ECLI:NL:RBGEL:2026:6393

ECLI:NL:RBGEL:2026:6393

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 12-08-2026
Datum publicatie 12-08-2026
Zaaknummer ARN 24/6431
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Vennootschapsbelasting. Geen geruisloze inbreng. Belaste winst bij inbreng te hoog vastgesteld. Beroep gegrond.

Uitspraak

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 augustus 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaatsnaam] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Zwolle, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 13 april 2024.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 45.792 (de navorderingsaanslag).

Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 3.136 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslag verminderd naar een belastbaar bedrag van € 22.193. De inspecteur heeft de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd tot € 1.378.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens belanghebbende [persoon 1] deelgenomen en namens de inspecteur hebben deelgenomen: [persoon 2] en [persoon 3] .

Deze zaak is gezamenlijk en gelijktijdig behandeld met de zaak met procedurenummer 24/6317.

Feiten

1. De heer [persoon 1] is bestuurder van belanghebbende. Hij houdt via [stichting] alle aandelen in belanghebbende.

2. Belanghebbende en [B.V. 1] (aandeelhouder van laatstgenoemde vennootschap is de vader van de heer [persoon 1] ) houden vanaf 24 maart 2017 beiden een 50%-belang in [B.V. 2] Zij hebben dit belang verkregen tegen inbreng van de door hen voor eigen rekening onder de naam " [maatschap] " gedreven onderneming.

3. Belanghebbende en [B.V. 1] waren ten tijde van de inbreng de twee maten van [maatschap] .

4. Tot de ingebrachte activa behoort onder andere een voor twee/derde onverdeeld aandeel in de eigendom van 31 registergoederen.

5. Het andere één/derde onverdeeld aandeel in de eigendom van 31 registergoederen is op 8 augustus 2017 door [B.V. 2] gekocht van [B.V. 3] voor € 465.000.

6. Naar aanleiding van een boekenonderzoek is onderhavige navorderingsaanslag over het jaar 2017 opgelegd omdat de inspecteur van mening is dat de inbreng, in tegenstelling tot wat in de oprichtingsakte is vermeld, niet heeft plaatsgevonden met toepassing van artikel 3.65 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

7. Ten tijde van het opleggen van de navorderingsaanslag zijn van de 31 ingebrachte/gekochte registergoederen alleen [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] nog in het bezit van [B.V. 2] Uit praktische overwegingen is in overleg met de adviseur alleen nagevorderd over de hiervoor genoemde panden.

8. Tijdens het boekenonderzoek heeft de controlemedewerker een document aangetroffen waarin de balanswaarde 2016, de WOZ-waarde 2017 en de marktwaarde van de drie panden zijn opgenomen.

9. De belaste winst bij inbreng per registergoed is vastgesteld op het verschil tussen de marktwaarden en de aangegeven balanswaarden.

10. Bij het opleggen van de navorderingsaanslag is de belastbare winst van belanghebbende verhoogd met 50% van de belaste inbreng. De belastbare winst en het belastbaar bedrag zijn vastgesteld op € 45.792. De overige 50% van de belaste inbreng is toegerekend aan [B.V. 1]

11. Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslag bezwaar gemaakt. Belanghebbende heeft maar één/derde onverdeeld aandeel in de registergoederen ingebracht, derhalve had ook maar één/derde deel van de belaste inbreng bijgeteld moeten worden. Bij uitspraak op bezwaar is de belastbare winst en het belastbare bedrag verminderd met € 23.599 naar € 22.193.

12. Voor de overdrachtsbelasting heeft [B.V. 2] bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte, waarbij de heffingsgrondslag ter zake van de verkrijging van onroerende zaken is verminderd tot € 293.000.

Beoordeling door de rechtbank

13. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

14. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Geen toepassing van artikel 3.65 van de Wet IB 2001

15. In artikel 3.65 van de Wet IB 2001 is de wettelijke regeling opgenomen voor de omzetting van een onderneming in de zin van de Wet IB 2001 in (kort gezegd) een B.V. Indien aan de voorwaarden wordt voldaan, kan op verzoek de inkomstenbelastingclaim worden doorgeschoven. Eén van de vereisten is dat het moet gaan om een onderneming in de zin van de Wet IB 2001. Daarvan is in dit geval geen sprake, gelet op het feit dat het gaat om B.V.’s, zodat reeds hierom artikel 3.65 van de Wet IB 2001 niet van toepassing is. Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd bevestigd dat niet aan de voorwaarden is voldaan.

De rechtbank is van oordeel dat artikel 3.65 van de Wet IB 2001 niet van toepassing was en ook niet kon zijn ter zake van de inbreng. De inbreng kon op die manier dus niet fiscaal geruisloos plaatsvinden.

Vertrouwensbeginsel

16. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat zij mocht vertrouwen op de door haar ingeschakelde professionele adviseurs dat de herstructurering juridische en fiscaal juist was vormgegeven. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen vertrouwen kan ontlenen aan hetgeen haar adviseurs haar hebben medegedeeld ter zake van de fiscale aanvaardbaarheid van de herstructurering. Het is de taak van de inspecteur om de fiscale gevolgen daarvan zelfstandig te toetsen aan wet- en regelgeving en – als daar aanleiding voor is – een ander standpunt in te nemen.

17. De rechtbank vat de stelling van belanghebbende dat de inspecteur in 2018 akkoord is gegaan met een verkrijgingswaarde van € 293.000 voor de berekening van de verschuldigde overdrachtsbelasting door [B.V. 2] op als een beroep op het vertrouwensbeginsel.

18. Deze beroepsgrond slaagt niet. De overdrachtsbelasting is een geheel andere belasting dan de vennootschapsbelasting. [B.V. 2] is bovendien een andere belastingplichtige. Er is door de inspecteur geen expliciete toezegging gedaan dat de uitkomst voor de verschuldigde overdrachtsbelasting door [B.V. 2] ook doorwerkt naar de verschuldigde vennootschapsbelasting door belanghebbende.

Waardering

19. Belanghebbende is verder van mening dat de waardering van de objecten niet juist is. De inspecteur is daarbij uitgegaan van een document dat tijdens het boekenonderzoek naar voren is gekomen. Belanghebbende heeft ter zitting gemotiveerd betwist dat dat stuk de juiste taxatiewaarden weergeeft. Dat stuk is afkomstig van de advocaat van [B.V. 3] en is opgesteld in het kader van de onderhandelingen ter zake van de overdracht van het één/derde aandeel aan belanghebbende. De genoemde “marktwaarden” zijn niet door taxatie tot stand gekomen, maar zijn onderdeel van het totaalpakket waarover een deal is gesloten. Belanghebbende bepleit dat voor de waardering van de onroerende zaken uitgegaan moet worden van de boekwaarden. Een onderbouwing daarvan ontbreekt echter. Omdat beide partijen geen taxatiewaarden hebben overgelegd, sluit de rechtbank in goede justitie aan bij de WOZ-waarden van de onroerende zaken van in totaal € 326.000.

20. De belaste winst bij inbreng dient daarom als volgt te worden vastgesteld:

21. De belastbare winst moet daarom met in totaal € 37.990 (zijnde € 141.591 minus € 103.601) worden verminderd. Daarbij wordt bij belanghebbende en [B.V. 1] ieder één/derde deel in aanmerking genomen.

22. De navorderingsaanslag dient daarom als volgt te worden vastgesteld:

Belastingrente

23. Belanghebbende is het niet eens met de in rekening gebrachte belastingrente, omdat haar niets te verwijten valt omdat zij is afgegaan op de door haar ingeschakelde deskundigen.

24. De rechtbank oordeelt als volgt. Omdat niet naar de juiste bedragen aangifte is gedaan en daardoor te weinig Vpb is betaald, heeft de inspecteur onderhavige navorderingsaanslag opgelegd en daarbij belastingrente in rekening gebracht conform de daarvoor geldende wettelijke bepalingen.

25. Als de inspecteur met het opleggen van de navorderingsaanslag onredelijk lang wacht, zou de belastingrente moeten worden gematigd. Die vertraging moet aan de inspecteur te wijten zijn. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake. Voor het in rekening brengen van belastingrente speelt de vraag of belanghebbende iets te verwijten is en of zij is afgegaan op hetgeen haar adviseurs haar hebben meegedeeld, geen enkele rol.

26. Uit het voorgaande volgt dat aan belanghebbende terecht belastingrente in rekening is gebracht. Als gevolg van de vermindering van de belastbare winst, dient de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig te worden verminderd.

Conclusie en gevolgen

27. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd en, de belastbare winst verder wordt verminderd tot € 9.530.

28. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van haar proceskosten omdat niet is gebleken dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

29. De inspecteur moet vanwege het gegronde beroep het betaalde griffierecht van € 371 aan belanghebbende vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- stelt de belastbare winst vast op € 9.530;

- vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;

- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 371 aan belanghebbende moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.

Uitgesproken op 12 augustus 2026.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2026/1683 Viditax (FutD) 2026081801 FutD 2026-1506 NDFR Nieuws 2026/1310
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand