heeft belanghebbende dus geen recht op aftrek van het negatief loon.

15. Het voorgaande is anders indien de betaling van het negatief loon ertoe heeft geleid dat belanghebbende een regresvordering op [bedrijf] heeft gekregen die in 2020 tot nihil zou kunnen afwaarderen. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, dit aannemelijk moet maken.

16. Belanghebbende is niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Uit geen enkel stuk blijkt dat belanghebbende meer heeft betaald dan waarvoor hij in privé aansprakelijk was en dat hij daardoor een regresvordering op [bedrijf] zou hebben gekregen. Hierbij geldt in het bijzonder dat het bestaan van een regresvordering niet blijkt uit de aangiften Vpb 2018 en 2020 van [bedrijf] . Daarnaast heeft belanghebbende ter zitting desgevraagd verklaard dat hij in de aangifte IB/PVV 2018 geen regresvordering op [bedrijf] heeft opgenomen. Ook heeft hij ter zitting verklaard dat hij was vergeten om het negatief loon in de aangifte IB/PVV 2018 in aftrek te brengen en daarom in de aangifte IB/PVV 2020 alsnog als kosten tbs in aftrek heeft gebracht. Het enkele feit dat belanghebbende in zijn aangifte IB/PVV 2018 geen negatief loon in aftrek heeft gebracht, betekent niet dat een juridische grondslag aanwezig is om dat bedrag alsnog in de aangifte IB/PVV 2020 in aftrek te brengen.

17. Uit het voorgaande volgt dat geen grondslag bestaat om de betaling uit 2018 in 2020 in aftrek op het belastbaar inkomen uit werk en woning te brengen.

18. De inspecteur heeft in het kader van interne compensatie nog aangevoerd dat belanghebbende ten onrechte geen gebruikelijk loon in de zin van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 heeft aangegeven. Gelet op wat hiervoor is overwogen, komt de rechtbank niet toe aan een oordeel op dit punt.

Belastingrente

19. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Verzoek vergoeding immateriële schade

20. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.

21. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.

22. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn vast te stellen op langer dan twee jaar. De inspecteur heeft het bezwaarschrift tegen de aanslag ontvangen op 14 november 2023. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) twee jaar en negen maanden. Op het moment van doen van uitspraak door de rechtbank is de redelijke termijn met negen maanden overschreden, afgerond een jaar. Dit betekent een vergoeding van € 1.000. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 23 april 2024. De overschrijding van de redelijke termijn is volledig toerekenbaar aan de beroepsfase. De rechtbank zal daarom de Staat veroordelen om € 1.000 aan belanghebbende te betalen.

Conclusie en gevolgen

23. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2020 en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de procedure. Uitsluitend als gevolg daarvan heeft belanghebbende, ondanks de ongegrondheid van het beroep, recht op een forfaitaire proceskostenvergoeding voor het beroep. De rechtbank stelt de proceskosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 233,50 (1 punt voor het verzoek om een schadevergoeding met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25). De Staat dient deze proceskostenvergoeding te betalen, omdat de gehele overschrijding van de redelijke termijn aan haar toerekenbaar is. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade is na 31 mei 2024 gedaan. Belanghebbende heeft daarom geen recht op vergoeding van griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.000;

- veroordeelt de Staat tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan belanghebbende;

- bepaalt dat de bedragen van de vergoeding immateriële schade en proceskosten door de Staat vermeerderd dienen te worden met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.

Uitgesproken op 29 juli 2026.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026080303 V-N Vandaag 2026/1610 FutD 2026-1408 NDFR Nieuws 2026/1241 NTFR 2026/1565 met annotatie van drs. R.P. Bitter
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand