uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 augustus 2026
in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 17 juli 2024 en 10 juni 2025.
Zaaknummer ARN 24/6737
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 72.076.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende
€ 509 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking 2020).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag verminderd tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.607. De inspecteur heeft de belastingrentebeschikking 2020 dienovereenkomstig verminderd.
Zaaknummer ARN 25/3208
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.419.
Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 916 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking 2021).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslag en de belastingrentebeschikking 2021 gehandhaafd.
Beide zaken
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 4 augustus 2026 tegelijk op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: namens de inspecteur, [persoon 1] . Belanghebbende is met bericht vooraf van verhindering niet verschenen.
Feiten
1. Belanghebbende en zijn partner woonden heel 2020 en een deel van 2021 in Duitsland. Zijn inkomsten verwierf belanghebbende in die jaren in Nederland.
2. Op 2 september 2021 zijn belanghebbende en zijn partner geremigreerd naar Nederland.
IB/PVV 2020 (zaaknummer ARN 24/6737)
3. Op 7 mei 2021 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV 2020 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, van € 59.385. In die aangifte heeft belanghebbende aftrekbare rente eigen woning van € 14.359 en een eigenwoningforfait van € 1.668 aangegeven, resulterend in negatieve inkomsten uit eigen woning van € 12.691 (€ 14.359 minus € 1.668).
4. Bij brief van 7 juli 2023 heeft de inspecteur aan belanghebbende laten weten voornemens te zijn af te wijken van de aangifte IB/PVV 2020 van belanghebbende. In die brief heeft de inspecteur het volgende vermeld:
“Geachte heer/mevrouw,
U hebt aangifte inkomstenbelasting 2020 gedaan waarbij u hebt aangegeven gezamenlijk met uw partner kwalificerend buitenlands belastingplichtige te zijn. Om te kunnen kwalificeren moeten u én uw partner dan naast de aangifte ook een inkomensverklaring insturen. Tot nu heb ik die inkomensverklaring(en) nog niet ontvangen.
Stuur de inkomensverklaringen binnen 4 weken op
Stuur uw inkomensverklaring en die van uw partner zo snel mogelijk op, uiterlijk binnen 4 weken na de datum op deze brief. U kunt de inkomensverklaring 2020 downloaden van onze site. Vul de verklaringen in en laat de belastingdienst van uw woonland de verklaringen ondertekenen en stempelen.
Hebt u de verklaringen inmiddels opgestuurd, dan kunt u deze brief als niet verzonden beschouwen.
Geen inkomensverklaringen: gevolgen voor uw aanslagen inkomstenbelasting 2020
Als u de inkomensverklaringen niet binnen 4 weken alsnog opstuurt, merk ik u en uw partner niet aan als kwalificerend buitenlands belastingplichtigen. Dit betekent dat ik u ook niet kan aanmerken als fiscale partners. U hebt dan geen recht op de aftrekposten en/of heffingskortingen, die u beiden in de aangifte inkomstenbelasting claimden. Het gaat bijvoorbeeld om de hypotheekrente van een eigen woning of het inkomstenbelastingdeel van de algemene heffingskorting.
Wat precies de gevolgen voor u en uw partner zijn, ziet u als u de aanslagen 2020 ontvangt.
(…)”
5. Met dagtekening 15 september 2023 heeft de inspecteur een aanslag IB/PVV 2020 op naam van belanghebbende vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 72.076 (€ 59.385 als door belanghebbende aangegeven plus een correctie negatieve inkomsten uit eigen woning van € 12.691). Daarbij heeft de inspecteur € 509 belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij brief ontvangen door de inspecteur op 18 oktober 2023.
6. Bij e-mailbericht van 5 januari 2024 heeft belanghebbende de gevraagde inkomensverklaring overgelegd.
7. Bij e-mailbericht van 15 januari 2024 heeft belanghebbende een factuur van de [gemeente] aan de inspecteur verstrekt met als omschrijving ‘Rente en Aflossing Hypotheek over het jaar 2020 bij de [gemeente] ’. Uit die factuur volgt dat belanghebbende over 2020 € 11.136,63 aan rente en € 9.062,33 aan aflossingen was verschuldigd. Daarnaast heeft belanghebbende salarisspecificaties 2020 aan de inspecteur verstrekt waaruit volgt dat belanghebbende maandelijks een bedrag van € 1.683,24 aan de [gemeente] betaalt met als omschrijving ‘ [omschrijving] .’
8. Bij e-mailbericht van 16 februari 2024 heeft de inspecteur het volgende aan belanghebbende geschreven:
“Geachte heer [belanghebbende] ,
Uit de salarisstroken leid ik af dat er vanwege een annuïtaire hypotheek maandelijks een bedrag wordt ingehouden van € 1.683,24. Dit bedrag x 12 komt overeen met het totaalbedrag van € 20.198,96 op de door u verstrekte factuur. Deze factuur laat een splitsing zien van een bedrag aan hypotheekrente ad € 11.136,63 en een bedrag aan aflossing ad
€ 9.062,33. Zoals in mijn eerdere mail vermeld heeft u in de aangifte een bedrag aan hypotheekrente vermeld ad € 14.359. U heeft mij geen verklaring gegeven voor het verschil in hypotheekrente.
Met betrekking tot uw opmerking over “achterstand in dat jaar” het volgende. Ik heb in de salarisspecificaties 01 t/m 06 gezien dat er bedragen (totaalbedrag € 2.418,62) worden vermeld met als omschrijving “Reden achterstand hypotheekaflossing”. Dit bedrag verklaart ook het verschil in gefactureerde hypotheekrente en de door u aangegeven hypotheekrente niet. Afgezien daarvan is de “aflossing” natuurlijk niet aftrekbaar.
(…)”
9. Bij brief van 2 juli 2024 heeft de inspecteur zijn motivering uitspraak op bezwaar aan belanghebbende gegeven. In die brief heeft de inspecteur onder meer aangegeven (alsnog) rekening te zullen houden met een bedrag aan aftrekbare rente eigen woning van
€ 11.136,63 en heeft hij aangegeven hoe hij tot dit bedrag is gekomen:
“(…)
Dan met betrekking tot het bedrag van de aftrek vanwege de eigen woning in Duitsland. Omdat de betalingsoverzichten van de hypotheekrente niet werden verstrekt stuurde ik op 8 januari 2024 een extra e-mail.
Op 15 januari 2024 ontving ik via e-mail een factuur van de [gemeente] . Hierop staat een bedrag aan hypotheekrente vermeld ad € 11.136,63 en een bedrag aan aflossing van€ 9.062,33. Omdat het bedrag aan hypotheekrente in deze factuur niet overeenkomt met het in de aangifte vermelde bedrag ad € 14.359 stuurde ik u op 24 januari 2024 een extra mail met vragen.
Op 7 februari 2024 stuurt u mij vervolgens via e-mail een antwoord onder bijvoeging van alle maandelijkse salarisspecificaties van uw werkgever de [gemeente] . Uit deze salarisspecificaties blijkt sprake van een annuïtaire hypotheek en inhouding van maandelijks een bedrag ad € 1.683,24 aan rente en aflossing. Dit bedrag x 12 komt overeen met het totaalbedrag ad€ 20.198,96 op de door u verstrekte factuur. Een verklaring voor het verschil in hypotheekrente in de aangifte en op de factuur wordt echter niet door u gegeven. Ook werden nog niet alle gevraagde stukken ontvangen. Daarom stuurde ik u op 16 februari 2024 opnieuw een e-mail met betrekking tot het voorgaande.
Op 26 februari 2024 ontving ik via e-mail stukken inzake de koopakte maar wederom geen verklaring voor het verschil in hypotheekrente. Daarnaast stuurde u mij op gelijke datum een e-mail waarin u aangeeft dat voor het jaar 2021 zaken onjuist zijn ingevuld onder bijvoeging van ook voor dit jaar alle maandelijkse salarisspecificaties. Omdat ik vanwege ziekte langdurig afwezig ben geweest kon ik pas recent hierop reageren.
Op 12 juni 2024 stuurde ik u een e-mail met (nog eens) mijn bevindingen voor de jaren 2020 en 2021 waarbij ik u in de gelegenheid heb gesteld om binnen 2 weken te reageren. In dit mailbericht heb ik u aangegeven rekening te houden met het bedrag aan hypotheekrente ad
€ 11.136,63. Dit betekent dat ik het in de aangifte vermelde bedrag ad€ 14.359 zal corrigeren. Ik heb hierop geen reactie meer van u ontvangen.
(…)”
10. Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 17 juli 2020 heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende nader vastgesteld als volgt:
€ 72.076 (eerder vastgesteld) minus € 11.137 (aftrekbare rente eigen woning) plus € 1.668 (eigenwoningforfait) is € 62.607.
IB/PVV 2021 (zaaknummer 25/3208)
11. Op 31 augustus 2022 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV 2021 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, van € 46.771. In die aangifte heeft belanghebbende aftrekbare rente eigen woning van € 26.674 en een eigenwoningforfait van € 929 aangegeven, resulterend in negatieve inkomsten uit eigen woning van € 25.745 (€ 26.674 minus € 929).
12. Met dagtekening 28 november 2023 heeft de inspecteur een aanslag IB/PVV 2021 op naam van belanghebbende vastgesteld overeenkomstig de aangifte van belanghebbende.
13. Bij e-mailbericht van 12 juni 2024 heeft de inspecteur onder meer het volgende aan belanghebbende laten weten:
“Geachte heer [belanghebbende] ,
(…)
Aangifte 2021 van uzelf
Voor dit jaar werd de definitieve aanslag reeds opgelegd met dagtekening
28 november 2023. Uit de aangifte leid ik af dat u op 02-09-2021 bent verhuisd naar Nederland, dat de woning in Duistland werd verkocht en dat geen sprake is van een andere “eigen woning”. U vermeldt vervolgens een bedrag aan hypotheekrente ad € 26.674. U geeft verder aan dat van dit bedrag € 13.337 in de Nederlandse periode en een bedrag ad € 12.408 in de buitenlandse periode.
Volgens de door uw verstrekte salarisspecificaties werd tot en met september voor uw annuïtaire hypotheek een bedrag ad € 1.683,24 per maand ingehouden. Dit bedrag bestaat, zoals ook al vastgesteld voor het jaar 2020, uit een bedrag aan hypotheekrente en aflossing. Omdat het een annuïtaire hypotheek betreft blijft het maandelijks bedrag gelijk maar wordt de verhouding tussen aflossing en hypotheekrente steeds anders. Bij gebrek aan een factuur zoals ook door u verstrekt voor het jaar 2020 kan ik niet het precies bedrag aan hypotheekrente bepalen. Het is volgens mij echter wel duidelijk dat het door u in de aangifte vermelde bedrag, gezien al het hiervoor vermelde, veel te hoog is geweest.
(…)”
14. Bij brief van 1 augustus 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende een kennisgeving navordering gezonden. Daarin heeft hij onder meer het volgende vermeld:
“Geachte heer [belanghebbende] .
(…)
In uw mailbericht van 26 februari 2024 heeft u vermeld dat de aangiftes voor het jaar 2021 van u en uw partner op het onderdeel Eigen woning ook niet correct werden ingevuld. Door u werden alle maandelijkse loonspecificaties voor het jaar 2021 bijgevoegd. Volgens deze loonspecificaties werd door uw werkgever de [gemeente] in de maanden januari tot en met september een bedrag ad € 1.683,24 ingehouden voor uw hypotheek. Dit sluit aan bij de informatie in de rubriek Eigen woning in de aangifte. Blijkbaar werd de woning om en nabij september 2021 verkocht. Omdat de inhoudingen zien op rente én aflossing verzocht ik u enkele malen, net als eerder voor het jaar 2020, mij de factuur van de [gemeente] te verstrekken waaruit de bedragen aan hypotheekrente en aflossing blijkt. Ik verwijs naar mijn e-mails van 12 juni 2024 en 2 juli 2024. U heeft hierop echter niet meer gereageerd.
Ik beschik inmiddels wel over een e-mail en een factuur van de [gemeente] welke zien op de hypotheekgegevens in het jaar 2021. U heeft deze eerder toegestuurd aan het Team Invordering.
Bij de beoordeling van de factuur heb ik geconstateerd dat deze vooraf op
18 januari 2021 aan u werd verzonden en op het gehele jaar ziet. Op dat moment was nog niet bekend dat u de woning zou gaan verkopen. Op de factuur staat een totaalbedrag vermeld ad € 20.198,96 welk bedrag wordt gesplitst in een bedrag aan rente ad € 10.702,35 en een bedrag aan aflossing ad € 9.495,61. Het totaalbedrag komt overeen met 12 maandelijkse termijnen van € 1.683,24.
Op grond van voormelde informatie ben ik van mening dat recht bestaat op een bedrag aan aftrek van hypotheekrente ad € 8.026 (€ 10.702 x 9/12 x € 10.702). In de aangifte werd door u een bedrag ad€ 26.674 aan hypotheekrente vermeld. Daarom leg ik de navorderingsaanslag op zoals hieronder vermeld.
Belastbaar inkomen volgens aangifte € 46.771
Minder hypotheekrente eigen woning (€ 26.674 - € 8.026) € 18.648
Belastbaar inkomen volgens navorderingsaanslag € 65.419
Ik heb vandaag op grond van artikel 16 Algemene wet rijksbelastingen deze navorderingsaanslag opgelegd.
(…)”
15. Met dagtekening 17 augustus 2021 heeft de inspecteur een navorderingsaanslag IB/PVV 2021 op naam van belanghebbende vastgesteld overeenkomstig zijn kennisgeving, dus naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.419. Daarbij heeft de inspecteur € 916 belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht. Belanghebbende heeft hiertegen bij brief ontvangen door de inspecteur op 24 september 2024 bezwaar gemaakt.
16. Bij uitspraak van 10 juni 2025 heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende afgewezen. De motivering luidt als volgt:
“Beoordeling van uw bezwaar
Omdat er door mijn collega, mevrouw [naam] op 1 augustus 2024 een kennisgeving navordering aan u is verzonden, ga ik er vanuit dat u met “de afwijking” doelt op de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2021, met [aanslagnummer] . Ik heb u een kopie aan van de brief toegezonden. U heeft geen gronden gesteld waaruit gemotiveerd blijkt waarom u het niet eens bent met deze navorderingsaanslag. Om die reden wijs ik uw bezwaar af.”
Beoordeling door de rechtbank
17. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2020 en de navorderingsaanslag IB/PVV 2021 tot de juiste hoogten zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
18. De beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
19. Belanghebbende is van mening dat hij het bedrag van de aanslag IB/PVV 2020 niet hoeft te betalen omdat hij nooit uitleg heeft gehad over waar dit bedrag op slaat. Ook ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2021 stelt belanghebbende dat hij geen nadere schriftelijke uitleg over de afwijking ten aanzien van de aangifte en de definitieve aanslag heeft ontvangen. Verder klaagt belanghebbende over de gebrekkige postbezorging op zijn adres, [adres] in [woonplaats] .
20. De inspecteur is van mening dat belanghebbende, op wie de bewijslast rust, geen recht heeft op een hogere aftrek rente eigen woning dan door de inspecteur (bij uitspraak op bezwaar) reeds toegekend. Dit geldt voor zowel 2020 als 2021.
21. Niet in geschil is dat belanghebbende en zijn partner kwalificerend buitenlands belastingplichtigen zijn.
22. Artikel 3.120 van de wet IB 2001 bepaalt dat de renten van schulden die behoren tot de eigenwoningschuld als kosten aftrekbaar zijn.
23. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, op wie de bewijslast rust, onvoldoende heeft gesteld, laat staan dat hij tegenover de betwisting door de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt, dat hij recht heeft op een hogere aftrek rente eigen woning dan door de inspecteur reeds toegekend bij het doen van uitspraak op bezwaar inzake de aanslag IB/PVV 2020, respectievelijk bij het vaststellen van de navorderingsaanslag IB/PVV 2021. Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd waaruit volgt dat hij meer rente heeft betaald dan € 11.137 (2020) dan wel € 8.026 (2021). Voor zover belanghebbende zich er over beklaagt dat de uitspraken op bezwaar een motiveringsgebrek bevatten, verwerpt de rechtbank dit. De inspecteur heeft gemotiveerd aangegeven waarom de aftrekbare rente eigen woning is vastgesteld op de door de inspecteur voorgestane bedragen (zie punten 9 en 16.). Ook de kennisgeving navordering (zie punt 14.) laat wat dit punt betreft niets aan duidelijkheid te wensen over. Dat belanghebbende de toelichtingen op de uitspraak op bezwaar mogelijk niet heeft ontvangen vanwege gebrekkige postbezorging valt de inspecteur niet tegen te werpen en kan bovendien niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een gebrekkige motivering.
24. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.
Conclusie en gevolgen
25. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2020, zoals die luidt na te zijn verminderd bij uitspraak op bezwaar, de navorderingsaanslag IB/PVV 2021 en de (verminderde) belastingrentebeschikkingen standhouden. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.S. Verzijlbergen, griffier.
Uitgesproken op 12 augustus 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.